Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201131487-(R1862) nr. 9

31 487 (R 1862) Wijziging Wetboek van Militair Strafrecht in verband met het opnemen van een strafuitsluitingsgrond voor rechtmatig geweldgebruik door militairen

Nr. 9 BRIEF VAN DE MINISTERS VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE EN VAN DEFENSIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 december 2010

Op 31 augustus 2006 heeft de Commissie evaluatie toepassing militair strafprocesrecht bij uitzendingen (commissie Borghouts) haar rapport aan onze ambtsvoorgangers aangeboden. De commissie Borghouts heeft zich met 21 aanbevelingen in haar rapport gericht op het bieden van rechtszekerheid voor de militairen op uitzending, het vergroten van het besef van de juridische gevolgen van geweldgebruik, het verbeteren van de samenwerking én het vergroten van het wederzijdse begrip tussen Defensie, KMar en het OM.

De aanbevelingen van de commissie Borghouts zijn door onze ambtsvoorgangers overgenomen. In 2007 en 2008 is gewerkt aan de implementatie van de betreffende aanbevelingen.

Overeenkomstig de afsluitende aanbeveling van de commissie Borghouts hebben onze ambtsvoorgangers opdracht gegeven tot een evaluatie die tot doel heeft vast te stellen op welke wijze invulling is gegeven aan de aanbevelingen en wat daarvan de effecten zijn geweest. Dit evaluatieonderzoek is verricht door de departementale auditdiensten van de ministeries van Defensie en van Veiligheid en Justitie. Het onderzoek is recentelijk afgerond. Het rapport dat de auditdiensten hebben opgesteld bieden wij u hierbij, conform de toezegging van onze ambtsvoorgangers in de nadere memorie van antwoord van 28 juni jl. op de Wijziging Wetboek van Militair strafrecht in verband met het opnemen van een strafuitsluitingsgrond voor rechtmatig geweldgebruik door militairen (Eerste Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 31 487 (R 1862), E) ter kennisneming aan1.

In het evaluatieonderzoek is vastgesteld dat de meeste aanbevelingen van de commissie Borghouts volledig zijn opgevolgd en de beoogde effecten zijn bereikt, en dat met de opvolging van de aanbevelingen de doelstellingen van de commissie Borghouts lijken te zijn gerealiseerd. Voor een samenvatting van de resultaten van het evaluatieonderzoek verwijzen wij naar de pagina’s 2 en 3 van het rapport. Op pagina 4 is een overzicht van de opvolging van de aanbevelingen opgenomen.

Aan het eind van het rapport is een addendum gevoegd, dat de resultaten bevat van het in opdracht van onze ambtsvoorgangers verrichte aanvullend onderzoek naar signalen over gevoelens van onvrede, verwarring en onzekerheid die bij militairen zouden bestaan over de status van getuige die zij na geweldstoepassing kunnen krijgen, dit naar aanleiding van de recente behandeling in de Eerste Kamer van het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Militair strafrecht.

Drie aanbevelingen zijn, aldus de auditdiensten, niet volledig opgevolgd. Bij twee aanbevelingen zijn niettemin wel de gewenste effecten bereikt. Bij één aanbeveling is het gewenste effect gedeeltelijk bereikt. Ten aanzien van één aanbeveling is geen oordeel gegeven. Op de kanttekeningen die de auditdiensten bij deze aanbevelingen hebben geplaatst, gaan wij hieronder kort in.

De auditdiensten hebben een kanttekening geplaatst over de uitwerking van de aanbeveling die gaat over de wijze waarop informatie uit het huishoudelijk onderzoek kan worden gebruikt in een strafrechtelijk onderzoek (aanbeveling 9). De rechtszekerheid van de militair die in het kader van een huishoudelijk onderzoek wordt gehoord is gewaarborgd door een aanwijzing die voorschrijft dat een huishoudelijk onderzoek niet wordt ingesteld of wordt gestaakt, zodra er sprake is van het vermoeden van het plegen van een strafbaar feit.

De kanttekeningen ten aanzien van de functieomschrijving van de verbindingsfunctionaris krijgsmacht bij het militair parket (aanbevelingen 14 en 15) zijn minder relevant nu deze functieomschrijving indertijd in samenspraak met de Hoofdofficier van Justitie te Arnhem tot stand is gebracht.

Ook de kanttekening dat het overleg tussen de Procureur Generaal, de Commandant der Strijdkrachten en de Commandant Koninklijke Marechaussee niet structureel plaatsvindt (aanbeveling 20), is minder relevant nu er regelmatig overleg plaatsvindt tussen functionarissen van het Openbaar Ministerie, de Koninklijke Marechaussee en de overige krijgsmachtonderdelen. Zo hebben de Procureur Generaal en de Hoofdofficier van Justitie van het parket Arnhem op uitnodiging van de Commandant der strijdkrachten het Beraad Operationele Commandanten bijgewoond en hebben zij nagenoeg elk jaar een bijeenkomst met (onder)commandanten die recentelijk het bevel hebben gevoerd over eenheden bij een ernstoperatie. Bij deze bijeenkomsten is ook de Koninklijke Marechaussee vertegenwoordigd.

Los van deze momenten vinden er bij functiewisselingen van de Procureur Generaal, Hoofdofficier van Justitie Arnhem, Commandant der Strijdkrachten en Commandant der Koninklijke Marechaussee kennismakingsgesprekken plaats en draagt Defensie zorg voor introductieprogramma’s bij de diverse krijgsmachtonderdelen.

Ten aanzien van aanbeveling 21 (betreffende informatieverstrekking door KMar aan commandanten) hebben de auditdiensten geen oordeel gegeven omdat de tot voor kort bestaande werkwijze is stopgezet in verband met het ontbreken van een wettelijke grondslag daarvoor. Inmiddels zijn acties in gang gezet die er toe moeten leiden dat de informatieverstrekking weer op een adequaat niveau kan plaatsvinden. Overigens bestaan er in geval van bijzondere omstandigheden mogelijkheden voor informatieverstrekking.

Naar ons oordeel onderschrijft dit evaluatierapport de conclusie dat de aanbevelingen van de commissie evaluatie toepassing militair strafprocesrecht bij uitzendingen zijn opgevolgd en hebben geleid tot het vergroten van het besef van de juridische gevolgen van geweldgebruik, het verbeteren van de samenwerking en het vergroten van het wederzijds begrip tussen defensie, Koninklijke Marechaussee en het Openbaar Ministerie.

De minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten

De minister van Defensie,

J. S. J. Hillen


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.