nr. 7
NOTA VAN WIJZIGING
Ontvangen 4 november 2008
Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
1. In de considerans wordt «Algemene ouderdomswet» vervangen
door: Algemene Ouderdomswet.
2. In artikel I, onderdeel B, komt in het voorgestelde artikel 8b
het derde lid te luiden:
3. De persoon die op grond van het eerste of tweede lid geen recht
op ouderdomspensioen heeft, heeft met ingang van de eerste dag van de maand
waarin hij in vrijheid is gesteld met inachtneming van de bepalingen van deze
wet recht op ouderdomspensioen.
3. In artikel I, onderdeel C, wordt in het voorgestelde nieuwe zesde
lid van artikel 17 «intrekking» vervangen door «beëindiging»
en wordt «artikel 8b» vervangen door «artikel 8b, tweede
lid».
4. In artikel I, onderdeel D, komt de aanhef als volgt te luiden:
In paragraaf 3 van hoofdstuk 8 wordt na artikel 63 een artikel ingevoegd,
luidende:.
5. In artikel I, onderdeel D, wordt aan het slot van het voorgestelde
artikel 64 een zin toegevoegd, luidende:
De beëindiging gaat in op de eerste dag van de maand volgend op de
maand waarin de vrijheidsontneming als bedoeld in de eerste zin zes maanden
heeft geduurd.
6. Na artikel I wordt een artikel ingevoegd, luidende:
ARTIKEL IA
Indien het bij koninklijke boodschap van (datum) 2008 ingediende voorstel
van wet tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet in verband met opname van
de mogelijkheid om op verzoek van de pensioengerechtigde het ouderdomspensioen
geheel of ten dele op een later tijdstip te laten ingaan (kamerstuknummer)
tot wet wordt verheven en in werking is getreden op het tijdstip waarop deze
wet in werking treedt, komt artikel I, onderdeel D, te luiden:
D
In paragraaf 3 van hoofdstuk 8 wordt na artikel 64 een artikel ingevoegd,
luidende:
Artikel 65
Ten aanzien van de persoon wiens vrijheid op de dag voorafgaande aan de
inwerkingtreding van artikel 8b reeds rechtens was ontnomen wordt voor de
toepassing van dat artikel als eerste dag waarop de vrijheidsontneming plaatsvindt,
aangemerkt de dag van inwerkingtreding van artikel 8b en eindigt het recht
op ouderdomspensioen in afwijking van artikel 8b, tweede lid, vanaf de dag
dat deze vrijheidsontneming zes maanden heeft geduurd. De beëindiging
gaat in op de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de vrijheidsontneming
als bedoeld in de eerste zin zes maanden heeft geduurd.
7. In artikel II, onderdeel B, wordt aan het slot van het voorgestelde
artikel 12.1ca een zin toegevoegd, luidende: De beëindiging gaat in op
de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de vrijheidsontneming
zes maanden als bedoeld in de eerste zin heeft geduurd.
8. In artikel III, onderdeel B, wordt aan het slot van het voorgestelde
artikel 12.4 een zin toegevoegd, luidende: De beëindiging gaat in op
de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de vrijheidsontneming
als bedoeld in de eerste zin zes maanden heeft geduurd.
Toelichting
1. Per abuis is de citeertitel van de Algemene Ouderdomswet in de
considerans niet geheel juist aangehaald.
2. Op grond van artikel 17, zesde lid (nieuw) van de Algemene Ouderdomswet
gaat de beëindiging van het ouderdomspensioen, indien de pensioengerechtigde
rechtens zijn vrijheid is ontnomen, in op de eerste dag van de maand volgend
op de maand waarin de vrijheidsontneming een maand heeft geduurd. Daarmee
is expliciet geregeld dat de beëindiging van het ouderdomspensioen altijd
met ingang van de eerste dag van de maand plaatsvindt.
Voor wat betreft de herleving van het ouderdomspensioen nadat de vrijheidsontneming
is beëindigd, is in artikel 8b, derde lid, geregeld dat er vanaf de dag
van invrijheidstelling (weer) recht op ouderdomspensioen bestaat. Daarbij
is er stilzwijgend vanuit gegaan dat de normale regel van de Algemene Ouderdomswet
van toepassing zou zijn, nl. dat het ouderdomspensioen ingaat op de eerste
dag van de maand waarin de belanghebbende aan de voorwaarden voor het recht
op ouderdomspensioen voldoet (artikel 16, eerste lid). Vanaf de dag van invrijheidstelling
wordt weer voldaan aan de voorwaarden voor het recht op ouderdomspensioen
en dat betekent dat het ouderdomspensioen ingaat met ingang van de eerste
dag van de maand van invrijheidstelling. Bij nader inzien wordt het thans
echter beter geacht om dit met het oog op de duidelijkheid met zoveel woorden
in de wet te regelen. Daarbij wordt aangesloten op de in de Algemene Ouderdomswet
opgenomen maandsystematiek en tevens voorkomen dat de SVB genoodzaakt wordt
om ouderdomspensioen, in afwijking daarvan, op dagbasis te gaan berekenen.
3. Met de term «beëindiging» wordt beter aangesloten
op de in artikel 8b, tweede lid, gehanteerde terminologie.
4. De wijzigingsopdracht is aangepast om te verduidelijken dat het
nieuwe artikel 64 moet worden opgenomen in paragraaf 3, Overige overgangsbepalingen,
van hoofdstuk VIII, en niet in hoofdstuk IX, Strafbepalingen, waarin (het
thans vervallen) artikel 64 voordien was opgenomen.
5, 7 en 8. In artikel 17, zesde lid (nieuw) is geregeld dat de beëindiging
van het ouderdomspensioen ingaat op de eerste dag van de maand volgend op
de maand waarin de vrijheidsontneming een maand heeft geduurd. Verzuimd is
een dergelijke bepaling met betrekking tot de ingangsdatum ook op te nemen
in de in artikel 64 (nieuw) van de Algemene Ouderdomswet opgenomen overgangsbepaling.
De bedoelde bepaling ontbreekt abusievelijk ook in de artikelen 12.1ca (nieuw)
van de Wet studiefinanciering 2000 en 12.4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage
en schoolkosten.
6. Het bij Koninklijke boodschap van (datum) 2008 ingediende voorstel
van wet tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet in verband met opname van
de mogelijkheid om op verzoek van de pensioengerechtigde het ouderdomspensioen
geheel of ten dele op een later tijdstip te laten ingaan (Kamerstuknummer)
bevat in artikel I, onderdeel H, eveneens een opdracht om een nieuw artikel
64 in te voegen. Om te voorkomen dat onbedoeld tweemaal een nieuw artikel
64 wordt ingevoegd is in het nieuwe artikel IA een samenloopbepaling opgenomen.
In het genoemde wetsvoorstel is een soortgelijke bepaling opgenomen.
Deze nota van toelichting is mede namens de Minister van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschap ondertekend.
De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
A. Aboutaleb