Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201731490 nr. 216

31 490 Vernieuwing van de rijksdienst

33 763 Toekomst van de krijgsmacht

Nr. 216 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR WONEN EN RIJKSDIENST

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 oktober 2016

Op 14 september 2016 heb ik met de Algemene Commissie voor Wonen en Rijksdienst overleg gevoerd over het beleid rond krimp en bevolkingsdaling. In het Algemeen overleg zijn drie brieven over de geactualiseerde masterplannen voor de rijkskantoorhuisvesting en de geprognosticeerde ontwikkeling van de rijkswerkgelegenheid per provincie tot 2020 besproken. In dit kader hebben Kamerleden aandacht gevraagd voor de voorgenomen verhuizing van het Financieel Service Centrum Defensie van Eygelshoven naar Utrecht. De zorg van de Kamerleden betreft het verlies aan rijkswerkgelegenheid in Limburg als gevolg van de verhuizing. Uw Kamer heeft mij, in het kader van mijn coördinerende rol voor de rijkswerkgelegenheid, verzocht hierover contact op te nemen met de Minister van Defensie.

De voorgenomen verhuizing komt voort uit de evaluatie van het Financieel Administratie en Beheerkantoor Defensie (FABK) en de business case die is opgesteld om de financiële administratie en het financieel beheer van Defensie in Utrecht te centraliseren. De Minister van Defensie heeft uw Kamer over de voorgenomen verhuizing in diverse brieven geïnformeerd. Ik verwijs in het bijzonder naar de brieven van 2 februari 20161 en 23 juni 20162, met een uiteenzetting over deze specifieke casus. Verder heeft de Minister van Defensie op 28 juli 2016 Kamervragen beantwoord3. Dit onderwerp komt ook mogelijk aan de orde in het Algemeen overleg Vastgoed Defensie met de Vaste commissie voor Defensie op 3 november aanstaande.

Meer in het algemeen merk ik op dat de Rijksdienst een grote dynamiek kent. Dit leidt tot allerlei veranderingen binnen organisaties en soms verschuivingen in de vestigingslocatie van een organisatie. Besluitvorming over de rijkshuisvesting vindt na een zorgvuldig proces plaats, waarbij er met meerdere belangen rekening wordt gehouden. Ik noem het primair proces van de organisatie, het financieel-economisch belang voor het concern, het vastgoedbelang en de politiek-bestuurlijke afstemming met provincies en gemeenten. Ook wordt er nadrukkelijk gekeken naar de gevolgen voor het personeel van een wijziging van de plaats waar werkzaamheden worden uitgevoerd. De afzonderlijke huisvestingsbesluiten moeten tezamen tot een uitkomst leiden die recht doet aan de motie-Albert de Vries c.s.4, waarbij de regering zich inspant dat de rijkswerkgelegenheid in de provincies Friesland, Drenthe, Zeeland en Limburg in de periode tot 2020 niet onevenredig daalt.

In het Algemeen overleg van 14 september 2016 heb ik uw Kamer toegezegd in de loop van 2017 met een nieuw overzicht te komen van de geprognosticeerde ontwikkeling van de rijkswerkgelegenheid per provincie tot 2020. Daaraan vooraf gaat een inventarisatie van de kantoorhuisvestingsbehoefte van departementen. Ik zie op dit moment geen aanleiding om voor de provincie Limburg tot bijsturing van rijkshuisvestingsprojecten over te gaan, maar zal deze overweging opnieuw maken op basis van de inzichten die in de loop van 2017 bij departementen ontstaan inzake de huisvestingsbehoefte.

De Minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok


X Noot
1

Kamerstuk 33 763, nr. 94

X Noot
2

Kamerstukken 32 733 en 33 763, nr. 152

X Noot
3

Aanhangsel Handelingen II 2015/16, nr. 3205

X Noot
4

Kamerstuk 31 490, nr. 126