31 444 XI
Jaarverslag en slotwet ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer 2007

nr. 6
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 10 juni 2008

De Algemene commissie voor Wonen, Wijken en Integratie1 heeft over het jaarverslag 2007 van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer 2007 (onderdelen wonen, wijken en integratie) (Kamerstuk 31 444 XI, nr. 1) de navolgende vragen ter beantwoording aan de regering voorgelegd.

Deze vragen, alsmede de daarop op 10 juni 2008 gegeven antwoorden, zijn hieronder afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Van Gent

De griffier van de commissie,

Van der Leeden

1

Is de Midterm Review van het Grotestedenbeleid (GSB) de eerste evaluatie die uitwijst «dat het oplossen van fysieke problemen alleen niet genoeg is»? Zo neen, wanneer is dit eerder geconstateerd?

Het besef dat in onze grote steden en hun aandachtswijken het investeren in fysieke problemen alleen niet genoeg is, maar hand in hand gaat met sociale en economische maatregelen, is een leidend principe dat achtereenvolgende kabinetten vanaf 2000 (begin GSBII-periode) tot op de dag van vandaag centraal stellen in de aanpak van het Grotestedenbeleid.

2

Welke concrete lessen zijn getrokken uit de 56 wijkenaanpak en het project Nieuwe Coalities voor de Wijk?

Over de 56 wijkenaanpak en het bijzonder het project Nieuwe Coalities voor de Wijk is een rapportage uitgebracht met aanbevelingen «Hoe maak je het verschil in de wijk?». In deze rapportage worden 3 hoofdaanbevelingen gedaan: Allereerst: durf meer focus aan te brengen in beleidsprioriteiten. Dominant zijn in de ogen van schrijvers het onderwijs en de arbeidsmarkt, waarbij wonen en veiligheid als belangrijke randvoorwaarden gezien worden.

Als tweede pleiten schrijvers voor vitale coalities met burgers. Er wordt gewezen op het belang van gedreven burgers die samen met professionals achter en voor hun wijk gaan staan. Gezamenlijk zorgen zij voor goed onderwijs en recht op een eerlijke kans op de arbeidsmarkt. Maar: Het gaat hierbij niet alleen om rechten, het gaat ook om plichten. Wie zich niet houdt aan gemeenschappelijk gedeelde gedragsregels wordt hierop aangesproken. Een gedeelde sociale orde creëert een klimaat van betrokkenheid waardoor de negatieve spiraal doorbroken kan worden.

Ten derde wordt aanbevolen de slagkracht op wijkniveau te verhogen door lokale coalities te smeden en hieraan de beste mensen te verbinden. De problemen in de aandachtswijken zijn zo complex dat oplossingen vanuit de vertrouwde kokers niet meer volstaan. Door kleine teams samen te stellen, bestaande uit mensen met doorzettingsmacht, moet het tij in de aandachtswijken worden gekeerd.

De bovenstaande aanbevelingen zijn leidraad geweest voor het actieplan Krachtwijken zoals in juli 2007 aan uw Kamer toegezonden. De aanbevelingen komen ook terug in de nog te starten experimenten in een aantal van de aandachtswijken.

3

Is er voor de monitor om de voortgang van de wijkaanpak in kaart te brengen een nul-meting uitgevoerd? Zo ja, wanneer? Zo neen, gaat dit nog plaats vinden en wanneer gaat dit plaatsvinden?

Ja er is een nul-meting uitgevoerd. Het CBS heeft een set van indicatoren ontwikkeld, die de voortgang en ontwikkeling van de thema’s van het krachtwijkenbeleid – wonen, werken, leren en opgroeien, integreren en veiligheid – in beeld brengen. De nul-meting verschijnt naar verwachting eind juni/begin juli.

Vraag 4 ontbreekt in de nummering van de vragen.

5

Hoe verhoudt de doelstelling van het kabinet om afspraken met woningcorporaties te maken over een productie van circa 40 000 woningen per jaar, zich tot de afspraak in het onderhandelaarsakkoord met Aedes om 37 500 woningen per jaar (150 000 in 4 jaar) te bouwen? In hoeverre zijn de corporaties, nu het onderhandelaarsakkoord niet is bekrachtigd door de leden van Aedes, gehouden aan deze afspraak?

Tijdens de besprekingen over het Onderhandelaarsakkoord bleek een geambieerde productie van 150 000 woningen in plaats van 160 000 woningen iets meer realistisch. Het gegeven dat de leden van Aedes niet zijn overgegaan tot bekrachtiging van het Onderhandelaarsakkoord doet niets af aan de ambities en inzet van het kabinet om de randvoorwaarden te scheppen voor een toename van de woningproductie door woningcorporaties.

6

Welke maatregelen treft u om er voor te zorgen dat er in 2008 meer gebruik van de starterslening wordt gemaakt?

De rijksbijdrage aan gemeentelijke startersleningen is begin 2007 van start gegaan. Met de bijdrage betaalt het Rijk de helft van de kosten van een starterslening die gemeenten kunnen verstrekken (lokaal maatwerk). In 2007 zijn 1100 startersleningen verstrekt, waarvan 640 met een bijdrage uit het rijksfonds. Door het voorbereidingstraject binnen de gemeenten (aanpassen en ontwikkelen van verordeningen) kwam de verstrekking van de VROM startersleningen pas in de tweede helft van het jaar op gang en bleven de resultaten enigszins achter bij de verwachtingen. SVN schat in dat in 2008 wel de verwachte 2 000 startersleningen met rijksbijdrage zullen worden verstrekt. Samen met de gemeenten onderzoekt SVn momenteel of de huidige startersregeling voldoende aansluit op het aanbod in de lokale woningmarkt. Bij de gemeenten waar dit niet het geval blijkt, worden de criteria aangepast. In navolging van de provincie Limburg hebben ook Overijssel en Gelderland een provinciaal startersfonds ingericht. Uiteraard blijft de keus voor het al dan niet aanbieden van een VROM starterslening door een gemeente een lokale aangelegenheid. Om de mogelijkheden van de VROM startersleningen onder de aandacht van alle betrokken partijen te brengen wordt in de loop van 2008 een brochure opgesteld waarin een uiteenzetting zal staan van alle op dit moment ter beschikking staande maatregelen en instrumenten om starters te ondersteunen. Uiteraard zal de VROM-starterslening binnen deze brochure een belangrijk onderdeel vormen.

7

Waarom wordt er in onderzoek naar het verbeteren van de mogelijkheden om de huur- en koopmarkten met elkaar te verbinden alleen gekeken naar de verhuismobiliteit? Waarom wordt er niet breder onderzoek gedaan?

Het vorige kabinet heeft verkenningen in gang heeft gezet naar het verbeteren van het functioneren van de woningmarkt als uitwerking van haar Visie op de Woningmarkt. Een van de onderwerpen daarbij was verhuismobiliteit in relatie tot arbeidsmarktmobiliteit. Andere verkenningen waren:

– Huurtoeslag, instrument van woon- of inkomensbeleid, RIGO, Amsterdam

– Meer keuzevrijheid door een herziening van de huurtoeslag?, OTB, Delft

– Een essay over passend wonen, Berenschot, Den Haag Ik heb kennisgenomen van deze rapporten. Deze rapporten zijn beschikbaar op de digitale vraagbaak Infowonen (http://www.vrom.nl/infowonen).

Zie tevens de antwoorden op de vragen 16, 17 en 20.

8

Hoe verhoudt de inrichting van frontoffices zich tot de bezuinigingstaakstelling waar bij de inspecties het personeelsbestand moeten inkrimpen?

De ontwikkeling van de frontoffices Afval, Chemie en Nucleair vergt maatwerk, waarbij nauw wordt samengewerkt met de betrokken doelgroepen. Voor de doelgroep Nucleair is de frontoffice Petten tijdig van de grond gekomen. Voor de frontoffices Afval en Chemie is kenmerkend, dat er vanuit het bedrijfsleven met name behoefte is aan een kwaliteitsverbetering in het toezicht en samenwerking tussen inspecties van de verschillende bestuurslagen. Tevens wordt ingezet op het verminderen van de toezichtslasten. Begin 2009 zal de toezichtlast worden gemeten en vergeleken met de 0-meting uit 2007. Zodoende zal de daadwerkelijke gerealiseerde toezichtlast duidelijk worden.

Het opzetten van deze samenwerking met andere overheden heeft meer tijd en capaciteit gekost dan voorzien. Deze interbestuurlijke samenwerking leidt tot een verhoging van de kwaliteit, maar vereist momenteel nog structurele coördinatiecapaciteit bij de VROM-Inspectie. Bij de invulling van de bezuinigingstaakstelling wordt dit onderdeel de komende tijd ontzien.

9

Langs welke wegen is «Ruimte voor contact» bekend gemaakt en in hoeverre beantwoorden de gefinancierde initiatieven aan het uiteindelijke doel (wezenlijke ontmoeting)?

Rondom de stimuleringsregeling «Ruimte voor Contact» is de bekendmaking neergelegd bij het Landelijk Loket. In dat loket zijn vier organisaties verenigd. Zij verzorgen onder andere de publiciteit van de regeling. De subsidieregeling «Ruimte voor Contact» kent een eigen website te weten: www.ruimtevoorcontact.nl. Hier wordt de regeling uitgelegd, nieuws, projectvoorbeelden, berichten en achtergrondmateriaal beschikbaar gesteld. Tevens is er een helpdesk die iedere werkdag telefonisch en per e-mail bereikbaar is. Daarnaast worden er jaarlijks, naast de reguliere promotieactiviteiten, op relevante congressen en informatiemarkten, landelijke- en regionale themabijeenkomsten georganiseerd. De opzet van de initiatieven beantwoordt in ruime of voldoende mate aan het uiteindelijke doel van de Stimuleringsregeling. Of de uitvoering van de initiatieven beantwoordt aan het uiteindelijke doel van de Stimuleringsregeling wordt getoetst op het ministerie. Op dit moment vindt een evaluatie plaats, die naar verwachting in juli 2008 zal zijn afgerond.

10

Op welke wijze heeft u lessen getrokken uit de moeizame start van de projecten binnen de regeling Ruimte voor Contact, die als doel heeft om het duurzaam contact tussen migranten en autochtonen te bevorderen?

In de voortgangsmonitor is een digitale vragenlijst met gesloten en open vragen opgenomen die met name is gericht op het procesverloop. Alle betrokken projecten hebben deze ingevuld. De oplossingen en ideeën voor de knelpunten in de startfase zijn bruikbaar voor alle nieuwe projecten en zowel in een handreiking als op de website opgenomen. Alle projecten wordt een digitaal logboek aangereikt om het procesverloop te ondersteunen. Tevens worden middels workshops, specifiek gericht op startende projecten, de betrokkenen getraind hoe deze knelpunten op te lossen. Daarnaast wordt er door de helpdesk bij de informatieverstrekking en ondersteuning specifiek aandacht geschonken aan deze knelpunten opdat nieuwe projecten hier bij de opzet al rekening mee kunnen houden.

11

Zowel bij het programma BLS, NSP als het BIRK zijn in 2007 aanzienlijke bedragen minder uitgegeven dan begroot. Wat gaat er met die niet uitgegeven middelen gebeuren en is het mogelijk deze bedragen binnen de begroting te herbestemmen voor projecten, bijvoorbeeld als gevolg van krimp?

BLS geld dat in enig jaar niet is uitgegeven, omdat de woningproductie lager is dan gepland, blijft gedurende de periode van de woningbouwafspraken beschikbaar voor het inhalen van de opgelopen achterstand op een ander moment. Bij NSP en BIRK gaat het om middelen uit het Fonds Economische Structuurversterking die al zijn toegekend aan door VROM gesubsidieerde projecten. De middelen die niet in enig begrotingsjaar worden uitgegeven, worden voor deze projecten naar achteren geschoven. Veelal ligt de oorzaak in een vertraging bij de uitvoering. De middelen zijn dus niet beschikbaar voor nieuwe projecten, maar blijven behouden voor de lopende projecten.

12

Hoe kan de doelstelling «maximale maatschappelijke prestaties van woningcorporaties bevorderen» worden bereikt, gelet op de ontwikkelingen bij woningcorporaties en de relatie met de woningcorporaties in het afgelopen jaar?

Zoals de vraagstelling reeds veronderstelt, zijn goede verhoudingen tussen de overheid en de corporaties(ector) een voorwaarde voor optimale prestaties. Om die reden is uitgebreid gesproken met Aedes over de beoogde prestaties van de woningcorporaties en de inzet van het Rijk daarbij, hetgeen op 17 september 2007 heeft geleid tot een Onderhandelaarsakkoord met Aedes.

Met Aedes wordt, mede in het licht van de inzet te komen tot een wetsvoorstel maatschappelijke ondernemingen, thans gesproken over (de uitgangspunten van) een vernieuwd arrangement overheid-woningcorporaties. Op grond hiervan kunnen de voorwaarden worden neergezet waarbinnen de woningcorporaties hun maatschappelijke opgaven kunnen waarmaken.

13

Gaat u bij de beoordeling van de bereidheid van verhuurders en gemeenten om tijdig en serieus in gesprek te gaan met huurders(-organisaties) alleen af op de verslaglegging van de woningcorporaties en op de bij u gemelde problemen? Gaat uw ministerie of de VROM-Inspectie ook zelf pro-actief op onderzoek uit om te constateren of de huurders door gemeenten en woningcorporaties serieus worden genomen? Zo ja, hoe gaat dit in zijn werk?

De regelgeving die op de vraag betrekking heeft, bevat ten eerste voorschriften over (de verslaglegging door woningcorporaties over) het betrekken van huurders en bewoners bij het beleid van woningcorporaties (Besluit beheer sociale-huursector). Ten tweede gaat het om de rechten van huurdersorganisaties inzake informatie en advies over het bestaande en voorgenomen beleid van woningcorporaties en ondersteuning door de woningcorporaties daarbij (Wet op het overleg huurders-verhuurder). Beide gaan uit van een goed onderling verkeer tussen verhuurder en huurders(organisaties). Zonder signalen dat er in dit onderlinge verkeer iets niet goed gaat, ligt het niet op mijn weg, noch is het nodig, om mij hierin te mengen.

Evenmin ligt het op mijn weg om mij te mengen in de wijze waarop huurders(-organisaties) door gemeenten worden betrokken bij bestaand of voorgenomen beleid.

14

Hoe wilt u de sociale rol die woningcorporaties in toenemende mate oppakken bestendigen en versterken?

Met Aedes wordt, mede in het licht van de inzet te komen tot een wetsvoorstel maatschappelijke ondernemingen, thans gesproken over (de uitgangspunten van) een vernieuwd arrangement overheid–woningcorporaties waaronder afspraken over reikwijdte corporatie. Op grond hiervan kunnen de voorwaarden worden neergezet waarbinnen de woningcorporaties hun maatschappelijke opgaven kunnen waarmaken.

In de wijkactieplannen voor de veertig krachtwijken is voorzien in een (zij het per wijk verschillende) stevige rol voor woningcorporaties in de sociale pijler gedurende 10 jaar. Door het afsluiten van charters met de betreffende gemeenten en de inzet van bijzondere projectsteun voor de woningcorporaties in kwestie draag ik bij aan de realisatie van de ambities in die sociale pijler.

15

Hoe kan het dat de kosten voor «apparaat» (tabel 1.2 Tabel budgettaire gevolgen van beleid) zoveel hoger zijn dan begroot? Waaraan is dit geld besteed? Wat heeft het project omtrent de 40 probleemwijken in 2007 aan apparaatskosten met zich meegebracht?

Vergeleken met de verdeling van de apparaatsbudgetten over de begrotingsartikelen, zoals opgenomen in de ontwerpbegroting 2007, hebben correcties plaatsgevonden die nog samenhangen met een oude conversie van de begrotingsstructuur. De belangrijkste verklaring voor de hogere uitgaven op artikel 1 dan begroot, zijn de uitgaven voor het corporatiebeleid, incl. toezicht, die voorheen op artikel 3 verantwoord werden. De programmadirectie Wijken heeft in 2007 € 0,8 mln. apparaatsuitgaven gedaan. Deze uitgaven, excl. kosten van detacheringen, zijn op artikel 2 verantwoord.

16

Welke onderwerpen kwamen bij de verkenningen naar mogelijkheden om het functioneren van de woningmarkt te verbeteren aan de orde? Welke inzichten hebben deze verkenningen opgeleverd?

Zie antwoord vraag 7.

17

Wat wordt er gedaan met de verkenningen naar mogelijkheden om het functioneren van de woningmarkt te verbeteren? Wie heeft dit verkenningen uitgevoerd?

Antwoord zie vraag 7.

18

Wat hebben de instrumenten «Kennis als interventie-instrument» en «kennisinfrastructuur» voor (meetbare) resultaten opgeleverd?

Zoals in het jaarverslag over beleidsartikel 1 van het begrotingsjaar 2007 is aangegeven zijn er 21 rapporten/publicaties opgeleverd, 2 congressen/workshops georganiseerd, 8 presentaties gegeven en ruim 20 000 bezoekers van InfoWonen geteld. De streefwaardes zoals in de begroting 2007 aangegeven (10 rapporten/publicaties, 2 congressen/workshops, 4 presentaties en 5 000 bezoekers) zijn derhalve ruimschoots gehaald.

Ter illustraties enkele voorbeelden van «Kennis als interventie-instrument» en «kennisinfrastructuur»:

• Op 4 april 2007 was het congres «WoON naar wens!» naar aanleiding van de eerste resultaten van het WoON 2006. Op dit congres met zo’n 400 bezoekers is kennis overgedragen en uitgewisseld met partners in het woonveld;

• De consumentenmodule van het WoON2006 is samen met de Neprom uitgewerkt;

• Het samenwerkingsverband Monitor Nieuwe Woningen met Aedes en Neprom is gecontinueerd;

• Er is een financiële en inhoudelijke bijdrage geleverd aan de internationale conferentie van het European Network for Housing Research in Rotterdam (van 25 t/m 28 juni 2007) met als thema «Sustainable Urban Areas»;

• Er is afgesproken vanaf 2009 de regionale bevolkings-, allochtonen en huishoudensprognose van het Ruimtelijk Planbureau te gebruiken;

• Gebruikers van digitale vraagbaak InfoWonen hebben in een tevredenheidsonderzoek aangegeven dat ze InfoWonen gemiddeld met een 7,1 waarderen.

19

Wanneer zal er wel sprake zijn van een uitwerking van een duidelijk kader en een eigentijdse governancestructuur voor de woningcorporaties, alsmede de uitwerking van de daaruit voortvloeiende regelgeving? Wanneer komen de voorstellen naar de Kamer?

Met Aedes wordt, mede in het licht van de inzet te komen tot een wetsvoorstel maatschappelijke ondernemingen, thans gesproken over (de uitgangspunten van) een vernieuwd arrangement overheid–woningcorporaties. Ik verwacht in de zomer te komen met uitgangspunten op hoofdlijnen voor dit vernieuwde arrangement. Hierna kunnen de essentiële elementen van dat arrangement worden uitgewerkt. Vervolgens zal, in samenhang met het wetsvoorstel maatschappelijke ondernemingen, in de loop van 2009 de hieruit voortvloeiende specifieke regelgeving in procedure worden gebracht.

20

Wanneer denkt u met een reactie op het advies van de commissie Dijkstal te komen, aangezien het advies inmiddels acht maanden geleden gepresenteerd is?

Het advies van de commissie Dijkstal bevat heldere aangrijpingspunten voor een indeling in normeringsregimes van de diverse instellingen in het semi-publieke domein, waaronder in dit geval ook de woningcorporaties worden gerekend. Het kabinet vindt dat een beleidsstandpunt over de normering in de diverse sectoren aan de hand van dit advies weloverwogen moet worden vastgesteld. Voor de planning van dit beleidsstandpunt ligt het voortouw bij de coördinerend minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

21

Informeert u de Kamer als de monitor 2007 over de prestatieafspraken tussen gemeenten en woningcorporaties gereed is? Wordt in dit onderzoek ook het aantal nieuw te bouwen woningen door woningcorporaties (onderverdeeld in huur- en koopwoningen) en het aantal te slopen woningen door woningcorporaties op basis van de prestatieafspraken meegenomen?

Zoals ieder jaar is het ook dit jaar mijn voornemen om het onderzoek dat ik laat verrichten naar de prestatieafspraken tussen gemeenten en woningcorporaties aan het eind van het jaar aan de Tweede Kamer te sturen. Dit wordt als bijlage met mijn algemene brief over de prestaties van de corporaties in verslagjaar 2007 meegestuurd. Voor zover dat mogelijk is, wil ik een kwantiteitsslag maken. Het is echter zo dat niet in alle gevallen de prestatieafspraken concrete afspraken bevatten over aantallen te bouwen en slopen woningen. Ik streef er desondanks naar om in dit onderzoek een relatie te kunnen leggen met mijn woningbouwambitie.

22

Welke stappen zult u ondernemen om de woonwens van midden- en hoge inkomensgroepen in de steden te accommoderen? Is er bij de probleemwijkenaanpak extra aandacht voor dit onderwerp om ook deze groepen in die wijken te krijgen?

Zoals ik in mijn actieplan woningproductie (Kamerstukken, 2007–2008, 31 200 XVIII, nr. 10) en in overleggen met uw Kamer heb aangegeven, vind ik het erg belangrijk dat midden- en hogere inkomens worden gebonden aan de stad. Hiermee verbetert de vitaliteit van de steden en wordt verdergaande segregatie tegengegaan. Eén van de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om midden- en hogere inkomens te binden aan de stad is dat gebouwd moet worden in overeenstemming met de woonwensen van die groep. De verantwoordelijkheid om hier goed op in te spelen ligt in eerste instantie bij gemeenten en ontwikkelende en bouwende partijen. In mijn actieplan heb ik u geïnformeerd over de woningbouwopgaven waar we vanaf 2010 voor staan en mijn beleidsinzet daarbij. Ik heb daarbij aangegeven dat ik voor die periode wil komen tot integrale en regionaal gedifferentieerde afspraken. Dit houdt in maatwerk per regio, afhankelijk van de opgave in zowel kwantitatieve als kwalitatieve zin. Bij de kwantiatieve woningbouwopgave gaat het over de benodigde aantallen woningen en bij de kwalitatieve opgave kan het – afhankelijk van de regionale situatie – onder andere gaan over de gewenste differentiatie naar type woning en woonmilieu en de verdeling daarvan over centrum- en randgemeenten. In dit verband heb ik ook aangegeven dat het van groot belang is dat randgemeenten in voldoende mate voorzien in het huisvesten van lagere inkomensgroepen, zodat ook de grote steden meer mogelijkheden krijgen om midden- en hogere inkomensgroepen aan zich te binden. Ik heb hierbij aangegeven dat ik niet zal aarzelen om, daar waar nodig, de aanwijzingsbevoegdheid in artikel 80 Woningwet in te zetten om randgemeenten te dwingen voldoende woningen voor lagere inkomensgroepen te realiseren.

In het overleg dat ik met gemeenten en regio’s heb, is de afstemming van het woningbouwprogramma binnen de regio en het accomoderen van de woonwens van midden- en hogere inkomens onderwerp van gesprek.

In de charters met betrekking tot de 40 krachtwijken tussen rijk en gemeenten is aangegeven dat gemeenten aanzienlijke extra inspanningen plegen om midden- en hogere inkomensgroepen naar de betrokken wijken te krijgen door voor deze groepen aantrekkelijke woningen en voorzieningen in de wijken te creëren.

23

Hoe zijn de tegenvallende uitgaven op de post «regeling energiebesparing huishoudens met lagere inkomens» te verklaren? Zijn er voornemens om deze regeling een extra impuls te geven?

De tegenvallende uitgaven voor de «regeling energiebesparing met lage inkomens» (TELI) is het gevolg van het lager uitvallen van de kosten van de projecten. In het overgrote deel van deze projecten kwam dit door het niet volledig ten uitvoer brengen van het oorspronkelijke projectplan, waarop de subsidie is toegekend. Bijvoorbeeld doordat minder huishoudens benaderd zijn of niet alle maatregelen zijn uitgevoerd.

Er zijn vooralsnog geen voornemens om de regeling een extra impuls te geven.

Vraag 24 ontbreekt in de nummering van de vragen.

25

Hoe komt het dat de kosten voor de uitvoeringsorganisaties (tabel 2.2, budgettaire gevolgen van beleid) meer dan twee keer zo hoog zijn dan begroot? Om welke uitvoeringsorganisaties gaat het? Bij welke uitvoeringsorganisaties doen de enorme kostenoverschrijdingen zich voor?

Deze uitgaven betreffen de kosten van één uitvoeringsorganisatie, namelijk SenterNovem en zijn in de vastgestelde begroting 2007 zowel geraamd op beleidartikel 2 (raming € 2,5 mln.) als op beleidsartikel 3 (raming € 1,5 mln.). Om administratief-technische redenen zijn de in 2007 gerealiseerde uitgaven (€ 5,5 mln.) volledig op beleidsartikel 2 verantwoord.

Er is dus wel sprake van hogere kosten, maar niet twee keer zo hoog dan begroot.

De hogere uitgaven zijn ondermeer het gevolg van aan SenterNovem verstrekte aanvullende opdrachten, bijvoorbeeld vanwege hogere kosten voor de uitvoering van de BEW-plus regeling.

Vraag 26 ontbreekt in de nummering van de vragen.

27

Hoe is het mogelijk dat ondanks het beleid voor het stimuleren van eigenbouw het percentage eigenbouw in 2007 (7,2%) lager is dan in 2006 (7,5%) en flink lager is dan het percentage eigenbouw in 2004 (10%)?

Het beleid is erop gericht de productie van woningen middels eigenbouw te verhogen. Procentueel gezien is dat in 2007 niet gelukt. Met 7,2% nieuwbouw via eigenbouw liggen de eigenbouwprestaties in 2007 in de stedelijke regio’s 0,3% lager dan in 2006 en 0,2% lager dan in 2005. Absoluut gezien is er echter wel degelijk sprake van een toename van het aandeel eigenbouw in de nieuwbouwproductie. In 2007 zijn in de stedelijke regio’s 4 191 woningen in eigenbouw gerealiseerd, in 2006 waren dat er 3 901 en in 2005 3 744. Een toename derhalve van circa 200 eigenbouwwoningen per jaar. De reden waarom de in absolute cijfers hogere eigenbouwproductie niet leidt tot een verhoging van de eigenbouwproductie in procentuele zin, is gelegen in het feit dat de nieuwbouwproductie in de stedelijke regio’s in de afgelopen jaren sterker is gestegen dan de eigenbouwproductie.

Absoluut gezien leidt het beleid dus wel tot een verhoging van de eigenbouwproductie. Ik streef echter naar een substantiëlere verhoging van het aandeel eigenbouw. Dat is ook de reden waarom ik aanvullende maatregelen heb genomen om de eigenbouwproductie te verhogen. Ik heb u hierover geïnformeerd in mijn brief Actieplan woningproductie d.d. 22 november 2007 (Kamerstukken, 2007–2008, 31 200 XVIII, nr. 10).

28

Heeft de constatering dat op het gebied van de 56-wijkenaanpak geen extra inzet meer noodzakelijk is, gevolgen voor het ISV-budget in de toekomst? Wat zijn hiervan de gevolgen voor de wijken die zowel op de 56-wijkenlijst als de 40 wijkenlijst staan?

Zorgen over het tempo in de uitvoering van de stedelijke vernieuwing waren voor mijn ambtsvoorgangers aanleiding om halverwege de eerste ISV-periode in 2002 en 2003 vorm te geven aan het actieprogramma herstructurering en de 56-wijkenaanpak.

In de bijlage bij de beleidsdoorlichting van de Wet stedelijke vernieuwing die in 2007 naar de Tweede Kamer is gestuurd (Kamerstukken II, 2006–2007, 30 983, nr. 2) is uitgebreid ingegaan op de 56-wijkenaanpak als versneller binnen het ISV. Hierin is aangegeven dat de productie (sloop, nieuwbouw, verkoop huurwoningen) is toegenomen en dat de focus die is aangebracht werkt. Uit de midtermreview GSB/ISV uit 2007 (Kamerstukken II, 2007–2008, 30 128, nr. 15) blijkt, dat de afspraken vanuit ISV2 aan het einde van de looptijd grotendeels gehaald zullen zijn. Met andere woorden er is voldoende tempo in de uitvoering van de stedelijke vernieuwing. De noodzaak om de uitvoering te stimuleren zoals er bij de start van de 56-wijkenaanpak was is er dus niet meer.

In de wijken uit de 56-wijkenaanpak die ook in de aanpak krachtwijken terugkomen dienen de afspraken uit de 56-wijken als een van de onderleggers voor het nu geformuleerde beleid in de wijk.

Het afbouwen van de 56-wijkenaanpak heeft geen budgettaire gevolgen voor het ISV. Aan de 56-wijkenaanpak was geen extra budget van het Rijk verbonden.

29

Wanneer zullen alle plannen en charters in het kader van de wijkactieplannen gereed zijn en wanneer zullen de charters ondertekend zijn?

De charters van Alkmaar, Arnhem, Deventer, Eindhoven, Enschede, Groningen, Heerlen, Leeuwarden en Maastricht zijn reeds getekend. Het charter van Zaanstad wordt getekend op 5 juni. De charters van Dordrecht, Schiedam en Utrecht zijn afgerond en zullen op korte termijn worden getekend. De charters van Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Amersfoort en Nijmegen zijn vergevorderd en zullen tijdens de werkbezoeken, waarvan de laatste op 7 juli plaatsvindt, worden getekend.

30

Hoeveel huurders van zelfstandige studenteneenheden ontvingen in 2006 huurtoeslag en hoeveel bedroeg de toeslag (gemiddeld) per persoon?

Huurders van zelfstandige studenteneenheden worden niet apart geregistreerd. Het zijn in administratief opzicht niet van andere zelfstandige woningen te onderscheiden woningen. Om deze reden zijn aantallen en bijdragen niet te leveren.

31

Hoeveel huurders van onzelfstandige studenteneenheden ontvingen in 2006 huurtoeslag en hoeveel bedroeg de toeslag (gemiddeld) per persoon?

Wat betreft het huurtoeslaggebruik in aangewezen onzelfstandige wooneenheden geldt dat momenteel nog geen beleidsinformatie beschikbaar isop grond waarvan deze vraag beantwoord kan worden. In vraag 70 wordt uitgelegd wanneer er betrouwbare beleidsinformatie beschikbaar komt.

Overigens worden onzelfstandige eenheden die specifiek bedoeld zijn voor studenten, niet afzonderlijk geregistreerd.

Er zijn een aantal aangewezen wooncomplexen (van voor 1997) waar wel huurtoeslag mogelijk is voor onzelfstanidge woonruimten. Dit betreft ook studenten. Het gaat hier wel om zeer geringe aantallen, waar om bovenstaande reden om dit moment geen informatie ocver beschikbaar is.

32

Hoe verklaart u dat het aantal koopwoningen in de 56 wijken 5% lager ligt dan de streefwaarde? Wat bent u voornemens te doen om de streefwaarde alsnog te halen?

De streefwaarde, die in de begroting wordt genoemd, is gebaseerd op de voornemens in de gemeentelijke plannen die veelal een lange doorlooptijd kennen (tot 2014) en is dus geen jaarlijkse streefwaarde.

Ten opzichte van de nulmeting is al een duidelijke toename van het aantal koopwoningen in de 56-wijken te zien. Ik verwacht dan ook dat de woningvoorraad in de 56-wijken zich verder zal ontwikkelen richting de streefwaarden.

33

Bevat de aanpak van energiebesparing in de gebouwde omgeving ook fiscale instrumenten? Zo ja, welke?

Voor de energiebesparing in de gebouwde omgeving wordt een breed instrumentarium ingezet, hiertoe behoort ook het fiscale instrumentarium. Naast de energiebelasting die aanzet tot energiebesparing in de gebouwde omgeving is recent bij uw Kamer een wijziging van de Regeling Groen Beleggen aanhangig gemaakt via een voorhangprocedure. Voorgesteld wordt deze regeling zodanig te wijzigen dat eigenaar-bewoners tegen een voordelig tarief een hypothecaire lening kunnen afsluiten voor de duurzame renovatie van hun woning. Zij kunnen bij deelnemende banken tot maximaal € 100 000 voordelig lenen. Eigenaar-bewoners worden op deze wijze gestimuleerd om het energielabel van hun woning met minimaal 2 labelsprongen te verbeteren. Eigenaar-bewoners kunnen dit jaar nog van deze wijziging profiteren. Een verdergaande wijziging van deze regeling waarin het ook mogelijk wordt dat woningen duurzaam gerenoveerd worden door tussenkomst van een Energiediensten verlenend bedrijf is voor goedkeuring aan Brussel voorgelegd. Beoogd wordt dat deze regeling in 2009 in werking kan treden.

Daarnaast kunnen ondernemers gebruik maken van de Energie-Investeringsaftrek (EIA). Dit is een fiscale regeling van de ministeries van Financien en Economische Zaken om energiebesparing te bevorderen. SenterNovem en de Belastingdienst voeren de EIA uit. Bijna alle energiebesparende maatregelen in de gebouwde omgeving komen in aanmerking voor EIA-aftrek. Welke energie-efficiënte en duurzame energie maatregelen voor aftrek in aanmerking komen is vastgesteld in de energielijst 2008. (www.senternovem.nl/eia). Per 1 januari 2008 is het EPA maatwerkadvies als nieuwe maatregel aan de Energielijst toegevoegd. Het maatwerkadvies komt voor EIA in aanmerking in combinatie met een investering in minstens één bedrijfsmiddel dat op de Energielijst staat. Veel van de investeringen die geadviseerd worden in een EPA zijn opgenomen in de Energielijst. Het maatwerkadvies is aan de EIA-lijst toegevoegd om het treffen van energiebesparende maatregelen te stimuleren. Daarnaast adviseert WWI maatregelen te nemen op basis van een goed onderbouwd advies. Het EPA maatwerkadvies wordt specifiek voor een gebouw opgesteld en geeft aan waar energie kan worden bespaard, hoeveel daarvoor moet worden geïnvesteerd en op welke termijn de investering kan worden terugverdiend.

Met het oog op het voornemen in het werkprogramma Schoon & Zuinig om de EIA voor de gebouwde omgeving te verruimen wordt op dit moment onderzocht of het mogelijk is om de EIA aan te laten sluiten bij het energielabel dat per 1 januari 2008 aanwezig moet zijn bij bouw, verkoop of verhuur van gebouwen. Onderzocht wordt of het mogelijk is om EIA mogelijk te maken voor een pakket dat leidt tot een bepaalde prestatie, bijvoorbeeld een labelverbetering van minimaal 2 labels of minimaal label B.

Deze prestatiebenadering sluit aan bij de doelen van Meer met Minder. Gestreefd wordt om dit voorstel in de nieuwe EIA-lijst op te nemen, zodat hier per 1 januari 2009 gebruik van kan worden gemaakt.

Ook binnen de Europese Unie wordt gedacht over fiscale mogelijkheden voor energiebesparende producten en diensten. Nederland is binnen de toegelaten marges van concurrentieverstoring van de interne markt voorstander van de mogelijkheid om milieuvriendelijke producten en diensten onder het verlaagde BTW-tarief te brengen.

34

Wat is de precieze oorzaak van de overschrijding op de post van de huurtoeslag in het licht van de beperking van de huurstijgingen, de afnemende werkloosheid, de loonontwikkelingen van de laatste twee jaar, etc.?

Het is nu nog niet mogelijk om een sluitende verklaring te geven voor de toenemende kosten voor de huurtoeslag. Zoals in het antwoord op vraag 70, vraag 41 en vraag 45 ook wordt aangegeven zijn naar verwachting van de belastingdienst in de zomer van 2008 de definitieve toeslagen 2006 verwerkt en kan begonnen worden met een analyse hiervan en de doorvertaling naar het budget huurtoeslag in de daaropvolgende jaren. In het najaar van 2008 moet duidelijkheid kunnen worden gegeven over de effecten op het budget huurtoeslag.

35

Hoe verklaart u de stijging van de geschatte overschrijding van de huurtoeslag van € 297 miljoen, gezien uw antwoorden bij vragen over de Najaarsnota 2007 waarin gesteld werd dat de overschrijdingen huurtoeslag voor 2007 naar verwachting beperkt zou blijven tot € 96,4 miljoen en voor 2008 tot €62,4 miljoen, mede gelet op het feit dat er in mei 2008 nog steeds geen betrouwbare beleidsinformatie beschikbaar is over de ontwikkeling van het budget huurtoeslag?

In de Voorjaarsnota 2007 is aangegeven dat binnen de huurtoeslag voor 2007 een overschrijding in de huurtoeslag verwacht werd van € 96,4 miljoen, met doorwerking naar latere jaren. Bij najaarsnota bleek op basis van nadere cijfers over de kasuitputting 2007 de genoemde overschrijding al hoger uit te komen dan bij voorjaarsnota verwacht (€ 195 miljoen). Bij de overschrijding in de najaarsnota is daarbij aangegeven dat een analyse van de toenemende kosten mogelijk is, wanneer de Belastingdienst informatie heeft geleverd. Zoals in het antwoord op vraag 70, vraag 41, vraag 45 en vraag 34 ook wordt aangegeven zijn naar verwachting van de belastingdienst in de zomer van 2008 de definitieve toeslagen 2006 verwerkt en kan begonnen worden met een analyse hiervan en de doorvertaling naar het budget huurtoeslag in de daaropvolgende jaren. In het najaar van 2008 moet duidelijkheid kunnen worden gegeven over de effecten op het budget huurtoeslag.

Vraag 36 ontbreekt in de nummering van de vragen.

37

Kan een verdeling over inkomensklassen worden gegeven als het gaat om het toekennen van huurtoeslagen?

Het is mogelijk een verdeling over inkomensklassen te geven zodra het definitief toekennen van de toeslagen 2006 door de Belastingdienst is afgerond. Op dat moment zijn de gegevens over inkomens en de ontvangen toeslagen bekend die hiervoor nodig zijn. Zoals ook in het antwoord op vraag 70 wordt aangegeven zijn – naar verwachting van de belastingdienst – in de zomer van 2008 de definitieve toeslagen 2006 verwerkt (m.u.v. definitieve toekenning waarvoor reactie van de aanvrager noodzakelijk is) en kan begonnen worden met een analyse hiervan. De verwachting is dat in het najaar van 2008 de gevraagde informatie kan worden gegeven

38

Wat bent u (samen met de Belastingdienst) voornemens te doen om de door de Algemene Rekenkamer geconstateerde onrechtmatigheid in de verplichtingen bij de huurtoeslag in de toekomst te voorkomen?

De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de huurtoeslag, en dus ook voor de rechtmatigheid van die uitvoering, berust bij de Staatssecretaris van Financiën. Door mijn voornemens ter vereenvoudiging van de huurtoeslag, zoals die onlangs bij uw Kamer zijn ingediend, ondersteun ik genoemde Staatssecretaris zo veel mogelijk hierbij.

39

Hoe wordt het toezicht op de huurtoeslagen verbeterd?

Aangezien de verantwoordelijkheid voor het toezicht, net als voor de verdere uitvoering, berust bij de Staatssecretaris van Financiën, verwijs ik u voor het antwoord op deze vraag naar de mededelingen die deze Staatssecretaris hierover heeft gedaan in zijn brief aan uw Kamer van 30 mei jl.

40

In welke mate zullen teveel toegekende huurtoeslagen worden teruggevorderd?

Teveel of onterecht toegekende huurtoeslagen zullen conform de Awir systematiek worden teruggevorderd.

De Awir systematiek houdt in dat te veel of onterecht uitbetaalde bedragen kunnen worden teruggevorderd of verrekend met een uit te betalen tegemoetkoming of voorschot daarop en met uit te betalen bedragen inkomenstenbelasting, premie volksverzekeringen en heffingsrente begrepen in een aanslag of voorlopige aanslag inkomstenbelasting. Het terug te vorderen bedrag moet binnen 2 maanden na dagtekening zijn ontvangen c.q. verrekend, tenzij een betalingsregeling wordt getroffen. De Awir voorziet in een versoepeling van de standaard betalingsregeling voor toeslagenschuld voor bijzondere gevallen.

41

Hoe kan het dat, ondanks een inflatievolgend huurbeleid, de kosten voor de huurtoeslag toenemen?

Het is nu nog niet mogelijk om een sluitende verklaring te geven voor de toenemende kosten voor de huurtoeslag. Zoals in het antwoord op vraag 70 ook wordt aangegeven zijn naar verwachting in de zomer van 2008 de definitieve toeslagen 2006 verwerkt en kan begonnen worden met een analyse hiervan en de doorvertaling naar het budget huurtoeslag in de daaropvolgende jaren. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat het inflatievolgende huurbeleid in 2007 is ingegaan, zodat dit voor het uitvoeringsjaar 2006 geen verklaring oplevert. In het najaar van 2008 moet duidelijkheid kunnen worden gegeven over de effecten op het budget huurtoeslag.

42

Hoe kan het dat het afhandelen van de oude huursubsidieaanvragen nog steeds € 17 miljoen kost, terwijl de huursubsidie-regeling al begin 2006 is vervangen door de huurtoeslag? Betekent dit dat een grote groep huurders in 2007 te weinig ontvangen huursubsidie van voor januari 2006 alsnog heeft ontvangen? Hoeveel oude huursubsidiezaken zijn er nu nog?

De uitgaven in 2007 ten behoeve van de uitvoering van de huursubsidie bedroegen ruim € 14,2 mln. Ieder huursubsidietijdvak is afgesloten met nacontroles. Hierin werden de door de aanvrager verstrekte gegevens gecontroleerd aan de hand van de gegevens zoals die bij de Belastingdienst bekend waren. Controle vond enige tijd na afloop van het subsidietijdvak plaats omdat de Belastingdienst eerst de inkomens definitief moest vaststellen. Ook over het laatste huursubsidietijdvak (de tweede helft van 2005) hebben nacontroles plaatsgevonden waarvan de financieel effecten grotendeels in 2007 terecht zijn gekomen.

43

Hoe verklaart u de apparaatskosten van € 6,6 miljoen voor het afhandelen van oude huursubsidiezaken?

De apparaatskosten voor het afhandelen van oude huursubsidiezaken bedroegen in 2007 € 14,2 mln. (zie tabel 3.2, blz. 66). In het jaar 2007 zijn nog vele werkzaamheden uitgevoerd in het kader van de afhandeling van de huursubsidie als gevolg van de verplichtingen zoals die in de Wet Huursubsidie zijn opgenomen. Zo zijn er door VROM in 2007 nog ca. 50 000 brieven beantwoord en zijn er kosten gemaakt door het Centraal Justitieel Incasso Bureau dat met ingang van 2007 in opdracht van VROM de incasso verzorgt van de terugvorderingen die zijn ontstaan als gevolg van teveel uitgekeerde huursubsidie. Het betreft een verplichting die loopt tot 2011, en die dus ook in de jaren 2008 tot en met 2011 tot uitgaven leidt; het gaat om de incasso van ca. 30 000 vorderingen voor een bedrag van ca. € 30 miljoen.

44

Hoeveel geschillen over servicekosten zijn in 2007 aangedragen? En hoeveel in de voorgaande jaren? In hoeveel van de gevallen werd de huurder in het gelijk gesteld?

In 2007 ontving de Huurcommissie 4 186 verzoeken over servicekosten. In de voorgaande jaren was de instroom als volgt:

jaar2003200420052006
instroom2 9084 0184 3162 804

De instroom in 2007 ligt ongeveer op het normale niveau. Het lagere aantal verzoeken in 2003 is in belangrijke mate een gevolg van het feit dat het pas met ingang van 1 augustus 2003 mogelijk werd om de Huurcommissie te vragen om een oordeel over het voorschotbedrag (in plaats van de afrekening). In 2003 werd daardoor maar een klein aantal van deze verzoeken gedaan.

Het lagere aantal verzoeken in 2006 is vooral veroorzaakt door het in dat jaar ontbreken van collectieve zaken. Dit zijn grote aantallen gelijkluidende verzoeken met betrekking tot één complex van woningen. In dat jaar werden vooral individuele verzoeken gedaan, waardoor het absolute aantal procedures lager uitviel.

Over 2007 en voorgaande jaren is niet bijgehouden in welke gevallen de huurder in het gelijk werd gesteld. In het kader van een onderzoek naar het maatschappelijk rendement van de huurgeschillenbeslechting is dit gegeven voor 2006 achterhaald. In 2006 was bijna twee van de drie uitspraken over de afrekening van de servicekosten in het voordeel van de huurder. De rapportage van dit onderzoek zal ik op korte termijn aan uw Kamer zenden. Vanaf begin 2008 registreert de Huurcommissie dit gegeven wel.

45

Kan het zeer lage aantal door de Belastingdienst/Toeslagen bij de Huurcommissie aangedragen toetsverzoeken een (gedeeltelijke) oorzaak zijn van de hogere uitgaven voor de huurtoeslag?

Het is nu nog niet mogelijk om een sluitende verklaring te geven voor de toenemende kosten voor de huurtoeslag. Zoals in het antwoord op vraag 70 en vraag 41 ook wordt aangegeven zijn naar verwachting van de belastingdienst in de zomer van 2008 de definitieve toeslagen 2006 verwerkt en kan begonnen worden met een analyse hiervan en de doorvertaling naar het budget huurtoeslag in de daaropvolgende jaren. In het najaar van 2008 moet duidelijkheid kunnen worden gegeven over de effecten op het budget huurtoeslag. Overigens is uit ervaringen uit het verleden wel gebleken dat het materiële belang van de redelijkheidstoets voor de huursubsidie gering was. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat het belang van de redelijkheidstoets is gewijzigd. Dit is ook één van de aanleidingen geweest om de systematiek van de redelijkheidstoets te wijzigen per 1 januari 2008.

46

Waarom zal het aantal toetsen op de redelijkheid van de huurprijs minder worden na de vereenvoudiging van de huurtoeslagregelgeving?

Door een verbeterde risicoselectie worden de toetsen op de redelijkheid zoveel mogelijk gericht op excessen. Enerzijds zullen kleine overschrijdingen op de huurprijs in mindere mate worden opgespoord. Anderzijds zullen grote overschrijdingen en veelvuldig overschrijdende verhuurders vaker worden opgespoord. Hierdoor kan het aantal toetsen sterk worden verminderd.

47

Hoe komt het dat het toetsen op de redelijkheid van de huurprijs een dusdanig lage prioriteit had bij de Belastingdienst, dat nog geen tien procent van de streefwaarde is gerealiseerd? Zijn er mogelijkheden om dit op een andere manier tijdelijk op te lossen, bijvoorbeeld door de inzet van het ministerie van VROM?

Een van belangrijke redenen waarom de Belastingdienst minder redelijkheidstoetsen uit heeft laten voeren dan gewenst, was – aldus de belastingdienst – gelegen in de automatiseringsproblemen waar de Belastingdienst in 2006 en 2007 mee worstelde. Inzet vanuit het ministerie van VROM zou daar geen oplossing hebben kunnen bieden. Daarnaast is ook in de brief van 17 september 2007 over de vereenvoudiging in de huurtoeslagregelgeving melding gemaakt van de vraagtekens die gezet kunnen worden bij de doelmatigheid van de redelijkheidstoets zoals die tot 2008 werd uitgevoerd. Beide zaken zijn aanleiding geweest voor een aanpassing van de redelijkheidstoets per 1 januari 2008.

48

Zijn er voornemens om te onderzoeken of de huurtoeslagdruk voor meerpersoonshuishoudens met kind op 130% van het wettelijk minimum loon kan worden verminderd, zeker omdat deze huurtoeslagdruk hoger is dan in het laatste jaar van de voorgaande kabinetsperiode (2006)?

De mate waarin inkomensverbeteringen, bijvoorbeeld door werkaanvaarding, deels teniet worden gedaan door gevolgen voor huurtoeslag, maar ook belastingheffing en andere inkomensafhankelijke regelingen, heeft de aandacht van het Kabinet. Dit in het kader van de bestrijding van de zogenaamde armoedeval. Daarbij is het effect van de huurtoeslag één van de elementen waar naar gekeken wordt, er zijn echter ook tal van andere mogelijkheden om de armoedeval te beperken. Er ligt daarom geen concreet voornemen om specifiek te kijken naar vermindering van de huurtoeslagdruk voor de genoemde huishoudens.

49

Hoeveel gemeenten verstrekken startersleningen? Is er bij al de startersleningen sprake van cofinanciering van gemeente en rijk?

In totaal voeren 161 gemeenten een startersregeling. Ultimo 2007 hadden 30 gemeenten nog een eigen startersregeling. Steeds meer gemeenten stappen over op de VROM startersregeling, welke al door 131 gemeenten wordt gevoerd. Alleen bij de VROM starterslening is sprake van cofinanciering van gemeente en rijk. Begin juni 2008 is het aantal gemeenten dat de VROM starterslening voert gestegen naar 167. De verwachting is dat dit aantal in 2008 nog verder zal toenemen.

50

Welk bedrag heeft het rijk verstrekt aan startersleningen? Hoeveel budget voor het verstrekken van startersleningen is er nu nog beschikbaar?

In 2007 zijn 640 VROM startersleningen verstrekt voor in totaal € 19 940 000. Conform de financieringsmethodiek (Netto Contante Waarde van de rentekosten) die met de SVn is afgesproken is hiervoor een bedrag van € 2 667 000 onttrokken aan het totale meerjarige budget van 40 miljoen euro dat voor VROM startersleningen beschikbaar is. De verwachting was dat met deze 40 miljoen euro ongeveer 10 000 bijdragen aan startersleningen kunnen worden verstrekt over een periode van 5 jaar. Het bedrag dat in 2007 is ingezet is lager dan geraamd vanwege het lagere aantal verstrekte VROM starterleningen dan verwacht (640 leningen tegenover 2 000) en doordat de gemiddelde hoofdsom (€ 31 000,–) lager is dan geraamd (€ 35 000,–). Rekening houdend met de afboeking van de initiële kosten en de beheervergoeding van de SVn en met de bijboeking van ontvangen rente is het saldo van het VROM startersfonds per ultimo 2007 € 38 730 000. Deze gegevens zijn afkomstig uit het jaarverslag van de SVn.

51

Hoeveel geld hebben de gemeenten in 2007 niet uitgegeven aan de inburgeringstrajecten en hoeveel budget is daarom meegenomen naar 2008?

Ik ga er met u vanuit dat gemeenten het voor 2007 beschikbare budget voor de inburgeringstrajecten niet volledig hebben uitgegeven. Op dit moment is echter onbekend hoe hoog de onderuitputting precies is. De gemeenten moeten immers zich nog verantwoorden over de inburgering voor 2007. Dat doen zij voor het vaste en variabele deel van de rijksbijdrage in de gemeenterekening 2007. Voor het overgrote deel van de rijksbijdrage, het prestatie-afhankelijke deel, vindt de verantwoording over de jaren 2007–2009 plaats in de jaarrekening 2009 (voor grotere gemeenten, de G31) of de jaarrekening 2011 (de kleinere gemeenten, de zogenaamde niet-G31).

52

Welke positieve ontwikkelingen beginnen zich nu af te tekenen in de arbeidspositie en het opleidingsniveau van migranten en hun kinderen? Kunt u concrete cijfers geven?

• Gedurende het afgelopen jaar is de werkloosheid onder niet-westerse migranten gedaald. In het vierde kwartaal van 2007 was de werkloosheid onder niet-westerse migranten 9,1 procent. In het vierde kwartaal van 2006 was dat nog 12,4 procent. Onder de jonge niet-westerse migranten van 15 tot 25 jaar liep de werkloosheid terug van 22 procent in 2006 tot 15 procent in 2007. De werkloosheid onder niet-westerse migranten is hiermee in een jaar tijd met bijna 30 procent gereduceerd. De afname van de werkloosheid onder niet-westerse migranten is hoger dan onder autochtonen.

• Het gemiddelde opleidingsniveau van niet-westerse migranten stijgt langzaam maar zeker. De tweede generatie niet-westerse migranten heeft een veel hoger opleidingsniveau gehaald dan de eerste generatie. Zo heeft van de tweede generatie Marokkanen ruim 70% een opleidingsniveau van mbo of hoger, terwijl dit voor 30% van de eerste generatie geldt. Bij Turkse en Marokkaanse Nederlanders is met name het aandeel zeer laagopgeleiden (maximaal basisonderwijs) aan het dalen.

• Ook de prestaties en schoolloopbanen van niet-westerse leerlingen zijn de afgelopen jaren verbeterd. De prestatieachterstand van deze groep leerlingen aan het einde van het basisonderwijs is verminderd. De afgelopen 10 jaar is een duidelijk stijgende lijn in de Cito-scores van vooral Turkse en Marokkaanse leerlingen te onderkennen. Beide groepen hebben sinds 1994 ongeveer een derde van hun achterstand op autochtone niet-achterstandskinderen ingelopen.

• Bij de verschillende niet-westerse groepen is een opwaartse trend zichtbaar in het voortgezet onderwijs, vooral dankzij een vermindering van het aantal leerlingen in de laagste (basisberoepsgerichte) vmbo-leerweg. Eenmaal in het bezit van een diploma stromen niet-westerse leerlingen op ruime schaal door naar vervolgopleidingen, bovendien kiezen ze vaker voor de hoogst mogelijke vervolgopleiding.

• De instroom van niet-westerse leerlingen in havo/vwo is groter geworden en het aandeel niet-westerse studenten in het hoger onderwijs is toegenomen. De deelname van niet-westerse studenten aan het hoger onderwijs is over de afgelopen 10 jaar verdubbeld. Er is vooral een toename van niet-westerse studenten aan het hbo (12.9% in 2003 tegen 14.5% in 2007). Inmiddels heeft 1 op de 8 eerstejaars studenten in het hoger onderwijs een niet-Nederlandse achtergrond. (Bron: Jaarrapport Integratie 2007)

53

Waaruit valt op te maken dat er enige verbetering zichtbaar is in de wederzijdse beeldvorming?

De stelling dat er enige verbetering zichtbaar is in de wederzijdse beeldvorming (van migranten en autochtonen) is gebaseerd op de volgende onderzoeksgegevens:

1. Eind 2006 meende 71 procent van de bevolking dat er «teveel buitenlanders zijn die zich niet aanpassen aan de Nederlandse cultuur». In 2002 was nog 81 procent die mening toegedaan (M. Lampert (2007). Mentality onderzoek.«Motivaction».(P. Giesen (2007; Een land dat langzaam ontspant. Volkskrant 23 juni 2007).

2. Een soortgelijke verschuiving is er in het percentage mensen dat vindt dat buitenlanders een verrijking zijn voor de Nederlandse cultuur. In 2002 onderschreef 41 procent van de bevolking deze mening, eind 2006 was dit opgelopen tot 49% (idem Volkskrant 23 juni 2007).

3. In de periode 1997–2004 meende steeds ongeveer de helft van de bevolking dat er in Nederland teveel allochtonen wonen. In 2006 is dit gedaald tot 40 procent (SCP (2007) Jaarrapport Integratie 2007, pag. 290).

4. Een nog sterkere verandering is er ten aanzien van de acceptatie van allochtonen als naaste buren. In 2002 had nog tegen de 60 procent van de bevolking hier moeite mee. In 2006 is dit afgenomen tot 40 procent (idem SCP 2007, pag 290).

5. Ondanks de verharding van het opinieklimaat in de afgelopen periode heeft zo’n tweederde van de Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse Nederlanders positieve opvattingen over autochtonen (idem SCP 2007, pag. 292).

Deze gegevens zijn ook vermeld in de Integratienota 2007–2011 die door de minister voor WWI op 13 november 2007 aan de Kamer is aangeboden (Tweede Kamer, 2007–2008, 31 268, nr. 1).

54

Hoe beoordeelt u de betrokkenheid, medewerking en inzet van de G4?

Voor wat betreft het integratiedossier heeft er bij de G4 met het aantreden van de nieuwe colleges een heroriëntatie plaatsgevonden op de opgaven waar de G4 voor staan. De G4 zien het als hun taak de sociale samenhang op lokaal niveau te bevorderen. Ieder op hun eigen wijze concentreren zij zich op het versterken van «stadsburgerschap». Via lokale projecten en initiatieven stimuleren zij de betrokkenheid van allochtone en autochtone burgers bij hun stad. Identificatie met en verantwoordelijkheid voor de directe leefomgeving vormen in elk van de vier grote steden aangrijpingspunten om stadsburgerschap te vergroten en integratie over etnische scheidslijnen heen tot stand te brengen. Voorts heb ik intensief overleg met de G4 over het op orde brengen van de inburgering.

De inspanningen van de G4 op het terrein van integratie sluiten goed aan bij het beleid van het kabinet. Kabinetsbeleid en gemeentelijk beleid op het terrein van integratie versterken elkaar.

55

Hoeveel geestelijk bedienaren hebben bij het CINOP/Kontakt der Kontinenten de voor hen bedoelde inburgeringscursus gevolgd en hoeveel hebben er examen gedaan?

Er zijn op dit moment drie groepen geestelijke bedienaren die de speciale inburgeringscursus volgen, het gaat in het totaal om 28 geestelijke bedienaren. Een vierde cursus met 12 deelnemers start binnenkort. De cursus duurt 18 maanden en de eerste groep zal in oktober 2008 het inburgeringsexamen afleggen.

56

Wat valt te zeggen over de bureaucratische last om het keurmerk inburgering te «bemachtigen»?

Onderwijsinstellingen die een keurmerk willen hebben, moeten:

aanvraagformulier (beschikbaar op website Stichting Blik op Werk) opsturen naar de Stichting Blik op Werk (SboW).

Vervolgens wordt een proces-audit gedaan door één van de vier certificerende instituten (auditors).

Op grond van deze audit geeft het certificerende instituut een advies aan SBoW over wel/niet toekennen van een voorlopig Keurmerk.

Na toekenning van het voorlopige Keurmerk houdt de opleidingsinstelling de start van cursisten, het verloop van hun opleiding en hun slagen/zakken bij.

Na 6–9 maanden vindt een tussentijdse audit plaats door het certificerende instituut.

Voor een tevredenheidsonderzoek moet de instelling 3 keer per jaar contactgegevens over cursisten, die ¾ van hun cursus hebben doorlopen, aan een extern onderzoeks-bureau verstrekken.

De opleidingsinstellingen met een voorlopig Keurmerk moeten gegevens na 1 jaar rapporteren, waarna zij een audit ondergaan voor toekenning van het definitieve Keurmerk. Op basis van de uitkomsten van het tevredenheidsonderzoek, de audit en de rapportage van de opleidingsinstelling adviseert het certificerende instituut aan SBOW over wel/niet toekennen van het (definitieve) Keurmerk. SBOW kent het Keurmerk toe of wijst af.

57

Valt al iets te zeggen over de haalbaarheid van het verder verhogen van de zak-/slaaggrens voor de Toets gesproken Nederlands?

Nee, daar valt op dit moment nog niets over te zeggen. Er lopen momenteel 2 onderzoeken: het onderzoek naar de precieze zak-/slaaggrens voor het niveau A1min en het onderzoek naar de haalbaarheid om niveau A1 als eis te stellen en de randvoorwaarden die daarbij van rijkswege dienen te worden geboden. Beide onderzoeken zullen in het najaar 2008 zijn afgerond.

58

Wat is de stand van zaken met betrekking tot de afbouw van het oude inburgeringsstelsel en in hoeverre was de eenmalige bijdrage van € 45 miljoen extra aan de gemeenten voldoende?

Met betrekking tot de afwikkeling van de Regelingen inburgering oudkomers uit 2006 voor de G30, de G25 en de niet-G56 gemeenten, die een doorlooptijd hebben tot 1-1-2008, hebben bijna alle deelnemende gemeenten onlangs de verantwoording over 2006 en 2007 ingediend. Deze worden momenteel verwerkt. De G25 en de niet-G56 gemeenten ontvangen vóór 1 juli 2008 een beschikking waarmee de Rijksbijdrage definitief wordt vastgesteld onder verrekening van het in 2006 ontvangen voorschot. De G30 gemeenten ontvangen hierover een bericht. Op grond van het Besluit BDU-SIV wordt pas in 2009 de bijdrage voor het inburgeringsdeel van de Brede Doeluitkering definitief vastgesteld. Met betrekking tot de afwikkeling van de Wet inburgering nieuwkomers (WIN), die een doorlooptijd heeft tot 1-1-2009, zullen alle deelnemende gemeenten in 2009 via de gemeenterekening over 2008 het in 2006 ontvangen voorschot verantwoorden. De definitieve vaststelling van de rijksbijdrage Win over 2006 t/m 2008 vindt uiterlijk op 1 oktober 2009 plaats. De eenmalige bijdrage van € 45 miljoen aan de gemeenten was bedoeld voor de financiering van de zogenaamde WEB-trajecten die op het moment van ingang van de Wet Inburgering op 1-1-2007 nog niet waren afgerond. Momenteel vindt hierover de verantwoording plaats.

59

Zijn de kosten van Win-inburgeraars die uiteindelijk een WI traject moeten afleggen inbegrepen bij de eenmalige bijdrage van 45 miljoen euro?

Nee. De eenmalige bijdrage van € 45 miljoen was bestemd voor de op 1-1-2007 nog lopende WEB-trajecten. Inburgeraars, die een WIN traject volgden op 1-1-2007 (waarvoor een WIN-voorschot in 2006 was ontvangen) kunnen bij een ontoereikend resultaat een WI-traject aangeboden krijgen. Dit wordt bekostigd uit het ontvangen WI-voorschot.

60

Wat is de prognose van het aantal Win inburgeraars die de profieltoets niet zullen halen en uiteindelijk een WI traject moeten gaan volgen?

In 2005 en 2006 zijn in het kader van de Wet inburgering nieuwkomers (Win) in totaal 33 836 nieuwkomers gestart met een inburgeringsprogramma. Op basis van de gegevens in de Monitor Inburgering haalt, gemiddeld over alle vier taalvaardigheden, circa 56% van de nieuwkomers de profieltoets op NT2-niveau 2 niet. Hiervan uitgaande zouden maximaal 19 000 nieuwkomers alsnog (onderdelen van) het inburgeringsexamen moeten doen. Of deze nieuwkomers nog een programma nodig hebben is afhankelijk van de mate waarin zij inmiddels op andere wijze hun niveau hebben verhoogd.

61

Hoe verlopen de naturalisatieceremonies? Welke ervaringen zijn hiermee inmiddels opgedaan?

Een naturalisatieceremonie is een feestelijke bijeenkomt waarin plechtig wordt stilgestaan bij de verkrijging van het Nederlandschap. Tot 1 januari 2006 was de gebruikelijke manier om een aanvrager van naturalisatie het besluit tot verlening van het Nederlandschap per brief bekend te maken. Vanaf 1 januari 2006 zijn gemeenten verplicht om op ten minste één dag in het jaar een naturalisatieceremonie te organiseren. De eerste naturalisatiedag heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2006. Begin 2008 is besloten de datum voor de naturalisatiedag te verplaatsen naar 15 december (Koninkrijksdag).

Het verloop van de naturalisatieceremonie kunnen gemeenten naar eigen wens invullen. De vormgeving van de ceremonies verschilt dan ook per gemeente en kan variëren van het ontvangen van naturalisandi in een intieme sfeer op de kamer van de burgemeester tot een grootschalige ceremonie met receptie. Wel dient in elke gemeente een formeel deel plaats te vinden waarin de Nieuwe Nederlanders officieel welkom worden geheten door het bevoegd gezag (de burgemeester dan wel diens plaatsvervanger) door middel van een toespraak of gesprek. Ook worden de officiële documenten door het bevoegd gezag persoonlijk aan de naturalisandi uitgereikt.

Het WODC verzorgt een evaluatieonderzoek omtrent de invoering van de naturalisatieceremonie. In dit onderzoek worden ook de eerste ervaringen van naturalisandi en optanten meegenomen. U ontvangt het evaluatierapport rond de zomer van 2009.

62

Welke (duurzame) effecten heeft de campagne «leersuccessen in het vmbo/mbo» tot stand gebracht?

Door specifieke ondersteuning zijn taal- en vakdocenten van de deelnemende vmbo- en mbo-scholen meer gaan samenwerken en meer gaan afstemmen. Uit het evaluatie- en observatieonderzoek blijkt dat de docenten naar eigen zeggen meer zijn gaan samenwerken. Ook rapporteerden de leerlingen meer zichtbare samenwerking en afstemming tussen de taal- en de vakdocenten. Uit het observatieonderzoek komt bovendien naar voren dat zowel vakdocenten als taaldocenten meer taalontwikkelende didactieken toepassen; ze bieden meer taalondersteuning aan leerlingen, meer interactie-mogelijkheden en maken bij het lesgeven vaker gebruik van uitleggen in de context. De leerlingen hebben hun woordenschat vergroot, zowel bij de lessen Nederlands als bij andere vakken. Tijdens het slot van de campagne hebben alle docenten aangegeven dat zij willen doorgaan op de ingeslagen weg en dat zij hopen dat hun scholen onderling betere afspraken maken over de (warme) overdracht van leerlingen van het vmbo naar het mbo.

De ervaringen die opgedaan zijn in de campagne, zijn vastgelegd in de handreiking «doorgaan met taal». Daarnaast zijn er aanvullende instrumenten ontwikkeld voor het bevorderen van de samenwerking tussen taal- en vakdocenten en voor samenwerking tussen vmbo- en mbo-docenten. Ook zijn er hulpmiddelen ontwikkeld voor docenten, praktijkbegeleiders en taalcoaches voor het verruimen van taalontwikkeling van leerlingen, zowel in taalactiviteiten, als in vaklessen en op de stageplek. Momenteel vinden er gesprekken plaats tussen WWI en het ministerie van OCW om te bezien hoe de ervaringen van de campagne verder uitgedragen kunnen worden. Het ministerie van OCW zal de informatie over de campagne op haar website zetten en via een nieuwsbrief bijdragen aan de verspreiding van de campagne en de methode. Daarnaast zullen er, via OCW, een aantal bijeenkomsten georganiseerd worden voor scholen en gemeenten die interesse hebben in de campagne leersuccessen.

63

Wat is de ratio voor de wijziging van de systematiek van begroten (opnemen van de meerjarige verplichtingen in de realisatie 2007) bij de overgang van het GSB van BZK naar WWI en welke consequenties heeft het opnieuw waarderen van de verplichten?

Het opnieuw waarderen van de verplichtingen onderstreept de beleidsverantwoordelijkheid voor het Grote Steden beleid van de minister voor WWI. Op basis van de comptabele regelgeving worden alle verplichtingen in de rijksadministratie opgenomen en in de rijksrekening verantwoord. Bij het overboeken van de verplichtingenbudgetten van de begroting van BZK naar de begroting van VROM was onvoldoende rekening gehouden met het meerjarige karakter van deze verplichtingen. Het opnieuw waarderen van de verplichtingen leidt niet tot wijzigingen in de budgetten voor de uitgaven.

64

Hoeveel geld van de post communicatie-instrumenten is besteed aan de inhuur van communicatieadviesbureaus, evenementenbureaus en andere externe bureaus die zich bezig houden met advisering en/of de uitvoering van het communicatiebeleid?

Op de post communicatie-instrumenten worden alle uitgaven geboekt voor de productie van communicatiemiddelen – zoals campagne-uitingen – alsmede voor de inhuur van bureaus en personen die zich bezighouden met advisering en/of uitvoering van het communicatiebeleid. Hieronder valt dus de inhuur van bijvoorbeeld communicatieadviesbureaus, evenementenbureaus, reclamebureaus, onderzoeksbureaus, tekstschrijvers, vormgevers, fotografen, drukkers, online-adviesbureaus, free-publicitybureaus, distrbutiebureaus, enz.

65

Hoeveel geld van de post communicatie-instrumenten is besteed aan de inhuur van externe communicatieadviseurs die tijdelijk of op detacheringsof uitzendbasis op het ministerie van VROM hebben gewerkt?

Niets. Kosten voor inhuur tijdelijke medewerkers worden bij VROM uit een andere post betaald.

66

Is het aantal fte’s van de afdeling communicatie in het jaar 2007 toegenomen ten opzichte van 2006? Zo ja, met hoeveel?

Nee. Het aantal fte’s voor communicatie was zowel in 2006 als 2007 65,4.

67

Hoe zijn de hoge apparaatskosten van Directoraat Generaal WWI te verklaren?

Op elk (beleids)artikel van WWI is een instrument voor de apparaatskosten opgenomen, waarop deze kosten worden begroot en verantwoord. Vergeleken met de verdeling van de budgetten, opgenomen in de ontwerpbegroting 2007, hebben correcties plaatsgevonden die nog samenhangen met een oude conversie van de begrotingsstructuur. Dit heeft voor de apparaatskosten geleid tot per saldo budgettair neutrale herschikkingen tussen de verschillende artikelen. Bovendien is in het kader van de begrotingsuitvoering 2007 sprake geweest van een verschuiving van budgetten tussen de verschillende apparaatsinstrumenten. Dit heeft – vergeleken met de stand ontwerpbegroting 2007 – geleid tot hogere apparaatskosten op artikel 14 (artikel Algemeen, waaraan in de vraag wordt gerefereerd), waar lagere apparaatskosten op artikel 3 (Betaalbaarheid) tegenover staan.

Door de overkomst van de organisatieonderdelen t.b.v GSB (van BZK) en Integratie en Inburgering (van Justitie) zijn de apparaatsuitgaven t.o.v. de ontwerpbegroting toegenomen. Indien hiervoor wordt gecorrigeerd, is de realisatie 2007 t.o.v. de ontwerpbegroting niet noemenswaardig veranderd.

68

Kunt u een indicatie geven van het aantal persberichten dat in een normale situatie per dag uitgaat en kunt u aangeven hoe zich dit verhoudt tot het gemiddelde van 2 tijdens de 100 dagentour?

In het jaarverslag is bedoeld te zeggen dat in heel 2007, dus ook tijdens de honderd dagen dialoog, VROM ongeveer 200 persberichten heeft uitgebracht. Daarmee ligt het gemiddelde op ongeveer 5 persberichten per week (uitgaande van 40 werkweken). Tijdens de honderd dagen dialoog zijn in grote lijnen niet meer of minder persberichten uitgegeven dan in de rest van het jaar.

69

Kunt u een indicatie geven van het aantal speeches die de beide ministers per dag houden in een normale situatie en kunt u aangeven hoe zich dit verhoudt tot het gemiddelde van 1 tijdens de 100 dagentour?

In het jaarverslag is bedoeld te zeggen dat in heel 2007, dus ook tijdens de honderd dagen dialoog, de beide bewindslieden van VROM/WWI ongeveer 200 speeches hebben uitgesproken. Daarmee ligt het gemiddelde op ongeveer 2,5 speech per bewindsvrouw per week (uitgaande van 40 werkweken). Tijdens de honderd dagen dialoog zijn in grote lijnen niet meer of minder speeches gehouden dan in de rest van het jaar.

70

Wanneer komt er betrouwbare beleidsinformatie beschikbaar over het budget huurtoeslag?

In de zomer van 2008 zijn – naar de verwachting van de belastingdienst – de definitieve toeslagen 2006 verwerkt en kan begonnen worden met een analyse hiervan en de doorvertaling naar het budget huurtoeslag in de daaropvolgende jaren. In het najaar van 2008 moet duidelijkheid kunnen worden gegeven over de effecten op het budget huurtoeslag.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), Van Gent (GL), voorzitter, Van der Staaij (SGP), Kamp (VVD), Arib (PvdA), Poppe (SP), Weekers (VVD), ondervoorzitter, Dijsselbloem (PvdA), Depla (PvdA), Van Bochove (CDA), Van der Ham (D66), Vietsch (CDA), Verdonk (Verdonk), Jansen (SP), Ortega-Martijn (CU), Wolbert (PvdA), Van der Burg (VVD), Van Heugten (CDA), Bouchibti (PvdA), Van Dijk (SP), Thieme (PvdD), Fritsma (PVV), Van Toorenburg (CDA), Uitslag (CDA) en Vacature (algemeen).

Plv. leden: Bilder (CDA), Dibi (GL), Vacature (SGP), Nicolaï (VVD), Timmer (PvdA), Kant (SP), Blok (VVD), Bouwmeester (PvdA), Kraneveldt-van der Veen (PvdA), Willemse-van der Ploeg (CDA), Pechtold (D66), Blanksma-van den Heuvel (CDA), Neppérus (VVD), De Wit (SP), Voordewind (CU), Heijnen (PvdA), Zijlstra (VVD), Haverkamp (CDA), Leerdam (PvdA), Ulenbelt (SP), Vacature (PvdD), Madlener (PVV), Vacature (CDA), Vacature (CDA) en Karabulut (SP).

Naar boven