Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201231490 nr. 88

31 490 Vernieuwing van de rijksdienst

Nr. 88 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 mei 2012

Hierbij bied ik u de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2011 aan1. Dit is de tweede op rij. Met bedrijfsvoering wordt gedoeld op: organisatie, personeel, huisvesting, ICT, facilitair, inkoop en informatiehuishouding. De rapportage bevat nu ook de onderdelen die voorheen afzonderlijk in het Sociaal Jaarverslag stonden.

Het Rijk krimpt

De beleidsmatige en uitvoerende taken waar het Rijk voor staat, moeten met minder personeel verricht worden. Het kabinet kiest ervoor om zich meer te richten op de kerntaken van de overheid en uitvoering efficiënter te organiseren. De taakstelling (Vernieuwing Rijksdienst, VRD) die het vorige kabinet aan de rijksdienst oplegde, hebben de ministeries samen ruimschoots gehaald. Het Rijk telt zelfs 5 500 fte minder dan beoogd met de VRD taakstelling. De krimp zit vooral in de uitvoering en in mindere mate bij inspectie en ondersteuning. Het is belangrijk dat de dienstverlening aan burgers en bedrijven niet leidt onder de krimp van de uitvoering. Daar zie ik met mijn collega’s op toe.

Het doet mij deugd om vast te stellen dat de krimp in fte gepaard gaat met een afname van de externe inhuur. Er is geen opdrijvend effect van personele krimp op de externe inhuur. In 2011 heeft het Rijk ongeveer € 150 miljoen minder uitgegeven aan externe inhuur dan in 2010. Meer dan de helft van deze afname komt bij het ministerie van Defensie vandaan. Het beter benutten van interne expertise en sturing op inhuur begint zijn vruchten af te werpen.

In 2010 bedroegen de personele en materiële uitgaven van het Rijk € 13,3 miljard, in 2011 is dit licht gestegen naar € 13,4 miljard. Dit betreft de apparaatsuitgaven van ministeries inclusief de baten-lastendiensten en exclusief Defensie, KLPD en ZBO’s. Een daling van de apparaatsuitgaven is bij het regeerakkoord afgesproken per 2012.

Resultaten organisatie en bedrijfsvoering

De maatregelen om de bedrijfsvoering beter te beheersen blijken – behoudens enkele uitzonderingen – effectief.

Grote ICT-projecten

In 2011 was er veel minder sprake van kostenoverschrijdingen van grote ICT-projecten dan in 2010. Dat is een positieve ontwikkeling. Het Rijk slaagt er beter in om de risico’s van grote projecten in te perken. Eind 2011 werden 49 grote ICT-projecten met een hoog risico uitgevoerd bij het Rijk. De totale meerjarig geraamde kosten van deze ICT-projecten bedragen € 2 409 miljoen.

De meerjarige kostenschattingen van de 26 projecten die al in 2010 liepen en die ook in 2012 doorlopen namen eind 2011 netto toe met 1,7% ten opzichte van de vorige Jaarrapportage. De Tweede Kamer is al ingelicht over de grootste toenames die aan de stijging ten grondslag liggen. Ter vergelijking met de vorige Jaarrapportage: de meerjarige kostenschattingen van de 23 projecten die al in 2009 liepen en die in 2011 doorliepen namen eind 2010 toe met 11,4%.

Goed werkgeverschap

Het Rijk is en blijft een grote werkgever. Om de rijksdienst toekomstvast te houden, nemen we diverse maatregelen voor een goed personeelsbeleid. Zo is er één Functiegebouw Rijk, zijn er afspraken gemaakt over het uitvoeren van functioneringsgesprekken en wordt binnen de mogelijkheden verder gezocht naar harmonisatie van arbeidsvoorwaarden. Ook krijgen jongeren bijzondere aandacht in het arbeidsmarktbeleid. Hoewel het moeilijk blijft om jongeren binnen te houden (met de druk op personele budgetten), ziet het Rijk het belang hiervan. In 2011 is gestart met een methode voor strategische personeelsplanning om in kaart te brengen welk personeel wanneer nodig is. De uitkomst van deze strategische personeelsplannen heb ik toegezegd voor na deze zomer.

Het Rijk wil 1% van de bezetting van het rijkspersoneel laten bestaan uit mensen met een indicatie WSW, WAJONG of WIA. Die doelstelling is in 2011 niet gehaald, al is er wel sprake van een stijging tot bijna 1 000 medewerkers. Ten opzichte van 2010 heeft het Rijk een forse stap gezet. Toch is het te betreuren dat de doelstelling in 2011 niet is gehaald. Het gaat erom hen die kúnnen werken en graag willen werken een kans te bieden ter voorkoming van maatschappelijke uitsluiting van juist deze mensen.

Reductie CO2-uitstoot

Het terugdringen van de CO2-uitstoot is een Europese doelstelling. Dat geldt voor heel Nederland en dus ook voor het Rijk. Het Rijk streeft ernaar de eigen voetafdruk jaarlijks te verkleinen onder meer door maatregelen bij het energieverbruik in de huisvesting, woon-werkverkeer en dienstreizen (mobiliteit). Gegevens voor het hele Rijk laten zien dat de CO2-uitstoot van mobiliteit in 2011 met 3% is afgenomen ten opzichte van 2010. De CO2-uitstoot van energieverbruik is met 15% afgenomen.

Compacte Rijksdienst

In 2011 is het uitvoeringsprogramma Compacte Rijksdienst van start gegaan. Dit programma heeft als belangrijkste doelstelling om de bedrijfsvoering en een aantal uitvoerende en toezichthoudende taken van het Rijk doelmatiger te organiseren en wel zo dat én een besparing wordt gehaald én de dienstverlening op peil blijft, liever nog: beter wordt.

Het programma geeft invulling aan de kabinetsdoelstelling van een kleine, krachtige en dienstverlenende overheid en richt zich specifiek op de rijksdienst. Het Nederlandse openbaar bestuur springt er zowel qua prestaties als qua omvang in internationale vergelijkingen nog altijd goed uit. Maar goed kan altijd beter. Bovendien is vermindering van de omvang van het overheidsapparaat noodzakelijk vanwege de financiële crisis en de arbeidsmarktontwikkelingen. Dat betekent dat we moeten blijven streven naar een nog efficiëntere en meer flexibele organisatie van ons openbaar bestuur die tevens ruimte biedt aan de verantwoordelijkheden en het zelfoplossend vermogen van burgers en samenleving.

Inhoudelijke ontwikkelingen

Het programma kent drie programmalijnen en bestaat uit 17 projecten. De projecten uit de eerste twee programmalijnen hebben betrekking op de bedrijfsvoering van de rijksdienst, de derde programmalijn omvat projecten die zich richten op clustering van uitvoerende en toezichthoudende taken. De resultaten over 2011 laten zien dat de uitvoering van het programma op schema ligt.

De projecten die betrekking hebben op de bedrijfsvoering hebben over het algemeen goede voortgang geboekt. Dit was mogelijk omdat deze voortbouwden op stappen die al onder het programma Vernieuwing Rijksdienst in gang waren gezet. Mede hierdoor zijn bij een aantal projecten al de eerste concrete resultaten zichtbaar geworden, zoals de oprichting van shared service organisaties op het terrein van P&O en inkoop en uitbouw van bestaande shared serviceorganisaties op het terrein van ICT en facilitaire dienstverlening.

Ook de projecten die betrekking hebben op clustering van uitvoering en clustering van toezicht zijn over het geheel genomen goed uit de startblokken gekomen. De voortgang kent een ander verloop dan de projecten die zich richten op de bedrijfsvoering. Voor de meeste van deze projecten is eerst een verkenning uitgevoerd naar de haalbaarheid van clustering voordat een concreet besluit kon worden genomen om hiertoe over te gaan. Voor de meeste projecten zijn de verkenningen uitgevoerd en heeft de benodigde besluitvorming plaatsgevonden. Alle projecten hebben tot dusver een positief besluit gekregen, zodat de projecten concreet in uitvoering zijn genomen. Dit zal onder andere leiden tot de oprichting van het Rijksvastgoedbedrijf, de Autoriteit Consument en Markt en de clustering van de subsidieverlening aan bedrijven bij AgentschapNL/Dienst Regelingen.

Bij enkele projecten verloopt de voortgang minder voorspoedig dan voorzien. Dit komt meestal door een samenloop van omstandigheden die niet binnen het project te beïnvloeden is, zoals beleidsmatige ontwikkelingen op specifieke terreinen en CAO-onderhandelingen. Daarnaast is er soms meer tijd nodig voor de besluitvorming of de planuitwerking vanwege de mogelijke effecten op het primaire proces.

Ontwikkeling van het besparingspotentieel

Bij aanvang van het uitvoeringsprogramma is een besparingspotentieel voorzien van circa € 800 miljoen. De besparingen die met het programma kunnen worden gerealiseerd, komen ten goede aan de departementale begrotingen. Hiermee kunnen de departementen mede invulling geven aan de aan hen opgelegde taakstelling van € 1,8 miljard op de apparaatsuitgaven.

Voor een groot aantal projecten is inmiddels een business case opgesteld of zijn de ramingen geactualiseerd. Het programma blijft financieel gezien op koers al is het besparingspotentieel nog niet voor alle projecten bekend of even hard. Ik hecht er aan om op te merken dat het besparingspotentieel niet moet worden opgevat als een extra financiële taakstelling. Het besparingspotentieel is bedoeld ter invulling van de opgelegde taakstelling. Dit bekent niet dat het programma daardoor vrijblijvend is. Het optimaal benutten van het besparingspotentieel is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle departementen en kan alleen worden bereikt als alle departementen conform afspraak blijven meedoen.

De inhoudelijk en financiële ontwikkeling van het programma overziend, concludeer ik dat de departementen zich op consciëntieuze en serieuze wijze hebben ingezet voor de realisatie van de projecten van het uitvoeringsprogramma Compacte Rijksdienst. Ik realiseer mij terdege dat dit voor de departementen niet altijd een gemakkelijke opgave is geweest vanwege de samenloop met de taakstelling van het regeerakkoord, de afronding van vorige taakstellingen en de fusies van enkele departementen. Mij past dan ook een woord van waardering voor de inzet van alle betrokkenen.

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, J. W. E. Spies


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.