Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201431477 nr. 7

31 477 Bestrijden witwassen en terrorismefinanciering

Nr. 7 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 26 mei 2014

De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie heeft aan de Algemene Rekenkamer de navolgende vragen ter beantwoording voorgelegd over de brief van de Algemene Rekenkamer van 6 maart 2014 ter aanbieding van het rapport: «Bestrijden witwassen: stand van zaken 2013» (Kamerstuk 31 477, nr. 6).

De Algemene Rekenkamer heeft deze vragen bij brief van 26 mei 2014 beantwoord. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Jadnanansing

Adjunct-griffier van commissie, Koerselman

Vraag 1

Welke aanbevelingen heeft de Algemene Rekenkamer (ARK) voor een betere inhoudelijke en procesmatige aansturing van organisaties in de witwasbestrijding?

We hebben vastgesteld dat de verantwoordelijke Ministers geen inzicht hebben in de voornaamste witwasrisico’s voor Nederland en ook niet in de resultaten van de witwasbestrijding. De verantwoordelijke Ministers hebben dit inzicht nodig om de organisaties betrokken bij de bestrijding van witwassen te kunnen aansturen, maar ook om verantwoording aan de Tweede Kamer af te kunnen leggen over de besteding van de ingezette middelen en om te zien of extra investeringen (zoals gedaan) tot resultaat leiden. Wij bevelen de Ministers van Financiën en van Veiligheid en Justitie daarom aan om te zorgen voor inzicht in de voornaamste witwasrisico’s voor Nederland en hierbij gebruik te maken van de onderzoeken die al zijn uitgevoerd en van de kennis bij de organisaties betrokken bij de bestrijding van witwassen. Ook is het raadzaam dat de Ministers starten met het verzamelen en analyseren van kwalitatieve en kwantitatieve gegevens over de activiteiten van de organisaties betrokken bij de bestrijding van witwassen en deze in verband brengen met de beleidsdoelstelling voor het bestrijden van witwassen. Dan wordt duidelijk of de organisaties betrokken bij de bestrijding van witwassen de gewenste bijdrage leveren aan het aanpakken van witwasrisico’s en kan indien nodig bijgestuurd worden.

Vraag 2

Hoe moeten de lovende opmerkingen over de effectiviteit van het Nederlandse beleid in een recente Europese studie (waarover in Het Financieele Dagblad van 8 maart 2014 een commentaar stond onder de titel «Strijdige analyses van witwasbeleid») gezien worden ten opzichte van de uitkomsten in het rapport van de ARK? Hoe verklaart de ARK het verschil met het boek «The Economic and Legal Effectiveness of Anti Money Laundering Policy», waarin Nederland de tweede plaats bezet als het gaat om de effectiviteit van het antiwitwasbeleid? Waarom kan in het onderzoek onder leiding van professor Unger van Utrecht University School of Economics (USE) de effectiviteit wel gemeten worden, terwijl de ARK dit niet kan?

In de genoemde Europese studie die onder leiding van professor Unger is uitgevoerd, is de economische en juridische effectiviteit van witwasbestrijding door de lidstaten van de Europese Unie – waaronder Nederland – onderzocht. Het onderzoek heeft zich in het bijzonder gericht op de wijze waarop de Europese richtlijn ter voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme door de lidstaten is geïmplementeerd. Het onderzoek noemt dit de juridische effectiviteit van witwasbestrijding. Dat onderzoek was niet gericht op de resultaten van de witwasbestrijding. In ons onderzoek hebben we onder andere gekeken naar wat de verantwoordelijke Ministers weten over de resultaten van witwasbestrijding. Daarnaast hebben we zelf informatie verzameld over de resultaten van witwasbestrijding.

Vraag 3

Waarom heeft de ARK preventieve activiteiten, bijvoorbeeld in de toezichtsfeer, buiten beschouwing gelaten? Waarom heeft de ARK niet alle ontwikkelingen meegenomen, zoals zij zelf ook aangeeft in het nawoord van het rapport? Kan de ARK daar alsnog een overzicht van geven? Waarom geeft de ARK geen volledig beeld?

Het onderzoek Bestrijden witwassen: stand van zaken 2013 blikt terug op de belangrijkste conclusies en aanbevelingen uit ons onderzoek Bestrijden witwassen en terrorismefinanciering uit 2008 en daarom hebben wij de preventieve activiteiten buiten beschouwing gelaten. In ons onderzoek uit 2008 stond de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering centraal, daarin was ook aandacht voor de preventieve activiteiten. De door de Ministers genoemde ontwikkelingen in hun bestuurlijke reactie op ons rapport zijn overigens een goede aanvulling voor een vollediger beeld (zie www.rekenkamer.nl voor de integrale bestuurlijke reacties).

Vraag 4

In hoeverre worden de conclusies en aanbevelingen van de ARK anders, als de preventieve activiteiten en alle ontwikkelingen wel zouden zijn meegenomen en er dus een compleet beeld was gegeven?

Een compleet beeld zal altijd een illusie blijven. Onze bevindingen in combinatie met de aanvullingen van de Ministers onderstrepen de noodzaak onze aanbevelingen op te volgen.

Vraag 5

Is er overleg geweest tussen de Minister van Veiligheid en Justitie en de ARK over de uitwerking van de aanbevelingen van het vorige rapport?

We hebben na het verschijnen van het vorige rapport met alle betrokken partijen op ambtelijke niveau gesproken over het opvolgen van onze aanbevelingen.

Vraag 6

Zou een aanpak meer gericht op de bestrijding van criminele organisaties op zichzelf een beter resultaat op leveren? Zo nee, waarom niet?

Dat is mogelijk, maar we hebben hier geen onderzoek naar gedaan.

Vraag 7

Heeft de ARK aanbevelingen voor het in voldoende mate afdekken van de risico’s van kwetsbaarheid voor witwaspraktijken en ten aanzien van de vermeende terughoudendheid van Nederland met het confronteren van witwassers?

Wij hebben geen onderzoek naar en aanbevelingen gedaan over het in voldoende mate afdekken van de risico’s van kwetsbaarheid voor witwaspraktijken of over vermeende terughoudendheid van Nederland met het confronteren van witwassers.

Wij hebben aanbevolen dat de Ministers moeten zorgen voor inzicht in de voornaamste witwasrisico’s voor Nederland en in de begroting 2015 duidelijk maken welke witwasrisico’s moeten worden aangepakt en welke bijdrage de organisaties betrokken bij de bestrijding van witwassen daaraan moeten leveren.

Vraag 8

Op welke wijze kan de beschikbare informatie over witwaspraktijken volgens de ARK beter gebundeld worden?

In het rapport geven we in paragraaf 2.2 hiervan enkele voorbeelden. Zo is het mogelijk om inzichtelijk te maken wat in een jaar bij een organisatie in de handhavingsketen aan zaken instroomt, behandeld wordt, doorstroomt en uitstroomt. Dat is overigens in ons onderzoek Prestaties in de strafrechtketen (2012) ook aan de orde gekomen. Deze aantallen zijn af te zetten tegen andere jaren, waarmee wellicht ontwikkelingen zichtbaar worden (zie figuur 3 en 4). Ook kun je nagaan wat in de loop van de jaren het percentage is van ongebruikelijke transacties dat door de FIU-Nederland als verdacht wordt aangemerkt (zie figuur 5). Deze informatie is interessant omdat het veranderingen laat zien op basis waarvan aanvullend onderzoek gedaan kan worden om verklaringen hiervoor aan te dragen en aan de hand daarvan de aanpak weer te verbeteren.

Vraag 9

Op basis van welke beschikbare gegevens kunnen Ministers van Veiligheid en Justitie en Financiën inzicht verwerven in de voornaamste witwasrisico's voor Nederland en in de resultaten van de witwasbestrijding?

Wij hebben aanbevolen dat de Ministers moeten zorgen voor inzicht in de voornaamste witwasrisico’s voor Nederland en hierbij gebruik moeten maken van de onderzoeken die al zijn uitgevoerd en van de kennis bij de organisaties betrokken bij de bestrijding van witwassen. Onderzoeken die al zijn uitgevoerd zijn bijvoorbeeld de national threat assessment van het FEC en de criminaliteitsbeeldanalyses witwassen van de politie.

Voor het antwoord op tweede deel van de vraag verwijzen we naar het antwoord op vraag 8.

Vraag 10

Welke activiteiten hebben de betrokken partijen in gang gezet waardoor een beter inzicht wordt verkregen in de witwasrisico's en de effectiviteit van witwasbestrijding, de Tweede Kamer structureel wordt geïnformeerd over de witwasrisico's en de resultaten van de witwasbestrijding en het inzicht wordt verbeterd in het rendement van meldingen van ongebruikelijke transacties? Zijn deze activiteiten voldoende om het door de ARK gewenste resultaat te bereiken?

De Ministers van VenJ en Financiën hebben in reactie op ons rapport aangegeven een Nationale Risk Assessment Witwassen te ontwikkelen, waarmee ze structureel inzicht kunnen krijgen in de belangrijkste witwasrisico’s. Ze verwachten de eerste resultaten van de NRA in 2015.

De Ministers van VenJ en Financiën laten daarnaast een nieuwe Beleidsmonitor Witwassen ontwikkelen, waarmee inzicht wordt verkregen in de activiteiten en resultaten van de witwasbestrijding. Ze verwachten eind 2014 de eerste resultaten van de Beleidsmonitor.

De Ministers hebben toegezegd u te informeren over de uitkomsten van de National Risk Assessment Witwassen en de Beleidsmonitor Witwassen en over wat ze met die uitkomsten gaan doen. De National Risk Assessment Witwassen en de Beleidsmonitor Witwassen zullen structureel plaatsvinden en het informeren van de Kamer door de Ministers zal deze structuur volgen. Op basis van de eerste onderzoeken zal besloten worden welke frequentie wenselijk is.

Wat betreft het verbeteren van het inzicht in het rendement van meldingen van ongebruikelijke transacties geeft FIU-Nederland in haar reactie in de bijlage van de bestuurlijke reacties van de beide Ministers een opsomming van hiervoor ingezette activiteiten (de bestuurlijke reactie is terug te vinden op onze website www.rekenkamer.nl).

We zien uit naar de werking van de Beleidsmonitor Witwassen en de National Risk Assessment Witwassen voor het zo effectief mogelijk inrichten en aansturen van de witwasbestrijding. We stellen het op prijs dat de Ministers de Tweede Kamer naar aanleiding van die instrumenten structureel gaan informeren over de resultaten van de witwasbestrijding. We verwachten wel dat deze informatie ook terug komt in de begroting en verantwoording met ingang van 2015 van de Ministers van VenJ en van Financiën.

Vraag 11

Welke door de Ministers van Veiligheid en Justitie en Financiën genoemde ontwikkelingen zijn een goede aanvulling voor een volledig beeld? Zijn deze aanvullingen door de Ministers van Veiligheid en Justitie en Financiën benoemd?

In het rapport hebben we de belangrijkste punten uit de verschillende bestuurlijke reacties samengevat. De volledige reacties zijn te raadplegen op onze website, www.rekenkamer.nl. In de reactie van de Ministers van VenJ en Financiën is als bijlage A een overzicht opgenomen van ontwikkelingen Zie ook het antwoord op vraag 3.

Vraag 12

Heeft het Bureau Financieel Toezicht (BFT) voldoende aan 13 fte om het toezicht op de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) goed te kunnen uitoefenen?

Wij hebben geen onderzoek gedaan naar de vraag in hoeverre de capaciteit van BFT voldoende is. Om antwoord te kunnen op de vraag is het van belang om eerst vast te stellen wat de voornaamste witwasrisico’s zijn die de Ministers willen aanpakken. Vervolgens moet bepaald worden wat nodig is om die witwasrisico’s te verkleinen en welke organisaties welke bijdrage daaraan moeten leveren. Pas dan kan vastgesteld worden of de 13 fte voor BFT passend is bij de bijdrage die ze moeten leveren aan het verkleinen van witwasrisico’s.

Vraag 13

Is het huidige aantal financieel specialisten bij de politie (359 fte) dat het witwassen moet aanpakken voldoende om de resultaten van de witwasbestrijding te verbeteren? Zo nee, waar moeten er nog specialisten bij?

Wij hebben geen onderzoek gedaan naar de vraag in hoeverre de capaciteit van de politie voldoende is. Om antwoord te kunnen op de vraag is het van belang om vast te stellen wat de voornaamste witwasrisico’s zijn die de Ministers willen aanpakken. Vervolgens moet bepaald worden wat nodig is om die witwasrisico’s te verkleinen en welke organisaties welke bijdrage daarvoor moet leveren. Pas dan kan bepaald worden of het aantal financieel specialisten bij de politie passend is voor wat er van de politie verwacht wordt in de witwasbestrijding.

Vraag 14

Hebben de geïnvesteerde miljoenen in de politie, de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst – Economische controledienst (FIOD-ECD) en het Openbaar Ministerie (OM) geleid tot een evenredige financiële opbrengst in de zin van pluk-ze-inkomsten en boetes opgelegd door de fiscus? Hoe ziet ARK bij «afpakken» een koppeling voor zich tussen de opbrengsten en de kosten? Heeft de ARK ervaringen in andere landen bekeken?

We hebben geen onderzoek gedaan naar de vraag of de geïnvesteerde miljoenen in de politie, de FIOD en het OM hebben geleid tot een evenredige financiële opbrengst, zoals pluk-ze-inkomsten en boetes opgelegd door de Belastingdienst.

Vorig jaar wezen we de Minister in ons verantwoordingsonderzoek (zie onze website: http://verantwoordingsonderzoek.rekenkamer.nl) en in onze brief met aandachtspunten bij zijn begroting (zie: Kamerstuk 33 750 VI, nr. 25) op de ontbrekende koppeling tussen de kosten die zijn gemaakt in de keten voor het afpakken van crimineel vermogen en de opbrengsten. Zonder die koppeling kan de Tweede Kamer niet vaststellen of de Minister zijn gewenste «return on investment van 1:3» realiseert. Dit jaar besteden we in het verantwoordingsonderzoek hieraan opnieuw aandacht.

We hebben geen onderzoek gedaan naar ervaringen in andere landen.

Vraag 15

Hebben partijen regelmatig contact in het kader van het uitwisselen van informatie? Wordt het Financieel Expertise Centrum (FEC) voldoende benut door de verschillende partijen? Zo nee, waar kan nog meer informatie worden uitgewisseld?

Tussen 2008 en 2012 zijn er verschillende initiatieven genomen om de informatie-uitwisseling en samenwerking tussen toezichthouders, de FIU-Nederland en de opsporingsdiensten te verbeteren. In hoofdstuk 1 van het rapport noemen we er een aantal.

Het Financieel Expertise Centrum (FEC) is een samenwerkingsverband van de AFM, de AIVD, de Belastingdienst/FIOD, DNB, het OM en de Nationale Politie en heeft als doel de integriteit van de financiële sector te bewaken en te versterken. Met de reorganisatie van het FEC in 2008 zijn de samenwerking en informatie-uitwisseling binnen de handhavingsketen toegenomen. We hebben geen onderzoek gedaan naar de vraag of het FEC voldoende wordt benut door de verschillende partijen.

Vraag 16

Welke vertrouwelijke toezichtinformatie kunnen de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en de Nederlandsche Bank (DNB) delen met de FEC-partners en het BFT?

Met de aanpassing van het Besluit Politiegegevens in 2009 (Staatsblad, 2009) is de informatie-uitwisseling tussen toezichthouders en opsporingsdiensten verbeterd. De Wet Financieel Toezicht (Wft) is aangepast en geeft per 1 januari 2014 de financiële toezichthouders AFM en DNB expliciet de bevoegdheid onder omstandigheden vertrouwelijke toezichtinformatie te delen met de FEC-partners en met BFT.

Vraag 17

Hoe vaak maken de FIOD-ECD, de Financial Intelligence Unit-Nederland (FIU) en de politie gebruik van de informatie van het Vastgoed Intelligence Centre (VIC)?

Voor het antwoord op deze vraag verwijzen we u naar de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Financiën.

Vraag 18

Zijn ook de huidige en de toekomstige bezuinigingen bij het OM in ogenschouw genomen? Zijn deze bezuinigingen merkbaar bij de witwasbestrijding?

Nee, deze zijn niet in het onderzoek betrokken.

Vraag 19

Kan de ARK de ontwikkeling in de capaciteit van de FIU in de onderzochte periode schetsen?

De FIU-Nederland geeft zelf in haar Jaaroverzicht 2012 Financial Intelligence Unit aan dat zij sinds de samenvoeging van het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties (MOT) en het Bureau ter ondersteuning van de Landelijk Officier van Justitie inzake MOT-aangelegenheden (BLOM) tot de FIU-Nederland in 2006 beschikt over een formatie van 57 FTE’s. Het jaaroverzicht is te vinden op de website van de FIU-Nederland: www.fiu-nederland.nl.

Vraag 20

Welke kosten zijn gemoeid met het project Niet-Melders?

Voor het antwoord op deze vraag verwijzen we u naar de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Financiën.

Vraag 21

Kan de risicoanalyse die de Ministers van Veiligheid en Justitie en Financiën moeten laten uitvoeren, uitgevoerd worden binnen het bestaande budget en met de bestaande fte's? Zo nee, hoeveel geld en personeel zijn benodigd om een deugdelijke risicoanalyse te kunnen maken?

Wij bevelen de Ministers van Financiën en van Veiligheid en Justitie aan om te zorgen voor inzicht in de voornaamste witwasrisico’s voor Nederland en hierbij gebruik te maken van de onderzoeken die al zijn uitgevoerd en van de kennis bij de organisaties betrokken bij de bestrijding van witwassen. De vraag in hoeverre bij de Ministers genoeg budget en fte´s beschikbaar zijn voor een deugdelijke risicoanalyse maakte geen onderdeel uit van dit onderzoek. Voor het antwoord op deze vraag verwijzen we u daarom naar de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Financiën.

Vraag 22

Waar is de inschatting van het Korps landelijke politiediensten (KLPD) van 16,2 miljard euro aan witwaspraktijken per jaar op gebaseerd? Hoeveel geld van de 16,2 miljard die naar schatting is witgewassen in 2010, moet mogelijk geplukt kunnen worden?

In 2006 heeft de Utrechtse hoogleraar economie Unger – in opdracht van het Ministerie van Financiën – geschat dat er in Nederland jaarlijks voor 18 miljard euro wordt witgewassen. De KLPD heeft in haar rapport Criminaliteitsbeeldanalyse Witwassen deze schatting geactualiseerd en komt daarbij op een schatting van 16,2 miljard euro per jaar. Wij hebben geen onderzoek gedaan naar de betrouwbaarheid van deze schatting. Welk deel hiervan «geplukt» kan worden is ons niet bekend.

Vraag 23

Is er overleg geweest tussen de Ministers van Veiligheid en Justitie en Financiën en de ARK over de «essentie van de risicoanalyse» zoals de ARK dat voor ogen had? Zo ja, is er voldoende informatie over de essentie van de risicoanalyse gewisseld om een deugdelijke risicoanalyse te maken? Zo nee, waarom niet?

De Algemene Rekenkamer heeft gedurende het onderzoek op ambtelijk niveau met beide ministeries gesproken over wat een goede risicoanalyse inhoudt. De Ministers geven in hun bestuurlijke reactie op het rapport aan dat het inzicht in de voornaamste witwasrisico’s verbeterd kan en moet worden. Hiervoor ontwikkelen ze momenteel een National Risk Assessment (NRA) Witwassen. We zien uit naar de werking hiervan.

Vraag 24

Is het mogelijk om voldoende data te verkrijgen om te beoordelen wat de resultaten van de witwasbestrijding in Nederland zijn?

We hebben de Ministers van Financiën en van Veiligheid en Justitie aanbevolen om te starten met het verzamelen en analyseren van kwalitatieve en kwantitatieve gegevens over de activiteiten van de organisaties betrokken bij de bestrijding van witwassen en deze in verband te brengen met de beleidsdoelstelling voor het bestrijden van witwassen. Als duidelijk is wat je wilt bereiken met de bestrijding van witwassen, dan kan ook bepaald worden welke indicatoren relevant zijn om de resultaten van de witwasbestrijding in Nederland vast te stellen en of hiervoor voldoende gegevens beschikbaar zijn.

Vraag 25

Zijn de gegevens die de ARK gebruikt om de resultaten van de witwasbestrijding in kaart te brengen voldoende om een realistisch beeld van die resultaten neer te zetten? Zo nee, welke gegevens ontbreken en waar moeten die gegevens vandaan komen?

Zie ook ons antwoord op vraag 24.

We hebben in het rapport aangegeven dat zelfs zonder concrete en meetbare beleidsdoelstellingen, de verantwoordelijk Ministers kwalitatieve en kwantitatieve gegevens die de partijen in de handhavingsketen opslaan over hun activiteiten bij de witwasbestrijding hadden kunnen verzamelen en die gegevens met elkaar in verband kunnen brengen. Te denken valt aan:

  • gegevens over het aantal, aard en financiële omvang van zaken dat bij de verschillende organisaties in de handhavingsketen instroomt, behandeld wordt, doorstroomt en uitstroomt;

  • het aantal en de hoogte van de boetes die door de toezichthouders worden opgelegd in het kader van de WWFT;

  • de aansluiting en overdrachtsmomenten tussen de verschillende schakels in de handhavingsketen.

De verantwoordelijke Ministers hebben geen inzicht in deze gegevens, terwijl ze wel beschikbaar zijn bij de organisaties binnen de handhavingsketen, zij het verspreid. Door deze gegevens te verzamelen en met elkaar in verband te brengen kunnen de Ministers een beeld krijgen van de resultaten van de verschillende activiteiten in de keten en vervolgens nagaan of dat gewenste resultaten zijn en zo nodig bijsturen.

Vraag 26

Kunnen de 209.239 ongebruikelijke transacties die in 2012 aan de FIU gemeld zijn door meldingsplichtige instellingen worden uitgesplitst naar type instelling? Hoeveel transacties zijn er in totaal geregistreerd door meldingsplichtige instellingen? Kunnen die eveneens worden uitgesplitst naar type instelling? Hoeveel meldingen aan de FIU zijn er in 2012 gedaan door trustkantoren?

Voor de beantwoording van deze vraag verwijzen we naar de jaaroverzichten op de website van de FIU-Nederland, www.fiu-nederland.nl. De FIU-Nederland splitst in haar jaaroverzichten de ongebruikelijke transacties uit naar meldingsplichtige sector.

Vraag 27

Hoe beoordeelt de ARK het feit dat er in 2012 slechts 38 meldingen zijn gedaan van ongebruikelijke transacties door trustkantoren in relatie tot het totale aantal gemelde ongebruikelijke transacties en het totale aantal geregistreerde transacties van trustkantoren (zie antwoorden op Kamervragen, Aanhangsel Handelingen II 2013/14, nr. 304 )? Hoe beoordeelt de ARK het systeem van indirect toezicht? Welke mogelijkheden ziet de ARK om het toezicht te verbeteren dan wel aan te scherpen?

We hebben geen onderzoek gedaan naar de effectiviteit van het toezicht of direct naar het meldgedrag van trustkantoren.

Vraag 28

Kan de ARK aangeven wat het totale bedrag is van de 23.834 door de FIU verdacht verklaarde transacties in 2012? Wat is het totale bedrag van de 2.047 witwasfeiten aangebracht bij het OM? Wat is het totale bedrag van de 296 veroordelingen in 2012?

680 miljoen euro is het totaal bedrag van het aantal verdachte transacties (VT’s) dat in 2012 ter beschikking is gesteld aan de opsporing.

Wij hebben geen onderzoek gedaan naar de bedragen die gemoeid zijn met de witwasfeiten die zijn aangebracht bij het OM en de rechterlijke macht.

Vraag 29

Kan de ARK de discrepanties verklaren tussen de cijfers van 2012 van 209.239 door (meldingsplichtige) instellingen aangeleverde ongebruikelijke transacties, 23.834 door de FIU verdacht verklaarde transacties, 2.047 witwasfeiten aangebracht bij het OM en 296 veroordelingen?

In figuur 3 op pagina 11 van ons rapport geven we een voorbeeld van beschikbare gegevens per organisatie in de handhavingsketen over 2012. De cijfers van 2012 van 209.239 door (meldingsplichtige) instellingen aangeleverde ongebruikelijke transacties, 23.834 door de FIU verdacht verklaarde transacties, 2.047 witwasfeiten aangebracht bij het OM kunnen niet met elkaar in verband worden gebracht, omdat het cijfers van één jaar betreft en de meldingen van de ene organisatie in de keten niet per se in datzelfde jaar worden opgepakt door de volgende organisatie in de keten.

Vraag 30

Kunnen alle aangeleverde witwasfeiten voldoende snel verwerkt worden?

We hebben hier geen onderzoek naar gedaan.

Vraag 31

Is bekend waardoor de terugloop van het aantal bij het OM aangeleverde witwasfeiten door de politie en de FIOD-ECD is veroorzaakt?

In ons rapport wijzen we op deze terugloop om aan te geven dat de verantwoordelijke Ministers dit zelf al hadden kunnen constateren als zij reeds beschikbare gegevens hadden verzameld en geanalyseerd. De Ministers hadden dan ook kunnen onderzoeken welke verklaring voor de terugloop te geven is. De eventuele verklaring is een vraag aan de Minister(s).

Vraag 32

Wanneer en op welke wijze zijn de meldcriteria van de FIU aangepast?

Ons onderzoek was niet specifiek gericht op de wijzigingen van de meldcriteria. We halen ze in ons rapport aan omdat we weten dat er wijzigingen zijn geweest in de meldcriteria en die wijzigingen van invloed zouden kunnen zijn op het aantal ongebruikelijke transacties dat verdacht verklaard wordt door FIU-Nederland (zie figuur 5).

Vraag 33

Hoe moet een beleidsmonitor inzake witwassen er volgens de ARK eruitzien?

Wij concluderen in het rapport dat de verantwoordelijke Ministers geen inzicht hebben in de resultaten van de witwasbestrijding. De verantwoordelijke Ministers verzamelen ook geen kwalitatieve en kwantitatieve gegevens die de partijen in de handhavingsketen opslaan over hun activiteiten bij de witwasbestrijding en brengen deze gegevens ook niet met elkaar in verband. We denken hierbij bijvoorbeeld aan:

  • gegevens over het aantal, aard en financiële omvang van zaken dat bij de verschillende organisaties in de handhavingsketen instroomt, behandeld wordt, doorstroomt en uitstroomt;

  • het aantal en de hoogte van de boetes die door de toezichthouders worden opgelegd in het kader van de WWFT;

  • de aansluiting en overdrachtsmomenten tussen de verschillende schakels in de handhavingsketen.

We bevelen de verantwoordelijk Ministers daarom ook aan te starten met het verzamelen en analyseren van kwalitatieve en kwantitatieve gegevens over de activiteiten van de organisaties betrokken bij de bestrijding van witwassen. De uitkomst hiervan moet vervolgens in verband worden gebracht met de beleidsdoelstelling voor het bestrijden van witwassen: sluiten de activiteiten aan op de gewenste activiteiten en resultaten van de Ministers.

Vraag 34

Heeft het terugkoppelen van meldingen en het beschikbaar stellen van informatie effect op de witwasbestrijding, of gebeurt dit slechts om de melder of aanbieder van de informatie ervan op de hoogte te brengen dat zijn informatie is gebruikt?

Meldingsplichtige instellingen kunnen lang niet altijd objectieve indicatoren gebruiken om te bepalen of een transactie als ongebruikelijk gemeld moet worden of niet. Vaak doen zij dat op basis van een eigen risico-inschatting. Informatie over waar meldingen toe geleid hebben, kan uitwijzen of deze risico-inschatting juist was of niet. Meldingsplichtige instellingen kunnen dus leren van terugkoppeling door de opsporingsdiensten.

Vraag 35

Hoe beoordeelt de ARK het gegeven dat het door het nieuwe ICT-systeem niet meer duidelijk is of informatie over verdachte transacties door de politie wordt gebruikt in een proces-verbaal?

Hier is sprake van een verslechtering van de informatiepositie van de FIU-Nederland.

Vraag 36

Klopt de conclusie van de nationale politie dat inzicht in de voornaamste witwasrisico's verkregen wordt uit concrete onderzoeksdossiers en dat daardoor niet met zekerheid kan worden vastgesteld of alle gebruikte witwasmethoden en -technieken in beeld zijn? Zo nee, waar maakt de nationale politie een denkfout?

Om inzicht te krijgen in de voornaamste witwasrisico’s in Nederland zullen verschillende bronnen benut moeten worden. Het gaat dan om onderzoeken die hiernaar al zijn uitgevoerd en om kennis bij de organisaties betrokken bij de bestrijding van witwassen.

Vraag 37

Klopt het dat de interpretatie van de beschikbare cijfers door de ARK geen recht doet aan de complexiteit van witwassen en de bestrijding daarvan, zoals de Ministers van Veiligheid en Justitie en Financiën suggereren? Zo nee, op welk punt klopt dit niet?

Wij hebben net als in 2008 zelf geprobeerd inzicht te krijgen in de resultaten van de witwasbestrijding. Hiervoor hebben wij gegevens over het aantal zaken dat bij de verschillende organisaties in de handhavingsketen instroomt, behandeld wordt, doorstroomt en uitstroomt verzameld en met elkaar in verband gebracht. Dit hebben wij gedaan omdat de verantwoordelijke Ministers dit inzicht nog niet hebben en om aan te tonen dat het in principe tot de mogelijkheden behoort dit uit te voeren. Ons onderzoek is dus een voorbeeld dat je ondanks mogelijke complexiteit toch meer grip op de kwestie zou kunnen krijgen. We zien dan ook uit naar de door de Ministers toegezegde beleidsmonitor witwassen, waarvoor de Ministers ook nader onderzoek zullen verrichten.

Vraag 38

Heeft de ARK in haar rapport bij de beoordeling van de witwasbestrijding slechts gekeken naar de kwantiteit? Zo ja, waarom?

In ons onderzoek hebben we zowel kwantitatieve als kwalitatieve gegevens gebruikt, waaronder gesprekken met medewerkers van de verschillende organisaties in de handhavingsketen.

Vraag 39

Raakt de opmerking van de Raad voor de rechtspraak dat de zaaksvoorraad van de rechtspraak niet klopt, aan de uitkomst in dit rapport? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?

De opmerking uit de bestuurlijke reactie van de Raad voor de rechtspraak raakt de uitkomst van het rapport niet. We hebben naar aanleiding van hun opmerking in figuur 3 aangegeven dat het aantal zaken waarover de rechter nog geen uitspraak heeft gedaan betrekking heeft op zaken die nog voorgeleid moeten worden door het OM en/of zaken zijn die nog in behandeling zijn bij de rechterlijke macht (zie ook voetnoot 6 bij figuur 3).

Vraag 40

Welke wettelijke waarborgen zijn er op dit moment om situaties te voorkomen als die in het door de ARK genoemde voorbeeld van een loanbackconstructie, waarin een advocaat misbruik van zijn verschoningsrecht maakt door zelf op te treden als bestuurder van een nv die betrokken is bij witwassen, om hier vervolgens niet over te hoeven getuigen tegenover een rechter? Welke aanvullende mogelijkheden ziet de ARK om dergelijk misbruik van het verschoningsrecht te voorkomen?

Ons voorbeeld van een witwasmethode via de loanbackconstructie dient slechts ter illustratie. Ons onderzoek was niet gericht op hoe misbruik van het verschoningsrecht door advocaten voorkomen kan worden. Wel constateren we dat het toezicht door Bureau Financieel Toezicht (BFT) op advocaten nog wel bemoeilijkt wordt door het verschoningsrecht. Er ligt nu een wetsvoorstel in de Tweede Kamer tot wijziging van de Advocatenwet waarin geregeld wordt dat advocaten niet langer onder het toezicht van BFT vallen.

Vraag 41

Hoeveel cliëntenonderzoeken zijn er in de onderzochte periode gedaan door meldingsplichtige instellingen op basis van de Wwft? Wat houdt een dergelijk onderzoek in en hoe krijgt dit vorm?

Deze vraag kan beter aan de Ministers voorgelegd worden. In hoofdstuk 2 van de WWFT (artikel 3 t/m 11) wordt uiteengezet wat een cliëntenonderzoek inhoudt en wie dat wanneer moet verrichten.