Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201731530 nr. 2

31 530 Innovatieagenda energie

Nr. 2 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 9 februari 2017

In 2014 is door SEO Economisch Onderzoek (hierna: SEO) een brede beleidsdoorlichting gemaakt van artikel 14 van de begroting van het Ministerie van Economische Zaken dat gericht is op «een doelmatige en duurzame energievoorziening». In deze doorlichting heeft SEO geen uitspraken kunnen doen over de doeltreffendheid en doelmatigheid van de Innovatieagenda Energie, het energie-innovatiebeleid in de periode 2008–2012. SEO adviseerde de Innovatieagenda Energie alsnog te onderwerpen aan een op zichzelf staande evaluatie. In mijn brief van 19 december 2014 (Kamerstuk 30 991, nr. 17) heb ik daarom aangekondigd de Innovatieagenda Energie separaat te evalueren. Deze evaluatie is in 2016 uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). SEO heeft op mijn verzoek een onafhankelijk oordeel gegeven over de evaluatie.

In deze brief geef ik een korte toelichting op de Innovatieagenda Energie, de gehanteerde evaluatiemethode, de belangrijkste conclusies en aanbevelingen, en wat hiermee gedaan is of gedaan zal worden. Het evaluatierapport en het onafhankelijk oordeel van SEO zijn bijgevoegd1. Verder maak ik van deze brief gebruik om uw Kamer een reactie te geven op de moties Agnes Mulder (Kamerstuk 31 239, nr. 244) en Van Veldhoven en Jan Vos (Kamerstuk 31 239, nr. 239) over de vormgeving van het nieuwe onderzoekscentrum voor de energietransitie dat volgt uit de samenvoeging van het energieonderzoek van Stichting Energieonderzoek Centrum Nederland (Stichting ECN) en TNO.

Evaluatie van de Innovatieagenda Energie

De Innovatieagenda Energie is uitgevoerd van 2008 tot 2012. Het doel van de Innovatieagenda Energie was om innovatiesystemen rond een aantal belangrijke innovaties op gang te helpen. Hierin was de Innovatieagenda Energie destijds vernieuwend. Een innovatiesysteem wordt beschreven als het gehele milieu rond een innovatie, waarin processen plaatsvinden zoals ondernemersactiviteiten, kennisuitwisseling, kennisverspreiding en bevordering van markten.

Met deze aanpak werd beoogd om een aantal structurele veranderingen – ook wel transities of systeeminnovaties genoemd – tot stand te brengen in de energiehuishouding.

Het doel van de evaluatie was in beeld te brengen in hoeverre het beleid heeft bijgedragen aan de verdere opbouw van de innovatiesystemen rondom een aantal duurzame energie-innovaties. De methoden om dergelijke evaluaties uit te voeren zijn nieuw en nog in ontwikkeling. Ook was nog niet duidelijk welke informatie hiervoor nodig is. Daarom heb ik RVO de opdracht gegeven de evaluatie ter hand te nemen en aan de hand hiervan een praktische evaluatiemethode te ontwikkelen. Naar het oordeel van SEO is een goede en vernieuwende aanpak gehanteerd die leidt tot conclusies over het beleid in het verleden en belangrijke aanbevelingen over het toekomstig energie-innovatiebeleid.

Er is gekozen om de evaluatie te richten op de onderwerpen die momenteel ook deel uitmaken van de Topsector Energie. Zo heeft de evaluatie zoveel mogelijk directe relevantie voor het huidige beleid. Deze thema’s zijn: groene grondstoffen, nieuw gas, wind op zee, intelligente netten, procesintensificatie in de industrie, geïntegreerde zon-PV en warmte. Onder de Innovatieagenda Energie is aan deze programma’s € 117 mln. aan publieke middelen uitgegeven. De evaluatie beoordeelt bij de innovatieprogramma’s het potentieel, het doelbereik en de doeltreffendheid.

Conclusies en aanbevelingen

De belangrijkste conclusies zijn dat het ministerie met de innovatieprogramma’s van de Innovatieagenda Energie een aanzienlijke impuls heeft gegeven aan de opbouw van kennis bij 600 organisaties. Deze impuls bestaat, naast de € 117 mln. die het ministerie aan zeven programma’s heeft uitgegeven, minimaal uit € 145 mln. private uitgaven. Daarnaast heeft de aanpak een behoorlijke impuls gegeven aan samenwerking tussen de verschillende partijen die nodig zijn om innovaties te realiseren en naar de markt te brengen. Het doelbereik van de Innovatieagenda Energie is volgens de onderzoekers echter matig geweest. De agenda heeft een beperkte bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van gemeenschappelijke netwerken, interacties tussen projecten en het wegnemen van institutionele belemmeringen. Daardoor zijn kennis en ervaring beperkt gedeeld en is de opschaling achtergebleven in de meeste innovatieprogramma’s.

De aanbevelingen richten zich vooral op de vraag hoe de innovatieprogramma’s beter vormgegeven en beoordeeld kunnen worden. Aanbevolen wordt om innovatieprogramma’s in de toekomst te beoordelen op hun potentiële bijdrage aan het verlagen van maatschappelijke kosten en verbetering van productkwaliteit. Dit vraagt bij de start van de programma’s om het formuleren van concrete, meetbare en vooral tijdgebonden doelen. Ook wordt aanbevolen om de doelgroep en de programmastrategie beter te specificeren en de strategie nauwer te laten aansluiten bij zaken die in de markt niet vanzelf tot stand komen.

In de periode na de Innovatieagenda Energie is gestart met de Topsector Energie. In de Topsector Energie is in Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s) meer nadruk gelegd op de netwerkvorming, leerprocessen en institutionele belemmeringen. Hiermee is een belangrijk deel van de aanbevelingen in deze evaluatie reeds geïmplementeerd. Momenteel evalueer ik het Topsectorenbeleid in den brede en de innovatie-instrumenten rondom de Topsector Energie. Deze evaluaties zullen toetsen of dit inderdaad succesvol is. De evaluaties worden naar verwachting respectievelijk dit voorjaar en na de zomer afgerond. In de recent uitgebrachte Energieagenda is aangekondigd dat het kabinet voornemens is een aantal meerjarige missie-gedreven innovatieprogramma’s te faciliteren. In de Energieagenda is reeds genoemd dat ik bij het vormgeven van deze programma’s zal aansluiten bij de bovengenoemde aanbevelingen. Tot slot wordt zowel in de evaluatie van RVO als in het oordeel van SEO aanbevolen om de gehanteerde evaluatiemethode verder uit te werken en in toekomstige evaluaties toe te passen. Bij de hierboven reeds genoemde evaluaties van het Topsectorenbeleid en de innovatie-instrumenten rondom de Topsector Energie zal dit worden gedaan.

Reactie op moties over ECN

Op 30 september 2016 heb ik uw Kamer per brief (Kamerstuk 30 196, nr. 476) geïnformeerd over de ontvlechting van energieonderzoek en de nucleaire activiteiten bij de Stichting ECN. In deze brief heb ik aangegeven dat ik met de directies van de Stichting ECN en TNO in gesprek ben om het energieonderzoek van deze organisaties te bundelen in één herkenbaar onderzoekscentrum onder de naam Energieonderzoek Centrum Nederland (onderdeel van TNO) en onder de verantwoordelijkheid van het TNO-bestuur. Het is mijn intentie dat dit onderzoekscentrum van start gaat op 1 januari 2018 en ik ben dit ook overeengekomen met de directies van de Stichting ECN en van TNO.

Met de motie Van Veldhoven en Jan Vos (Kamerstuk 31 239, nr. 239) is de regering verzocht om bij de vormgeving van het nieuwe onderzoekscentrum te waarborgen dat het centrum blijvend onderzoeksondersteuning zal bieden aan de opgaven van de energietransitie. Daarnaast is de regering verzocht te zorgen dat het onderzoekscentrum daarbij gebruik kan maken van een programmatische aanpak en een apart budget voor duurzame energie.

Zoals aangegeven in mijn brief van 30 september 2016 zal het primaire doel van het onderzoekscentrum zijn om de transitie naar een CO2-arme energiehuishouding te bevorderen en de concurrentiepositie van Nederland te versterken. Dit sluit aan bij het verzoek om blijvend onderzoeksondersteuning te bieden aan de opgaven van de energietransitie. Daarbij staat het onderzoekscentrum niets in de weg om onderzoek te doen met een programmatische aanpak, zoals verzocht in het tweede deel van de motie. Het ligt verder in de rede dat het nieuwe onderzoekscentrum blijvende en belangrijke inzet zal plegen op onderzoek naar hernieuwbare energie. Voor de invulling van de programmering op het gebied van energie in den breedte wil ik de kwartiermaker en stuurgroep juist in de gelegenheid stellen om een integraal onderzoeksprogramma samen te stellen dat optimaal bijdraagt aan de opgaven van de transitie naar een CO2-arme energiehuishouding en tegemoet komt aan de behoeften van de maatschappij en het bedrijfsleven. Op deze manier kan naast hernieuwbare energie ook aandacht worden gegeven aan onderzoek op thema’s zoals energie-efficiëntie en ander onderzoek dat bijdraagt aan de transitie naar een CO2-arme energiehuishouding. In de onderzoeksprogrammering kan dan worden gezocht naar een optimale samenhang tussen deze verschillende onderwerpen. Het aparte budget dat wordt toegekend aan Energieonderzoek Centrum Nederland (onderdeel van TNO) op het bredere thema energie wordt meerjarig vastgesteld via het innovatiecontract. Het onderzoekscentrum heeft daarmee de mogelijkheid om tot een meerjarige programmering te komen met het bedrijfsleven, de overheid en de wetenschap. De toekomstige Rijksbijdragen voor energieonderzoek die toekomen aan Stichting ECN en TNO, zoals vastgelegd in de Rijksbegroting 2017 en verder, zullen worden ingezet voor de structurele financiering van het nieuwe onderzoekscentrum. Daarbij wordt rekening gehouden met de bijdrage die toekomt aan de rekenmeesterfunctie, welke wordt ondergebracht bij het Planbureau voor de Leefomgeving. In de overeenkomst met de Stichting ECN en TNO is uiteraard ook rekening gehouden met een begrotingsvoorbehoud met het oog op besluitvorming van uw Kamer.

Met de motie Agnes Mulder (Kamerstuk 31 239, nr. 244) is de regering verzocht om binnen de huidige financiële kaders in te zetten op het behoud van werkgelegenheid bij «de combinatie van ECN en TNO» in Petten.

In reactie op dit verzoek benadruk ik nog eens dat het besluit dat het kabinet op 30 september jl. heeft genomen over de toekomst van het energieonderzoek in Nederland, ervoor heeft gezorgd dat een faillissement van de Stichting ECN is voorkomen. Het kabinet heeft er met dit besluit voor gezorgd dat de werkgelegenheid die samenhangt met zowel het duurzame energieonderzoek als de nucleaire activiteiten van de Stichting ECN behouden blijft. Afgezien van de noodzakelijke kostenreducties is dan ook geen sprake van werkgelegenheidsverlies bij de Stichting ECN in Petten als gevolg van de ontvlechting van de duurzame en nucleaire activiteiten. Voor de nucleaire activiteiten van de Stichting ECN zijn bij mij geen plannen bekend om deze te verplaatsen. In de afspraken die ik heb gemaakt met de Stichting ECN en met TNO over het duurzame energieonderzoek en de vormgeving van het nieuwe Energieonderzoek Centrum Nederland (onderdeel van TNO) is ook geen sprake van het verdwijnen van werkgelegenheid in Petten. Afgelopen jaren is wel door de Stichting ECN overwogen om activiteiten van Petten naar andere locaties in Nederland te verplaatsen. Vanuit de Stichting ECN en TNO heb ik op dit moment echter geen signaal gekregen dat er plannen gereed zijn om op grote schaal activiteiten te verplaatsen naar andere locaties. De uiteindelijke afwegingen om dit in de toekomst wel te doen worden primair gemaakt door de Stichting ECN en TNO, maar zelf heb ik op dit moment geen enkele aanleiding tot zorg hierover.

TNO hanteert verder een multi-locatiestrategie en daarin past dat de locatie Petten behouden kan blijven als een belangrijke locatie van het Energieonderzoek Centrum Nederland (onderdeel van TNO).

TNO zal bij de vormgeving van het nieuwe onderzoekscentrum wel moeten kijken of dat bedrijfseconomisch ook verantwoord is. Ik heb hier regelmatig overleg over met de provincie Noord-Holland, de gemeente Schagen, de Stichting ECN en TNO.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl