Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-200831458 nr. 3

31 458
Wijziging van de in de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten opgenomen regels met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete (Wet wijziging boetestelsel financiële wetgeving)

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

Algemeen

Inleiding

Dit wetsvoorstel strekt tot wijziging en harmonisering van de in enkele financiële toezichtwetten en aanverwante wetten alsmede enkele pensioengerelateerde wetten opgenomen boetestelsels. Om dit te bewerkstelligen worden de Pensioenwet (Pw), de Sanctiewet 1977 (Sw), de Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioen- fonds 2000 (Wet Bpf 2000), de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Wvb), de Wet financiële betrekkingen buitenland 1994 (Wfbb), de Wet inzake de geldtransactiekantoren (Wgt), de Wet op het financieel toezicht (Wft), de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, de Wet toezicht accountantsorganisaties (Wta) en de Wet toezicht trustkantoren (Wtt) gewijzigd.

Nota Boetestelsel in financiële wetgeving

In de nota Boetestelsel in financiële wetgeving (Kamerstukken II 2004/05, 30 125, nr. 2; hierna: Boetenota) is een integrale wijziging van de in de financiële wetgeving opgenomen boetestelsels aangekondigd. In de Boetenota, die is opgesteld na overleg met de Tweede Kamer, zijn drie toezeggingen aan de Tweede Kamer uitgewerkt: de hoogte van de bestuurlijke boetes, zwaardere straffen voor veelplegers (recidive) en de individuele bestuurlijke boetes voor bestuurders van financiële instellingen.

In de Boetenota is onder meer uiteengezet dat bestuurlijke boetes proportioneel moeten zijn aan de overtreding om een afschrikwekkende werking te hebben. In deze nota zijn de bedragen van bestuurlijke boetes die in Nederland kunnen worden opgelegd, vergeleken met die in enkele ons omringende landen. Momenteel zijn de bestuurlijke boetes in Nederland aan de lage kant in vergelijking met de onderzochte landen1. Het wettelijke maximumbedrag is momenteel, afhankelijk van de relevante wet, ongeveer € 900 000,– maar in de praktijk kan maximaal€ 480 000,– worden opgelegd (zie bijvoorbeeld de Pensioenwet). Dit wordt veroorzaakt doordat een wettelijk bepaald bedrag voor de bestuurlijke boete vermenigvuldigd wordt aan de hand van de draagkracht van de overtreder, maar zelfs bij de maximale vermenigvuldiging wordt het wettelijk nominaal maximum niet benaderd. In de Boetenota is voorgesteld om dit maximum te verhogen tot € 1 000 000,– tevens wordt de boetesystematiek aangepast zodat het wettelijk maximum ook daadwerkelijk kan worden opgelegd. In dit wetsvoorstel wordt er echter voor gekozen om het maximale boetebedrag niet te verhogen tot€ 1 000 000 maar tot € 2 000 000. Gelet op de hoogte van boetes op andere verwante terreinen, zoals de Mededingingswetgeving, en de hoogte van financiële boetes in andere landen, zoals het Verenigd Koninkrijk, is deze nadere verhoging van de maximale boete gerechtvaardigd. Daarbij draagt een dergelijke verhoging bij aan het beoogde effect van een hogere mate van preventieve werking. De bestuurlijke boetes voor grotere instellingen zullen duidelijker«voelbaar» worden. De maximale boetebedragen gaan over de hele linie bezien flink omhoog. Daarbij zullen door het reduceren van het aantal«prijscategorieën» waaronder een boete valt, de maxima van nagenoeg alle overtredingen fors omhoog gaan.

Het huidige boetestelsel biedt onvoldoende mogelijkheid om rekening te houden met de omstandigheden die bij een overtreding aan de orde kunnen zijn. Zo kan er momenteel weinig tot geen rekening worden gehouden met de bijzondere omstandigheden van een overtreding, bijvoorbeeld de vraag of sprake is van recidive of de vraag of anderszins sprake is van een verhoogde mate van verwijtbaarheid van de overtreder. In de vierde Tranche van de Awb is een basis gelegd om rekening te houden met de omstandigheden van het geval bij het opleggen van een bestuurlijke boete. In de nieuwe boetesystematiek voor financiële instellingen zal het gebruik van de omstandigheden van het geval bij boeteoplegging nader worden uitgewerkt door middel van boeterichtsnoeren, die bij AMvB zullen worden vastgesteld op voordracht van de minister van Financiën en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gezamenlijk.

Voorgesteld wordt om voor zwaardere overtredingen een flexibele systematiek te laten gelden, waardoor bestuurlijke boetes kunnen worden opgelegd die proportioneel zijn in relatie tot de ernst van de overtreding en de overige omstandigheden van het geval. Dit draagt bij aan de preventieve werking van de bestuurlijke boete. Voor de minst ernstige overtredingen blijft een vaste boetesystematiek gelden. Hierdoor blijven de voordelen van het huidig systeem, te weten eenvoud en efficiëntie, behouden.

Voor minder ernstige overtredingen blijft de vaste boetesystematiek gelden. Overtredingen in deze categorie zijn onder andere: het niet (tijdig) aanleveren van rapportages, het (niet) tijdig aanleveren aan de toezichthouder of het niet (tijdig) voldoen aan een lichte medewerkingplicht. Voor deze overtredingen is in het algemeen de pakkans vrij hoog en het door de overtreder te behalen financiële voordeel relatief laag. Naleving van dergelijke verplichtingen kan ook via een last onder dwangsom worden afgedwongen. In deze memorie van toelichting wordt deze categorie hierna aangeduid als categorie 1.

De nieuwe boetesystematiek kent ook een tussencategorie van overtredingen, hierna verder aangeduid als categorie 2. Voor deze tussencategorie geldt een flexibele boetesystematiek met een maximumboete van € 1 000 000. Deze categorie omvat overtredingen die niet tot categorie 1 behoren en die evenmin tot de zwaarste soort overtredingen behoren. Te denken valt aan overtredingen van bepalingen op het terrein van consumentenbescherming, het niet-nakomen van verplichtingen betreffende deskundigheid, betrouwbaarheid en integriteit van de onderneming of het niet voldoen aan een meldplicht inzake incidenten.

Voor categorie 3, de zwaarste overtredingen, zal een flexibele boetesystematiek gelden met een maximumbedrag van € 2 000 000. Hierbij gaat het om feiten zoals het verrichten van vergunningplichtige activiteiten zonder vergunning, het verstrekken van misleidende informatie aan de toezichthouder, het verrichten van zeer onwenselijke activiteiten in de markt zoals misleiding van consumenten en koersmanipulatie of het niet voldoen aan solvabiliteit- of liquiditeitvereisten. Het gaat hier om overtredingen die ernstig zijn. Dit wordt nagestreefd door bedreiging met (soms hoge) boetes waardoor de instellingen financieel geprikkeld worden zoveel mogelijk zorg te dragen voor goede naleving van de wetgeving.

Bestuursrechtelijke handhaving volstaat in de meeste gevallen van wetsovertreding door financiële instellingen. Het wordt evenwel anders indien bij de toezichthouder (dan wel bij opsporingsinstanties, wanneer zij daar in strafrechtelijk onderzoek op zouden stuiten) vermoedens bestaan van opzettelijke of stelselmatige overtredingen. Indien de overtreder willens en wetens schade toebrengt aan de integriteit van het financieel stelsel kan in gezamenlijk overleg tussen het OM en de toezichthouders de strafrechtelijke handhaving in aanmerking komen.

In die hierboven beschreven situatie is de overgang van bestuursrechterlijke handhaving naar een strafrechtelijke handhaving aan de orde. Daarom zijn de beboetbare normen van de zwaarste categorie in beginsel allemaal zowel beboetbaar als strafbaar gesteld.

Zoals hiervoor beschreven, kan strafrechtelijke afdoening van een overtreding worden toegepast indien de aard en ernst van de overtreding daar aanleiding toe geven. In beginsel worden overtredingen echter bestuursrechtelijk afgedaan. Redenen voor die keuze zijn, zoals hiervoor vermeld, dat de primaire insteek is dat de bestuurlijke handhaving dient ter regulering van naleving van wetgeving en voorkoming van overtredingen. De daarvoor benodigde specialistische kennis is bij de toezichthouders op de financiële sector aanwezig binnen de organisatie en deze kennis kan daarom effectief worden aangewend voor de handhaving van regels. De strafrechtelijke wetshandhaving geldt daarbij in de financiële sector als het sluitstuk van de primair bestuursrechtelijke handhavingmechanismen enstrategieën.

In de Boetenota werden zowel het door middel van de overtreding behaalde voordeel als de door derden geleden schade genoemd als criteria om van het wettelijke maximumbedrag in categorie 2 of 3 af te wijken. Voortschrijdend inzicht heeft doen besluiten om dit achterwege te laten in dit wetsvoorstel. Voornaamste reden daarvoor is dat het voor de toezichthouder in de praktijk nagenoeg onmogelijk is om binnen een redelijke termijn na de beboetbare overtreding het als gevolg van de overtreding behaalde voordeel, respectievelijk de door derden geleden schade als gevolg van de overtreding te bepalen. In zaken die ernstige feiten betreffen en die strafrechtelijk worden aangepakt kan strafrechtelijke voordeelontneming plaatsvinden.

Bij het vaststellen van de hoogte van de bestuurlijke boete dient de toezichthouder uit te gaan van het basisbedrag, zoals dat in de verschillende wetten is bepaald bij categorie-indeling in tabelvorm.

In de flexibele categorieën 2 en 3 zal de toezichthouder de hoogte van de op te leggen bestuurlijke boete dienen te bepalen aan de hand van zogenaamde boeterichtsnoeren. Deze boeterichtsnoeren zullen in door de minister van Financiën en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vast te stellen AMvB worden uitgewerkt. Op deze wijze kan de toezichthouder binnen de gegeven wettelijke maximum- en minimumkaders en aan de hand van boeterichtsnoeren bepalen hoe de specifieke omstandigheden van het geval, waaronder ernst en duur van de overtreding, recidive en verwijtbaarheid van de overtreder, het bedrag van de bestuurlijke boete beïnvloeden.

In de Boetenota is voorts aandacht besteed aan het beboeten van individuele personen die als bestuurder verbonden zijn aan een financiële instelling. In dit wetsvoorstel wordt op dit punt aangesloten bij het wetsvoorstel van de Vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3) waarin deze materie voldoende geregeld wordt. In dit wetsvoorstel is het daarom niet nodig om op dit punt een voorziening te treffen. Hetzelfde kan overigens gezegd worden van enkele andere in de Boetenota aangekondigde aanpassingen, zoals de verstevigde mate van rechtsbescherming die door een strenge functiescheiding bij de toezichthouders wordt bereikt.

Verhouding met andere wetsvoorstellen

Zoals hierboven aangegeven zijn enkele van de uitgangspunten, beschreven in de Boetenota, opgenomen in het wetsvoorstel Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht. Voor zover dat tot aanpassing van financiële wetgeving noodzaakt, is daarvoor in het voorstel voor de Aanpassingswet Vierde tranche Awb (Kamerstukken II 2006/07, 31 124, nr. 2) een voorziening getroffen. Om deze reden zal dit wetsvoorstel, nadat het tot wet is verheven, niet eerder in werking treden dan de Vierde tranche van de Awb en de aanverwante Aanpassingswet Vierde Tranche Awb. De Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, waarin de Wet identificatie bij dienstverlening en de Wet melding ongebruikelijke transacties zullen worden samengevoegd en waarvoor een voorstel thans aanhangig is bij de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2008/08, 31 283, nr. 2) zal naar verwachting in werking treden voor de inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel. Indien eerder genoemd wetsvoorstel toch onvoorziene vertraging oploopt zal bij het inwerkingtredingbesluit van deze wet een uitzondering worden gemaakt ten aanzien van de inwerkingtreding van de artikelen die leiden tot aanpassing van de Wet identificatie bij dienstverlening en melding ongebruikelijke transacties.

Harmoniseren van regels met betrekking tot het opleggen van bestuurlijke boeten

De wetten die met dit voorstel worden aangepast, kennen nu vrijwel allemaal een systeem waarin overtredingen naar mate van ernst worden ingedeeld in vijf of zes categorieën. Aan de hand van deze indeling wordt naar mate van draagkracht van de overtreder het bedrag van de op te leggen boete bepaald. Dit wetsvoorstel brengt het aantal categorieën terug tot drie. Op de eerste categorie blijft, zoals gezegd, een systematiek van vaste bestuurlijke boeten van toepassing. Voor de tweede en derde categorie wordt een flexibel systeem voorgesteld. Door de invoering van dit flexibele systeem zal nadere uitsplitsing in categorieën niet langer nodig zijn. De toezichthouder dient immers aan de hand van de vast te stellen AMvB rekening te houden met de bijzondere omstandigheden van een overtreding.

Inhoud AMvB

In alle wetten die door dit wetsvoorstel worden gewijzigd, is geregeld dat de hoogte van de bestuurlijke boete en de wijze waarop rekening wordt gehouden met de omstandigheden van het geval bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald.

Het basisbedrag van de op te leggen boete wordt reeds bepaald aan de hand van de op wetsniveau vastgestelde indeling van beboetbare feiten of gedragingen in drie categorieën. Hierna dient ter vaststelling van de hoogte van de uiteindelijk op te leggen bestuurlijke boete rekening te worden gehouden met een aantal factoren die in boeterichtsnoeren worden uitgewerkt. Bij die vaststelling wordt ook steeds de draagkracht van de overtreder meegewogen, De draagkracht komt niet meer terug als enige aanleiding voor vermenigvuldiging van het basisbedrag zoals in de huidige systematiek het geval is. Voor overtredingen van beboetbare normen van de tweede of derde categorie dient, naast draagkracht, rekening te worden gehouden met boeteverhogende en boeteverlagende factoren zoals de mate van verwijtbaarheid (opzet), ernst en duur van de overtreding en eventuele recidive. Ook dient in het geval van boeteoplegging bij pensioenuitvoerders de boete worden verlaagd indien de belangen van pensioendeelnemers door de boete worden geschaad.

Overgangsrecht

In dit wetsvoorstel wordt voorgesteld dat het opleggen van een bestuurlijke boete voor een overtreding die is gepleegd vóór inwerkingtreding van de wet geschiedt met toepassing van het recht zoals dat ten tijde van die overtreding gold. Met andere woorden: het tijdstip van de overtreding is bepalend voor het antwoord op de vraag of de nieuwe boetesystematiek danwel de huidige boetesystematiek moet worden toegepast. Dit uitgangspunt geldt ook indien sprake is van een voorgezette overtreding die is aangevangen voor het tijdstip van inwerkingtreding van de wet maar welke heeft voortgeduurd tot enig moment na dat tijdstip.

Consultatie

Het wetsvoorstel en de concept-AMvB zijn in de zomer van 2007 ter consultatie voorgelegd aan betrokken marktpartijen. Diverse partijen hebben op de stukken gereageerd.

1. Functiescheiding

Nagenoeg alle marktpartijen hebben de functiescheiding bij de toezichthouder opgebracht. Op dit punt volgt dit wetsvoorstel het wetsvoorstel Wet Vierde tranche Awb waarin in artikel 5.4.2.6, de procedure bij zware boeten, is geregeld dat bij een bestuurlijke boete van meer dan € 340 altijd een rapport dient te worden opgemaakt en dat de overtreder altijd gehoord dient te worden. Indien artikel 5.4.2.6. van toepassing is geldt ingevolge het bepaalde in artikel 10:3, vierde lid, een mandaatverbod. Dit verbod houdt in dat binnen het betrokken bestuursorgaan sprake moet zijn van een functiescheiding. De functiescheiding vereist dat de beslissing om de bestuurlijke boete op te leggen niet wordt genomen door een ambtenaar die betrokken is geweest bij het onderzoek of het opstellen van het rapport dat aan die beslissing ten grondslag heeft gelegen. Het ligt niet in de lijn der verwachting dat in de financieeltoezichtswetgeving en aanverwante wetten bestuurlijke boetes worden opgelegd die onder het grensbedrag van € 340 vallen.

2. Verhouding met het strafrecht en tuchtrecht

Verschillende partijen hebben de vrees uitgesproken dat het afdoen van een overtreding via het bestuursrecht tot een zwaardere sanctie kan leiden dan wanneer de overtreding strafrechtelijk zou worden afgedaan. Het onderhavige wetsvoorstel betekent inderdaad dat via het nieuwe boetestelsel hogere bestuurlijke boetes opgelegd zullen kunnen worden dan mogelijk is via een strafrechtelijke afdoening. Echter is de draagkracht van de financiële instellingen die te maken kunnen krijgen met deze bestuurlijke boetes nogal uiteenlopend. Om een effectieve handhaving te kunnen realiseren, is vereist dat de preventieve werking van bestuursrechtelijke sancties voldoende groot is.

Overigens is het niet uitzonderlijk dat het bedrag van een via een bestuursrecht op te leggen boete hoger is dan het bedrag dat via strafrechterlijke afdoening had kunnen worden vastgesteld. Zo voorziet bijvoorbeeld artikel 57 van de Mededingingswet in de mogelijkheid om een boete tot € 450 000 op te leggen of indien dat meer is ten hoogste 10% van de omzet. Dat laatste kan aanzienlijk hoger uitvallen dan de maximumboetes die in het kader van het strafrecht mogelijk zijn. Hiervoor is reeds ingegaan op de preventieve doelstellingen van boetes van voldoende hoogte en de gevallen waarin strafrechtelijke handhaving aan de orde is. Daarbij kan nog worden opgemerkt dat strafrechtelijke afdoening kan leiden tot een vrijheidsbenemende straf en diverse bijkomende maatregelen, waaronder voordeelontneming. Het onderhavige wetsvoorstel beoogt effectieve handhaving en effectieve preventieve werking mogelijk te maken. Dit vereist dat de toezichthouder een op de betrokken financiële instelling toegesneden bestuurlijke boete kan opleggen. Bij een overtreding is een strafrechtelijke afdoening dan ook bedoeld voor de ernstigste gevallen, gevallen waarin een financiële sanctie op maat alleen niet volstaat.

Door de beroepsorganisaties van de accountantsorganisaties is gewezen op de vele kort op elkaar volgende veranderingen van de Wet toezicht accountantsorganisaties (Wta) en op de eventuele samenloop van tuchtrecht en bestuursrecht. De Wta is op 1 september 2006 in werking getreden en sindsdien enkele malen gewijzigd. De in dit wetsvoorstel opgenomen wijziging van de Wta ziet uitsluitend op de in die wet opgenomen bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete. Accountantsorganisaties hoeven zich vanwege die wijziging niet voor te bereiden op in de Wta op te nemen nieuwe materiële normen. De voorgestelde wijziging van de Wta veroorzaakt evenmin (extra) administratieve lasten of nalevingkosten.

3. Beboeting van individuele bestuurders

In de Boetenota is aangekondigd dat het nieuwe boetestelsel ook zal moeten gaan gelden voor individuele bestuurders. In het wetsvoorstel van de vierde tranche Awb is dit geregeld. De vierde tranche maakte het mogelijk voor de toezichthouder om, indien dat nodig zou zijn, niet de financiële instelling zelf, maar een bestuurder van die financiële instelling te beboeten. In artikel 5.0.1, derde lid van het wetsvoorstel vierde tranche Awb is een definitie van het begrip daderschap opgenomen. Deze definitie luidt dat de overtreding kan worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen. Hierbij moet de genuanceerde jurisprudentie van de Hoge Raad, gevormd op grond van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht, in ogenschouw genomen worden. Een voorbeeld daarvan is het arrest Slavenburg II (HR 16 december 1986, 1987, 321) waarin het concept van de feitelijk leidinggevende wordt uitgewerkt. In dit arrest overwoog de Hoge Raad dat van feitelijk leidinggeven aan verboden gedragingen onder omstandigheden sprake kan zijn als maatregelen ter voorkoming van een verboden gedraging niet worden genomen en daarmee bewust de kans wordt aanvaard dat deze gedragingen zullen plaatsvinden.

4. Afstemming DNB en de AFM

Vanuit de markt kwam het verzoek om DNB en de AFM te verplichten om bij het opleggen van een boete of een last onder dwangsom in onderling overleg te treden wanneer de instelling (en daarmee indirect de individuele bestuurder van de instelling) zowel onder prudentieel toezicht als gedragstoezicht staat. Op 2 juni 2007 is bij convenant tussen DNB en de AFM afgesproken dat voordat een handhavingsmaatregel, zoals een boete of een last onder dwangsom, wordt getroffen afstemming zal plaatsvinden, tenzij deze afstemming evident onnodig is1. Derhalve ontbreekt de noodzaak om deze afstemmingsverplichting eveneens op wettelijk niveau te regelen.

Administratieve lasten en Bedrijfseffectentoets

Dit wetsvoorstel veroorzaakt geen extra administratieve lasten. Voorts is uit de Bedrijfseffectentoets naar voren gekomen dat het huidige voorstel geen gevolgen heeft voor het bedrijfsleven, aangezien deze wet geen nadere lasten, zoals nalevingkosten, veroorzaakt.

Artikelsgewijs

De artikelen I,onderdeel A, II, onderdeel A, III, onderdeel A, IV, onderdeel A, V, onderdeel A, VII, onderdeel A, VIII, onderdeel A, IX, onderdeel A, en X, onderdeel A

In onderdeel A, van de artikelen I, II, III, IV, V, VII, VIII, IX en X wordt telkens een gelijkluidende bepaling opgenomen. Door middel van deze bepaling wordt vastgelegd dat op voordracht van de minister van Financiën en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij AMvB moet worden vastgesteld met welke omstandigheden de toezichthouder rekening dient te houden bij het uitoefenen van de bevoegdheid om bestuurlijke boetes op te leggen. In deze AMvB worden boeterichtsnoeren opgenomen. Aan de hand van deze boeterichtsnoeren zal de toezichthouder de hoogte van de bestuurlijke boete moeten bepalen binnen de bandbreedte die voor categorie 2 en categorie 3 geldt. De boeterichtsnoeren gaan onder andere bepalen dat het basisbedrag kan worden opgehoogd met een bepaald percentage indien er sprake is van bijvoorbeeld, recidive of een andere specifieke omstandigheid van het geval.

De artikelen I, II, III, IV, V, VII, VIII, IX en X, onderdeel B

In onderdeel B van de artikelen I, II, III, IV, V, VII, VIII, IX en X wordt geregeld dat het (nieuwe) boetemaximum € 2 000 000 bedraagt. Daarnaast wordt in deze artikelen de grondslag neergelegd om bij AMvB bij elke daarin omschreven overtreding het bedrag van de deswege op te leggen bestuurlijke boete te bepalen in categorieën naar zwaarte van overtreding. Hierbij wordt een indeling gebruikt in drie categorieën met een minimumbedrag, basisbedrag en maximumbedrag. Bij het vaststellen van de hoogte van de bestuurlijke boete dient de toezichthouder het basisbedrag als startpunt te nemen waarna de boete verhoogd, dan wel verlaagd kan worden aan de hand van de boeterichtsnoeren zoals deze zijn uitgewerkt bij de door de minister van Financiën en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gezamenlijk vastgestelde AMvB.

De artikelen III, onderdeel C, IV, onderdeel D, VI, onderdeel B, VIII, onderdeel D, en X, onderdeel C

Deze wijziging bewerkstelligt dat de bijlagen bij de verschillende wetten worden ingetrokken. Deze bijlagen waarin beboetbare normen worden ingedeeld in boetecategorieën zijn niet langer nodig omdat deze indeling voortaan bij AMvB geschiedt.

De artikelen III, onderdeel D, IV, onderdeel E, en VIII, onderdeel E

Hier wordt telkens ingetrokken een bepaling die voorziet in de schorsende werking van bezwaar en beroep. De intrekking is nodig omdat hetzelfde reeds in een ander artikel wordt geregeld. (zie hieronder)

De artikelen IV, onderdeel C, VII, onderdeel C, en VIII onderdeel C

Indien tegen een besluit waarbij een bestuurlijke boete wordt vastgesteld bezwaar wordt gemaakt of (hoger) beroep wordt ingesteld, schorst dit bezwaar of beroep de verplichting tot betaling van de in dit besluit opgenomen bestuurlijke boete. De in onderdeel C van de artikelen IV, VII en VIII opgenomen wijziging regelt dat de schorsende werking van het bezwaar of (hoger) beroep geen invloed heeft op het berekenen van de verschuldigde wettelijke rente. De andere wetten die als gevolg van deze wet worden gewijzigd, bevatten reeds een bepaling met gelijke strekking opgenomen of die bepaling wordt daarin na inwerkingtreding van de Aanpassingswet Vierde tranche Awb opgenomen.

Artikel V, onderdeel C

Vanwege de wijziging van het boetestelsel wordt de in artikel 1:97, eerste lid, onderdeel b, van de Wft opgenomen publicatieplicht van de toezichthouder aangepast. Momenteel geldt de publicatieplicht indien de toezichthouder een bestuurlijke boete van een van de twee zwaarste categorieën oplegt. Dit wetsvoorstel beoogt geen wijziging van de publicatieplicht. Voor een juiste inbedding van de publicatieplicht is ervoor gekozen om de hoogste, nieuwe boetecategorie 3 onder de plicht te laten vallen, alsmede alle bepalingen van de oude categorie 4.

Artikel V, onderdelen D en E

Met deze aanpassing wordt een grondslag voor de beboeting van een overtreding van de onder A genoemde bepalingen gecreëerd. De overtreding van deze artikelen was nog niet eerder beboetbaar gesteld, terwijl dat wel het geval had moeten zijn. Deze omissie wordt dan ook met dit wetsvoorstel gerepareerd.

Artikel VI, onderdeel A

In het wetsvoorstel Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme worden bepalingen omtrent de boetes geregeld in een enkel artikel, een verschil ten opzichte van de andere betrokken wetten. Om de structuur van de individuele wetten niet verder aan te passen wordt, zoveel mogelijk per wet aangesloten op de in die wet gekozen systematiek. In dit geval wordt de verplichting tot het vaststellen van boeterichtsnoeren bij AMvB geregeld in hetzelfde artikel als het wettelijke maximum van de boete.

Artikel XI

Met dit artikel wordt de strafbaarstelling van overtredingen uit de Wet op het financieel toezicht in de Wet op de economische delicten (Wed) aangepast. In beginsel worden alle overtredingen die zijn ingedeeld in de hoogste categorie (3) opgenomen in de Wed. Daarnaast worden diverse soorten overtredingen uit categorie 2 ook opgenomen in de Wed. Het gaat daarbij onder andere om overtredingen die de consument of de afnemers van financiële producten benadelen, het schenden van een zware medewerkingplicht en het niet naleven van boekhoudkundige voorschriften of statutaire verplichtingen.

Deze indeling is het gevolg van een stofkamoperatie waarin de strafbaarstelling van alle voorschriften van de Wft opnieuw is geïnventariseerd en gecategoriseerd. Voorschriften die voorheen wel strafbaar waren, maar nu op basis van indeling naar de aard van overtreding niet meer in de Wed zullen zijn opgenomen, zijn op basis van een individuele afweging geschrapt.

Artikel XII

De afdoening van een overtreding door de toezichthouders gebeurt volgens de voorheen geldende systematiek of de systematiek die door dit wetsvoorstel en de bijbehorende lagere regelgeving wordt geïntroduceerd. Een overtreding die voor het inwerkingtreden van de wet heeft plaatsgevonden wordt afgedaan volgens de systematiek die op dat moment gold. Bij een overtreding die gedurende een langere tijd heeft plaatsgevonden zal het moment waarop de overtreding is aangevangen gelden als uitgangspunt; de overtreding zal dus volgens de oude systematiek worden afgedaan. Dit moment wordt door de toezichthouder bepaald op basis van de gegevens die voor hem beschikbaar zijn of die redelijkerwijs beschikbaar hadden moeten zijn. Het is aan de overtreder om aannemelijk te maken dat de toezichthouder het startmoment van de overtreding onjuist heeft beoordeeld.

Artikel XIII

De voorgestelde wet zal gelijktijdig of later in werking treden dan de vierde tranche van de Awb en de aanpassingswet Awb. In die wetten zijn diverse bepalingen opgenomen waarop dit wetsvoorstel voortbouwt. Inwerkingtreding van dit wetsvoorstel voorafgaande aan de inwerkingtreding van de vierde tranche is om die reden niet wenselijk. Bepaalde onderdelen van de wet kunnen later in werking treden afhankelijk van de inwerkingtreding van andere wetten waarvoor reeds wetsvoorstellen zijn ingediend, zoals bijvoorbeeld de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

De minister van Financiën,

W. J. Bos

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. P. H. Donner


XNoot
1

België, Frankrijk, Duitsland, Zweden, Ierland.

XNoot
1

Paragraaf 1.3.,«Convenant tussen de AFM en DNB inzake samenwerking en coördinatie op het gebied van toezicht, regelgeving en beleid, (inter)nationaal overleg en andere taken met een gemeenschappelijk belang met betrekking tot de uitvoering van de Wta, Wft, Pw en Wvb», 2 juni 2007.