Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201831532 nr. 189

31 532 Voedingsbeleid

Nr. 189 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 oktober 2017

Onlangs heeft de Stichting Natuur & Milieu de «Voedselvisie naar een gezond en duurzaam voedselsysteem in 2030» uitgebracht. De vaste commissie voor Economische Zaken heeft verzocht om een reactie op deze visie. Kern van de Voedselvisie 2030 van Stichting Natuur & Milieu is dat het Nederlandse voedselsysteem zijn grenzen heeft bereikt, waardoor forse problemen zijn ontstaan op het gebied van klimaat, milieu, biodiversiteit, dierenwelzijn en economie. Stichting Natuur & Milieu neemt «een duurzaam voedselsysteem in 2030, met het Menu van Morgen en het klimaatverdrag van Parijs als uitgangspunten». Centraal staat een krimp van de Nederlandse veestapel: in 2030 zouden er, volgens deze visie, in Nederland circa 40% minder runderen en varkens zijn en circa 20% minder kippen. Stichting Natuur & Milieu heeft CLM Onderzoek & Advies gevraagd een review te schrijven op de visie.

In de eerste plaats en als algemene reactie wil ik uitspreken dat het kabinet het uitgangspunt van de Voedselvisie 2030 van Stichting Natuur & Milieu deelt dat een toekomstbestendig voedselsysteem belangrijke aanpassingen vergt van de voedselproductie en -consumptie. Ook het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft er nog onlangs in de Tussenbalans van de Leefomgeving 2017 op gewezen dat de milieudruk van de landbouw dermate groot blijft dat de doelen voor de natuur- en waterkwaliteit «nauwelijks dichterbij komen». Er wordt dus nog het nodige gevraagd van de agrarische sector en ook van andere ketenpartijen – tot en met de consument.

In de Voedselagenda die het kabinet in oktober 2015 heeft uitgebracht (Kamerstuk 31 532, nr. 156) en waarover in november 2016 een voortgangsbrief naar uw Kamer is verzonden (Kamerstuk 31 532, nr. 174), schetst het kabinet als ambitie dat Nederland voorop loopt in de voedseltransitie: «voorop in hoogwaardige efficiënte voedselproductie, voorop in de duurzaamheid van de landbouw, voorop in gezond voedsel dat geproduceerd wordt met zo min mogelijk gezondheidsrisico's. En we willen een van de belangrijkste exporteurs worden van de kennis en technologie die daarvoor nodig is.» Vanuit deze ambities onderschrijf ik de constatering dat een transitie van het voedselsysteem nodig is, waarbij het belangrijk is op te merken dat in de Voedselvisie 2030 wordt onderkend dat de Nederlandse landbouw, vergeleken met die in de meeste landen, zeer efficiënt en milieuvriendelijk produceert. Door de sector zijn de afgelopen tijd resultaten geboekt met bijvoorbeeld het terugdringen van verschillende emissies en het verbeteren van dierenwelzijn en er zijn veel maatschappelijke initiatieven die de beweging naar een «gezond en duurzaam voedselsysteem» versterken.

Een integrale benadering van de maatschappelijke opgaven die samenhangen met voedsel en voeding is de meest efficiënte manier om de problemen aan te pakken. Een aantal maatregelen die Stichting Natuur & Milieu bepleit, zijn ook geagendeerd in de Voedselagenda en in andere beleidsbrieven van het kabinet. Voorbeelden daarvan zijn de inzet op vergroening van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, een sterkere focus op export van kennis en kennisintensieve agroproducten en minder bulkproducten, het stimuleren van gezondere en meer duurzame voedselconsumptie (waaronder meer groente en fruit en meer plantaardige eiwitten), een transitie naar een meer natuurinclusieve landbouw en het verkennen van de mogelijkheden van True Pricing. Over True Pricing is uw Kamer in een brief van 30 augustus jl. geïnformeerd (Kamerstuk 31 532, nr. 187).

Stichting Natuur & Milieu stelt terecht dat de voedselproductie in Nederland zorgt voor 25% van de broeikasgasuitstoot. Iets meer dan de helft daarvan komt voor rekening van de primaire sector (26,4 Mton CO2 equivalenten in 2014) en daarvan is 13,6 Mton toe te rekenen aan vee (dieren en mestopslagen), dat wil zeggen de productie van vlees, eieren en zuivel. Stichting Natuur & Milieu pleit ervoor de veestapel in 2030 zodanig te verkleinen dat de uitstoot van broeikasgassen vanuit de veehouderij met 48% daalt. Dit zou nodig zijn om de klimaatdoelstellingen van Parijs te halen.

Om de doelstellingen van Parijs te realiseren is binnen de Europese Unie afgesproken om tot een gezamenlijke aanpak te komen. Daarvoor zijn inmiddels voorstellen binnen de Europese Unie in bespreking. Van belang is hoe de doelstellingen voor de wereld en voor Europa een vertaalslag krijgen naar de Nederlandse situatie. De EU heeft het Nederlandse «carbonbudget» voor 2030 nog niet vastgesteld en het volgende kabinet zal moeten bepalen welk aandeel daarvan door de primaire landbouw – of meer specifiek de veehouderij – moet worden gerealiseerd. Dit betreft dan een verdeling over alle non-ETS sectoren, waaronder de veehouderij. Het percentage zou dan anders kunnen worden dan de 48% waar Stichting Natuur & Milieu vanuit gaat.

De wijze waarop nationaal invulling gegeven zal moeten worden aan de klimaatdoelstellingen vereist een gezamenlijke inspanning van alle partijen, ook van de land- en tuinbouwsector. In dat kader is het van belang om naar het voedselsysteem als geheel te kijken, waarbij ook een rol is weggelegd voor de consument. Krimp van de veestapel, zoals Stichting Natuur & Milieu voorstelt, is een mogelijkheid om de uitstoot van broeikasgassen te reduceren, maar zeker niet de enige; een integrale afweging is nodig. Volgens het PBL is door technische maatregelen een forse reductie van de uitstoot van broeikasgassen in theorie mogelijk, hoewel de kosten van deze maatregelen hoog kunnen zijn.

Deze kanttekeningen bij het rapport nemen niet weg dat Stichting Natuur & Milieu met de «Voedselvisie naar een gezond en duurzaam voedselsysteem in 2030» een waardevolle bijdrage heeft geleverd aan de discussie over de toekomst van het voedselsysteem, waarbij naast de verduurzaming van de productie, ook aandacht nodig is voor een duurzamer en gezonder consumptiepatroon. Dit kabinet heeft hier in de Voedselagenda een aanzet voor gegeven. Het is aan het volgende kabinet om verder richting te geven en keuzes te maken.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp