Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-200831505 nr. 3

31 505
Technische aanpassing en actualisering van de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

Algemeen

1. Reikwijdte van de wet

De in artikel 42, tweede lid, van de Grondwet geregelde onschendbaarheid van de Koning brengt onder meer met zich dat een eenduidige en bestendige regeling wordt getroffen met betrekking tot de uitkeringen die de Koning en andere leden van het koninklijk huis ten laste van het Rijk ontvangen. Tot 1972 werd de hoogte van de uitkeringen daarom in de Grondwet zelf bepaald, met dien verstande dat de Grondwet tussen 1887 en 1922 – mede als gevolg van de in die tijd sterk toenemende geldontwaarding – bepaalde dat de hoogte van de uitkering van de Koning bij elke troonsbestijging door de wet werd vastgesteld en dat de Grondwet het sedert 1938 mogelijk maakte de grondwettelijke bedragen bij wet te wijzigen. Van deze mogelijkheid is in 1952 voor het eerst gebruik gemaakt. Nadien is deze wet enkele malen gewijzigd. In de tweede helft van de jaren zestig is, mede op grond van het advies van verschillende commissies, een omvangrijk proces van wetgeving en grondwetgeving geëntameerd dat in opeenvolgende fasen is uitgevoerd en in 1972 resulteerde in een algehele herziening van het financieel statuut van het koninklijk huis. Sinds de grondwetsherziening van 1972 noemt de Grondwet niet langer de bedragen die vanwege het Rijk aan de Koning en aan andere leden van het koninklijk huis worden uitgekeerd. Artikel 40 van de Grondwet draagt de wetgever op te bepalen welke leden van het koninklijk huis naast de Koning een uitkering ten laste van het Rijk krijgen en deze uitkeringen te regelen.

De inhoud van deze regeling is opgenomen in de eveneens uit 1972 daterende Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis (hierna: WFSKH). In deze wet is, mede met het oog op de noodzakelijke eenduidigheid en bestendigheid, gekozen voor een systeem van automatische aanpassing van de uitkeringsbedragen aan de wijzigingen in het loon- en prijspeil. Op deze wijze konden de bedragen op de in 1972 vastgestelde reële hoogte worden gehouden, zonder dat de periodiek noodzakelijke aanpassingen telkens bij bijzondere wet tot stand behoefden te worden gebracht. Sinds 1972 is hiermee de beoogde eenduidigheid en bestendigheid bereikt.

Om de voortzetting hiervan te blijven waarborgen, acht de regering het nu dienstig de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis op onderdelen technisch aan te passen en te actualiseren waarbij de inkomensbestanddelen van degenen die thans een grondwettelijke uitkering ontvangen, ongewijzigd blijven. Deze wetswijziging houdt derhalve, anders dan bij de wijziging in 1980, geen verband met een wijziging in de constitutionele positie van de leden van het koninklijk huis die een grondwettelijke uitkering ontvangen maar berust op andere gronden van diverse aard die nopen tot dit voorstel waarvan de inwerkingtreding per 1 januari 2009 is beoogd in verband met de systematiek en vaste termijnen die gelden voor de jaarlijkse cyclus van voorbereiding en totstandkoming van begrotingen en begrotingswijzigingen. Op onderdelen heeft de wet geen gelijke tred gehouden met diverse ontwikkelingen van uiteenlopende aard die zich sedert 1972 hebben voorgedaan. Sommige bepalingen kunnen vervallen omdat zij overbodig zijn geworden of behoeven aanpassing aan de huidige regelgevingstechniek, met name de wijze van indexering van de onderscheiden onderdelen van de grondwettelijke geldelijke uitkeringen. Voorts acht de regering het met het oog op de eenduidigheid en bestendigheid alsmede de rechtszekerheid gewenst om hetgeen bij de wetswijziging van 1980 als aanvullende bepalingen voor prinses Juliana en prins Bernhard is vastgesteld de vorm te geven van een voorziening die verbonden is aan de hoedanigheid van Koning die afstand heeft gedaan van het koningschap respectievelijk overlevende echtgenoot of echtgenote van een lid van het koninklijk huis dat een grondwettelijke uitkering ontvangt. Een dergelijke voorziening is ten aanzien van het inkomensbestanddeel van de grondwettelijke uitkering vergelijkbaar met een ouderdoms- respectievelijk nabestaandenpensioen dat in gevolge het grondwettelijke voorschrift van artikel 40, tweede lid, als zodanig niet geregeld is voor leden van het koninklijk huis die een grondwettelijke uitkering ontvangen.

Deze voorziening wordt ten aanzien van de personele en materiële kosten van de uitkering zodanig vorm gegeven dat een zorgvuldige aanpassing van het personeelsbestand na overlijden of afstand van het koningschap transparanter en beter dan thans gewaarborgd is.

De grondwettelijke uitkeringen dragen een specifiek karakter omdat zij uit meer bestaan dan uit het inkomensbestanddeel maar ook delen omvatten die zijn bestemd voor personele en materiële kosten. Het onderscheid tussen de twee laatstgenoemde categorieën is in 1972 bepaald op grond van historische gegevens maar kan thans vervallen omdat dit niet langer aansluit bij huidige inzichten ten aanzien van beheer en integrale aansturing en daarmee voor de toekomst in de weg staat aan een meer efficiënte inzet en besteding van middelen.

Naast dit deel van de grondwettelijke uitkeringen wordt in de wet (artikel 3) verduidelijkt dat de overige personele en materiële kosten die verband houden met het koningschap (de z.g. functioneel declarabele kosten) berusten op een afzonderlijke voorziening in de onderscheiden departementale begrotingen.

In grondwettelijke zin behoort tot de grondwettelijke uitkeringen ook de ter beschikking stelling van paleizen en woon- en werkverblijven. De regeling daarvoor wordt geactualiseerd en aangepast. De terbeschikkingstelling van paleis Soestdijk vervalt en de terbeschikkingstelling van paleis Noordeinde, paleis Huis ten Bosch en het paleis op de Dam wordt nu in de wet opgenomen. Daarnaast wordt de mogelijkheid geopend om in voorkomende gevallen woon- en werkverblijven ter beschikking te stellen.

De in dit voorstel vervatte wijzigingen bestendigen de principiële uitgangspunten die aan de WFSKH ten grondslag liggen en die zich sinds 1972 bewezen hebben. Concreet betekent dit dat de wet de grondwettelijke geldelijke uitkeringen aan de Koning en aan een afgebakende categorie leden van het koninklijk huis regelt.

De reikwijdte van de wet blijft ongewijzigd beperkt tot de Koning, de vermoedelijke opvolger van de Koning, en de Koning die afstand heeft gedaan van het koningschap alsmede de echtgenoot of echtgenote van de Koning, van de vermoedelijke opvolger van de Koning en van de Koning die afstand heeft gedaan van het koningschap.

Zoals hierboven uiteen is gezet, treden er geen wijzigingen op in de inkomensbestanddelen van degenen die thans een grondwettelijke uitkering ontvangen en zijn de overige wijzigingen een gevolg van de herschikkingen binnen het wettelijk stelsel. De omvang van het geheel van grondwettelijke uitkeringen kan bij een wijziging van omstandigheden (bijvoorbeeld als gevolg van geboorte, huwelijk, overlijden of troonsopvolging) ten opzichte van de huidige situatie toenemen of afnemen, al naar gelang het aantal leden van het koninklijk huis dat dan op grond van deze wet een grondwettelijke uitkering ontvangt. Dit is geen gevolg van dit voorstel maar reeds onderdeel van het huidige stelsel van de WFSKH.

Met de jaarlijkse geldelijke uitkeringen (de zgn. niet-declarabele kosten, inclusief een inkomenscomponent), waar artikel 1 en 2 van deze wet op toe blijven zien, wordt de persoonlijke levenssfeer waarop de Koning alsmede de andere in de wet genoemde leden van het koninklijk huis aanspraak mogen hebben, recht gedaan. Binnen dit geheel behoort het tot een goede uitoefening van de koninklijke functie dat de Koning en leden van het koninklijk huis zelfstandig afwegingen kunnen maken ten aanzien van een veelheid van uitgaven van zeer uiteenlopende aard, zowel ten aanzien van personele als materiële kosten, met inbegrip van kleding, geschenken en ontvangsten, die niet op zinvolle en doelmatige wijze via declaraties geadministreerd en verantwoord kunnen worden. Deze geldelijke uitkeringen die in de loop van de wetsgeschiedenis op grond van historische gegevens en rapportages van commissies tot stand zijn gekomen, vormen een samenstel van inkomen, en van personele en overige kosten die niet ten laste van een begroting van een ministerie kunnen worden gebracht en daarom zijn opgenomen in de begroting van hoofdstuk I, Huis der Koningin, van de begroting van het Rijk.

Met deze artikelen, alsmede met artikel 3, wordt mede invulling gegeven aan artikel 41 van de Grondwet («De Koning richt, met in achtneming van het openbaar belang, zijn Huis in.»)

Artikel 3 ziet op uitgaven die noodzakelijk zijn om de uitoefening van het koningschap mogelijk te maken (zoals beveiliging, huisvesting, vervoer, de Dienst van het Koninklijk Huis) die ten laste van de begroting van de desbetreffende ministeries komen. Deze uitgaven worden geraamd in de begrotingen en in de financiële jaarverslagen van die ministeries verantwoord om langs deze weg parlementaire controle op de uitgaven van functionele aard een inhoud te kunnen geven1.

2. Berekeningswijze

De thans in de WFSKH in artikel 1 genoemde bedragen dateren uit 1971 en worden op grond van deze wet sindsdien geïndexeerd. Aldus komen de bedragen tot stand die in begroting I, Huis des Konings, worden geraamd. In artikel A van onderhavig voorstel worden de bedragen genoemd die gelden voor 2007. Het gaat hierbij om de relevante en meest actuele, vaststaande cijfers die beschikbaar zijn bij de indiening van dit voorstel. Voor de jaren daarna zal het indexatiemechanisme in stand blijven.2

De uitkeringen op grond van de huidige WFSKH zijn opgebouwd uit drie componenten. De A-component heeft betrekking op de personeelskosten van degenen, die hun instructie rechtstreeks van de Koning ontvangen en/of in de onmiddellijke omgeving van de Koning verkeren en voor wie het dienstverband zich grotendeels in de familiesfeer voltrekt. De B-component heeft betrekking op de overige, dat wil zeggen niet-personele kosten. De C-component vormt het inkomensbestanddeel.

De precieze hoogte van de drie componenten wordt jaarlijks vastgesteld op basis van verschillende grondslagen. Voor de A-component is de procentuele verandering van de salarissen in de sector Rijk bepalend. Voor de B-component is de consumentenprijsindex bepalend. Voor de C-component is de ontwikkeling van het netto ambtelijk inkomen van de vice-president van de Raad van State bepalend.

A-component

De grondslag van de A-component dateert uit het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw. Het personeel is heden ten dage hoger ingeschaald dan vroeger. Bij de grondslag van de A-component is bovendien geen rekening gehouden met onder andere de afkoop van ADV, functioneringstoeslagen, bewust belonen en andere werkgeverslasten.

Met het oog hierop en de gewenste eenduidigheid en bestendigheid wordt voorgesteld de hoogte van de A-component aan te passen aan de thans bestaande omstandigheden. Concreet wordt voorgesteld de A-component van de uitkering aan de Koning te verhogen met € 643 513. Deze verhoging van € 643 513 zal worden gecompenseerd door een overeenkomstige verlaging van het beroep op de in artikel 3 genoemde uitgaven (declarabele kosten), zoals na inwerkingtreding van deze wet zal blijken uit de begroting van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Daarnaast wordt voorgesteld de grondslag voor de periodieke aanpassing van deze component bij de tijd te brengen door uit te gaan van dezelfde methode die hiervoor wordt gehanteerd bij de aanpassing van de bezoldiging van het burgerlijk rijkspersoneel zoals ook opgenomen in bijvoorbeeld de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen en de hieronder genoemde Wet van 11 september 1964.

Samenvoeging met B-component

Als toegelicht hebben zowel de A-component als de B-component betrekking op de gemaakte kosten. Met het oog op de eenvoud in de systematiek, de wenselijkheid van integraal beheer en een doelmatige besteding kunnen beide componenten worden samengevoegd. Daarbij geldt dat de helft van deze samengevoegde component zal worden aangepast aan de hiervoor genoemde loonontwikkeling en de andere helft zal worden aangepast aan de ontwikkeling van de consumentenprijsindex.

Herverdeling A- en B-component

Daarnaast wordt voorgesteld de personele- en materiële kosten (de nieuwe B-component) op een andere wijze te verdelen over de in artikel 1 genoemde personen. Dit voorstel houdt verband met de uitkeringsterugval voor het achterblijvende gezin bij overlijden van één van beide echtgenoten. Op grond van de huidige WFSKH worden de uitkeringen van de overleden echtgenoot onmiddellijk stopgezet en resteren slechts de uitkeringen van de achtergebleven echtgenoot. De taken en daarmee het personeelsbestand kunnen echter niet onmiddellijk worden teruggebracht tot het niveau dat de kostencomponent van de achtergeblevene toelaat, ook al omdat sommige personeelsleden in de praktijk voor beide echtgenoten werken. Met het oog op een systematiek die na overlijden meer ruimte biedt voor een zorgvuldige aanpassing van het personeelsbestand aan de nieuwe situatie en voorts rekening houdende met het feit dat degenen die zelf het koningschap vervullen, vervuld hebben of vermoedelijk zullen vervullen een toereikende grondwettelijke uitkering dienen te ontvangen, wordt voorgesteld bij een echtpaar een relatief groot deel van de personele en materiële kosten te laten dragen door onderscheidenlijk de Koning (88,5%), de vermoedelijke opvolger van de Koning (75%) en de Koning die afstand heeft gedaan van het koningschap (75%) en een kleiner deel (11, 5% resp. 25%) door de echtgenoot of echtgenote van deze personen. Deze herverdeling heeft als voordeel dat de uitkeringsterugval van de Koning, de vermoedelijke opvolger van de Koning en de Koning die afstand heeft gedaan van het koningschap kleiner wordt in het geval de echtgenoot of echtgenote overlijdt.

Dit voorstel biedt echter nog geen oplossing voor de situatie dat de Koning, de vermoedelijke opvolger van de Koning en de Koning die afstand heeft gedaan van het koningschap eerder overlijdt dan de echtgenoot of echtgenote. Integendeel, de uitkeringsterugval wordt er juist door vergroot en daarmee ook de genoemde problematiek van het personeelsbestand. De uitkeringsterugval is – gezien de gezinssamenstelling – problematisch voor de overlevende echtgenoot of echtgenote van de Koning onderscheidenlijk de vermoedelijke opvolger van de Koning onderscheidenlijk de Koning die afstand heeft gedaan van het koningschap, indien op het moment van overlijden één of meer van diens wettige nakomelingen minderjarig is. Voor deze situatie bieden de toepasselijke bepalingen van artikel 2 van het onderhavige wetsvoorstel een oplossing. In de artikelsgewijze toelichting wordt hierop nader ingegaan.

C-component

De technische berekeningswijze voor de C-component is verouderd. Zo wordt hierin verwezen naar de Algemene burgerlijke pensioenwet, die met ingang van 1 januari 1996 is ingetrokken. Dit maakt de berekening van de grondslag in toenemende mate gecompliceerd. Daarom wordt voorgesteld uit te gaan van de ontwikkeling van de netto bezoldiging van de vice-president van de Raad van State. In dit verband zij verwezen naar de wet van 11 september 1964, houdende vaststelling van een nieuwe regeling van de bezoldiging van de vice-president van de Raad van State en de staatsraden, alsmede van de president en de overige leden van de Algemene Rekenkamer (Stb. 387).

De hoogte van de C-component van de Koning, de vermoedelijke opvolger van de Koning en diens echtgenote is ontleend aan de uitkering in het jaar 2007. Voor wat betreft de hoogte van de C-component (als percentage van de totale uitkering) van de echtgenoot of echtgenote van de Koning, de Koning die afstand heeft gedaan van het koningschap en diens echtgenoot of echtgenote is aangesloten bij de ter zake in de WFSKH opgenomen bedragen (als percentages van de uitkering van de Koning). In het wetsvoorstel wordt de huidige C-component (het inkomensdeel) aangeduid als A-component. De huidige A- en B-component worden samengevoegd tot B-component.

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A

In artikel 1 zijn de bedragen opgenomen die in het jaar 2007 zijn uitgekeerd aan de Koning, de vermoedelijke opvolger van de Koning en diens echtgenote, vermeerderd met de in het algemeen deel van de memorie van toelichting genoemde wijziging van de A-component.

Met het begrip «vermoedelijke opvolger van de Koning» wordt de terminologie gevolgd van de Grondwet (artikel 37, derde lid, en artikel 40, tweede lid) zoals deze sedert 1983 luidt en tevens onderdeel vormt van de Wet lidmaatschap koninklijk huis.

In artikel 1 zijn eveneens de bedragen genoemd voor de Koning die afstand heeft gedaan van het koningschap en van de echtgenote of de echtgenoot van de Koning die afstand van het koningschap heeft gedaan. Deze aanvulling vervangt daarmee de bepaling in het huidige artikel 3 van de WFSKH die voor de Koning die afstand heeft gedaan, alsmede zijn echtgenote, een aanvulling van de wet verlangt doch geen bedragen noemt.

Op grond van de WFSKH ontving Prinses Juliana in 2004 (geëxtrapoleerd) een uitkering ter hoogte van 26,95% van de uitkering die werd uitgekeerd aan Koningin Beatrix. Prins Claus ontving in 2002 (geëxtrapoleerd) een uitkering ter hoogte van 19,98% van de uitkering die werd uitgekeerd aan Koningin Beatrix. Prins Bernhard ontving in 2004 (geëxtrapoleerd) een uitkering ter hoogte van 60,70% van de uitkering die werd uitgekeerd aan Prinses Juliana. In het eerste en tweede lid van artikel 1 is bij deze percentages aangesloten.

Artikel I, onderdeel B

In artikel 2 wordt bepaald welke jaarlijkse geldelijke uitkering toekomt aan de weduwnaar of weduwe van de Koning, de vermoedelijke opvolger van de Koning en de Koning die afstand heeft gedaan van het koningschap zolang de weduwnaar of weduwe lid is van het koninklijk huis.

Bij de bepaling van deze uitkering is rekening gehouden met de geleidelijke afbouw van het personeelsbestand en de aanwezigheid van minderjarige wettige nakomelingen van de overledene.

Ten aanzien van de afbouw van het personeelsbestand is bepaald dat gedurende een periode van twee jaren na het overlijden de uitkering van de weduwnaar of weduwe wordt verhoogd met een kwart van de B-component van de overledene. Na deze periode van twee jaren ontvangt de weduwnaar of weduwe zonder minderjarige nakomelingen een lagere uitkering, namelijk een uitkering ter hoogte van de helft van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning.

In de situatie dat de weduwnaar of weduwe wel zorg draagt voor één of meer minderjarige wettige nakomelingen van de overledene, is er reden de uitkering na de periode van twee jaren voor de afbouw van het personeelsbestand niet te verlagen naar de uitkering van de helft van de vermoedelijke opvolger van de Koning maar deze gedurende de minderjarigheid van deze nakomelingen in alle gevallen te bepalen op een hogere uitkering, namelijk een uitkering ter hoogte van de gehele uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning.

Nadat alle wettige nakomelingen van de overledene meerderjarig zijn geworden, ontvangt de weduwnaar of weduwe een lagere uitkering, namelijk een uitkering ter hoogte van de helft van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning.

In de bijzondere situatie dat gedurende de periode van twee jaren na het overlijden van de Koning diens weduwnaar of weduwe zorg draagt voor een van diens wettige minderjarige nakomelingen die Koning is geworden en als zodanig grondwettelijk de jaarlijkse geldelijke uitkering van de Koning ontvangt, wordt gedurende het gedeelte van deze periode van twee jaren waarin deze Koning minderjarig is, de uitkering van de weduwnaar of weduwe bepaald op een uitkering ter hoogte van de uitkering van de vermoedelijke opvolger van de Koning. Dit berust op het gegeven dat gedurende deze periode niet alleen de geleidelijke afbouw van het personeelsbestand van de overleden Koning plaatsvindt maar eveneens de opbouw van het personeelsbestand van de minderjarige Koning voor wie de weduwnaar of weduwe zorg draagt.

Tot slot is in de beide laatste artikelleden binnen de hierboven genoemde uitkeringen de hoogte van de A-component en B-component bepaald, uitgaande van de A-component en de evenredige aanpassing van de B-component in de verschillende omstandigheden door vermindering van het totaal van de jaarlijkse geldelijke uitkering met de A-component.

De A-component komt voor de weduwe of weduwnaar van de vermoedelijke opvolger van de Koning en van de Koning die afstand heeft gedaan van het koningschap overeen met de A-component die de betrokkene ontving voordat het overlijden plaatsvond. Dit geldt eveneens voor de weduwe of weduwnaar van de Koning met dien verstande dat deze na de periode van twee jaar na het overlijden als gevolg van de wijziging in positie een A-component ontvangt ter hoogte van de A-component van de vermoedelijke opvolger van de Koning.

Artikel I, onderdeel C

De kosten die samenhangen met het koningschap komen, conform de geldende afspraken op grond van de WFSKH, hetzij op declaratiebasis (de zgn. functioneel declarabele kosten), hetzij rechtstreeks ten laste van de begroting van enkele ministeries. De bijlage bij begroting I, Huis der Koningin, onder (A = declaratiebasis) resp. onder (B=rechtstreeks), geeft hier telkenjare inzicht in.

Met het oog op de transparantie is het wenselijk voor de personele en materiële kosten een wettelijke basis op te nemen in onderhavig wetsvoorstel. Het betreft kosten waarvoor declaraties uitsluitend door of vanwege de Koning kunnen worden gedaan, die worden gemaakt voor en door de Koning, de vermoedelijke opvolger van de Koning, de Koning die afstand heeft gedaan van het koningschap, alsmede kosten die resteren na overlijden van (een) hier genoemde(n). De kosten kunnen betrekking hebben op personeel en materieel (in het bijzonder de Dienst van het Koninklijk Huis), op huisvesting (in het bijzonder het gebruik van paleizen en van woonverblijven) en op vervoer.

De declaraties gaan vergezeld van een accountantsverklaring van de accountant van de Dienst Koninklijk Huis en worden door tussenkomst van de minister-president gedaan bij de minister die het aangaat ten behoeve van de begroting waarvoor deze verantwoordelijk is.

In overeenstemming met de toezegging die de minister-president in 2007 aan de Tweede Kamer heeft gedaan bij de behandeling van zijn ontwerpbegrotingen 2008, zal de bijlage bij begroting I, Huis der Koningin, in de ontwerpbegroting 2009 met het oog op de transparantie meer toelichting respectievelijk specificatie bevatten.

Het streven is om vervolgens, ter structurele invulling van deze toezegging, in de ontwerpbegroting 2010 in begroting I naast het begrotingsartikel voor de uitgaven die voortvloeien uit de WFSKH, een begrotingsartikel op te nemen voor alle overige kosten, d.w.z. voor de kosten die thans worden gedeclareerd bij verschillende begrotingen en zoveel als mogelijk ook voor de kosten die thans op begrotingen rechtstreeks worden gemaakt voor activiteiten die samenhangen met het koningschap; dit vergt begrotingstechnisch verdere ontwikkeling en uitwerking want dit kan bijvoorbeeld leiden tot overheveling van uitgaven van verschillende begrotingen naar dit begrotingsartikel.

Daarmee kan het stelsel van kosten die samenhangen met het koningschap op een meer éénduidige en meer toegankelijke wijze worden vormgegeven en verantwoord.

Artikel 3 van de WFSKH kan ook voor deze beoogde opzet als wettelijke grondslag dienen aangezien een dergelijke wijziging ten gunste van een meer éénduidige opzet geëffectueerd wordt binnen de bepalingen uit dit artikel, namelijk binnen het begrotingsstelsel van het Rijk, waarbij de reikwijdte beperkt blijft tot uitgaven die noodzakelijk zijn om de uitoefening van het koningschap mogelijk te maken, en voor zover de begroting hiervoor een voorziening bevat. Alsdan zou de minister-president «Onze Minister die het aangaat» zijn als bedoeld in artikel 3.

Artikel I, onderdeel D

Het paleis Noordeinde te ’s-Gravenhage, het paleis Huis ten Bosch te ’s-Gravenhage en het paleis op de Dam te Amsterdam zijn op grond van het besluit van 15 juli 1980, houdende aanwijzing van paleizen als bedoeld in artikel 4 van de WFSKH (Stb. 435) aan de Koning tot gebruik ter beschikking gesteld. Het ligt in de rede dat genoemde paleizen ook in de toekomst aan de Koning ter beschikking gesteld zullen blijven. Tegen deze achtergrond is het wenselijk de terbeschikkingstelling van deze paleizen in de wet zelf vast te leggen. Dit geldt niet voor paleis Soestdijk dat niet langer ter beschikking wordt gesteld op grond van de huidige wet.

Op grond van het nieuwe tweede lid kunnen naast de genoemde paleizen ook een of meer andere woon- of werkverblijven tijdelijk aan de Koning ter beschikking worden gesteld. Uit oogpunt van transparantie is het van belang deze vorm van uitkeringen op grond van artikel 40 van de Grondwet wettelijk te regelen. Het betreft de mogelijkheid ter zake besluiten te nemen indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding zouden geven, bijvoorbeeld bij onderhoud of verbouwing van een paleis. Een dergelijke aanleiding is thans niet aanwezig.

Het derde lid ziet op de situatie dat de Koning overlijdt. In dat geval ligt het niet in de rede dat de overlevende echtgenoot of echtgenote per definitie in de koninklijke paleizen blijft wonen. Wel kan in dat geval de overlevende echtgenoot of echtgenote een ander woonverblijf tot gebruik ter beschikking worden gesteld.

Het vierde lid bepaalt dat een woonverblijf ter beschikking kan worden gesteld aan de vermoedelijke opvolger van de Koning onderscheidenlijk aan de Koning die afstand van het koningschap heeft gedaan. In de WFSKH is destijds een dergelijke voorziening getroffen voor Prinses Juliana en Prins Bernhard (artikel 11). Daarbij werd tevens bepaald dat het ter beschikking gestelde woonverblijf bij voor overlijden van de een aan de langstlevende echtgenoot ter beschikking wordt gesteld. Met het oog hierop is in het vierde lid van artikel 4 van het onderhavige wetsvoorstel bepaald dat bij koninklijk besluit kan worden bepaald dat indien de vermoedelijke opvolger van de Koning onderscheidenlijk de Koning die afstand van het koningschap heeft gedaan overlijdt, het woonverblijf aan de overlevende echtgenoot of echtgenote tot gebruik ter beschikking wordt gesteld. Ten aanzien van de vermoedelijke opvolger betreft het, evenals ten aanzien van de Koning, uitsluitend de mogelijkheid ter zake besluiten te nemen indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding zouden geven. Die aanleiding is nu niet aanwezig. Eventuele andere kosten die betrekking hebben op woon- en werkverblijven en waarin niet uit hoofde van artikel 4 is voorzien, kunnen op grond van artikel 3 worden gedeclareerd.

Artikel I, onderdeel E

Aangezien het in dit artikel geregelde overgangsrecht materieel geen werking meer heeft, kan dit vervallen.

Artikel I, onderdeel F

De artikelen 11 en 12 van de WFSKH hebben betrekking op de uitkeringen aan Prinses Juliana en Prins Bernhard. Het behoeft geen betoog dat deze artikelen geen betekenis meer hebben en kunnen vervallen.

De minister-president, minister van Algemene Zaken,

J. P. Balkenende

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

G. ter Horst

De minister van Financiën,

W. J. Bos

De staatssecretaris van Financiën,

J. C. de Jager


XNoot
1

Tweede Kamer der Staten-Generaal, Handelingen 26 oktober 1972.

XNoot
2

Zo spreekt artikel 1, lid 1, van de huidige WFSKH van een bedrag voor de Koning van € 1 255 206,58. Dit uit 1971 daterend bedrag is na indexatie in de begroting 2008 € 4 201 000,00. In onderhavig voorstel onder artikel A wordt het bedrag aan de Koning op het niveau van 2007 genoemd ad € 4 757 359. Na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zal hoofdstuk I van de begroting 2009 derhalve de voor 2007 op het niveau 2009 geïndexeerde bedragen bevatten.