Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-200831477 nr. 5

31 477
Bestrijden witwassen en terrorismefinanciering

nr. 5
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 5 september 2008

De vaste commissie voor de Rijksuitgaven1 heeft een aantal vragen voorgelegd aan de het kabinet over de het rapport van de Algemene Rekenkamer «Bestrijden witwassen en terrorismefinanciering» (Kamerstuk 31 477, nrs. 1 en 2).

De ministers van Justitie, van Financiën en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hebben deze vragen beantwoord bij brief van 5 september 2008. Vragen en antwoorden, voorzien van een inleiding, zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Aptroot

Adjunct-griffier van de commissie,

Van de Wiel

Inleiding

Met belangstelling hebben wij kennisgenomen van het rapport van de Algemene Rekenkamer en de vragen die de commissie naar aanleiding van het rapport heeft gesteld. Hieronder treft u de antwoorden op de vragen aan. Ter inleiding en als toelichting op de antwoorden zetten wij hier in het kort het beleid van de afgelopen jaren, het ingezette beleid in deze kabinetsperiode en mogelijk nieuw beleid naar aanleiding van het rapport en uw vragen uiteen.

De beleidsterreinen witwassen en terrorismefinanciering zijn relatief jonge beleidsterreinen. De Wet melding ongebruikelijke transacties (Wet MOT) en de Wet identificatie bij dienstverlening (WID) zijn in 1994 in werking getreden en witwassen is sinds december 2001 als delict strafbaar gesteld. Voor 2001 werd het verhullen van uit criminaliteit verkregen opbrengsten bestreden via de helingbepalingen in het Wetboek van Strafrecht. Terrorismefinanciering is sinds februari 2006 als delict strafbaar gesteld. De dynamiek op het beleidsterrein witwassen en aanpalende beleidsterreinen is groot. Het beleid is daardoor voortdurend in beweging. Genoemd kunnen worden de uitbreiding van meldplichtigen met onder meer de notarissen en advocaten, het toezicht op de Wet MOT door het Bureau Financieel Toezicht, de overgang van een objectief meldsysteem naar een meer subjectief meldsysteem, de professionalisering en positionering van het MOT en de inwerkingtreding op 1 augustus van dit jaar van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (WWFT).

Het gaat hier om twee beleidsterreinen met grote maatschappelijke belangen. Witwassen en terrorismefinanciering vormen een bedreiging voor de integriteit van de financiële sector en indirect ook voor de veiligheid van de burger.

Het kabinet is verheugd dat de Algemene Rekenkamer juist nu het beleid op deze twee terreinen tegen het licht heeft gehouden en een aantal aanbevelingen doet.

De eerder genoemde dynamiek mag echter niet ten koste gaan van een zorgvuldig en effectief beleidsproces. De aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer zullen met name in het kader van de uitvoering van het versterkingsprogramma financieel-economische criminaliteit1 worden geplaatst.

De afgelopen jaren is naar aanleiding van het WODC-rapport «uit onverdachte bron»2 ter zake de bestrijding van witwassen ingezet op een versterking van de witwasbestrijding door onder meer de samenvoeging van het meldpunt ongebruikelijke transacties (MOT) en het bureau ter ondersteuning van de landelijk officier van justitie inzake MOT-aangelegenheden (BLOM) tot de projectorganisatie Financial Intelligence Unit Nederland (hierna FIU). FIU is als zelfstandige en onafhankelijke eenheid beheersmatig bij het Korps landelijke politiediensten ondergebracht. Doel van deze maatregel was de effectiviteit van de meldketen te vergroten en de aansluiting op de opsporing te verbeteren. Op dit moment wordt de projectorganisatie geëvalueerd. Tijdens het debat3 met de Kamer over de wijziging en samenvoeging van de Wet MOT en de WID tot de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (hierna WWFT) is toegezegd dat de Kamer zal worden geïnformeerd over de uitkomsten van de evaluatie. Naar verwachting zal dit voor het einde van dit jaar zijn.

Ook is door het College van Procureurs Generaal van het Openbaar Ministerie een aanwijzing witwassen opgesteld die op 1 november 2005 in werking is getreden. Doel van de aanwijzing is meer prioriteit bij de opsporing voor witwassen en financiële geldstromen.

Deze maatregelen lijken succes te hebben. De afgelopen jaren is het aantal witwaszaken dat bij het Openbaar Ministerie is ingestroomd explosief gestegen, van 331 in 2004 tot 835 in 2006, en wordt er in toenemende mate door opsporings- en veiligheidsdiensten gebruik gemaakt van MOT-informatie, zoals blijkt uit bijgevoegd jaaroverzicht van FIU.1 Het kabinet sluit zich dan ook niet aan bij het beeld al zou de bestrijding van witwassen in Nederland er slecht voorstaan. Wel is het van belang dat het inzicht verbetert in de relatie tussen de inspanningen die worden verricht door vele partijen in de anti-witwasketen en het vervolg dat aan hun meldingen wordt gegeven. Dit inzicht is noodzakelijk om de samenwerking van de diverse partijen te verbeteren en de prioriteiten beter op elkaar af te stemmen.

Het huidige kabinet heeft als onderdeel van het project Veiligheid begint bij Voorkomen besloten de bestrijding van de financieel-economische criminaliteit de komende jaren extra te versterken, hierbij is witwassen een belangrijk onderdeel. Ook de bestrijding van georganiseerde misdaad, welke vorm van criminaliteit vaak samenloopt met witwassen, wordt versterkt. Dit gebeurt door middel van de interdepartementale versterkingsprogramma’s Financieel-Economische Criminaliteit (hierna programma FINEC) en aanpak Georganiseerde Misdaad (hierna PVAGM). Belangrijke maatregelen in deze programma’s als het gaat om de bestrijding van witwassen zijn versterking van financieel rechercheren binnen de gehele politieorganisatie, versterking van de FIOD-ECD ten behoeve van de bestrijding van witwassen in relatie tot de financiële sector, versterking van de politie ten behoeve van de bestrijding van witwassen in relatie tot zware en georganiseerde criminaliteit, verbeteren van de samenwerking tussen de bij de bestrijding van witwassen betrokken diensten en meer aandacht voor de aanpak van grensoverschrijdende gevallen van witwassen. Randvoorwaarden daarbij zijn, meer gebruik van MOT-informatie en toenemend gebruik van informatie voor bestuurlijke doeleinden.

In het kader van de versterking van het ontnemen van crimineel vermogen is een belangrijke doelstelling dat meer criminele winsten en vermogen worden ontnomen. In dit kader is een belangrijke maatregel het landelijk toepassen van de methodiek van het afnemen volgens de zogenaamde cabrio-methode, die inhoudt dat met behulp van de strafbaarstelling voor het delict witwassen crimineel vermogen wordt afgenomen. Daarnaast zijn er meer mogelijkheden om crimineel voordeel af te nemen zoals langs fiscale weg, een afroomboete en verbeurdverklaring. Dit betekent dat gericht wordt ingezet op een mix aan maatregelen die allemaal tot doel hebben het afpakken van crimineel dan wel onverklaarbaar (hoog) vermogen. Welk instrument wanneer wordt ingezet, moet afhangen van de inschatting wat in een bepaald geval het meest effectief is.

In het programma «PVAGM» ligt de nadruk op de versterking van bestrijding van witwassen en afnemen/ontnemen van crimineel vermogen in relatie tot de verschillende vormen van zware of georganiseerde criminaliteit, zoals mensenhandel, georganiseerde hennepteelt en misbruik van vastgoed.

In oktober van dit jaar zal de Kamer door middel van de voortgangsrapportage van het project Veiligheid begint bij Voorkomen worden geïnformeerd over de voortgang in deze programma’s. Over vastgoed kan de Kamer dit najaar een afzonderlijke beleidsbrief verwachten.

Zoals hiervoor opgemerkt zullen de aanbevelingen die de Algemene Rekenkamer heeft gedaan grotendeels zoveel mogelijk in het kader van versterkingsprogramma’s worden geplaatst en daarin worden meegenomen – voor zover dat niet al gebeurt. Daarnaast lopen er diverse beleidsevaluaties inzake de plaats, invulling en werking van FIU en het toezicht op de Wet MOT en WID (nu WWFT). Naar aanleiding van deze evaluaties zal worden bezien welke maatregelen mogelijk nodig zijn.

In de bestuurlijke reactie op het rapport is al een reactie gegeven op de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer. Op deze plaats verwijzen wij verder naar de bestuurlijke reactie die is opgenomen in het rapport.

1

Komt er een uitgebreide reactie van het kabinet op het rapport van de Algemene Rekenkamer?

In de hiervoor opgenomen inleiding is de algemene reactie van het kabinet op het rapport van de Algemene Rekenkamer gegeven. Hierna volgen de antwoorden op de vanuit de Kamer gestelde vragen. Het kabinet is voorshands niet van plan nog op andere wijze op het rapport te reageren.

2

Zou de omkering van de bewijslast binnen het financieel-economisch strafrecht tot betere opbrengsten leiden?

Omkering van bewijslast bestaat in zekere zin al. Gewezen kan worden op de ontnemingswetgeving (artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht), waarbij de veroordeling wegens een strafbaar feit aanleiding geeft tot het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel dat met dit feit of met andere strafbare feiten is vergaard. Het bestaan van deze andere strafbare feiten hoeft niet bewezen te worden, doch slechts «aannemelijk» te zijn. Bijvoorbeeld omdat de veroordeelde beschikt over niet-verklaarbaar vermogen.

Ook de zeer ruime strafbaarstelling van witwassen die het Wetboek van Strafrecht kent in artikel 420bis e.v. gaat uit van deze gedachte. Het bewijs van witwassen kan mede tot stand komen door objectieve omstandigheden die doorgaans geassocieerd worden met het witwassen van crimineel geld. De verdachte zal dan aannemelijk moeten maken dat het toch gaat om voorwerpen met een legale herkomst. Bij veroordeling wegens witwassen kan direct ook verbeurdverklaring van de desbetreffende gelden of goederen worden uitgesproken. In het algemeen is het aan de verdachte om diens stellingen omtrent zijn (gebrek aan) draagkracht of vermogen te onderbouwen.

Het gaat er vooral om dat tijdig achter het criminele geld wordt aangegaan, en dat ontnemingsvonnissen daadwerkelijk ten uitvoer kunnen worden gelegd. Het gebruik van de bestaande mogelijkheden moet worden ondersteund met nieuwe wetgeving ter verruiming van de bevoegdheden om onderzoek te doen en beslag te leggen, met nadruk ook in de fase van executie van ontnemingsvonnissen. Een wetsvoorstel dienaangaande is onlangs ter consultatie aan adviesorganen voorgelegd.

Zie ook beantwoording vraag 26.

3

Kan de minister van Justitie toelichten op welke wijze MOT-melders (uit verschillende beroepsgroepen) beschermd (kunnen) worden tegen openbaarheid, tuchtrechtelijke procedures naar aanleiding van klachten over de melding en of langslepende civiele procedures?

Voorop moet worden gesteld dat artikel 22 van de WWFT voorziet in een geheimhoudingsplicht ten aanzien van een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze wet of van krachtens deze wet genomen besluiten enige taak vervult of heeft vervuld. Zowel voor een adequate bestrijding van witwassen en financieren van terrorisme, als voor bescherming van de persoonlijke levenssfeer van personen betrokken bij meldingen van ongebruikelijke transacties, is het van groot belang dat de gegevens met betrekking tot de meldingen van ongebruikelijke transacties geheim blijven. Eerst in het kader van een strafrechtelijk onderzoek kan bekend worden dat een MOT-melding aanleiding is geweest tot het strafrechtelijk onderzoek.

Voor wat betreft de bescherming van meldingsplichtige instellingen tegen civielrechtelijke procedures wordt gewezen op artikel 20 van de WWFT waarin is bepaald dat de melder wordt gevrijwaard van civielrechtelijke aansprakelijkheid. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een actie op grond van een onrechtmatige daad wegens eventuele schade die is ontstaan ten gevolge van de melding door een instelling. Derhalve is degene die tot een melding is overgegaan, niet aansprakelijk voor schade die een derde dientengevolge lijdt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat gelet op alle feiten en omstandigheden in redelijkheid niet tot melding had mogen worden overgegaan. Hierin ligt de voorwaarde besloten dat de instelling voldoende zorgvuldigheid betracht bij het naleven van de meldingsplicht. Het is mogelijk dat tegen een melder, die onder een tuchtrechtelijk regime functioneert, zoals een advocaat en een notaris, een tuchtklacht wordt ingediend. Gelet op het bovenstaande zal deze klacht alleen gegrond kunnen worden verklaard als de melder in redelijkheid niet tot melding had mogen overgaan. Het melden van een ongebruikelijke transactie is namelijk een wettelijke plicht, opgenomen in artikel 16 WWFT. Alleen wanneer niet de benodigde zorgvuldigheid in acht is genomen bij het melden van een transactie, zal de tuchtrechter mogelijk aanleiding zien om dit te bestraffen.

4

Hoe beoordeelt het kabinet het gegeven dat in 2005 werd geconcludeerd dat witwasbestrijding een lage prioriteit kende en dat er gebrek was aan sturing door en op de ketenpartners, dat sindsdien steeds in het beleid (op papier) prioriteit is toegezegd, maar dat dit kennelijk nog niet tot resultaten heeft geleid?

Zie allereerst de inleiding.

Witwassen is eerst in december 2001 zelfstandig strafbaar gesteld. Voor 2001 werd het verhullen van uit criminaliteit verkregen opbrengsten bestreden via de helingbepalingen in het Wetboek van Strafrecht. Ten behoeve van een verdere verbetering van de witwasbestrijding is enkele jaren na de strafbaarstelling van witwassen besloten de meldketen te evalueren. Die evaluatie heeft geleid tot het in 2004 verschenen WODC-rapport «Uit onverdachte bron». Naar aanleiding van die evaluatie is een aantal beleidsmaatregelen genomen dat moest leiden tot meer opsporing en vervolging van witwassen. Een van die maatregelen was de samenvoeging van MOT en BLOM tot de projectorganisatie FIU en de plaatsing van deze nieuwe organisatie binnen de opsporing, namelijk het KLPD. De bundeling van de onderscheidende kwaliteiten van deze diensten en de plaatsing in het hart van de informatiegestuurde opsporing moest er toe leiden dat betere informatieproducten worden gegenereerd voor de opsporing, zodat de opsporing meer gebruik gaat maken van de informatie afkomstig van de melders. Op dit moment wordt de effectiviteit van de samenvoeging en plaatsing geëvalueerd. De Kamer zal naar verwachting voor het eind van dit jaar worden geïnformeerd over de bevindingen en conclusies.

Daarnaast heeft het College van Procureurs-Generaal van het Openbaar Ministerie een aanwijzing witwassen afgegeven. Deze is in november 2005 in werking getreden. Voor de implementatie van deze twee beleidsmaatregelen, in de jaren 2004 en 2005, werden respectievelijk 250 en 271 witwasfeiten bij het Openbaar Ministerie ingeschreven. Na implementatie van de beleidsmaatregelen, in 2006 en 2007, werden respectievelijk 593 en 756 witwasfeiten ingeschreven. Deze stijgende lijn zet zich door in 2008. Mitsdien kan niet worden gezegd dat er na 2005 geen resultaten zijn geboekt. Daarbij dient tevens te worden opgemerkt dat er enkele kanttekeningen kunnen worden geplaatst bij de berekening van de Algemene Rekenkamer van de opsporingskans. Zie daarvoor de beantwoording van vraag 62.

Het kabinet wil de stijgende lijn van de afgelopen jaren doorzetten. Dit zal gebeuren door het uitvoeren van de programma’s FINEC en PVAGM.

5

De begrotingen en jaarverslagen van de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), Financiën en Justitie geven geen inzicht in de middelen die beschikbaar zijn gesteld voor het bestrijden van witwassen en terrorismefinanciering. Welke middelen zijn beschikbaar gesteld?

In Nederland zijn verschillende organisaties zowel beleidsmatig als operationeel betrokken bij het bestrijden van witwassen en terrorismefinanciering (FIU, politie, Nationale Recherche, FIOD-ECD, Belastingdienst, Openbaar Ministerie, AIVD, NCTb, DNB en BFT). Deze organisaties spelen op onderdelen (bijvoorbeeld de rechtspraak, het OM, de politie etc.) of volledig (bijvoorbeeld FIU) een rol bij de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering. Veelal leveren deze organisaties een bijdrage aan de bestrijding van witwassen en terrorismebestrijding als onderdeel van hun complete takenpakket.

De middelen die deze organisaties aan de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering besteden worden niet specifiek in hun financiële administratie geoormerkt. Het is daarom uiterst complex om dit in exacte bedragen uit te drukken. Temeer omdat veel middelen worden aangewend voor activiteiten die zowel zouden kunnen worden ingezet ten behoeve van de bestrijding van witwassen of terrorisme(financiering) als ook in het kader van de criminaliteitsbestrijding. Daar waar die onderdelen zich volledig bezig houden met dit onderwerp is te herleiden welke middelen hiermee gemoeid zijn. De begroting van FIU ligt in 2008 rond de € 5 mln. Bij de andere onderdelen is niet mogelijk dit inzicht te verschaffen.

Voor het versterkingsprogramma financieel-economische criminaliteit, dat overigens wel een breder veld bestrijkt dan alleen de bestrijding van witwassen, wordt aan het Openbaar Ministerie en politie een grotendeels oplopende reeks middelen beschikbaar gesteld.

Voor het Openbaar Ministerie in 2008 4,5 mln, in 2009 6,7 mln, in 2010 6,7 mln, in 2011 8,1 mln en vanaf 2012 7,6 mln. Voor de politie in 2008 4,5 mln, in 2009 8,5 mln, in 2010 10 mln en vanaf 2011 13 mln.

De FIOD-ECD krijgt vanaf 2008 jaarlijks 3 mln extra ten behoeve van de bestrijding van witwassen.

Zie ook beantwoording vraag 63.

6

Wat gaat het kabinet doen om de totale omvang van de middelen die gemoeid zijn met het bestrijden van witwassen en terrorismefinanciering inzichtelijk te maken? Wanneer wordt daarvan een overzicht verwacht?

Zoals reeds aangegeven in de beantwoording van vraag 5 zijn de middelen van organisaties/onderdelen van de overheid die zich vrijwel volledig bezighouden met de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering bekend. Voor de andere organisaties betreft het een onderdeel van hun totale takenpakket en bestaat geen separate registratie van de aan dit onderwerp te besteden middelen.

7

Vooral stichtingen blijken misbruikt te worden voor terrorismefinanciering. Gaat het kabinet hiertegen optreden en zo ja, op welke wijze en wanneer? Zo neen, waarom niet?

Op dit moment bestaan reeds verschillende preventieve en repressieve mogelijkheden met betrekking tot misbruik van stichtingen. Daarnaast wordt bezien of andere aanpaksmogelijkheden wenselijk en haalbaar zijn. Wat betreft de maatregelen met betrekking tot transparantie verwijzen wij naar het antwoord op vraag 8.

Met betrekking tot de goededoelensector, heeft de commissie Pont in 2007 in opdracht van de besturen van VFI (Vereniging van Fondsen in Nederland) en CBF (Centraal Bureau Fondsenwerving) een advies uitgebracht over de mogelijkheden tot vervlechting van de Code Goed Bestuur (code Wijffels) en het CBF-keurmerk. De inmiddels vormgegeven aanpak voor de vervlechting, die ondersteund wordt door de Ministeries van Justitie en van Financiën, bestaat uit een nieuw verantwoordingsmodel waarin onder andere aandacht is voor de scheiding tussen toezicht, bestuur en uitvoering in goede doelenorganisaties. Dit verantwoordingsmodel moet sinds 1 juli 2008 door die organisaties worden opgenomen in het jaarverslag. In het kader van de bestrijding van de financiering van terroristische organisaties en criminaliteit is daarnaast een verplichting opgenomen inzake het bewaren en beschikbaar stellen van gegevens van donateurs en begunstigden.

Naast preventief toezicht zijn er tevens veranderingen in het repressief toezicht. Een voorbeeld daarvan is de wet die het mogelijk maakt om goede doelenorganisaties die op een terrorismelijst zijn geplaatst, te treffen met de bevriezing van hun vermogen en strafsancties bij voortzetting van hun activiteiten. Daarnaast zullen stichtingen in de nabije toekomst vallen onder het nieuwe toezicht op rechtspersonen. Het huidige (preventieve) toezicht is vooralsnog beperkt tot naamloze en besloten vennootschappen, maar zal in het nieuwe toezicht worden verbreed naar stichtingen.

Tenslotte staan het Openbaar Ministerie mogelijkheden ten dienste om repressief in te grijpen bij stichtingen. Het Openbaar Ministerie kan inlichtingen vragen aan het bestuur van een stichting bij ernstige twijfel of de wet of de statuten te goeder trouw worden nageleefd. Wordt aan dat verzoek niet voldaan, dan kan de rechter bevelen dat inzage wordt gegeven in alle relevante boeken en bescheiden. Bestuursleden van stichtingen kunnen op verzoek van het Openbaar Ministerie door de rechter worden geschorst of ontslagen. Ontslag brengt een bestuursverbod van vijf jaar met zich mee. Deze mogelijkheid staat op zichzelf, maar kan ook worden ingezet in geval van aangifte of verdenking van een strafbaar feit en – in de toekomst – bij een risicosignaal uit het toezicht op rechtspersonen.

Verder is vanuit de Belastingdienst met de herziening van de Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting per 1 januari 2008 eveneens een vorm van preventief fiscaal toezicht op goede doelen ingevoerd. Indien goede doelenorganisaties gebruik willen maken van de fiscale faciliteiten voor Algemeen nut beogende instellingen (ANBI’s) moeten zij daartoe een beschikking van de Belastingdienst aanvragen. Deze beschikking wordt verleend als voldaan wordt aan de voorwaarden van de ANBI-regeling. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om de scheiding tussen het vermogen van de stichting en dat van haar bestuurder(s) en om een redelijke verhouding tussen kosten en bestedingen. Daarnaast houdt de Belastingdienst uiteraard ook «repressief» fiscaal toezicht op de goede doelen.

8

Hoe gaat de transparantie van de werkelijke activiteit verbeterd worden bij stichtingen?

In 2005 heeft het Kabinet aangekondigd de transparantie van stichtingen te willen verbeteren.

Met de in de vorige vragen genoemde maatregelen zijn er op dit terrein reeds diverse stappen gezet. Ter versterking van de preventieve en repressieve mogelijkheden m.b.t. het misbruik van stichtingen is het echter nodig dat de informatiepositie omtrent gegevens over stichtingen structureel verder wordt verbeterd. Aan een voorstel daartoe wordt momenteel gewerkt en daarover wordt U voor het einde van dit jaar nader geïnformeerd.

9

De prestaties om witwassen en terrorismefinanciering te bestrijden vallen, ondanks de vele maatregelen van de ministers van BZK, Financiën en Justitie nog tegen. Gaat het kabinet dit in de toekomst verbeteren en zo ja, op welke wijze en wanneer? Zo neen, waarom niet?

Het kabinet zet onder meer in op een versterking van de bestrijding van financieel-economische criminaliteit en georganiseerde misdaad. Dit gebeurt door het uitvoeren van de programma’s FINEC en aanpak georganiseerde misdaad. Zie ook de inleiding en de beantwoording van vraag 5.

10

Uit het onderzoek van de Algemene Rekenkamer blijkt dat de betrokken bewindspersonen geen inzicht hebben in de prestaties van het bestrijden van witwassen en terrorismefinanciering. Hoe komt dit en is het kabinet voornemens daar wat aan te gaan doen?

Het onderzoek van de ARK stelt dat de ministeries geen inzicht hebben in de prestaties. De ARK focust op de prestaties via een drietal prestatie-indicatoren: controlekans, opsporingskans, sanctiekans. Zoals ook in de bestuurlijke reactie van het kabinet naar voren komt, heeft de ARK geen waarde toegekend aan het preventieve aspect van de WWFT. Deze laat zich niet eenvoudig in cijfers vatten, maar is van groot belang. In de brief van 21 november 2005 van de toenmalige minister van Justitie aan uw Kamer (Kamerstukken II 2005/06, 17 050, nr. 314), is reeds aangegeven dat bij de beoordeling van de effectiviteit van de Wet MOT (thans de WWFT) belangrijk is rekening te houden met de tweeledige doelstelling van deze wet. De eerste doelstelling is de bescherming van de integriteit van de financiële markten en meer algemeen, van de Nederlandse economie (preventief). De tweede doelstelling is de bestrijding van witwassen (overtreding meldingsplicht, gevolg geven aan meldingsplicht in de zin van opsporing en vervolging ter zake van witwassen of andere misdrijven). De ARK heeft zich alleen op deze laatste doelstelling gefocust. Overigens benadrukt het kabinet dat Nederland, ook internationaal bezien, een behoorlijk resultaat neerzet wat betreft de aantallen witwaszaken. Deze cijfers zijn aanwezig, echter met name een integraal inzicht in de effectiviteit van de keten ontbreekt. Terecht merkt de ARK dan ook op dat de koppeling met de meldingen onvoldoende is. Dit zal de komende jaren moeten verbeteren. Hiervoor zijn diverse maatregelen in gang gezet, zoals een nieuw ICT systeem voor FIU, een wijziging van de wettelijke taak van de begeleidingscommissie MOT en het versterkingsprogramma financieel-economische criminaliteit. Op deze manier moet duidelijker worden welke resultaten in de strijd tegen witwassen en terrorismefinanciering toe te schrijven zijn aan de inspanningen van de melders, toezicht, opsporing en vervolging. En bovenal moeten deze maatregelen de effectiviteit van de keten versterken.

11

Volgens deskundigen gaat het bij terrorismefinanciering vaak om relatief kleine en onopvallende financiële stromen, die nauwelijks via de meldingsplicht ongebruikelijke transacties opgemerkt kunnen worden. Wat is het oordeel van het kabinet daarover? Gaat het kabinet hier maatregelen tegen nemen en zo ja, welke? Zo neen, waarom niet?

Uit opsporings- en gerechtelijke onderzoeken die in Nederland, Europa en elders werden verricht naar terrorismefinanciering kan afgeleid worden dat dit zich in haar huidige vorm kenmerkt door kleine bedragen en onopvallende, vaak legitieme, transacties, die meestal in een normaal levenspatroon passen en daardoor niet als ongebruikelijke transactie opgemerkt worden. Uit die (inter)nationale onderzoeken zou tevens afgeleid kunnen worden dat autonome, lokale groepen die het huidige dreigingsbeeld in Europa kenmerken, geringe operationele kosten hebben alsmede geringe kosten om het netwerk in stand te houden. Voorts heeft in februari van dit jaar de FATF een typologierapport met betrekking tot terrorismefinanciering uitgebracht. Hierin wordt onder meer ingegaan op verschillende manieren om fondsen te verwerven en om geld binnen een organisatie of tussen verschillende organisaties te verplaatsen.

Het kabinet is zich bewust van de bestaande problematiek en spant zich in om op het terrein van terrorismefinanciering successen te behalen. In dit kader is tevens sprake van internationale samenwerking, zowel binnen de EU als de VN.

FIU heeft naast het voorkomen en bestrijden van witwassen een aparte taak toebedeeld gekregen van de wetgever met betrekking tot het voorkomen en bestrijden van het financieren van terrorisme. Door FIU zijn in 2007 profielen ontwikkeld waarmee transacties die gerelateerd zijn aan het financieren van terrorisme beter kunnen worden gedetecteerd. Uit het jaarverslag van 2007 van FIU blijkt dat het aantal gedetecteerde transacties met betrekking tot het financieren van terrorisme in 2007 verdubbelde t.o.v. 2006.

Ten aanzien van de financiering van grotere organisaties met een eigen structuur die elders terroristische activiteiten ontplooien, maar die daartoe mogelijk wel in Nederland geworven middelen gebruiken (zoals PKK of Tamil Tijgers), gaat het mogelijk wel om grotere geldstromen.

12

Gaat het kabinet verandering brengen in de controlekans voor vooral notarissen en andere groepen meldingsplichtige instellingen, welke enorm laag is (tot soms slechts 0,6%)? Zo ja, op welke wijze en wanneer? Zo neen, waarom niet?

Zoals uw Kamer is toegezegd zal bezien worden op welke wijze het toezicht dat het Bureau Financieel Toezicht (BFT) uitoefent op de naleving van de identificatie- en meldingsplicht door notarissen en andere groepen meldingsplichtigen, eventueel doeltreffender vorm kan krijgen. Alvorens te beslissen over verdere maatregelen wil het kabinet de resultaten afwachten van de twee onderzoeken die op dit moment worden verricht. Het betreft in de eerste plaats de evaluatie van het handhavingsstelsel die bij de vorige wijziging van de WID en de WWFT is aangekondigd (Kamerstukken II 2004/05, 29 990, nr. 3, blz. 9). In dit onderzoek wordt de effectiviteit van het toezicht op de naleving van de WWFT door notarissen, advocaten en accountants in haar geheel bekeken. Daarnaast wordt op het moment, op grond van artikel 113 van de Wet op het notarisambt, de doelmatigheid van het functioneren van het BFT zelf geëvalueerd door de speciaal voor dit doel in het leven geroepen Evaluatiecommissie Bureau Financieel Toezicht. De Evaluatiecommissie Bureau Financieel Toezicht, die de organisatorische vraagstukken met betrekking tot het BFT evalueert, is specifiek gevraagd om – mede in het licht van de bezuiniging die voortkomt uit het coalitieakkoord – te adviseren over de wijze waarop het BFT het meest efficiënt en effectief gepositioneerd kan worden. Van beide onderzoeken zullen de resultaten naar verwachting nog voor het einde van dit jaar beschikbaar zijn. Vanzelfsprekend zal uw Kamer op de hoogte worden gesteld van de uitkomsten van de genoemde onderzoeken en van de conclusies die het kabinet hieraan verbindt.

13

Slechts 6% van de meldingen wordt gebruikt in opsporingsonderzoeken. Gaat het kabinet stimuleren dat dit percentage hoger wordt? Zo ja, op welke wijze en wanneer? Zo neen, waarom niet?

In de bestuurlijke reactie op het rapport van de Algemene Rekenkamer zijn enkele kanttekeningen geplaatst bij de wijze van berekenen van dit percentage. Desondanks vinden wij dat het gebruik van MOT-informatie verder verbeterd moet worden. De maatregelen in de reeds genoemde versterkingsprogramma’s, in het bijzonder het versterkingsprogramma financieel-economische criminaliteit, zijn onder meer gericht op meer gebruik van informatie over verdachte transacties in opsporingsonderzoeken. Dit gebeurt onder meer door het uitbreiden van de capaciteit en deskundigheid bij opsporingsdiensten en het Openbaar Ministerie.

Zie ook beantwoording vraag 62.

14

Hoe gaat het kabinet er zorg voor dragen dat het toezicht verbetert? Is dat mogelijk, gezien het feit dat het kabinet 25% wil bezuinigen op de toezichtfunctie?

Het versterkingsprogramma FINEC is er op gericht om in de opsporing meer en beter gebruik te maken van de signalen die uit het toezicht komen. De inzet van toezichtscapaciteit zal in toenemende mate gebaseerd zijn op inzicht in risico’s op witwassen en terrorismefinanciering. Zie hierover de beantwoording van vraag 12, 15 en 52.

15

Wat is de reactie van het kabinet op de berekening dat de kans dat een notaris door het Bureau Financieel Toezicht (BFT) gecontroleerd wordt slechts 1,7% bedraagt, en dat die kans voor andere meldingsplichtige instellingen zelfs nog lager is? Moeten deze kansen omhoog in de optiek van het kabinet?

Het BFT volgt bij deze toezichttaak een zogenoemd driesporenbeleid. Er worden verschillende instrumenten ingezet om de naleving van de identificatie- en meldingsplicht door deze beroepsbeoefenaren te bevorderen. In het eerste spoor wordt ernaar gestreefd om met de relevante beroepsorganisaties tot afspraken ten aanzien van eigen inspanningen te komen. In het tweede spoor richt het BFT zich op het verhogen van het bewustzijn rond regelgeving, (witwas-)risico’s en het belang van de terrorisme- en witwasbestrijding. Het derde spoor richt zich op het toetsen van de naleving van de wet door de beroepsbeoefenaren, door middel van eigen onderzoeken van het BFT. Zoals het BFT in zijn jaarverslag 2007 (p. 24) schrijft, begint deze aanpak – gegeven de ontwikkeling in de kwaliteit, aard en omvang van de meldingen bij het FIU – zijn vruchten af te werpen.

Naast de onderzoeken die het BFT verricht, worden (in het eerste spoor) door verschillende beroepsorganisaties zoals het Koninklijk Nederlands Instituut van Registeraccountants (NIvRA), de Nederlandse Orde van Accountants-Administratieconsulenten (NOvAA), de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) en de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) in het kader van hun kwaliteitsbevorderende taak reguliere onderzoeken uitgevoerd bij beroepsgenoten. Bij deze onderzoeken wordt ook aandacht besteed aan de naleving van de WWFT. In 2006 heeft bijvoorbeeld de NOvA een 150 tal onderzoeken bij Advocaten uitgevoerd. Op een bestand van circa 15 000 advocaten is dit 1% controlekans. In 2007 heeft de KNB 77 onderzoeken uitgevoerd. Op een bestand van zo’n 1500 notarissen is dit 5%.

Overigens houdt het BFT ook financieel toezicht op notarissen op grond van de Wet op het notarisambt, waarbij alle notarissen periodiek worden onderzocht. De regimes van de Wet op het notarisambt en de WID/MOT zijn formeel gescheiden. De Algemene Rekenkamer heeft derhalve terecht de controlekans bij het financieel toezicht op notarissen buiten beschouwing gelaten in zijn rapport «Bestrijden witwassen en terrorismefinanciering».

Na gereedkomen van de onder 12 genoemde onderzoeken zal worden bezien welke maatregelen eventueel nodig zijn om het toezicht door het BFT te versterken en in welke wijze hierin kan worden voorzien.

16

Hoe gaat de deskundigheid van de opsporende instanties concreet verbeterd worden? Hoe gaat de capaciteit van de opsporende instanties concreet verbeterd worden? Hoe wordt dit in de politieorganisatie vormgegeven?

Het versterkingsprogramma financieel-economische criminaliteit voorziet in deskundigheidsbevordering op alle niveau’s bij de politie. Met de middelen van het versterkingsprogramma is bovendien een beperkte capaciteitsuitbreiding mogelijk bij de regionale, bovenregionale en nationale recherche. Om de toegekende middelen uit het versterkingsprogramma niet te laten verdampen, door deze te verdelen over alle korpsen, zal slechts een beperkt aantal korpsen worden aangewezen waar de aanpak van financieel-economische criminaliteit zal worden geïntensiveerd. De ervaringen en good practices, die in deze korpsen worden ontwikkeld zijn daarna beschikbaar voor landelijke implementatie.

De formatie van de FIOD-ECD ten behoeve van de bestrijding van witwassen is uitgebreid met 37 fte. Wat betreft de deskundigheid kan opgemerkt worden dat de FIOD-ECD reeds beschikt over hoogwaardige kennis over de bestrijding van witwassen.

In het versterkingsprogramma zal nader worden uitgewerkt hoe de bij de bestrijding van witwassen betrokken diensten beter kunnen samenwerken door onder meer betere informatie-uitwisseling en het delen van kennis.

Zie ook beantwoording vraag 63.

17

Wat is de visie van het kabinet op het gegeven dat de opsporingskans, ondanks de stijging van het aantal witwasfeiten, klein is. Gaat het kabinet hier verandering in brengen. Zo ja, op welke manier en wanneer? Zo neen, waarom niet?

Zie beantwoording vraag 13.

18

Hoe wil het kabinet betrouwbare en volledige informatie over de prestaties van het opsporen bewerkstelligen?

In het kader van het versterkingsprogramma financieel-economische criminaliteit wordt momenteel een nulmeting uitgevoerd. Gedurende de loop van het versterkingsprogramma zullen de prestaties van de betrokken diensten op het gehele terrein van de financieel-economische criminaliteit periodiek gemonitord worden.

19

Welke regiokorpsen worden bedoeld in de tabel op bladzijde 17 en hebben deze korpsen een ander beleid waardoor korpsen van elkaar kunnen leren?

Zoals uit de tabel naar voren komt hebben de regio’s Twente en Groningen een opsporingskans van boven de 20%. De Rekenkamer definieert de opsporingskans als het aantal strafbare feiten witwassen afgezet tegen het aantal ongebruikelijke transacties. Dit zegt dus niets over het gebruik van verdachte transacties. Een verdachte transactie kan bijvoorbeeld ook in een drugsonderzoek worden gebruikt, terwijl vaak meerdere transacties in een onderzoek worden gebruikt. De enige conclusie die uit deze tabel valt te trekken is dat de Regio’s Twente en Groningen kennelijk goed gebruik weten te maken van transactieinformatie en de strafbaarstelling van witwassen in artikel 420bis e.v. WvSr.

20

Hoe kan het dat de regio’s met een hoge witwasdichtheid een kleine opsporings- en sanctiekans hebben in vergelijking met regio’s met een lage witwasdichtheid?

Het gaat hier om percentages niet om absolute getallen, in een regio met een hoge witwasdichtheid moet de politie meer presteren om op dezelfde opsporingskans te komen.

21

Een knelpunt bij de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering is dat de capaciteit en de deskundigheid bij sommige ketenpartners te beperkt is om hun rol goed in te kunnen vullen. Gaat het kabinet maatregelen treffen om de capaciteit en deskundigheid van de in het rapport genoemde ketenpartners te vergroten? Zo ja, op welke wijze en wanneer? Zo neen, waarom niet?

Het kabinet onderschrijft de conclusie dat de capaciteit en deskundigheid bij sommige ketenpartners te beperkt is. De ARK stelt dat dit knelpunt zich vooral manifesteert bij het toezicht op de juridische dienstverleners door BFT, bij de politie, voor wat betreft capaciteit ook bij de FIOD-ECD, en bij het OM. Op verschillende manieren wordt reeds toegewerkt naar een verbetering. Ten eerste is eind 2007 met betrekking tot de capaciteit en financiële deskundigheid van de opsporingsdiensten en het OM het versterkingsprogramma financieel-economische criminaliteit aan de Kamer aangeboden. Een belangrijk onderdeel van dit programma betreft een impuls in de bestrijding van witwassen door een uitbreiding van de capaciteit voor financieel rechercheren. Een van de voornaamste maatregelen betreft het bevorderen van financiële deskundigheid bij de politieorganisatie en het OM. De politie zal het gebruik van financiële expertise uitbouwen en financieel rechercheren zal worden opgenomen als standaard onderdeel van de werkprocessen. Naast extra aandacht voor de processen en de opleiding zal de politie de capaciteitsinzet vergroten, zodanig dat dit een structurele component van politieonderzoeken gaat vormen en het gebruik van relevante MOT-meldingen door de politie vergroot wordt. Naast de extra maatregelen bij de politie heeft ook de FIOD-ECD inmiddels een grotere rol toebedeeld gekregen in de bestrijding van witwassen. Met ingang van 2008 is de formatie van de FIOD-ECD uitbreid met 37 voltijdsequivalenten. Deze extra capaciteit zal met name daar worden ingezet bij bestrijding van witwassen als zelfstandig fenomeen, in relatie met de financieel-economische sector. In het bijzonder zal er aandacht zijn voor facilitators, zoals bijvoorbeeld notarissen, advocaten en accountants. Daarnaast zal de FIOD-ECD capaciteit inzetten voor de benutting van financiële signalen, in het bijzonder MOT-informatie. Ook bij het OM zal de capaciteit worden uitgebreid voor de bestrijding van witwassen. Om de prioriteit van witwassen binnen het OM te verhogen heeft het OM een vernieuwde aanwijzing witwassen uitgevaardigd. Een tweede maatregel betreft de evaluatiecommissie BFT die dit jaar van start is gegaan. Deze commissie zal bekijken op welke wijze het toezicht op de juridische dienstverleners kan worden versterkt. Het kabinet deelt echter niet op voorhand de conclusie van de ARK dat er te weinig capaciteit beschikbaar is voor het toezicht. Bij de berekening van de capaciteit is namelijk reeds rekening gehouden met het feit dat de beroepsorganisaties zelf aanzienlijke inspanningen plegen om naleving te bevorderen. De opdracht van de evaluatiecommissie ziet enkel op BFT, daarnaast zal ook breder worden gekeken naar de indeling van het toezicht en de plaats van het toezicht in de gehele handhavingsketen in relatie met opsporing, vervolging en FIU. Deze brede heroverweging volgt op een beleidsmatige analyse van de werking van het toezicht op de WWFT, welke momenteel wordt uitgevoerd.

Nadat bovenstaande trajecten zijn afgerond zal bekeken worden of, en zo ja hoe, de huidige indeling van het toezicht, en de plaats daarvan in de keten, aan heroverweging toe is. Uw Kamer zal hierover worden geïnformeerd. Hierbij zal de intensivering van de bestrijding van witwassen voorop staan. Om deze reden ziet het kabinet op voorhand meer in een intensivering van de opsporing en vervolging, dan in van een intensivering van het toezicht zoals de ARK dat voorstelt. Intensiveren van het toezicht doet minder recht aan de wens van de Rekenkamer om witwassen te bestrijden.

22

Gaat het kabinet maatregelen treffen nu blijkt dat bij de politie ook het gebrek aan financiële deskundigheid een probleem is? Zo ja, wanneer en op welke wijze? Zo neen, waarom niet?

Met betrekking tot deskundigheid voorziet het programma financieel-economische criminaliteit in investeringen voor (door)ontwikkeling van bestaande en nieuwe opleidingen, in samenhang met learning-on-the-job. Deze investeringen vinden plaats met inachtneming van soortgelijke impulsen bij OM, FIOD-ECD en andere ketenpartners. Waar mogelijk zal door samenwerking extra rendement worden nagestreefd. Daarnaast draagt de in 2007 gestarte instroom van nieuwe medewerkers op MBO, HBO en WO niveau bij aan verdere professionalisering.

Zie ook beantwoording vraag 5 en 63.

23

Hoeveel Fte heeft de BFT tot de beschikking om toezicht te houden? Op hoeveel personen/instantie moeten zij toezicht houden? Hoeveel tijd hebben zij per beroepsgroep om hun toezichthoudende taak uit te voeren?

Bij het BFT werken circa 37 fte. Hiervan zijn circa 14 medewerkers werkzaam bij de sector Toezicht WWFT.

De sector Toezicht WWFT houdt toezicht op ruim 50 000 professionals verdeeld over zo’n 32 500 kantoren, zie het overzicht op de volgende bladzijde uit het Jaarverslag BFT 2007. Deze aantallen moeten worden bezien in de wijze waarop het toezicht door het BFT wettelijk is vorm gegeven. Zie daarvoor de beantwoording van vraag 15 en 21.kst-31477-5-1.gif

Bron: Jaarverslag BFT 2007, p. 28.

24

Hoe groot is het gebrek aan financiële deskundigheid bij de politie? Wat kan daarvan het gevolg zijn?

De Rekenkamer constateert dat er een gebrek aan financiële deskundigheid is bij de politie. Hoe groot dit gebrek is, is niet te zeggen.

Naast deskundigheidsbevordering wordt via het Programma FINEC ook bij een beperkt aantal korpsen geïnvesteerd in deskundige capaciteit.

De doelstelling is het beter herkennen van financieel-economische criminaliteit en het slimmer aanpakken van zaken. Door dit laatste wordt bereikt dat er meer zaken kunnen worden opgepakt waardoor de betrouwbaarheid met en voor partners toeneemt.

Over o.m. de mate van financiële deskundigheid en de beschikbare deskundige capaciteit vindt een nulmeting plaats bij de politie.

25

Welke maatregelen gaat het kabinet nemen om de knelpunten bij de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering, namelijk dat de capaciteit en de deskundigheid bij sommige ketenpartners (BFT, de politie, de FIOD-ECD, en bij het Openbaar Ministerie (OM)) te beperkt is om hun rol goed in te kunnen vullen, oplossen?

Zie beantwoording vraag 21.

26

«Het OM vordert bij 13% van alle witwasfeiten een ontneming en de rechter legt slechts bij 3% van alle witwasfeiten een ontnemingsmaatregel op.» Wat is de reactie van het kabinet op deze percentages? Kan het kabinet toelichten hoe zij er voor zorgt dat deze percentages worden verhoogd?

De term ontnemen is verweven met de wettelijke ontnemingsmaatregel maar dat dekt niet alle mogelijkheden tot het afnemen van crimineel vermogen. Naast ontneming zijn er namelijk nog meer mogelijkheden om crimineel voordeel af te nemen zoals langs fiscale weg, verbeurdverklaring of via de «Cabrio-methode» die ontwikkeld is bij de regiopolitie Amsterdam-Amstelland en justitie Amsterdam. Dit betekent dat gericht wordt ingezet op een mix aan maatregelen die allemaal tot doel hebben het afpakken van crimineel dan wel onverklaarbaar vermogen, te weten: «afnemen» (Cabrio-methode), verbeurdverklaring, afroomboete, fiscale naheffing of het formele ontnemingsinstrument. Welk instrument wanneer wordt ingezet moet afhangen van de inschatting wat in een bepaald geval het meest effectief is. Dit betekent derhalve dat een percentage van 13% een onvolledige weergave geeft van alle acties waaronder die van het Openbaar Ministerie. Zie ook vraag 91. Het kabinet vindt het van belang om te weten wat de totale omvang is van het afgenomen crimineel vermogen. Zoals eerder aangegeven kan crimineel verkregen vermogen op verschillende wijzen worden afgenomen. Door het toepassen van de ontnemingsmaatregel, door verbeurdverklaring, door de oplegging van een boete of door fiscale naheffing of terugvordering. In het versterkingsprogramma financieel-economische criminaliteit wordt onderzocht hoe inzicht in het totaal kan worden gekregen.

27

Hoe kan de gevreesde versnippering van de beschikbare financiële deskundigheid bij de politie nu opgelost worden en in de toekomst voorkomen worden?

Financieel economische criminaliteit en de noodzaak tot financieel opsporen doen zich voor in verschillende vormen en op diverse plaatsen/niveau’s. Financiële deskundigheid en capaciteit moeten bij de politie dus breed (regionaal, bovenregionaal en nationaal), maar weliswaar divers qua aard, aanwezig zijn.

Zie ook beantwoording vraag 16.

28

Waarin ligt het verschil in de witwasfeiten tussen het FIOD-ECD en het OM?

Er ligt geen verschil in witwasfeiten tussen de FIOD-ECD en het OM. Onder het gezag van het OM spoort de FIOD-ECD de feiten op. Het OM beslist vervolgens over de vervolging voor die feiten.

29

Waarom is er gekozen voor maar één toezichthouder op 2481 kantoren? Is het kabinet bereid om meer personeel in dienst te nemen en vindt het kabinet dat nodig?

Bij de berekening van de capaciteit van het BFT voor het toezicht op de naleving van de WWFT is het uitgangspunt gehanteerd dat de beroepsorganisaties zelf aanzienlijke inspanningen plegen om de naleving van de beide wetten te bevorderen. De vraag of de capaciteit van het BFT uitgebreid dient te worden, zal worden bezien nadat de resultaten van de onder vraag 12 genoemde onderzoeken beschikbaar zijn.

Zie ook de beantwoording vraag 14, 15, 21 en 23.

30

Wat is er veranderd sinds het rapport «Het vermogen te ontnemen, eindrapport van de ontnemingswetgeving» van J. M. Nelen en V. Sabee? Zijn de aanbevelingen van deze onderzoekers om meer deskundigheid in de hele keten in te zetten nog steeds actueel?

De toenmalige Minister van Justitie heeft in de brief van 27 oktober 1998 (Kamerstukken 1998–1999, 26 268, nr. 1) een reactie gegeven op de bevindingen van eindrapport van de ontnemingswetgeving van J. M. Nelen en V. Sabee. In die tijd is ook het project financieel rechercheren uitgevoerd om het instrument financieel rechercheren structureel onder de aandacht te brengen van politie en Openbaar Ministerie. Aandacht voor deskundigheid in de keten is daarna ook een punt van aandacht gebleven bij het Openbaar Ministerie en de politieorganisatie. In het versterkingsprogramma financieel-economische criminaliteit is deskundigheidsbevordering wederom een van de maatregelen.

Zie ook beantwoording vraag 2 en 26.

31

Wat is het verschil tussen de aanbeveling van J. M. Nelen en V. Sabee in het rapport «Het vermogen te ontnemen, eindrapport van de ontnemingswetgeving» uit 1998 en dit rapport van de Algemene Rekenkamer ten aanzien van de deskundigheid in de hele keten? Wat is er sinds de aanbeveling van Nelen en Sabee gebeurd aan het verhogen van de deskundigheid en waarom is na tien jaar deze aanbeveling nog steeds van kracht?

Op basis van de bevindingen van deze evaluatie is de ontnemingwetgeving op 1 september 2003 op een aantal punten gewijzigd en aangevuld en onlangs is een nieuw conceptwetvoorstel tot verruiming van de mogelijkheden tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel voor consultatie naar de in dit verband vaste adviesorganen gestuurd.

Het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie (BOOM) is nu vanaf het begin betrokken bij grote onderzoeken. Het BOOM biedt tevens ondersteuning aan de arrondissementsparketten bij de afhandeling van de zaken waarbij het wederrechtelijke verkregen voordeel minder is dan 100 000 euro. De opleiding financieel rechercheren is een vast onderdeel binnen het politieonderwijs. Deskundigheid op het terrein van financieel rechercheren binnen de politieorganisatie is operationeel geïntensiveerd met de inrichting van de Interregionale Fraudeteams (IFT’s) ondergebracht bij de Bovenregionale Recherche. Ten behoeve van de uitwisseling van gegevens inzake financieel rechercheren zijn infrastructurele voorzieningen ingericht met het Fraude Registratie en Informatiesysteem (FRIS), het Politie Kennis Net (PKN) en het OMtranet.

Zie ook beantwoording vraag 2, 26 en 30.

32

Hebben de verantwoordelijke bewindspersonen voldoende inzicht in de resultaten van het bestrijden van witwassen en terrorismefinanciering?

Zie beantwoording vraag 10.

33

Wat gaat het kabinet doen met de aanbeveling om met opsporingsdiensten, die weinig witwasfeiten aanleveren, af te spreken dat zij er meer moeten aanleveren, zodat ze ervaring kunnen opdoen met witwasonderzoeken?

De Belastingdienst sluit jaarlijks een handhavingsarrangement met het Openbaar Ministerie over de aanlevering van zaken door de FIOD-ECD. Daarin zijn ook afspraken opgenomen over de aanlevering van witwasfeiten. De FIOD-ECD wordt in het kader van versterkingsprogramma FINEC versterkt met 37 fte ten behoeve van de bestrijding van witwassen. Er worden concrete afspraken gemaakt over de aanlevering van zaken door die 37 fte.

De prestatieafspraken met de politie lopen door tot en met 2010 en geven dan ook geen mogelijkheid dit onderwerp hierin mee te nemen. Wel vindt er momenteel een nulmeting bij de politie plaats in het kader van het versterkingsprogramma FINEC. Deze nulmeting moet duidelijk maken welke korpsen veel aan witwasbestrijding doen. Korpsen die het niet goed doen zullen hierop in de korpsgesprekken die plaats vinden in het kader van de prestatieafspraken worden aangesproken. Bij het toewijzen van de extra middelen aan de politie in het kader van het versterkingsprogramma FINEC zullen afspraken worden gemaakt over prestaties die hier tegenover moeten staan.

Het Openbaar Ministerie zal aan de hand van de vernieuwde aanwijzing witwassen van het College Procureurs Generaal de opsporingsdiensten aansturen op het aanleveren van witwasfeiten.

34

Wat gaat het kabinet doen met de aanbeveling dat het gebruiken van financiële informatie waaronder informatie over verdachte transacties van Financial Intelligence Unit (FIU)) en het afnemen van crimineel vermogen bij elk opsporingsonderzoek expliciet in overweging moet worden genomen en hiervoor de aanwijzing witwassen en het programma financieel-economisch opsporen politie als instrumenten moet worden gebruikt? Hoe vaak komt het voor dat een opsporingsteam niet gericht is op het vermogen bij een onderzoek en zich slechts richt op het misdrijf?

Het is staand beleid dat bij elk opsporingsonderzoek waarbij er sprake is van financieel gewin expliciet in overweging wordt genomen financiële sporen te onderzoeken en daarbij transactieinformatie te gebruiken. De aanwijzing witwassen van het College van Procureurs Generaal is daartoe ook recentelijk vernieuwd.

De maatregelen in de versterkingsprogramma’s FINEC en georganiseerde misdaad moeten daaraan een extra impuls geven door de capaciteit en deskundigheid bij de opsporing en het OM uit te breiden. Hiermee wordt tevens uitvoering gegeven aan de motie Anker (Kamerstuk 23 760, nr. 25), die oproept veel vaker een financieel opsporingstraject te volgen bij drugsgerelateerde strafbare feiten.

Het is niet mogelijk een uitspraak te doen over het aantal keren dat een opsporingsteam zich slechts gericht heeft op het misdrijf en zich niet gericht heeft op het criminele vermogen bij een onderzoek. Dit wordt niet geregistreerd.

35

Hoe komt het dat financieel rechercheren nog steeds onvoldoende ingebed is in de gehele breedte van de politieorganisatie? Hoe wil het kabinet dit gaan verbeteren?

In het algemeen wordt binnen de politie het financieel rechercheren als ingewikkeld ervaren. Het versterkingsprogramma moet een bijdrage leveren aan verandering hierin. Hiertoe wordt er aandacht besteed aan de opleidingen, maar is ook cultuurverandering een belangrijk aspect van het versterkingsprogramma. Ook bij het OM draait een versterkingsprogramma, dit programma moet ertoe leiden dat ook bij het OM het financieel rechercheren en afpakken van financiële middelen meer van zelfsprekend wordt.

36

Hoe wil het kabinet de opsporingsdiensten en het OM aansporen om meer prioriteit te geven?

Binnen de versterkingprogramma’s financieel-economische criminaliteit en georganiseerde misdaad zijn politie en OM gevraagd samen plannen te ontwikkelen ten aanzien van de versterking van de opsporing en vervolging. De versterking is zowel gericht op kwalitatieve als kwantitatieve aspecten. Het kennisniveau ten aanzien van financieel rechercheren moet worden verhoogd en er moeten meer financieel rechercheurs komen zodat de financiële onderzoekslijn een vast onderdeel gaat uitmaken van opsporingsonderzoeken.

In oktober van dit jaar zal de Kamer door middel van de voortgangsrapportage van het project Veiligheid begint bij Voorkomen worden geïnformeerd over de voortgang in deze programma’s.

Zie ook beantwoording vraag 33, 34 en 35.

37

Hoe kunnen stichtingen worden aangepakt om meer transparantie en toezicht te bewerkstelligen?

Zie beantwoording vraag 7 en 8.

38

Wat is de reactie van het kabinet op het idee om afgenomen crimineel vermogen zoveel mogelijk in te zetten voor deskundigheidsbevordering, capaciteit en bestrijding?

De vraag suggereert de vorming van een ontnemingsfonds. De vorming van een fonds/reserve is een te zwaar middel. De bestaande instrumenten binnen de begrotingssystematiek en de intertemporele compensatie bieden voldoende ruimte voor de gewenste budgettaire ruimte. Dat dit ook zo is blijkt wel uit de extra gelden die het kabinet voor de versterkingsprogramma’s heeft vrijgemaakt.

39

Kan de minister van Financiën toelichten welke uitbreiding van capaciteit volgt uit eerdere programma’s en beleidsagenda’s en of extra uitbreiding is voorzien voor de bestrijding van witwassen, terrorisme financiering en het verdubbelen van de opbrengsten van ontneming? Kan het kabinet nader inzicht geven in de gerealiseerde en voorgenomen uitbreiding bij de verschillende actoren en toezichtsinstellingen in het werkveld bestrijding witwassen en terrorisme financiering onder verantwoordelijkheid van de minister Financiën?

Zie de inleiding en beantwoording vraag 5, 9, 21, 26 en 84.

40

Geconcludeerd wordt dat de informatie-uitwisseling binnen de handhavingsketen onvoldoende is om witwassen en terrorismefinanciering efficiënt en effectief te kunnen bestrijden. Gaat het kabinet aan een betere informatie-uitwisseling werken en zo ja, op welke wijze en wanneer? Zo neen, waarom niet?

Informatie-uitwisseling vindt op verschillende niveau’s plaats en met verschillende doeleinden. Tussen toezichthouders enerzijds en opsporingsdiensten en het Openbaar Ministerie anderzijds, tussen respectievelijk toezichthouders en opsporingsdiensten onderling, tussen de publieke en de private sector en tussen het OM en het bestuur (bijvoorbeeld BIBOB).

In het programma FINEC zal met name aandacht zijn voor de informatieuitwisseling tussen toezichthouders, opsporingsdiensten en OM.

Het versterkingsprogramma Aanpak Georganiseerde Misdaad richt zich op het punt van de informatie-uitwisseling vooral op vergroting van de mogelijkheden om in het kader van een samenhangende aanpak van georganiseerde misdaad informatie uit te wisselen tussen de daarbij betrokken actoren waaronder het bestuur.

In het programma Bestuurlijke Aanpak Georganiseerde Misdaad (Brief aan Tweede Kamer, d.d. 15 februari 2008, TK 29 911, nr. 11) zijn verbeteracties ten aanzien van de informatiepositie expliciet opgenomen. Zo zal in september 2008 het Bestuurlijk Akkoord Geïntegreerde Decentrale Aanpak Georganiseerde Misdaad door vijf bewindslieden worden ondertekend. Witwassen en onverklaarbaar vermogen is opgenomen als één van de vijf verschijningsvormen van georganiseerde misdaad waar het Bestuurlijk Akkoord zich op richt. Het Bestuurlijk Akkoord expliciteert de set spelregels waarbinnen de informatie-uitwisseling ten behoeve van de geïntegreerde aanpak op decentraal niveau vorm kan krijgen. Het maakt de minimum randvoorwaarden transparant, in een juridisch kader. Het juridisch kader geeft inzicht in de wettelijke mogelijkheden van de betrokken partijen om informatie, in het bijzonder persoonsgegevens, uit te wisselen, onder andere op basis van de Wet politiegegevens, de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Wet bescherming persoonsgegevens. Met het Bestuurlijk Akkoord en het daaraan gehechte Regionaal convenant worden ook handvatten gegeven om op decentraal niveau concreet invulling te geven aan de waarborgen, noodzakelijk voor de rechtsbescherming van de burgers die het betreft. Door het ondertekenen van het Bestuurlijk Akkoord verklaren wij een dergelijke geïntegreerde aanpak van georganiseerde misdaad door informatie-uitwisseling actief te ondersteunen.

Voorts is voorzien in de oprichting van minimaal zes regionale informatie- en expertisecentra. Deze centra zijn als het ware platforms op regionaal niveau waarin verschillende diensten samenkomen om te bezien welk probleem er ligt en hoe dit gezamenlijk aan te pakken. Doelstelling hiervan is de ondersteuning van een overheidsbrede, geïntegreerde aanpak van criminaliteit, waaronder de bestrijding van witwassen, op decentraal niveau.

41

Hoe gaat de cruciale informatie en kennis «ontsnipperd» worden? Hoe gaat het kabinet erop toezien dat de relevante informatie wel bij de andere schakels terechtkomt?

Zie beantwoording vraag 40.

42

Hoe kan het gebrek aan informatie-uitwisseling worden vergroot en verbeterd?

Zie beantwoording vraag 40.

43

Hoe gaat het ketenbesef verbeterd worden?

Het kabinet is ook van mening dat witwassen en terrorismefinanciering effectiever kunnen worden bestreden indien schakels in de keten beter samenwerken en gezamenlijk op basis van intelligence deze ernstige vormen van criminaliteit bestrijden. In het programma FINEC is als maatregel opgenomen het bevorderen van de samenwerking tussen de bij de bestrijding van witwassen betrokken taakorganisaties. In overleg met deze taakorganisaties zal dit de komende tijd nader worden uitgewerkt. Daarbij zal ook worden gekeken naar de mogelijkheden om meer regie op de keten te voeren.

Overigens vindt in het kader van het Financieel Expertisecentrum (FEC) deze operationele samenwerking op dit moment al plaats. Het kabinet stimuleert dergelijke vormen van operationele samenwerking.

Ook andere maatregelen, zoals het stimuleren van het aanwenden van strafvorderlijke informatie voor bestuurlijke aanpak en een betere feedback aan melders, moeten tot een effectievere bestrijding en verbeter ketenbesef leiden.

Zie ook beantwoording vraag 40.

44

Gaat het kabinet de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer, dat de uitwisseling van informatie een expliciete taak moet worden van het Financieel Expertise Centrum (FEC) en dat hierop moet worden gestuurd door het stimuleren van gezamenlijke onderzoeken naar de aard en omvang van witwassen en terrorismefinanciering en van operationele samenwerkingsprojecten tussen toezichthouders, FIU, controle-instanties, opsporingsinstanties en het OM, overnemen? Zo ja, wanneer en hoe?

In het Convenant Herstructurering FEC is opgenomen dat het doel van het FEC is het leveren van een bijdrage aan de integriteit van de financiële sector, mede door bij te dragen aan een versterkte taakuitoefening van de participanten, onder andere op het gebied van uitvoering van – en bijstand aan – opsporingsonderzoeken. Daarnaast heeft het FEC als doel het gezamenlijk in beeld brengen van mogelijke overtredingen van normen die voor de financiële sector gelden, welke overtredingen niet volledig door de afzonderlijke participanten kunnen worden onderkend. Een belangrijke taak van het FEC is het bijeenbrengen van relevante informatie over subjecten om civiel, bestuurlijk of strafrechtelijk handelen mogelijk te maken. Om deze taak te vervullen, wisselen participanten, met inachtneming van de wet, gegevens uit. Uit het vorenstaande blijkt dat het uitwisselen van informatie reeds een taak is van het FEC en ook noodzakelijk is om de door haar geformuleerde doelstelling te bereiken.

Echter omdat het FEC (slechts) de effectieve handhaving van de integriteit van de financiële markten tot taak heeft en witwassen niet alleen aan de orde is bij criminaliteit op het terrein van financiële markten, maar (vooral) ook bij allerlei andere vormen van (georganiseerde) criminaliteit ligt het niet voor de hand de gezamenlijke onderzoeken en operationele samenwerking in het FEC gestalte te geven. Waar nuttig en nodig kan het FEC daarbij natuurlijk wel worden betrokken.

In 2008 is het FEC door de ministeries van Financiën en Justitie geëvalueerd. Uit deze evaluatie is naar voren gekomen dat het uitwisselen van operationele informatie tussen participanten in de praktijk nog voor verbetering vatbaar is. De aanbeveling is gedaan om de werkzaamheden van het FEC te centraliseren bij het FEC-secretariaat. Door de integratie van deze werkzaamheden wordt het FEC in staat gesteld om zich verder te operationaliseren. De informatie afkomstig van verschillende organisaties wordt gecentraliseerd bekeken en beoordeeld. Om de sturing door de ministeries te verbeteren, is verder de aanbeveling gedaan om het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Justitie meer bij het FEC te betrekken. Om de betrokkenheid van de departementen te vergroten is voorgesteld om de departementen te laten participeren aan vergaderingen van de FEC-Raad.

Parallel aan de evaluatie door de ministeries, heeft het FEC zelf een evaluatie uitgevoerd. Momenteel stelt het FEC een reorganisatieplan op waarin de uitkomsten van beide evaluaties worden meegenomen.

45

Wanneer worden er prestatieafspraken gemaakt met de uitvoeringsorganisaties binnen de keten? Wanneer worden er heldere en meetbare doelstellingen ontwikkeld?

De versterkingsprogramma’s voor de aanpak van financieel-economische en georganiseerde criminaliteit (TK 2007–2008, 29 911, nr. 10) bevatten specifieke beleidsdoelstellingen. De feitelijke implementatie van deze beleidsdoelstellingen zal tijdens deze kabinetsperiode in belangrijke mate verder worden ingekleurd door het OM, de politie en de FIOD-ECD, zij het uiteraard in nauw overleg met de betrokken departementen, in nauwe onderlinge samenhang en binnen het bestek van het uw Kamer toegegane beleidskader. Daarbij zij overigens benadrukt dat de implementatie van de versterkingsprogramma’s niet enkel betrekking heeft op een kwantitatieve verbeteringsslag, maar bovenal ook een kwalitatieve component omvat, hetgeen onder meer tot uitdrukking zal komen in het ervaring opdoen met nieuwe manieren van werken in zgn. proeftuinen en door een brede versterking van de deskundigheid van de betrokken organisaties op dit terrein. De genoemde organisaties zullen daartoe ieder jaar richting de desbetreffende departementen aangeven op welke wijze zij voornemens zijn de beschikbare financiële middelen voor de aanpak van deze vormen van criminaliteit optimaal aan te wenden en zij leggen daarover verantwoording af in het kader van de reguliere P&C cyclus.

Zie ook beantwoording vraag 33.

46

Kunnen er alsnog concrete doelstellingen worden genoemd bij of opgenomen in de programma’s Versterking Aanpak Georganiseerde Criminaliteit en het Programma financieel-economische criminaliteit?

Zie beantwoording vraag 45.

47

Kan coördinerend minister van Justitie toelichten of, en zo ja op welke wijze, de kritiek van de Algemene Rekenkamer die ten grondslag ligt aan de aanbeveling inzake het FEC, eventueel op een andere wijze zal worden opgepakt? Kan de minister een toelichting geven op mogelijkheden van integreren van verschillende belangrijke actoren in de bestrijding van witwassen en terrorisme financiering, bijvoorbeeld door de FEC en FIU nader samen te laten werken?

Zie beantwoording vraag 43 en 44.

48

Kan de coördinerend minister aangeven op welke wijze er «al hard wordt gewerkt» aan het verbeteren van het inzicht in de effectiviteit van de bestrijding van witwassen en terrorisme financiering?

Door FIU wordt een nieuw ICT-systeem ontwikkeld. Dit systeem moet meer mogelijkheden bieden om het gebruik van transactieinformatie te meten. Daarnaast zijn maatregelen in het programma FINEC gericht op meer gebruik van transactieinformatie in de opsporing. In het kader van de gewijzigde taak van de begeleidingscommissie MOT in de WWFT zal de BC-MOT zich meer stelselmatig richten op het verbeteren van de effectiviteit doordat de deelnemers kennis en inzichten met elkaar delen.

49

De bewindspersonen stellen in hun reactie op het rapport dat wel degelijk sprake is van een risicogerichte aanpak bij notarissen. Kunnen de bewindspersonen toelichten of zij de controlekans van 1,7% voldoende achten? Achten zij de beschikbare toezichtcapaciteit voor deze risicogerichte aanpak momenteel ook voldoende?

Deze vraag zal nader bezien worden nadat de resultaten van de twee onderzoeken (zie vraag 12) beschikbaar zijn. De risicogerichte aanpak van het BFT in combinatie mét de reguliere onderzoeken die door de verschillende beroepsgroepen zelf werden uitgevoerd kan gegeven de beperkte menskracht bij het BFT als vrij effectief en efficiënt worden aangemerkt. Bij reguliere onderzoeken (zonder risico-indicatie bleek in 2004 en 2005 dat bij een 100-tal onderzoeken ongeveer 40 aanvullende MOT-meldingen werden gegenereerd. Bij de risicogerichte aanpak bleek in 2006 dat bij 7 onderzoeken 192 ongebruikelijke transacties werden aangetroffen.

Zie ook beantwoording vragen 15, 21 en 23.

50

Hoeveel tijd besteedt het BFT aan hun toezichthoudende taak per dossier en hoeveel tijd besteedt de beroepsorganisaties zelf aan het toezicht houden per dossier?

Omdat de focus voor 2007 gelegd is op bijzondere onderzoeken en door eerder genoemde arrangementen ongeveer 250 reguliere onderzoeken door de beroepsorganisaties zelf zijn uitgevoerd, is het aantal reguliere onderzoeken dat het BFT zelf heeft uitgevoerd in 2007 beperkt gebleven. Om toch aandacht te geven aan de grote groep administratiekantoren is een actie gestart om in de provincie Zeeland eerst een informatiepakket over de verplichtingen voortvloeiend uit de WWFT te verzenden en daarna telefonisch contact op te nemen. Er zijn zo’n 700 pakketten verzonden en hierop zijn 160 telefonische contacten gevolgd. Daarna zijn een aantal onderzoeken binnen deze selectie uitgevoerd. In 2008 zal bij FIU worden nagegaan of deze aanpak tot een significante wijziging in het aantal meldingen van deze professionals in deze regio heeft geleid en of deze aanpak ook elders in het land effectief zou kunnen zijn. Ultimo 2007 zijn 13 eigen reguliere onderzoeken afgerond en nog 9 onderzoeken onderhanden. Het betreffen vooral kleinere adviesorganisaties met in totaal enkele duizenden klanten. De nalevingspercentages voor de Wid liggen tussen de 80 en 100% en zijn doorgaans hoger dan 90%. Er is één aanvullende Mot-melding naar voren gekomen naar aanleiding van deze afgeronde reguliere onderzoeken.

In 2007 zijn 9 rapporten afgerond en ultimo 2007 waren 5 onderzoeken onderhanden. De afgeronde onderzoeken – aangaande 8 notarissen en 3 kandidaat notarissen – zijn ingediend bij 4 verschillende Kamers van Toezicht te weten Maastricht, Den Haag, Utrecht, Rotterdam. Bij deze afgeronde onderzoeken zijn 232 dossiers (veelal AB-BC vastgoedtransacties) beoordeeld, waarbij het BFT tot de conclusie is gekomen dat 101 Mot-meldingen – in eerste instantie – ten onrechte niet zijn gedaan (2006: 192 meldingen). Drie notarissen hebben naar aanleiding van het onderzoek alsnog 23 Mot meldingen gedaan.

Sinds ultimo 2004 zijn twee bijzondere onderzoeken daadwerkelijk tuchtrechtelijk afgerond. Ultimo 2007 liepen 12 tuchtrechtelijke procedures bij de verschillende Kamers van Toezicht en de notariskamer van het Hof Amsterdam.

In 2007 is 13% van de onderzoekstijd besteed aan reguliere onderzoeken en 87% aan risicogerichte onderzoeken. De verhouding directe/indirecte uren is 78%/22%, na aftrek van vakanties en ziekteuren.

Volgens opgave van de KNB is per onderzoek in het kader van de naleving van de WWFT per dossier 2 à 3 uren besteed, e.e.a. mede afhankelijk van de omvang van het desbetreffende kantoor, exclusief voorbereidende werkzaamheden.

51

In hoeverre is het BFT als toezichthouder onafhankelijker dan de beroepsgroepen wanneer deze als toezichthouder optreden?

Het BFT houdt als onafhankelijk toezichthouder toezicht op de naleving van de WWFT door o.a. notarissen en advocaten. Het BFT is een zelfstandig bestuursorgaan. NivRA, NOvA en KNB zijn publiekrechtelijke beroepsorganisaties, die tot taak hebben de bevordering van een goede beroepsuitoefening door de leden en van hun vakbekwaamheid. In het kader van hun kwaliteitsbevorderende taak voeren zij onderzoeken uit bij beroepsgenoten.

52

Waarom onderschrijft het kabinet de aanbeveling om de inzet van toezichtcapaciteit op inzicht en risico’s aard en omvang van witwassen en terrorismefinanciering te baseren? En welke concrete doelstellingen en (prestatie)afspraken moeten daarvoor gemaakt worden?

De capaciteit die beschikbaar is om toezicht te houden op de naleving van de verplichtingen uit de WWFT is beperkt. Het is daarom zaak dat het toezicht zich richt op dié ondertoezichtgestelden en/of dienstverlening die het hoogste risico op witwassen en financieren van terrorisme met zich meebrengen. Op deze wijze worden de beschikbare bemiddelen het meest efficiënt ingezet. Hiervoor is wel noodzakelijk dat met alle toezichthouders (de Autoriteit Financiële Markten, De Nederlandsche Bank, De Belastingdienst Holland/Midden Unit MOT en het Bureau Financieel Toezicht) afspraken worden gemaakt over de in te zetten capaciteit en de speerpunten van het toezicht in een bepaalde periode. Deze afspraken zullen per toezichthouder worden gemaakt, zodat rekening kan worden gehouden met de verschillen in toezicht als ook met de diversiteit van de onder toezicht gestelden.

Zie ook beantwoording vragen 15, 21, 23 en 49.

53

Hoe vullen de verantwoordelijke bewindspersonen (BZK, Financiën en Justitie) de aanbeveling in waarin de Algemene Rekenkamer spreekt over realistische beleidsambities welke vastgesteld moeten worden en dat de benodigde capaciteit, deskundigheid en prioriteit hierop afgestemd moet worden door de inzet van toezichtscapaciteit op inzicht in risico’s, aard en omvang van witwassen en terrorismefinanciering te baseren en hierover concrete doelstellingen op te stellen en prestatieafspraken te maken?

Zie beantwoording vragen 49 en 52.

54

Waaruit blijkt dat er bij de departementen geen sprake is van een gebrek aan ketenbesef, betrekking tot de implementatie van deze versterkingsprogramma’s?

Zoals wij aan de Algemene Rekenkamer, in reactie op het conceptrapport «Bestrijden witwassen en terrorismefinanciering», hebben aangegeven, achten wij de noodzaak van een doelgerichte en integrale sturing op de keten van groot belang. Aan de drie versterkingsprogramma’s (financieel-economische criminaliteit, cybercrime en georganiseerde misdaad) wordt dan ook sturing gegeven door een integrale stuurgroep onder voorzitterschap van het Ministerie van Justitie, waarin vertegenwoordigers van de betrokken departementen, het lokaal bestuur, uitvoerende diensten, de Raad voor de rechtspraak en het bedrijfsleven zitting hebben. Om die reden bestrijden wij dan ook de opvatting dat er bij de departementen sprake is van een gebrek aan ketenbesef, en menen wij bovendien dat zij momenteel voldoende sturing uitoefenen met betrekking tot de implementatie van deze drie versterkingsprogramma’s. In dat verband wijzen wij voorts op de naar aanleiding van de evaluatie van het FEC geïnitieerde deelname van de departementen aan de FEC-Raadvergaderingen en op de regierol van de departementen in verschillende gremia in de keten van het voorkomen en bestrijden van witwassen, zoals de Financial Action Taskforce, de begeleiding en beleidsmatige aansturing van FIU, de begeleidingscommissie MOT, de werkgroep indicatoren en de interdepartementale werkgroep vastgoed. Overigens staan op dit gebied de ontwikkelingen niet stil en vanuit de departementen wordt continu gezocht naar een juiste implementatie van de regierol.

55

Wat gaat er precies in de (prestatie)afspraken vastgelegd worden?

De prestatie afspraken met de politie die op dit moment gelden lopen tot en met 2010.

In het kader van het versterkingsprogramma FINEC vindt er een nulmeting plaats bij de politie. Deze nulmeting moet duidelijk maken wat de korpsen aan witwasbestrijding doen. Korpsen die het niet goed doen zullen worden aangestuurd op betere prestaties. Bij het toewijzen van de extra middelen in het kader van het versterkingsprogramma FINEC zullen afspraken worden gemaakt over prestaties die hier tegenover moeten staan.

Zie ook beantwoording vraag 33.

56

Kan het kabinet toelichten op welke wijze het FEC meer en beter benut zou kunnen worden voor de bestrijding van witwassen en terrorisme financiering?

Zie beantwoording vraag 44.

57

Kan het kabinet enig inzicht verschaffen in het aantal melding vanuit de verschillende beroepsgroepen?

Bijgevoegd is het jaaroverzicht 2007 van FIU, daarin staat een nadere analyse van het meldgedrag per meldersgroep. Het aantal meldingen van ongebruikelijke transacties per meldgroep is als volgt:

Money Transfers 188 947

Banken 5 900

Handelaren 14 106

Geldtransactiekantoren 617

Vrije beroepsbeoefenaren 538

Casino’s 1 129

Overheid 1 347

Creditcardmaatschappijen 1 415

Levensverzekeraars 27

Assurantietussenpersonen 1

Beleggingsinstellingen 2

Effectenbemiddelaars 0

Financieringsmaatschappijen 11

58

Kan het kabinet toelichten op welke termijn de concrete doelstellingen en prestatieafspraken te verwachten zijn?

Zie beantwoording vraag 33, 45, 52, 55 en 65.

59

Kan het kabinet nadere toelichting geven op de verdeling van de verschillende regierollen die zij vervullen op het terrein van bestrijding van witwassen en terrorisme financiering?

Ten aanzien van witwassen dient een onderscheid gemaakt te worden tussen de strafrechtelijke aanpak van witwassen op grond van artikel 420bis e.v. Wetboek van Strafrecht en de economische ordeningswetgeving die dient te voorkomen dat dienstverleners worden gebruikt voor witwassen of terrorismefinanciering (WWFT).

Wat betreft de strafrechtelijke aanpak is primair de Minister van Justitie verantwoordelijk voor de regie. De Minister van Justitie is beleidsmatig verantwoordelijk voor FIU en het opsporingsbeleid van het Openbaar Ministerie. FIU brengt jaarlijks verslag aan de Minister van Justitie uit. Met het Openbaar Ministerie worden jaarlijks afspraken gemaakt in de kaderbrief. Op basis van die afspraken legt het Openbaar Ministerie verantwoording af.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is verantwoordelijk voor de politie. Met de politie worden, in overleg met de Minister van Justitie, landelijke prestatieafspraken gemaakt.

Wat betreft de uitvoering van de WWFT zijn de Minister van Financiën en de Minister van Justitie gezamenlijk verantwoordelijk. De Staatssecretaris van Justitie is verantwoordelijk voor het toezicht door het BFT.

De Minister van Financiën is op het thema terrorismefinanciering beleidsmatig verantwoordelijk voor de banden met de financiële sector, onder andere via FIU. Dit geschiedt naar analogie van de aanpak van witwassen. Financiën voert, in afstemming met Justitie, namens Nederland de beleidsmatige regie op het dossier witwassen en terrorismefinanciering in de FATF. De Minister van Financiën is verantwoordelijk voor het toezicht door de AFM, DNB en Belastingdienst.

De NCTb onderhoudt beleidsmatig contacten met de verschillende organisaties en diensten die in het kader van terrorismeonderzoek aan bestrijding van terrorismefinanciering doen.

60

Kan het kabinet toelichten op welke termijn zij zullen deelnemen aan de FEC-Raad? Zullen betrokken bewindspersonen beurtelings deelnemen of steeds gezamenlijk?

De departementen Financiën en Justitie zullen gezamenlijk participeren aan de FEC-Raad.

Zie ook vraag 44.

61

Het kabinet licht toe dat het programma Intelligence als belangrijkste doelstelling heeft het wegnemen van de formele en/of technische onmogelijkheden met betrekking tot de uitwisseling van informatie. Kan het kabinet specifiek ingaan op deze barrières? Kan de minister van BZK nader inzicht geven in het programma, het Nederlands Intelligence Model en de daarin opgenomen verbeterinitiatieven?

Onder de verantwoordelijkheid van de Raad van Hoofdcommissarissen is het Nationaal Intelligence Model (NIM) ontwikkeld. Het NIM geeft aan op welke wijze informatie de politie stuurt en de wijze waarop de politie op de informatieprocessen stuurt. Met concernbrede implementatie van het NIM wordt informatiegestuurd werken bij de politie op landelijk niveau verder in praktijk gebracht. Het versterkingprogramma Georganiseerde Misdaad (PVAGM), waar het programma Intelligence onder valt, ondersteunt de komende jaren de implementatie van het NIM.

Het programma Intelligence heeft als doel dat de politie leert in de sturing en in de uitvoering van het politiewerk concernbreed beter met intelligence te werken en daarmee effectiever te worden. Door een (formatieve) versterking van de informatieorganisatie van de politie moeten verbanden tussen delicten en dadergroepen, op (inter)lokaal, (boven)regionaal en (inter)nationaal niveau, sneller en beter worden gelegd.

In het programma zijn er drie gebieden waarop in de korpsen resultaat behaald moet worden. Het programma Intelligence zet daarmee één stuur op alle lopende en nieuw te starten activiteiten:

• Sturing: Stuurploegen en gebruik van geleverde veiligheidsinformatieproducten zijn de kern. Afstemming en samenwerking met actief betrokken gezagspartners zijn belangrijk.

• Informatieorganisatie: Standaardisatie, uitwisseling van kennis en informatie en cyclische productie van veiligheidsinformatieproducten door extra analyse- en onderzoekscapaciteit zijn de kern. Realisatie van betere samenwerking en afstemming tussen de informatieonderdelen van de politie en met de ketenpartners is belangrijk: informatie is niet gebonden aan geografische of functionele en organisatorische grenzen.

• Verbetering en innovatie: Verbetering van bestaande processen en producten en de totstandkoming van nieuwe zijn de kern. De nadruk ligt op uitwerking en vervolgversies van het Nationaal Intelligence Model, informatiemanagement en intelligenceopleidingen, kennismanagement en de relatie met bestuurlijke rapportages.

Met deze doelstelling bestrijdt het programma niet zozeer formele of technische barrières. Wel stuurt en coördineert het programma op concernniveau op eenduidigheid en eenvormigheid, op de daadwerkelijke uitvoering van gemaakte afspraken en op het opheffen van informatiegrenzen binnen Nederland. Dit binnen de kaders van het bevoegd gezag.

62

Kan het kabinet beter toelichten waarom zij het niet eens is met de conclusies van de Algemene Rekenkamer dat de resultaten tegenvallen? Waarop is deze reactie gebaseerd?

In de eerste plaats heeft de Algemene Rekenkamer bij de berekening van de opsporingskans geen rekening gehouden met het feit dat veelal een veelvoud aan verdachte transacties ten aanzien van één subject in een geregistreerd witwasfeit is meegenomen. In de tweede plaats wordt informatie over verdachte transacties opgepakt bij de opsporing en vervolging van de gronddelicten al dan niet in combinatie met een ontnemingsprocedure. Het resultaat is nagenoeg hetzelfde alleen wordt daarbij niet het witwasdelict gebruikt. Hiermee is geen rekening gehouden bij het berekenen van de opsporingskans. In de derde plaats veronderstelt een dergelijke berekening dat als er sprake is van een verdachte transactie er ook sprake is van een strafbaar feit. Dit is niet het geval. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of de gedraging die ten grondslag heeft gelegen aan de melding gekwalificeerd kan worden als witwassen.

Zie ook beantwoording vraag 10.

63

«De ministers zeggen toe de capaciteit van politie, FIOD-ECD en OM te vergroten.» Met hoeveel formatieplaatsen precies per dienst? Wat kost per dienst een formatieplaats?

Voor het OM is in het kader van het versterkingsprogrammam FINEC een oplopende reeks beschikbaar. In 2008 4,5 mln, in 2009 6,7 mln, in 2010 6,7 mln, in 2011 8,1 mln en vanaf 2012 7,6 mln. Op basis van de huidige plannen zal het Openbaar Ministerie in ieder geval met ongeveer 40 fte worden uitgebreid. De besteding van een deel van de middelen zal gedurende het programma verder worden ingevuld.

Aan het Openbaar Ministerie staat voor 2008 een bedrag van € 4 500 000 ter beschikking in het kader van de aanpak van financieel economische delicten, waaronder witwassen. Van dit bedrag is € 700 000,– gereserveerd voor BOOM. Dit bedrag is bestemd voor de generieke versterking voor de intensivering van ontneming en in dat verband de aanpak van onverklaarbaar vermogen en witwassen. Een bedrag van € 1 040 000,– is gereserveerd voor het Landelijk Parket en is onder meer bestemd voor het aanpakken van witwassen. De exacte verdeling van deze bedragen binnen de verschillende OM-onderdelen is nog niet bekend. Gelet op de diversiteit aan functies, kan evenmin worden aangegeven wat per dienst een formatieplaats kost.

Voor de FIOD-ECD is vanaf 2008 jaarlijks 3 mln beschikbaar voor een uitbreiding van 37 fte ten behoeve van de bestrijding van witwassen. De capaciteit van de FIOD-ECD is in het kader van de FINEC nota uitgebreid met 37 fte waarvan 6 fte worden ingezet op de versterking van informatiefunctie op het gebied van witwassen en de overige worden ondergebracht in 2 specialistische teams opsporing witwaszaken (een gevestigd in Haarlem en de ander in Amsterdam). De kosten van een formatieplaats voor deze teams variëren van € 64 200,– (HBO niveau) via € 81 200,– (academisch niveau) tot € 88 300.– (leidinggevende).

Voor de politie is een oplopende reeks beschikbaar. In 2008 4,5 mln, in 2009 8,5 mln, in 2010 10 miljoen en vanaf 2011 13 mln. De gemiddelde netto middensom over alle werksoorten voor een fte is 75 000 euro, waarin inbegrepen ook de materiële vergoeding voor een formatieplaats. Voor het versterkingsprogramma van de politie is vanaf 2011 13 miljoen per jaar beschikbaar gesteld. Besteding richt zich niet alleen op witwassen, maar op versterking van aanpak financieel economische criminaliteit in brede zin. Hier onder wordt dan begrepen zowel de opsporing van financieel economische delicten bijv. (fraude en witwassen), als het benutten van de methodiek van financieel opsporen binnen andere opsporingsonderzoeken. Naar verwachting wordt de capaciteit gedurende de programmaperiode uitgebreid met 100 tot 120 fte. Na afloop van het programma zal de sterkte nog verder toenemen tot een eindtotaal van ongeveer 150 fte. Het juiste getal is afhankelijk van het functie (belonings-)niveau van de uitbreiding. De politie werkt nu in overleg met het OM aan plannen voor de verdere invulling van het versterkingsprogramma. Deze plannen worden naar verwachting in september in het Korps Beheerders Beraad vastgesteld. Grofweg gesteld worden de middelen tijdens de programmaperiode ingezet voor (ontwikkeling van materiaal t.b.v.) deskundigheidsbevordering, onderzoek en capaciteitsuitbreiding. De middelen zijn echter niet toereikend om alle korpsen extra capaciteit toe te wijzen. Naar verwachting is er ruimte om naast een uitbreiding bij de NR, aan een zestal korpsen en daaraan gelieerde BR, een impuls te geven zodat de aanpak van FinEc in deze korpsen kan worden geïntensiveerd. Er zal op worden toegezien dat er met deze korpsen door de portefeuillehouder binnen de RHC prestatieafspraken worden gemaakt.

64

Wat is de reactie van het kabinet op de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer dat het gebruiken van financiële informatie en het afnemen van crimineel vermogen bij elke opsporingsonderzoek expliciet in overweging wordt genomen? Hoe wordt deze aanbeveling vorm gegeven in de praktijk?

Zie beantwoording vraag 33, 34, 35 en 36.

65

Wanneer wordt bekend hoeveel precies de extra middelen bedragen die beschikbaar worden gesteld, en waaraan deze middelen precies worden besteed?

Zie beantwoording vraag 63.

66

Kan de minister van Financiën nader inzicht geven in de capaciteit die bij de Autoriteit Financiële Markten (AFM) beschikbaar is voor het toezicht en welke specifieke voornemens er zijn tot uitbreiding hiervan? Welke meldingsplichtige instellingen staan onder toezicht van de AFM? Kan de minister van Financiën aangeven wat mogelijke oorzaken en/of verklaringen zijn voor het feit dat de meldingsplichtige instellingen die onder toezicht van AFM staan, zorgen voor het kleinste aantal meldingen?

Aan de hand van risico-analyses bepaalt de AFM de inzet van mensen en middelen op haar toezichttaken. De AFM heeft in haar begroting van 2008 rekening gehouden met ongeveer 2 200 uur voor het toezicht op de naleving van de integriteitswetgeving, waaronder begrepen de anti witwas wetgeving zoals de WWFT. Op basis van de gekozen controlestrategie hangt de uiteindelijk ingezette capaciteit af van het aantal incidenten. Aldus wendt AFM haar capaciteit risico gericht aan. De aan witwassen gerelateerde incidenten zijn tot op heden zeer beperkt in aantal. Onder het WWFT toezicht van de AFM vallen beleggingsinstellingen, effecteninstellingen en assurantietussenpersonen. Het toezicht op de naleving van de WWFT wordt waar mogelijk geïntegreerd in het doorlopende toezicht. Wat betreft het toezicht op beleggingsinstellingen en effecteninstellingen moet worden opgemerkt dat deze instellingen (i) vaak onderdeel uitmaken van een kredietinstelling en (ii) hun betalingen via kredietinstellingen verlopen. Die vallen primair onder toezicht van DNB.

Het toezicht op de assurantietussenpersonen is ingesteld in 2006, deze korte periode maakt het weliswaar nog niet mogelijk om conclusies te trekken omtrent de risico’s, wel kan worden opgemerkt dat de ervaringen tot nu toe uitwijzen dat de geconstateerde risico’s ten aanzien van witwassen en terrorismefinanciering beperkt zijn.

Samenvattend kan dan ook voorlopig als verklaring van de beperkte hoeveelheid meldingen worden gegeven dat de AFM een relatief klein aantal instellingen onder toezicht heeft waar de risico’s op witwassen zich manifesteren.

67

Kan de minister van Financiën nader inzicht geven in de capaciteit die bij de Belastingdienst beschikbaar is voor het toezicht en of er uitbreiding van deze capaciteit is voorzien? Zo ja, kan het kabinet dit toelichten. Zo neen, waarom niet?

Bij de Belastingdienst/Holland-Midden zijn 21 medewerkers belast met het toezicht in het kader van de Wet MOT (per 1 augustus 2008: de WWFT). Uitbreiding van deze capaciteit is niet voorzien omdat uitbreiding zich niet verhoudt tot de reductietaakstelling van het kabinet.

68

Welke (al dan niet meldingsplichtige) instellingen staan onder toezicht van de Belastingdienst? En op welke wijze bevorderen de minister van Financiën en of de Belastingdienst het doen van meldingen vanuit de onroerendgoedsector (makelaars en bemiddelaars in onroerend goed)? Wat is de controlekans in de onroerendgoedsector?

De Belastingdienst/Holland-Midden houdt toezicht op bedrijven die zich bezig houden met (bemiddeling bij) verkoop van voertuigen, schepen, kunstvoorwerpen, antiquiteiten, edelstenen, edele metalen, sieraden en juwelen. De Belastingdienst houdt eveneens toezicht op tussenpersonen die bemiddelen bij het sluiten van overeenkomsten inzake onroerende zaken (bijv. makelaars).

Het melden van ongebruikelijke transacties wordt bevorderd door gerichte voorlichting over wet- en regelgeving, en door (intensief) toezicht en handhaving. Het geven van voorlichting over het voorkomen en opsporen van witwassen aan bedrijfstakken en beroepsgroepen is een wettelijke taak van de FIU. De Belastingdienst heeft samen met de FIU dit voorjaar een dergelijke voorlichting verzorgd voor de NVM-makelaars in de regio Rotterdam. Het voornemen is om hieraan ook in andere regio’s een vervolg te geven.

De Belastingdienst stelt per jaar ongeveer 500 toezichtonderzoeken in bij de onder zijn toezicht staande meldplichtige instellingen en tussenpersonen. Jaarlijks worden één of twee bedrijfstakken of beroepsgroepen door middel van een projectmatige aanpak intensief behandeld.

Op dit moment wordt onderzocht of kan worden aangesloten bij de belastingdienstbrede aanpak van het thema vastgoed.

In de onroerendgoedsector zijn naast de makelaars nog andere (meldplichtige) dienstverleners actief, met name advocaten, (kandidaat-)notarissen en soortgelijke juridische beroepsbeoefenaren. Deze dienstverleners staan onder toezicht van het Bureau Financieel Toezicht (BFT). De controlekans in de onroerendgoedsector wordt dan ook bepaald door de mate van toezicht die door alle dienstverleners tezamen wordt uitgeoefend.

De controlekans is bovendien een beperkt begrip omdat effectief toezicht is gebaseerd op risicoselectie.

69

Kan de minister van Justitie nader inzichtelijk maken op basis van welke methodiek de FIU haar risico-inschatting maakt?

Het FIU krijgt van de melders ongebruikelijke transacties binnen en op basis van bepaalde procedures worden deze ongebruikelijke transacties al dan niet als verdacht doorgemeld. De verdachtbepaling van de FIU kan via verschillende ingangen plaatsvinden, de meest voorkomende ingangen zijn de volgende:

1. Vergelijking van subjecten die ongebruikelijke transacties hebben verricht met landelijke indexen voor Criminele Inlichtingen Eenheid- en onderzoekssubjecten (Verwijsindex Rechercheonderzoeken en Subjecten).

2. Vergelijking van subjecten die ongebruikelijke transacties hebben verricht met andere systemen zoals van het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie (BOOM).

3. Onderzoek op basis van een door een opsporingsinstantie geïnitieerd verzoek van de Landelijk Officier van Justitie (LOvJ).

4. Eigen onderzoek en analyse van de ongebruikelijke transacties door het meldpunt; aanleiding van een onderzoek en de exacte reden van doormelding kan in verband met vertrouwelijkheid van de informatie niet nader worden toegelicht.

5. Een ongebruikelijke transactie kan tevens verdacht verklaard worden op basis van informatie afkomstig van een buitenlandse FIU.

70

Is de minister van Justitie van mening dat het verschoningsrecht van notarissen in bepaalde gevallen een knelpunt vormt voor effectief toezicht? Zo ja, in welke gevallen en is de minister voornemens maatregelen te treffen om dit knelpunt op te heffen?

Het belang van effectief toezicht op de naleving van de verplichtingen die voortvloeien uit de regelgeving ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme wordt breed erkend. Dit geldt ook voor het toezicht op de naleving van de wettelijke verplichtingen door advocaten en notarissen.

De praktijk van het toezicht door het BFT laat echter zien dat de mogelijkheden om toezicht te houden in een enkel geval hun begrenzing vinden in de bestaande wettelijke geheimhoudingsverplichtingen. Hoewel het toezicht zich primair richt op het voldoen door de instellingen aan wettelijke vereisten met betrekking tot de inrichting van het meldsysteem, kan zich het geval voordoen waarin het BFT wil verifiëren of er in een bepaalde zaak melding is gedaan – of had moeten worden gedaan – van een ongebruikelijke transactie. Als hiertoe het onderliggende dossier moet worden bezien, kan dit strijd opleveren met de geheimhoudingsplicht van de notaris of advocaat. Deze zal dan inzage in het dossier weigeren.

Zoals onder vraag 12 toegelicht, wordt in de evaluatie van het handhavingsstelsel de effectiviteit van het toezicht op de naleving van de WWFT door het notariaat in haar geheel bekeken. Hieronder is begrepen de mogelijkheden van het BFT om over de voor het toezicht benodigde informatie te kunnen beschikken.

Zoals hierboven is toegelicht zullen de uitkomsten van de evaluatie van het handhavingsstelsel en het onderzoek van de Evaluatiecommissie Bureau Financieel Toezicht worden afgewacht, alvorens maatregelen worden overwogen ter verbetering van de effectiviteit van het toezicht. Van belang is daarbij, dat wordt gezocht naar een oplossing die voldoet aan de vereisten van zorgvuldigheid en proportionaliteit, die voortvloeien uit de vertrouwelijkheid van de dienstverlening door advocaten en notarissen en de deswege op hen rustende geheimhoudingsplicht.

71

Kan de minister van Justitie aangeven welke voornemens (hoeveelheid capaciteit en tijdpad) hij heeft ten aanzien van de uitbreiding van de capaciteit specifiek voor het BFT?

Met betrekking tot de capaciteit van het BFT wordt thans door de Evaluatiecommissie BFT bekeken op welke wijze het BFT toezicht op de juridische dienstverleners kan versterken.

72

Kunnen de verantwoordelijke bewindspersonen toelichten of er extra maatregelen zijn voorzien voor een verbetering van het toezicht op en de aanpak van stichtingen? Zo ja, welke? Zo neen, waarom niet?

Zie beantwoording vraag 7.

73

«Omdat de omvang van witwassen en terrorismefinanciering onbekend is, kan inzicht alleen verkregen worden op basis van schattingen.» In hoeverre is periodiek onderzoek naar de hoogte van dit bedrag mogelijk en wenselijk?

Nee, dat is niet wenselijk. De omvang van witwassen en terrorismefinanciering is zeer moeilijk vast te stellen. Schattingen zijn met grote onzekerheden omgeven. Een periodieke vergelijking van deze schattingen is daarom kunstmatig. Wel is het zinvol om verder onderzoek te doen naar de aard en omvang van criminele geldstromen en op deze manier bestaande schattingen te verbeteren of op onderdelen beter in te vullen. De ministeries van Financiën en Justitie voeren een beleid waarin dergelijke onderzoeken worden gestimuleerd.

74

Hoe betrouwbaar is volgens het kabinet de hoogte van het geschatte bedrag van € 18,5 miljard dat jaarlijks zou worden witgewassen in Nederland?

Dit bedrag van 18,5 miljard euro is een schatting op basis van modellen en daarom per definitie met onzekerheid omgeven. Voor een juist beeld moet worden gekeken naar de componenten waaruit dit bedrag is opgebouwd.

De 18,5 miljard euro omvat om te beginnen niet alleen schattingen voor de witwasgelden uit criminaliteit in Nederland maar bestaat ook uit witwasgelden uit hoofde van criminaliteit die in het buitenland is begaan. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een wereldmodel dat is ontwikkeld door de Australische criminoloog-onderzoeker John Walker.1 Dit model gaat ervan uit dat witwassen bij uitstek een grensoverschrijdend fenomeen is. Het Walker-model is één van de eerste en tot dusverre meest vergaande pogingen om de omvang van het witwasprobleem te schatten. Professor Brigitte Unger heeft in 2005 in opdracht van het ministerie van Financiën het Walker-model verbeterd en met nieuwe schattingen voor Nederland ingevuld.2

De 18,5 miljard bestaat verder voor een groot deel uit schattingen voor allerlei vormen van fraude. Fraude is een zeer breed begrip. Het kan zowel «horizontale fraude» omvatten (fraude binnen het particuliere economisch verkeer, soms grootschalig en georganiseerd) als allerlei vormen van «verticale fraude» (groot- en kleinschalige fraude met overheidsgelden en diensten). De schattingen voor fraude lopen zeer sterk uiteen. Unger schat de omvang op ruim 6 miljard euro.

Het totaalbedrag dat in Nederland jaarlijks wordt witgewassen uit hoofde van de productie en handel in verboden goederen en diensten (met name drugs, maar ook wapens, mensenhandel, smokkel, enzovoort) ligt op jaarbasis naar schatting op 2,4 miljard euro (tabel a). Unger baseert deze schatting onder meer op een onderzoek van het CBS. Het CBS komt, met grote voorzichtigheid, op een jaarlijkse toegevoegde waarde voor criminele activiteiten in Nederland van ruim 3 miljard euro. Hiervan wordt een deel witgewassen. Het CBS baseert haar schatting op concrete criminaliteitscijfers.

Het totaal van witwasgelden (fraude en overige vormen van criminaliteit) dat in Nederland op jaarbasis wordt «geproduceerd» bedraagt volgens Unger 8,6 miljard euro, ongeveer 2% van het BBP (tabel a). De optelsom van fraude en overige vormen van criminaliteit. Hiervan wordt 3,8 miljard binnen Nederland witgewassen. Het overige vloeit weg naar het buitenland. Het totaal van 18,5 miljard euro wordt gevormd door dit bedrag vermeerderd met de mede op basis van Walker geschatte 14,7 miljard aan witwasgelden afkomstig uit het buitenland (tabel b).

Tabel a. Witwasgelden uit fraude en criminaliteit in Nederland (miljard euro per jaar)

Fraude6,2
Drugs1,6
Overige vormen van criminaliteit0,8
Totaal8,6
Hiervan wordt: 
binnen Nederland witgewassen3,8
buiten Nederland witgewassen4,3

Bron: Unger et al. (2005).

Tabel b. Grensoverschrijdende witwasstromen in Nederland (miljard euro per jaar)

Witwasgelden afkomstig van criminaliteit in Nederland 3,8
Witwasgelden afkomstig van criminaliteit uit het buitenland14,7
Totaal18,5

Bron: Unger et al. (2005).

Conclusie: De schatting van 18,5 miljard euro is met grote onzekerheid omgeven. Het bestaat uit componenten die goed tot zeer globaal zijn onderbouwd. De totaalschattingen van Unger liggen overigens niet veel hoger dan schattingen die internationaal worden gehanteerd. Volgens een veel gebruikte, maar ruwe schatting van het IMF wordt er jaarlijks wereldwijd voor een bedrag ter waarde van 2 tot 5 procent van het wereldwijde bruto binnenlands product (BBP) witgewassen. De verhoudingen tussen deze componenten onderling leiden tot interessante inzichten: bijvoorbeeld dat fraude veel omvangrijker is dan andere vormen van criminaliteit en over de aard en het belang van grensoverschrijdend witwasverkeer.

75

Welke belemmeringen signaleert de minister van Justitie specifiek met betrekking tot de uitwisseling van informatie tussen toezichthouders (bijvoorbeeld BFT) en opsporingsdiensten? Is het kabinet voornemens de uitwisseling van informatie tussen beide diensten te vergemakkelijken? Zo ja, op welke wijze? Zo neen, waarom niet?

Zoals de Minister van Financiën heeft aangegeven aan de Eerste Kamer (Wijziging WID en Wet MOT ter uitvoering van derde witwasrichtlijn (richtlijn nr. 2005/60/EG) en uitvoeringsrichtlijn (richtlijn nr. 2006/70); Memorie van antwoord, EK 2007–2008, 31 237 en 31 238, C) zal worden ingezet op een verbetering van de informatie-uitwisseling tussen ketenpartners. In de beantwoording van deze vraag zal hierop nader worden ingaan.

Het Ministerie van Justitie en het Ministerie van Financiën zijn op dit moment in samenspraak met het Openbaar Ministerie, FIU en meldingsplichtige instellingen bezig met de nadere invulling van de algemene en individuele terugkoppeling over het gebruik van gemelde transacties met het zo optimaal mogelijk benutten van de wettelijke mogelijkheden. Doel van de verbeterde terugkoppeling is de verbetering van meldgedrag van de instellingen en meer inzicht in de effectiviteit van het meldsysteem.

In het programma FINEC is ook aandacht voor verbetering van informatie-uitwisseling. Zo zal de informatie uit opsporingsonderzoeken naar witwassen door politie en FIOD-ECD na analyse systematisch worden gebruikt voor terugkoppeling naar onder meer financiële instellingen en bestuursorganen (bestuurlijke rapportages). De bestuursorganen zullen op basis van de bestuurlijke rapportages passende maatregelen kunnen nemen.

Ook is informatiedeling tussen de ketenpartners een doel van het FEC. De informatiecoördinatie voor opsporingsonderzoeken bij de politie is belegd bij de dienst IPOL van het KLPD, waar ook het FIU is gepositioneerd. Zie voorts het antwoord op vraag 76 inzake de mogelijkheid voor het BFT om aangifte te doen.

76

Kan het kabinet toelichten welke mogelijke oplossingen zij voorziet voor het probleem waarbij BFT in tuchtrechtelijke onderzoeken over notarissen vaak andere dienstverleners tegenkomt die mogelijk een rol spelen bij de ongebruikelijke transacties maar waarvan de gegevens niet met de Belastingdienst gedeeld kunnen worden in verband met de geheimhoudingsplicht?

De Staatssecretaris en de Minister van Justitie streven naar de snelle invoering van een informatieplicht van de notaris om het OM en de Belastingdienst bepaalde gegevens te verstekken inzake betalingen verricht via zijn derdenrekening. Het betreffende wetsvoorstel informatie derdenrekening notariaat is thans in consultatie bij de KNB. In dit kader wordt verwezen naar de brief d.d. 18 juni jl. die de Staatssecretaris van Justitie uw Kamer heeft doen toekomen, waarin de maatregelen zijn opgesomd en acties t.a.v. het notariaat, die op dit moment relevant zijn in het kader van de aanpak van vastgoed- en hypotheekfraude.

Wanneer het BFT, hoewel zijn taak daar niet primair op is gericht, meent dat de inhoud van een transactie waarbij een advocaat of notaris is opgetreden mogelijk verdacht is, maar er geen overtreding van de WWFT heeft plaatsgevonden door de betrokken dienstverlener, bestaat er een aangifteplicht op grond van artikel 162 Sv, voor zover het gaat om een vermoeden van de in dit artikel opgenoemde strafbare feiten (met name ambtsmisdrijven). De wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, die in de plaats treedt van de WWFT, creëert daarnaast de bredere mogelijkheid om in voorkomende gevallen de betrokken transactie aan het meldpunt – FIU – te melden (artikel 25). Dat kan bepalen of de transactie inderdaad als verdacht dient te worden aangemerkt, en deze doen toekomen aan politie en Openbaar Ministerie. Dit mechanisme is reeds van kracht voor enkele andere toezichthouders op de identificatie- en meldingsplicht, DNB en de AFM. Zoals hierboven aangegeven is de WWFT op 1 augustus jl. in werking getreden.

Zie ook beantwoording vraag 70.

77

Kan de minster van Justitie toelichten of een aanpassing van de wettelijke grondslag van het beroepsgeheim (verschoningsrecht) en dus een beperking hiervan is voorzien? Zo ja, graag een nadere toelichting. Zo neen, waarom niet? Kan de minister van Justitie toelichten in hoeverre de uitspraak van de Hoge Raad nog actueel is?

In de praktijk is het afwegen van belangen die in het geding zijn bij verschoningssituaties in combinatie met een geheimhoudingsplicht in alle gevallen maatwerk. Het is daarbij primair aan de beroepsbeoefenaar om een zorgvuldige en portionele afweging te maken. De uitspraken van de Hoge Raad hebben vanuit die optiek niets van hun actualiteit verloren.

Zie ook beantwoording vraag 70.

78

De Algemene Rekenkamer wijst op verschillen in aanwezige capaciteit en kennis en het feit dat regiokorpsen witwasonderzoeken niet als zelfstandig doel zien. Kan de minister van Justitie een reactie geven op deze constatering en daarbij een toelichting op de maatregelen die zijn en zullen worden getroffen en hoe deze hier eventueel verandering in te brengen? Kan de minister van Justitie voorts nader inzicht geven in de mogelijke oorzaken en verklaringen voor de grote regionale verschillen in gebruik van data FIU, het aantal feiten dat bij het OM wordt aangebracht en dus zowel opsporings- en vervolgingskans? Kan de minister van Justitie met oog op voorgaande specifiek ingaan op situatie, en mogelijke verklaringen voor de verschillen, in de regio’s Amsterdam-Amstelland, Haaglanden en Rotterdam Rijnmond?

De regiokorpsen en OM zien witwasdelicten steeds meer als een zelfstandig delict. Dit blijkt ook uit de cijfers van de afgelopen jaren over het aanleveren door opsporingsdiensten van witwasfeiten bij het Openbaar Ministerie en de cijfers over de vervolging voor witwassen. Aan witwassen ligt altijd een (grond)delict ten grondslag. Omdat de bewijsvoering voor het gronddelict veelal makkelijker lijkt (lijkt, omdat dit mede een gevolg is van het ontbreken van deskundigheid) wordt er vaak doorgerechercheerd op het gronddelict en niet op witwassen. Bij enkele korpsen is de deskundigheid op een zodanig niveau dat men goed gebruikt maakt van financiële informatie (financieel rechercheren) bij het opsporen van criminaliteit, waaronder witwassen. Het versterkingsprogramma voorziet in het stimuleren van het financieel rechercheren en het afpakken van crimineel geld. Dit kan op een aantal manieren waarvan de aanpak via het witwasdelict er een is. Het versterkingsprogramma zal onder meer de «cabrio aanpak» uitrollen.

Het verschil in gebruik van transactie informatie van FIU door regiokorpsen is ook te verklaren door de afwezigheid van een uniform beleid over de aanpak van witwaszaken. Hierdoor ontstaan grote regionale verschillen. Met diverse regiokorpsen heeft FIU zogenaamde projectconvenanten afgesloten. Deze regiokorpsen maken veelvuldig gebruik van transactie informatie van FIU. Door het afsluiten van projectconvenanten tussen FIU en de regiokorpsen ontstaat een goed beeld welke transactie-informatie van belang is voor specifieke opsporingsonderzoeken in de betreffende regio. De prioriteiten van de betreffende korpsen sluiten dan beter aan bij de werkzaamheden van FIU en de aanpak van witwasdelicten. Het gebruik van transactie-informatie kan hierdoor worden gestimuleerd.

Uit het jaaroverzicht van FIU blijkt dat politiekorpsen en andere opsporingsdiensten, ondanks de grote regionale verschillen in het gebruik van transactie-informatie, zich steeds meer bewust worden van de meerwaarde van financiële informatie in (reguliere) opsporingsonderzoeken. Dat blijkt onder meer uit het toegenomen aantal bevragingen van het Intranet Verdachte Transacties, het groeiende aantal processen-verbaal dat is opgesteld op basis van verdachte transacties en de stijging van het aantal verdachte transacties dat is doorgemeld aan de opsporingsautoriteiten in 2007.

Zie ook de inleiding en beantwoording vraag 62.

79

Wordt, en zo ja op welke wijze, getracht witwasonderzoeken wél als zelfstandig doel te laten zijn binnen de verschillende regiokorpsen?

Het gaat erom dat de politie erin slaagt meer gebruik te maken van financiële sporen en meer geld bij de criminelen weg te halen zodat het criminele geld geen legale status kan krijgen. Het draaien van meer witwasonderzoeken maakt hier een onderdeel vanuit, er zijn echter meer opties.

Zie ook beantwoording vraag 78.

80

De Algemene Rekenkamer wijst op het probleem van gebrek aan kennis en capaciteit. Kan de minister van BZK toelichten hoe groot de capaciteit voor onderzoek en opsporingsactiviteiten is binnen de verschillende regiokorpsen?

Cijfers zijn niet beschikbaar waaruit blijkt hoeveel fte er wordt ingezet voor de aanpak van witwassen. Wel kan gemeld worden dat de politie zo’n 55 accountants in dienst heeft ten behoeve van de opsporing.

81

Wordt er voor gezorgd dat de regiokorpsen van de politie voortaan beter inzicht hebben in het aantal formatieplaatsen dat specifiek richt op de financieel rechercheren, de bestede capaciteit voor het bestrijden van witwassen en terrorismefinanciering en de middelen die daarmee gemoeid zijn? Zo ja, hoe?

Nee. De korpsbeheerder is verantwoordelijk voor een adequate inzet en verantwoording van de beschikbaar gestelde middelen en het registratiesysteem van de politie voorziet hier vooralsnog niet in. Wel zal de politie apart verantwoording af leggen over de inzet van de middelen uit het versterkingsprogramma.

82

Zijn alle 82 beschikbare formatieplaatsen bij Dienst Nationale Recherche (DNR) vervuld en worden deze ook feitelijk ingezet voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering?

Hoewel door vacatures niet alle beschikbare formatieplaatsen daadwerkelijk vervuld zijn is de feitelijke inzet in overeenstemming met het daarvoor gereserveerde aantal formatieplaatsen. Dit komt o.a. door de inzet van overuren en de inzet uit andere onderdelen van de DNR.

83

In hoeverre is bij de Unit Contra Terrorisme en Activisme (UCTA) één financieel rechercheur afdoende om terrorisme financiering te signaleren, onderzoeken, op te sporen en bestrijden? Waar is de uitbreiding voor financieel rechercheren specifiek voorzien (bladzijde 26)?

De DNR kent naast experts die een vast onderdeel vormen van een team een poule van financiële experts die binnen verschillende aandachtsgebieden worden ingezet al naar gelang de behoefte. Daarbij maakt de DNR ook gebruik van de inhuur van externen, indien het werkaanbod daarom vraagt. Het beeld dat slechts één financieel rechercheur belast is met terrorismefinanciering is derhalve niet correct.

Financieel-economisch rechercheren is voor de DNR een vanzelfsprekend onderdeel van het reguliere rechercheproces op de aandachtsgebieden, net als het onderzoek op stromen van mensen, goederen en informatie. De ambitie van de DNR reikt echter verder: om de zware, georganiseerde misdaad in zijn geheel effectief te bestrijden, is gespecialiseerd, separaat onderzoek naar de financieel-economische mechanismen en stromen essentieel. De DNR geeft het financieel-economisch opsporen een meer prominente plaats binnen de opsporing. Dit gebeurt op meerdere niveaus: zo beschikt elk tactisch team in de toekomst over een financieel rechercheur en worden Financieel Economische Teams samengesteld die zich richten op complexe onderzoeken vanuit de financiële invalshoek. De totaal te realiseren ambitie betekent een uitbreiding van de financieel economische capaciteit bij de DNR.

84

In hoeverre is de uitbreiding met 35 formatieplaatsen voor de FIOD-ECD ter bestrijding van witwassen momenteel gerealiseerd? Welke uitbreiding van capaciteit volgt uit eerdere programma’s en beleidsagenda’s en welke extra uitbreiding is specifiek voorzien voor de bestrijding van witwassen en terrorisme financiering, en het verdubbelen van de opbrengsten van ontneming? Kan het kabinet een overzicht geven van de gerealiseerde en voorgenomen uitbreiding bij de verschillende actoren en toezichtsinstellingen in het werkveld bestrijding witwassen en terrorisme financiering onder verantwoordelijkheid van justitie?

Om de twee specialistische witwasteams zo spoedig mogelijk operationeel te krijgen heeft de FIOD-ECD ervoor gekozen om de toegekende formatie (37 fte) zoveel mogelijk in te vullen door de verplaatsing van ervaren medewerkers naar de beide teams en voor de opengevallen plaatsen nieuwe medewerkers te werven. Van de 6 fte ter versterking van de informatiefunctie zijn er 5 reeds ingevuld en zal de laatste in het najaar volgen.

De beide opsporingsteams zijn weliswaar nog niet geheel bezet, maar wel reeds operationeel. De selectie- en benoemingsprocedures zijn afgerond en de volledige sterkte wordt ultimo 2008 bereikt.

Zie verder de inleiding en beantwoording vraag 5, 9, 12, 21, 26 en 63.

85

Is er uitbreiding van de capaciteit binnen het OM voorzien? Zo neen, waarom niet? Zo ja, op basis van welk programma, hoeveel capaciteit betreft het en op welke termijn moet de uitbreiding worden gerealiseerd?

Ja, binnen de fnanciële kaders op basis van pijler V van het Coalitieakkoord en de aanvullende middelen naar aanleiding van de motie Van Geel c.s. (TK, 2007–2008, 31 200, nr. 16) is voorzien in een uitbreiding van de capaciteit bij het OM voor de implementatie van de drie programma’s ter versterking van de aanpak van ernstige criminaliteit, i.e. financieel-economische criminaliteit, georganiseerde criminaliteit en cybercrime. De voorziene uitbreiding zal tijdens deze kabinetsperiode gefaseerd gestalte krijgen, waarbij de ambitie is dat de versterking van de betrokken organisaties op dit punt nadien een structureel karakter zal hebben gekregen.

Zie beantwoording vraag 63.

86

Wanneer zal het OM beslissen de verdachte aan de rechter voor te geleiden, en wanneer zal een transactie worden aangeboden? Welke overwegingen spelen hier een rol?

De vervolging van witwassen is niet door richtlijnen ingekaderd. In zijn algemeenheid worden vervolgingsbeslissingen met name bepaald door de ernst van het feit, hetgeen in dit geval sterk wordt bepaald door de omvang van het «gewitte» bedrag, en de persoon van de dader, waarbij van belang zijn de strafrechtelijke antecedenten van deze persoon en de mate van professionaliteit die deze persoon heeft gehanteerd in het kader van witwassen. Daarnaast is van belang de samenloop met andere strafbare feiten, alsmede de vraag of er schade is voor derden.

Aan de hand van de voornoemde criteria wordt vervolgens bepaald welke sanctie volgens het Openbaar Ministerie passend wordt geacht en wordt de keuze voor transigeren of dagvaarden gemaakt.

87

Welke maatregelen worden er genomen om er voor te zorgen dat de ontnemingswetgeving wel gemeengoed wordt bij de opsporingsdiensten en het OM? Wat wordt er ondernomen om capaciteit te vergroten en deskundigheid te verbeteren specifiek op dit gebied?

Het BOOM heeft tot taak het bieden van algemene faciliteiten aan primair het OM, zoals een helpdeskfunctie, verschaffen van allerlei informatie, het bewerken en verspreiden van jurisprudentie en het mede verzorgen van opleidingen, etc. In 2008 zal bij het BOOM de inrichting van een informatiedesk ook voor de ketenpartners worden vormgegeven. Daarbij is in het programma FINEC de capaciteit en deskundigheid op ontneming aan de orde.

Zie ook beantwoording vraag 26.

88

Kan het kabinet inzichtelijk maken wat de opbrengsten zijn van naheffingen in witwas- en/of terrorisme financieringszaken? Zo neen, waarom niet en is het kabinet voornemens dit in de toekomst te registreren? Zo ja, kan het kabinet hier nader inzicht in verschaffen?

De bestuurlijke informatiesystemen van de Belastingdienst registreren uitsluitend de fiscale resultaten van onder andere aanslagen, navorderingen en naheffingen. Als in specifieke zaken geconstateerd wordt dat tevens sprake is van witwas- en/of terrorismefinancieringsdelicten wordt daarvan aangifte gedaan. Zonder ingrijpende aanpassingen in de bestuurlijke informatiesystemen is het niet mogelijk de gevraagde informatie te genereren.

89

Kan de minister van Justitie toelichten wat mogelijke oorzaken en of verklaringen zijn voor de verschillen in effectief optreden van enerzijds het Functioneel Parket en anderzijds het Landelijk Parket?

In het rapport van de Algemene Rekenkamer wordt gesteld dat het Functioneel Parket en het Landelijk Parket in witwaszaken relatief vaker beslissen om te dagvaarden dan de arrondissementsparketten. Respectievelijk in 81 procent en 89 procent van alle witwaszaken, terwijl de arrondissementsparketten in 70 procent van alle witwaszaken beslissen om te dagvaarden. Aan deze verschillen kunnen meerdere verklaringen ten grondslag liggen. Uit het rapport blijkt ook dat de arrondissementsparketten 6 procent van alle witwaszaken afdoet met een transactievoorstel, terwijl het Functioneel Parket dat in 1 procent van alle witwaszaken doet en het Landelijk Parket in 0 procent.

Een mogelijke verklaring voor de door de Algemene Rekenkamer geconstateerde verschillen, is dat witwaszaken die door de arrondissementsparketten worden afgedaan veelal van minder ernstige aard zijn dan de zaken die door het Landelijk Parket en het Functioneel Parket worden afgedaan. De genoemde percentages zijn dan een gevolg van het zaaksaanbod. Tevens valt in veel lichtere zaken het witwassen samen met het gronddelict. Daarbij kan worden gedacht aan oplichting, verduistering of diefstal.

90

Kan de minister van Justitie inzichtelijk maken wat de opbrengsten zijn van de verbeurdverklaringen in witwas- en of terrorisme financieringszaken? Zo neen, waarom niet en is de minister voornemens dit (verbeurdverklaringen in relatie tot dergelijke zaken) in de toekomst wel te registreren? Zo ja, kan nader inzicht worden gegeven in de omvang?

Het kabinet vindt het van belang om te weten wat de totale omvang is van het afgenomen crimineel vermogen. Crimineel verkregen vermogen kan op verschillende wijzen worden afgenomen. Door het toepassen van de ontnemingsmaatregel, door verbeurdverklaring, door de oplegging van een boete of door terugvordering. Een van de maatregelen in het programma FINEC is het ontwikkelen van een systematiek waarmee dat inzicht kan worden verkregen.

91

Vindt het kabinet het van belang om te weten wat de totale omvang is van het afgenomen crimineel vermogen dat gerelateerd is aan witwasdelicten? Zo ja, hoe wordt dit inzicht verbeterd?

Zie beantwoording vraag 90.

92

Wat is een mogelijke verklaring voor het feit dat slechts een kwart van het bedrag dat door het OM wordt gevorderd (aan ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel) wordt opgelegd door de rechter?

Voor het gegeven dat slechts een kwart van het bedrag dat het OM wordt gevorderd wordt opgelegd door de rechter is een aantal redenen te noemen. Vooropgesteld dat de verklaringen niet kwantificeerbaar en niet uitputtend zijn worden de volgende drie verklaringen nader toegelicht:

a. Technische redenen:

– Bij termijnoverschrijding past de rechter soms korting toe;

– in de loop van het proces kunnen kosten naar voren gebracht worden, waarmee nog geen rekening is gehouden in de vordering, bijvoorbeeld doordat een verdachte later een rekening indient;

– soms hanteert de rechter een andere beoordeling, de vereiste aannemelijkheid wordt dan opgerekt naar bewezen verklaring;

– als de benadeelde partij betaald is, worden deze kosten afgetrokken.

b. Beleving van de rechter

Veel rechters zijn terughoudend in het opleggen van grote bedragen. Het gevoel overheerst dat het om heel veel geld gaat, terwijl gekeken moet worden naar de feitelijke berekening. Niet alle rechters hebben daarbij voldoende kennis over wat wel en niet mag bij ontnemingen. Dit zou ook pleiten voor meer gespecialiseerde kamers. Het OM heeft deze slag al gemaakt met het BOOM en ontnemingscoördinatoren.

c. Onderbouwing van de vordering

Niet altijd worden de vorderingen voldoende onderbouwd door politie/OM, waardoor de rechter de vordering niet toewijst.

Overigens is ook gebleken dat de omvang van het conservatoir beslag mede bepalend is voor het opleggen van de ontnemingsmaatregel door de rechter.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Vendrik (GL), Kant (SP), Blok (VVD), Ten Hoopen (CDA), Weekers (VVD), Van Haersma Buma (CDA), De Nerée tot Babberich (CDA), Aptroot (VVD), voorzitter, Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Omtzigt (CDA), Koşer Kaya (D66), Luijben (SP), Van der Veen (PvdA), Kalma (PvdA), Van Gerven (SP), Blanksma-van den Heuvel (CDA), Cramer (CU), Van Dijck (PVV), Gesthuizen (SP), Ouwehand (PvdD), Heijnen (PvdA), Tang (PvdA), Vos (PvdA), ondervoorzitter en Vacature (algemeen).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Van Gent (GL), Roemer (SP), Van der Burg (VVD), Jonker (CDA), Snijder-Hazelhoff (VVD), De Vries (CDA), Van Hijum (CDA), Van Beek (VVD), Boekestijn (VVD), De Pater-van der Meer (CDA), Van der Ham (D66), Gerkens (SP), Vermeij (PvdA), Kuiken (PvdA), Vacature (algemeen), Vacature (CDA), Anker (CU), De Roon (PVV), Irrgang (SP), Thieme (PvdD), Heerts (PvdA), Besselink (PvdA), Depla (PvdA) en Mastwijk (CDA).

XNoot
1

Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 29 911, nr. 10.

XNoot
2

Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 17 050, nr. 263

XNoot
3

Tweede Kamer, Identificatie bij dienstverlening, 21 mei 2008, TK 86.

XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

XNoot
1

Walker, J., How big is global money laundering?, Journal of Money Laundering Control, 1999, Vol. 3, No. 1.

XNoot
2

Unger, B. et al., The amounts and effects of money laundering, Utrecht 2005. Het rapport is te vinden op: www.minfin.nl. Zie aldaar voor verwijzingen naar andere schattingen.