Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 11 december 2017
Hierbij zend ik u de reactie op het verzoek van de commissie Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap om te reageren op de brief van Ieder(in) inzake aanbevelingen voor verbetering
van het leerlingenvervoer.
Het is heel vervelend dat er in het nieuwe schooljaar op verschillende plaatsen opstart
problemen zijn geweest en dat kinderen hierdoor zijn gedupeerd. Uiteraard onderschrijf
ik het belang van goed leerlingenvervoer. Gelukkig gaat het in bijna alle gevallen
goed, ook al realiseer ik me dat ieder incident er één te veel is.1 Daarom is er met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) ook ambtelijk overleg
geweest over de klachten aan het begin van dit schooljaar. De klachten zijn door de
gemeenten waar de knelpunten zich voordeden opgepakt en inmiddels opgelost.
Zoals bij de Kamer bekend is, berust de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van
het leerlingenvervoer vanaf 1920 bij de gemeente. Sinds 1987 heeft de gemeente meer
beleidsvrijheid bij de uitvoering van het leerlingenvervoer gekregen. De gemeente
is dan ook verantwoordelijk voor de kwaliteit. Indien het leerlingenvervoer in een
bepaalde gemeente kwalitatief onder de maat is, zou dit tot een gesprek tussen gemeenteraad
en verantwoordelijke wethouder moeten leiden. Als het beeld ontstaat dat de kwaliteit
van het leerlingenvervoer landelijk of althans op grote schaal een probleem is, zal
ik hierover in overleg gaan met de VNG.
Ieder(in) noemt een aantal maatregelen om de problemen in het leerlingenvervoer op
te lossen. Hieronder zal ik een reactie geven.
Neem leerlingenvervoer op in het ontwikkelingsperspectief
Een ontwikkelingsperspectief wordt alleen opgesteld als een leerling extra ondersteuning
op school nodig heeft. Niet iedere leerling die recht op leerlingenvervoer heeft,
heeft extra ondersteuning nodig. Ook andersom geldt dat niet iedere leerling met een
ontwikkelingsperspectief leerlingenvervoer nodig heeft. Het regelen van leerlingenvervoer
in het ontwikkelingsperspectief is daarom geen oplossing voor de genoemde knelpunten.
Bovendien is niet de school, maar de gemeente verantwoordelijk voor de uitvoering
van het leerlingenvervoer.
Daarom heeft de VNG in de modelverordening leerlingenvervoer opgenomen dat de gemeente
bij de beoordeling van de aanvraag van een vervoersvoorziening het ondersteuningsplan
van het samenwerkingsverband betrekt.2 Ook kunnen vervoers(adviezen) van deskundigen worden betrokken bij de beoordeling
van de aanvraag.
Zorg voor naleving van de kwaliteitscriteria voor leerlingenvervoer
Gemeenten worden vanuit de VNG en het Ministerie van OCW met het handboek «Professioneel
Aanbesteden Leerlingenvervoer» geholpen bij het aanbestedingsproces.3 Het handboek geeft tips en voorbeelden over zaken waarvan het belangrijk is dat ze
worden meegenomen en meegewogen bij de aanbesteding. In het handboek wordt ook informatie
gegeven over de kwaliteit waar het leerlingenvervoer aan zou moeten voldoen.
Veel gemeenten hebben een klachtenlijn voor ouders. Daarnaast houden de meeste gemeenten
op vaste tijden een tevredenheidsonderzoek. Hierbij komen met name vragen over de
kwaliteit aan de orde. Ook wordt op stiptheid gecontroleerd. De resultaten worden
besproken in de gemeenteraad. De gemeenteraad heeft daarom een controlerende functie.
Leg de inspraak van ouders bij leerlingenvervoer wettelijk vast
De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het leerlingenvervoer is vastgelegd
in wet- en regelgeving en bij de gemeente belegd. Hierin is vooralsnog geen basis
om nadere regels te stellen aan het leerlingenvervoer. Dit past ook niet bij de gedachte
van decentralisatie. Ik onderschrijf uiteraard het belang van cliëntbetrokkenheid
bij de uitvoering van het leerlingenvervoer.
Daarom hoop ik dat veel gemeenten het modelbestek aanbesteden, dat door vervoerders
en bonden begin dit jaar aan de FNV is aangeboden, gaan gebruiken. Ieder(in) en Anbo
hebben als belangenorganisaties voor cliënten hiervoor input geleverd. Ik hoop dat
dit bestek kan bijdragen aan een betere betrokkenheid van ouders bij het proces van
aanbesteden. Op dit moment zie ik daarom nog geen reden om de inspraak van ouders
wettelijk vast te leggen. Als blijkt dat het modelbestek op termijn niet het gewenste
resultaat geeft, zal ik nagaan welke andere mogelijkheden er zijn om de cliëntbetrokkenheid
te vergroten.
De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob