Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201131524 nr. 115

31 524 Beroepsonderwijs en Volwassenen Educatie

Nr. 115 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 augustus 2011

In het algemeen overleg over het Actieplan mbo 2011–2015 van 20 april 2011 (kamerstuk 31 524, nr. 110) heb ik toegezegd de invoering van een leeftijdgrens van 30 jaar voor het vavo nader te bezien. Als gevolg hiervan is de motie van het lid Smits hierover aangehouden.

Het voornemen om voor het vavo een leeftijdsgrens van 30 jaar in te voeren lag in het verlengde van het vaststellen van een leeftijdsgrens van 30 jaar voor de bekostiging van het beroepsonderwijs. Inmiddels is voor het mbo een alternatief arrangement tot stand gekomen, waarbij werkgevers en werknemers een grotere (financiële) verantwoordelijkheid krijgen.

Een dergelijk arrangement is voor het vavo niet aan de orde omdat het vavo geen arbeidsmarktgericht onderwijs is. Bovendien is het aantal deelnemers van 30 jaar en ouder in het vavo zeer gering.

Het budget dat beschikbaar is voor het vavo is beperkt. Voor een eventuele groei van het aantal deelnemers in het vavo wordt het beschikbare budget niet zonder meer bijgesteld. Ik zal monitoren of de groep 30-plus- deelnemers niet onevenredig toeneemt ten opzichte van deelnemers jonger dan 30 jaar. Indien dit zich voordoet zal ik bezien welke maatregelen nodig zijn om deze groei te beperken.

In het verlengde hiervan heb ik besloten voor het vavo vooralsnog geen leeftijdsgrens in te voeren.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

J. M. van Bijsterveldt-Vliegenthart