Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum indiening
Tweede Kamer der Staten-Generaal2008-200931487-(R1862) nr. 5

31 487 (R 1862)
Wijziging Wetboek van Militair Strafrecht in verband met het opnemen van een strafuitsluitingsgrond voor rechtmatig geweldgebruik door militairen

nr. 5
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 13 februari 2009

Met belangstelling hebben wij kennisgenomen van het verslag van de vaste commissie voor Defensie terzake het onderhavige voorstel van rijkswet. Het verheugt ons dat de leden van de fracties van het CDA en de SP doel en strekking van het voorstel ondersteunen. In het hiernavolgende gaan wij graag nader in op de door de verschillende fracties gestelde vragen en gemaakte opmerkingen. Bij de beantwoording van de gestelde vragen is de indeling van het verslag zo veel mogelijk aangehouden. Wanneer zulks wenselijk is en de leesbaarheid ten goede komt, zullen wij op vragen en opmerkingen gezamenlijk ingaan.

Commissie Borghouts

De leden van de fractie van het CDA onderschreven de aanbevelingen die door de Commissie-Borghouts zijn gedaan ter versterking van de rechtszekerheid van de individuele militair. In het verlengde hiervan ondersteunden deze leden dan ook de aanbeveling van de Commissie-Borghouts aan de wetgever om te voorzien in een wettelijke bepaling voor de legitimatie van rechtmatig geweldgebruik in situaties waarin het internationaal humanitair recht niet van toepassing is.

Ook de leden van de fractie van de SP refereerden aan de aanbevelingen van de Commissie-Borghouts. Zij onderschreven de wens om met een specifieke strafuitsluitingsgrond de militair een zo groot mogelijke rechtszekerheid te bieden, maar wezen daarbij ook op het belang van de overige aanbevelingen van de Commissie-Borghouts. In dit verband vroegen zij in hoeverre ook die aanbevelingen zijn geïmplementeerd.

Het verheugt ons deze leden te kunnen berichten dat het implementatietraject met betrekking tot de overige aanbevelingen is afgerond. De gemeenschappelijke noemer van de aanbevelingen is een verbetering van de kennis en het begrip van de werking van het (militair) strafprocesrecht en de rol van de Koninklijke Marechaussee (KMar) en het openbaar ministerie daarbij. De aanbevelingen die zich richten tot Defensie, hebben hun borging en uitwerking gevonden in het vastleggen van bepaalde procedures in een inmiddels geïmplementeerde Aanwijzing CDS. Daarnaast zijn leerdoelen op het gebied van straf- en strafprocesrecht geformuleerd en opgenomen in verschillende lesprogramma’s. Voorts zijn er, mede tegen de achtergrond van het Versterkingsprogramma Opsporing, verbetermaatregelen, ook organisatorisch, binnen de KMar doorgevoerd. De aanbevelingen op het terrein van Justitie hebben onder andere betrekking op het vervolgingsbeleid terzake geweldgebruik door militairen. De borging hiervan heeft plaatsgevonden in een tweetal Aanwijzingen en in een Instructie van het College van procureurs-generaal. Verder zijn tussen Defensie, KMar en het openbaar ministerie een aantal afspraken gemaakt c.q. aangescherpt. De Commissie-Borghouts heeft aanbevolen twee jaar na inwerkingtreding van de aanbevelingen een evaluatie te doen uitvoeren die tot doel heeft vast te stellen op welke wijze invulling is gegeven aan de aanbevelingen en wat daarvan de effecten zijn geweest. Met deze evaluatie zal in de tweede helft van 2009 worden gestart.

Artikel 38 Wetboek van Militair Strafrecht

De leden van de fractie van het CDA onderschreven het belang om artikel 38 van het Wetboek van Militair Strafrecht (WMSr) te actualiseren in verband met de gewijzigde inzet en taken van de krijgsmacht. Deze leden wezen terecht op het belang van de geweldsinstructies bij de beoordeling van de vraag of het geweldgebruik in het gegeven geval rechtmatig is. In het vervolg van deze nota zullen de rol van de geweldsinstructies en de wijze waarop de militair daarmee bekend wordt gemaakt, bij de beantwoording van verschillende vragen aan de orde komen. Graag verwijzen wij deze leden daarnaar.

Naar aanleiding van een vraag van de leden van de fractie van de SP willen wij graag benadrukken dat het breder toepassingsbereik van het voorgestelde artikel 38, tweede lid, WMSr als zodanig niet leidt tot toepasselijkheid van de in het Wetboek van Militair Strafrecht opgenomen strafverzwaringen. Deze strafverzwaringen zullen uitsluitend van toepassing zijn op het moment dat Nederland als partij betrokken is bij een oorlog of gewapend conflict. Dat is onder de bijzondere omstandigheden van een dergelijke situatie ook gerechtvaardigd. Er zal in dat geval immers in het algemeen sprake zijn van omstandigheden waarin orde en tucht effectief dienen te kunnen worden gehandhaafd. In het opwerktraject voorafgaand aan een operatie worden militairen geïnformeerd over de context en het juridisch kader waarin zij komen te opereren. Deze reeds bestaande praktijk is naar aanleiding van een aanbeveling van de Commissie-Borghouts in een Aanwijziging CDS uitdrukkelijk geformaliseerd.

De leden van de fractie van de PvdA vroegen of militairen na inwerkingtreding van de voorgestelde wijziging van artikel 38 WMSr nog een beroep kunnen doen op de strafuitsluitingsgrond ambtelijk bevel, zoals neergelegd in artikel 43 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

In antwoord op deze vraag kunnen wij berichten dat de bestaande strafuitsluitingsgronden uit het commune strafrecht, waaronder de strafuitsluitingsgrond van het ambtelijk bevel, onverminderd van toepassing blijven. De toevoeging van een tweede lid aan artikel 38 WMSr moet worden gezien als een – specifiek militaire – aanvulling op het bestaande stelsel van strafuitsluitingsgronden, niet als vervanging daarvan. Zoals wij in de memorie van toelichting hebben aangegeven, zal toepassing van het aan artikel 38 WMSr toegevoegde tweede lid voorop komen te staan bij gedragingen waarvan de straffeloosheid thans op de bepaling inzake het ambtelijk bevel zou worden gebaseerd.

De vraag van de leden van de fractie van de PvdA of het niet in overeenstemming met de regels uitoefenen van de taak onrechtmatig is, kunnen wij bevestigend beantwoorden. Het in de strafuitsluitingsgrond opgenomen onderdeel «rechtmatige uitoefening van zijn taak en in overeenstemming met de regels die voor de uitoefening van die taak zijn vastgesteld» stelt buiten twijfel dat sprake dient te zijn van geweldgebruik in het kader van een militaire taakopdracht én in overeenstemming met de daarvoor geldende regels, waaronder de geweldsinstructies.

Subsidiariteit en proportionaliteit

De leden van de fractie van de PvdA stelden terecht vast dat niet elk gebruik van geweld op grond van de geweldsinstructies door de voorgestelde strafuitsluitingsgrond op voorhand wordt gelegitimeerd. Het geweldgebruik zal in het gegeven geval moeten voldoen aan de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit. Deze leden vroegen of de beoordeling van het geweldgebruik aan subsidiariteit en proportionaliteit betekent dat een militair in het gegeven geval het minst ingrijpende wapensysteem zal moeten gebruiken.

Deze vraag kan in zijn algemeenheid bevestigend noch ontkennend worden beantwoord. De beoordeling of in een concreet geval is voldaan aan de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit vindt telkens plaats naar de specifieke feiten en omstandigheden van dat geval. Bij die beoordeling wegen verschillende factoren mee, waaronder ook de keuze voor de inzet van een bepaald wapensysteem. In het licht van de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit zal het geweldsmiddel dat wordt aangewend, gepast moeten zijn ter bereiking van het operationele doel. De keuze voor een gepast geweldsmiddel houdt evenwel nauw verband met de beschikbare wapensystemen en de operationele geschiktheid van die systemen in het licht van de dreiging waartegen geweld wordt ingezet. Zulks kan betekenen dat ook bij beschikbaarheid van minder ingrijpende middelen, de inzet van een – in absolute zin – tamelijk zwaar middel, bijvoorbeeld artillerie of luchtsteun, in het gegeven geval gepast kan zijn.

De leden van de fractie van de PvdA stelden enkele vragen over het begrip «rechtmatig gebruik van geweld». Voorts vroegen zij in dit verband hoe het begrip in de Artikel 100 brieven wordt gedefinieerd. Graag beantwoorden wij deze vragen als volgt. Onder het begrip «rechtmatig gebruik van geweld» wordt verstaan het gebruik van geweld in het kader van de militaire taakopdracht dat in overeenstemming is met de geweldsinstructies en onder de gegeven operationele omstandigheden voldoet aan de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit. De beoordeling of het geweldgebruik in het gegeven geval rechtmatig is, moet dan ook telkens worden gemaakt aan de hand van de specifieke operationele omstandigheden waarin het geweld werd aangewend. In artikel 100 brieven wordt de volkenrechtelijke rechtsbasis voor het gebruik van geweld vermeld. Ook kan – zoals nu reeds het geval – in de artikel 100 brieven informatie op hoofdlijnen worden gegeven over de toepasselijke Rules of Engagement voor de desbetreffende operatie, die zijn gebaseerd op de volkenrechtelijke rechtsbasis en het mandaat. In welke concrete situaties die zich tijdens een operatie kunnen voordoen geweldgebruik binnen het kader van deze Rules of Engagement rechtmatig zal zijn, kan niet vooraf worden aangegeven. De feitelijke omstandigheden van die concrete situaties, die met name van belang zijn bij het beoordelen van de subsidiariteit en proportionaliteit van geweldgebruik, zijn immers niet vooraf bekend.

Tot slot vroegen deze leden in dit verband in hoeverre toetsing van geweldgebruik door militairen zich laat vergelijken met toetsing van geweldgebruik door ambtenaren van de politie. Graag merken wij op dat de aard, taakstelling en grondslag van militair optreden wezenlijk verschillen van die van politieel optreden. Zo is de grondslag voor geweldgebruik door de politie neergelegd in de Politiewet, terwijl de geweldsbevoegdheid voor militair optreden per specifieke operatie nader wordt omlijnd in het mandaat en de toepasselijke Rules of Engagement. Zulks maakt dat het toetsingskader voor beide vormen van functioneel geweld zich niet goed laat vergelijken.

Quick Reaction Teams

De leden van de fractie van de PvdA stelden een aantal vragen over de inzet van zogenoemde Quick Reaction Teams. Deze leden refereerden daarbij aan de betreurenswaardige eigen vuur incidenten die in januari 2008 plaatshadden in Uruzgan. Zij wezen op het door de Commandant der Strijdkrachten (CDS) ingestelde onderzoek naar deze gebeurtenissen en vroegen waarom in dit geval wel een op een Quick Reaction Team gelijkend onderzoeksteam was ingesteld. Voorts stelden zij enkele vragen over de verhouding tussen het onderzoek van de CDS en het onderzoek van het openbaar ministerie.

Graag beantwoorden wij de vragen van deze leden als volgt. In verband met de ernst van de incidenten waaraan de leden van de PvdA refereerden, heeft zowel het openbaar ministerie als de CDS, ieder voor zich en op grond van eigen bevoegdheden, taken en verantwoordelijkheden, onderzoek naar de feiten gedaan. Het onderzoek van het openbaar ministerie is ter plaatse uitgevoerd onder leiding van een in militaire zaken gespecialiseerde officier van Justitie, vergezeld door medewerkers van het openbaar ministerie en de Koninklijke Marechaussee. Het onderzoek van de CDS is uitgevoerd door medewerkers van de afdeling Evaluaties van de CDS. De samenstelling van deze onderzoeksteams was derhalve anders dan het door de leden van de PvdA gememoreerde Quick Reaction Team. De twee teams hebben, met inachtneming van de eigen verantwoordelijkheid, afspraken gemaakt over de uitvoering van beide onderzoeken. Zulks heeft geleid tot een goede samenwerking. De resultaten van het onderzoek van de CDS zijn ter beschikking gesteld aan het openbaar ministerie. Het openbaar ministerie heeft bij de beoordeling van de gebeurtenissen naast het eigen onderzoek ook de resultaten van het onderzoek van de CDS betrokken. Zoals bekend, heeft het openbaar ministerie op grond van de onderzoeksbevindingen geoordeeld dat bij de desbetreffende incidenten geen sprake is geweest van strafbare feiten.

Het ministerie van Defensie is bevoegd tot het instellen van een eigen onderzoek naar incidenten. Indien de aard van een incident daartoe aanleiding geeft, wordt van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Een dergelijk onderzoek dient primair ter verkrijging van een compleet beeld van het desbetreffende incident. Het door de CDS uitgevoerde onderzoek naar de incidenten waaraan de leden van de PvdA refereerden, betrof een zodanig onderzoek. Uit de bevindingen van een feiten onderzoek kunnen interne (verbeter)maatregelen volgen en wordt waar mogelijk lering getrokken voor de toekomst. Over de uitkomsten van voornoemd onderzoek van de CDS en de verbetermaatregelen die daarop zijn gevolgd, is uw Kamer geïnformeerd in de brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 19 februari 2008 (Kamerstukken II 2007/08, 27 925, nr. 296) en de periodieke stand van zakenbrief Afghanistan (Kamerstukken II 2008/09, 27 925, nr. 325).

In reactie op de vraag van de leden van de PvdA of de afwijzing door de regering van de inzet van zogenoemde Quick Reaction Teams niet dient te worden heroverwogen, brengen wij graag het volgende naar voren. In de eerste plaats gelden de bezwaren die voor zowel de Commissie-Borghouts als de regering eerder reden vormden om de inzet van zogenoemde Quick Reaction Teams af te wijzen, nog onverkort. In de tweede plaats hebben de positieve ervaringen met onder andere het hierboven beschreven onderzoek – waarbij, zoals hierboven aangegeven, van de inzet van een zogenoemd Quick Reaction Team geen sprake was – laten zien dat de huidige werkwijze bij onderzoek naar complexe incidenten bij de verschillende actoren tot tevredenheid stemt en tot bevredigende resultaten leidt. Wij zien dan ook geen aanleiding om het eerder door de regering ingenomen standpunt terzake te heroverwegen. In antwoord op een andere vraag van de leden van de PvdA-fractie, merken wij op dat wij niet bekend zijn met de inzet van zogenoemde Quick Reaction Teams door andere landen.

Uit het voorgaande volgt dat wij de opvatting van de leden van de PvdA terzake de door hen voorgestelde rol van de rechter-commissaris eveneens niet kunnen steunen. Daarover merken wij graag nog het volgende op. De verantwoordelijkheid voor het opsporings- en vervolgingsbeleid is wettelijk neergelegd bij het openbaar ministerie. Ter bevordering van specialistische kennis is deze verantwoordelijkheid in militaire zaken toebedeeld aan de officier van justitie te Arnhem. Het openbaar ministerie beschikt over voldoende expertise om – ook in complexe zaken – zelfstandig en op vertrouwenwekkende wijze de rechtmatigheid van het geweldgebruik door militairen te beoordelen. Bij die beoordeling wordt straks vanzelfsprekend ook de toepasselijkheid van de strafuitsluitingsgrond in het voorgestelde artikel 38, tweede lid, WMSr betrokken. Een breuk met het huidige wettelijk stelsel – zoals het voorstel van de leden van de fractie van de PvdA lijkt te impliceren – door de rechter-commissaris zich na onderzoek door een Quick Reaction Team te laten uitspreken over de rechtmatigheid van geweldgebruik, is naar onze overtuiging nodig noch wenselijk. Graag benadrukken wij nog eens dat het openbaar ministerie de afgelopen jaren veel heeft geïnvesteerd in de verbetering van kennis en kunde terzake de strafrechtspleging in militaire zaken. Als voorbeeld daarvan kan worden genoemd de oprichting door het parket Arnhem van het Expertisecentrum Militair Strafrecht OM. Dit Expertisecentrum heeft onder andere een adviesfunctie bij de beoordeling van geweldgebruik in het licht van de operationele omstandigheden en de toepasselijke geweldsinstructies. Voorts heeft het implementatietraject van de aanbevelingen van de Commissie-Borghouts geleid tot verdere verbetering van de strafvordering in militaire zaken. Zoals in deze nota reeds werd aangegeven, heeft naar aanleiding van de Commissie-Borghouts in overleg met Defensie het vervolgingsbeleid terzake geweldgebruik door militairen nader vorm gekregen. Wellicht ten overvloede brengen wij graag nog in herinnering dat ook de Commissie-Borghouts tot de conclusie is gekomen dat de huidige inrichting van het militair strafprocesrecht geen problemen oplevert voor het strafrechtelijk afdoen van incidenten waarbij Nederlandse militairen zijn betrokken. Overigens heeft ook geen van de instanties aan wie het onderhavige wetsvoorstel voor advies is voorgelegd, gepleit voor wijziging van de bestaande praktijk. De Nederlandse Orde van Advocaten heeft bijvoorbeeld juist expliciet aangeven dat het huidige stelsel van militair strafprocesrecht ook voor de gewijzigde taakstelling van de krijgsmacht adequaat is.

Terzake het voordeel dat de voorgestelde rol van de rechter-commissaris volgens de leden van de PvdA zou opleveren, brengen wij graag het volgende naar voren. Met deze leden zijn wij van mening dat de bejegening van een militair na geweldgebruik bijzondere zorgvuldigheid behoeft. In een Aanwijzing van het College van procureurs-generaal is de positie van militairen bij geweldsaanwending dan ook nader geregeld. Het uitgangspunt is dat bij een strafrechtelijk onderzoek naar een geweldsincident de militair die het geweld heeft toegepast in beginsel als getuige wordt aangemerkt. Daarbij wordt de militair erop gewezen dat hij geen vragen behoeft te beantwoorden. Wanneer de rechtmatigheid van geweldgebruik aanstonds in twijfel kan worden getrokken, dan wordt de militair als verdachte aangemerkt. Ook indien tijdens het onderzoek twijfels rijzen over de rechtmatigheid van geweldgebruik, kan de militair alsnog als verdachte worden aangemerkt. Deze procedure doet naar onze mening recht aan de positie van de militair én het belang van een adequate rechtspleging. Zulks werd ook door de Commissie-Borghouts onderschreven.

Voorts vroegen deze leden tegen hoeveel Nederlandse militairen er op dit moment een strafrechtelijk onderzoek loopt.

In antwoord op deze vraag kunnen wij berichten dat navraag bij het openbaar ministerie heeft geleerd dat er op dit moment (december 2008) geen strafzaken aanhangig zijn waarin een militair wordt verdacht in strijd met de geweldsinstructies te hebben gehandeld. In één geval dient het openbaar ministerie de vervolgingsbeslissing nog te nemen.

De vraag van deze leden of het altijd onwenselijk is om militairen waartegen een strafrechtelijk onderzoek loopt naar een operatiegebied uit te zenden, kan in haar algemeenheid niet worden beantwoord. Dit hangt steeds af van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval, in het bijzonder het feit terzake waarvan de desbetreffende militair wordt verdacht. Vanzelfsprekend kan het belang van strafvordering zich in bepaalde gevallen verzetten tegen uitzending van een militair. Naast justitiële belangen kan in verband met operationele belangen uitzending onwenselijk zijn. Gelet op de bijzondere aard van strafvorderlijke gegevens is het ministerie van Defensie niet in alle gevallen bekend met lopende strafrechtelijke onderzoeken. In zaken waarin risico voor de operationele inzetbaarheid of de veiligheid bestaat, bijvoorbeeld waar het gaat om verdenking van drugsdelicten, wordt door het openbaar ministerie actief informatie aan het ministerie van Defensie verstrekt. Vervolgens kan door Defensie een eigen afweging terzake worden gemaakt.

Rules of engagement

De leden van de PvdA-fractie vroegen of de internationaal overeengekomen Rules of engagement ook zonder schriftelijke of mondelinge naar ondergeschikten gecommuniceerde interpretatie daarvan door een daartoe bevoegd lid van de Nederlandse krijgsmacht onvoorwaardelijk van toepassing zijn op het handelen van Nederlandse militairen.

Graag merken wij op dat álle op internationaal niveau overeengekomen Rules of engagement door de CDS worden bekrachtigd en heruitgegeven als voor de Nederlandse militairen van kracht zijnde Rules of engagement. Dit vormt de schakel tussen de internationale en nationale rechtssfeer. Indien de interpretatie van de Rules of engagement op nationaal niveau leidt tot beperkingen, zal de CDS bij de heruitgifte van de internationale Rules of engagement als Nederlands dienstvoorschrift tevens aangeven welke zogenoemde «caveats» daarop van toepassing zijn. Een Nederlandse militair kan, ongeacht zijn rang, op de Rules of engagement wijzen in het kader van een beroep op de strafuitsluitingsgrond bedoeld in het nieuw voorgestelde artikel 38, tweede lid, WMSr. Wel zal – zoals hierboven reeds werd aangegeven – steeds beoordeeld moeten worden of het handelen daarnaast onder de gegeven omstandigheden voldeed aan de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit. Indien door Nederland zogenoemde «caveats» zijn aangebracht op de internationale Rules of engagement, dient de Nederlandse militair die tevens in acht te nemen. Mede om deze reden wordt net als de heruitgifte van de internationale Rules of engagement door de CDS als nationaal dienstvoorschrift, tevens de «caveats»-lijst door de CDS vastgesteld en in de commandantenlijn uitgegeven. Zowel de Rules of engagement als de «caveats» vormen vervolgens onderdeel van het voorbereidingstraject, inclusief briefings, opleidingen en oefeningen.

Op de vraag van de leden van de PvdA-fractie of een Nederlandse militair die samen met buitenlandse collega’s aan een operatie deelneemt, zich van bepaalde handelingen moet onthouden als gevolg van nationale «caveats» op de internationaal overeengekomen Rules of engagement, luidt het antwoord bevestigend. Zo kunnen «caveats» immers het gevolg zijn van verschillen in rechtsverplichtingen, doordat niet alle landen die deelnemen aan een operatie partij zijn bij dezelfde verdragen. Als voorbeeld daarvan kan worden gedacht aan een situatie waarin internationaal overeengekomen Rules of engagement het gebruik van antipersoneelmijnen toestaan, waarop een nationale restrictie wordt toegepast door alle landen, waaronder Nederland, die partij zijn bij het Verdrag van Ottawa tot uitbanning van antipersoneelmijnen. Ook politieke kaders of randvoorwaarden voor deelname aan een operatie kunnen tussen de deelnemende landen (wezenlijk) verschillen. Het is dan ook van belang dat Nederlandse militairen zich onder alle omstandigheden houden aan de Nederlandse verdragsverplichtingen en -interpretaties, ook uit oogpunt van het voorkomen van strafbaar handelen naar Nederlands recht, en dat zij binnen de kaders blijven die in de dialoog tussen regering en Staten-Generaal tot stand zijn gekomen. Gelet op dit belang worden alle Nederlandse militairen, waaronder zeker ook de militairen die op individuele uitzending of uitwisseling worden ingezet, volledig geïnstrueerd in de Rules of engagement en de «caveats», opdat zij weten van welke gedragingen zij zich moeten onthouden, ook wanneer die voor de buitenlandse collega’s wellicht wel zijn toegestaan. Hierdoor wordt voorkomen dat de Nederlandse militair in onduidelijkheid verkeert wat betreft zijn of haar grenzen voor rechtmatig optreden en rechtmatig geweldgebruik.

De leden van de PvdA-fractie vroegen voorts of de grote hoeveelheid informatie over de geweldsinstructies daadwerkelijk bijdraagt aan de kennis van militairen over de rechtmatigheid van hun geweldgebruik. In dit verband vroegen deze leden ook of en hoe de kennis van militairen over wat wel of niet toelaatbaar is, wordt getoetst.

In antwoord op deze vragen brengen wij graag het volgende naar voren. Uit de briefings en de eindoefeningen, maar ook uit vragen vanuit het inzetgebied, blijkt dat er een grote behoefte bestaat aan zo veel mogelijk uitleg en informatie omtrent de geweldsinstructies. Dat geldt voor commandanten, maar ook voor het kader en de manschappen. De briefings en opleidingen in het opwerktraject worden dan ook afgestemd op deze informatiebehoefte, waarbij de complexiteit van de briefings uiteraard wordt afgestemd op het niveau waaraan de briefing wordt gegeven. Niet alle militairen ontvangen dan ook dezelfde hoeveelheid en soort informatie, die zal immers voor commandanten groter en complexer zijn dan voor de manschappen. In de oefeningen, met name de integratie-oefening voorafgaand aan uitzending, wordt bezien of de militairen met voldoende zekerheid weten te handelen conform de geweldsinstructies. Die spelen een integrale rol in die oefeningen. Mocht daarbij blijken dat onderdelen (nog) niet duidelijk zijn, dan wordt opnieuw uitleg gegeven en geoefend. Waar nodig worden ook in het uitzendgebied zelf nog briefings over de geweldsinstructies verzorgd. Zulks geschied in elk geval bij tussentijdse wijzigingen.

Met de leden van de PvdA-fractie zijn wij van mening dat de Nederlandse regering te allen tijde verantwoordelijk is en blijft voor het waarborgen van de rechtspositie en nazorg van Nederlandse militairen. Juist deze verantwoordelijkheid maakt het onderwijs in de Rules of engagement zo belangrijk, alsmede het zorgvuldig beoordelen van de internationaal totstandgekomen Rules of engagement en het zonodig aanbrengen van beperkingen daarop. Door de Nederlandse militairen duidelijke en adequate kaders mee te geven, waaronder waar nodig restricties ten opzichte van de geweldsinstructies van de overige deelnemende landen, draagt de regering bij aan het waarborgen dat de Nederlandse militairen binnen de Nederlandse politieke en juridische grenzen blijven tijdens hun optreden.

Benaming van de operatie

De leden van de fractie van de PvdA stelden enkele vragen over de benaming van militaire operaties. Deze leden gaven aan dat vanwege de mogelijkheid van veranderingen in de situationele omstandigheden het juridisch kader waarbinnen een militaire operatie wordt uitgevoerd niet te zeer zou moeten afhangen van de benaming van de operatie.

Graag merken wij op dat het aanmerken van een operatie als «peace-enforcing», «peace-keeping» of anderszins, als zodanig geen gevolgen heeft voor het juridisch kader. Zulks geldt ook voor de aanduiding van de ISAF-operatie in Uruzgan als «offensieve veiligheidoperatie». Deze aanduiding speelt als zodanig geen rol bij de eventuele strafrechtelijke beoordeling van geweldgebruik.

In reactie op de vraag van deze leden naar de rechtszekerheid van de militair willen wij graag andermaal benadrukken dat de Nederlandse militair die conform zijn geweldsinstructies handelt, zich – omgeacht de benaming van de operatie – gesteund weet door het wettelijk stelsel van strafuitsluitingsgronden. In situaties waarin sprake is van oorlog of gewapend conflict bestaat dat stelsel uit één strafuitsluitingsgrond meer, te weten de bepaling opgenomen in het huidige artikel 38 Wetboek van Militair Strafrecht. Het onderhavige wetsvoorstel voorziet daarenboven in een specifiek op militairen toegesneden strafuitsluitingsgrond die alle gerechtvaardigde gewelduitoefening door militairen legitimeert. Met deze specifiek militaire strafuitsluitingsgrond geeft het onderhavige wetsvoorstel uitvoering aan de desbetreffende aanbevelingen van de Commissie Borghouts.

De minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

De minister van Defensie,

E. van Middelkoop