nr. 7
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Onder dankzegging voor het verslag van de vaste commissie voor Sociale
Zaken en Werkgelegenheid, volgt hieronder een reactie van de regering op de
vragen die hierin door de leden van de fracties van de SP en de VVD worden
gesteld.
Algemeen
De regering is verheugd dat de leden van de SP-fractie het streven delen
naar «juridische opschoning» van de Invoeringswet Wet Werk en
bijstand.
Op de vraag van de leden van de SP-fractie welke consequenties het schrappen
van artikel 11, eerste lid, onderdeel c van de Wet werk en inkomen kunstenaars
(WWIK) heeft, kan de regering melden dat er als gevolg hiervan niets verandert
voor kunstenaars in de regeling. Genoemd onderdeel, dat komt te vervallen
in dit voorstel van wet, strekt er toe dat bij algemene maatregel van bestuur
voorwaarden dienen te worden gesteld aan de hand waarvan kan worden aangetoond
wie in enig jaar als kunstenaar werkzaam is geweest. Omdat het niet mogelijk
is een allesomvattende opsomming van bedoelde voorwaarden te geven, die in
voldoende mate recht doet aan de verschillende verschijningsvormen waarin
kunst tot uitdrukking komt, kiest de regering ervoor dit onderdeel te laten
vervallen.
Voor een antwoord op de vervolgvraag van de leden van de SP-fractie, hoe
en door wie momenteel wordt getoetst of een kunstenaar daadwerkelijk als zodanig
werkzaam is geweest, benadrukt de regering hier de rol van de adviserende
instelling, bedoeld in artikel 35 van de WWIK. Deze onafhankelijke instelling
adviseert de gemeente omtrent de beroepsmatigheid van de kunstenaar. De beroepsmatigheidsadvisering
is geen harde financiële beoordeling, maar een beoordeling van feitelijke
omstandigheden die in hun onderlinge verband moeten worden beschouwd. De adviserende
instelling moet van geval tot geval afwegen of uit de samenhang van deze omstandigheden
geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een beroepsmatig werkend kunstenaar.
Mede vanuit het oogpunt van rechtsgelijkheid is destijds in de WWIK opgenomen
dat de minister van SZW hiervoor één landelijk opererende instelling
wordt aangewezen. De minister van SZW draagt geen inhoudelijke verantwoordelijkheid
voor de gemaakte afwegingen bij deze onafhankelijke beroepsmatigheidstoets en de adviserende instelling is aan de minister van SZW geen verantwoording
verontschuldigd over de inhoudelijke aspecten van de advisering. Daar het
college beslist over het recht op uitkering, behoort het tot de verantwoordelijkheid
van de gemeenten om een inhoudelijk oordeel van de adviezen te betrekken in
de besluitvorming. Gelet hierop valt met het schrappen van de algemene maatregel
van bestuur niet de mogelijkheid voor de kunstenaar om aan te tonen in enig
kalenderjaar als kunstenaar werkzaam te zijn geweest.
Vervolgens vragen de leden van de SP-fractie de baten en lasten als gevolg
van de overgang van de regeling Bijstand Buitenland naar de Sociale Verzekeringsbank
(SVB) uiteen te zetten. Als gevolg van deze overgang verminderen de uitvoeringskosten
structureel met € 0,2 miljoen op jaarbasis (van € 0,55
miljoen naar € 0,35 miljoen). De eenmalige invoeringskosten in 2008
van de SVB van € 0,22 miljoen komen voor eigen rekening van deze
organisatie. Het volume aan uitkeringslasten bedraagt momenteel € 1,8
miljoen op jaarbasis en zal geleidelijk blijven dalen, doordat sinds 1996
géén nieuwe instroom meer mogelijk is in de regeling Bijstand
Buitenland.
De leden van de VVD-fractie wensen duidelijkheid over wat is er nu precies
is geregeld voor de WWIK in de nota van wijziging bij dit voorstel van wet.
Voor een antwoord op die vraag verwijst de regering naar het antwoord hiervoor
op een vergelijkbare vraag van de SP-fractie. In aanvulling hierop vragen
de leden van de VVD-fractie of een kunstenaar, die meer dan een jaar niet
als zodanig actief is, zijn uitkering kan worden ontnomen op grond van een
wettelijke bepaling. Het antwoord op die vraag is bevestigend. Op grond van
artikel 11, eerste lid, onderdeel c, WWIK, wordt ook na de voorgestelde wijziging
in deze het recht op uitkering beëindigd, indien de kunstenaar niet kan
aantonen in enig jaar als kunstenaar werkzaam te zijn geweest.
Artikelsgewijs
Artikel I, onderdeel B
De leden van de SP-fractie benadrukken het belang van de beslagvrije voet
als waarborg voor een bepaald inkomensniveau bij beslag. Hierbij wijzen zij
op een recent verschenen rapport van de sociaal raadslieden, waarin staat
dat sociale diensten de beslagvrije voet niet zonder meer in acht nemen. In
dit verband vragen zij of met het vervallen van artikel 46, derde lid, Wet
werk en bijstand (WWB), zoals voorgesteld in dit voorstel van wet, de garantie
blijft dat bij beslag op algemene bijstand de beslagvrije voet in acht wordt
genomen. De regering bevestigt in antwoord hierop dat ook na het vervallen
van artikel 46, derde lid, zoals voorzien in dit voorstel van wet, onverkort
de garantie blijft bestaan dat bij beslag op algemene bijstand de beslagvrije
voet in acht wordt genomen. Het betreft hier slechts een technische wijziging
die geen materiële gevolgen heeft.
In reactie op hierboven bedoeld rapport van de sociale raadslieden heb
ik bij brief van 11 juli 2008 aan de Tweede Kamer1 aangegeven dat een van de oorzaken voor het niet correct berekenen
van de beslagvrije voet is, dat gemeenten de berekening ingewikkeld vinden.
Om deze reden heb ik het initiatief genomen om in samenwerking met betrokken
organisaties, waaronder de Sociaal Raadslieden, een digitale rekentool te
ontwikkelen die de berekening van de beslagvrije voet bij verrekening van
te veel uitgekeerde bijstand vergemakkelijkt. Nadat de rekentool is uitgetest
zal deze gratis aan gemeenten en andere organisaties beschikbaar worden gesteld.
Als de rekentool beschikbaar komt, worden de gemeenten via de Verzamelbrief
hierop gewezen.
Artikel I, onderdeel C
De leden van de SP-fracties vragen of de verhaalsbepalingen die straks
in aangepaste vorm worden opgenomen in een nieuwe paragraaf in de WWB afwijken
van de huidige bepalingen die nog van toepassing zijn als tijdelijke maatregel.
Het antwoord van de regering op die vraag is ontkennend, omdat er géén
sprake is van inhoudelijke verschillen tussen beiden.
De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A. Aboutaleb