31 441
Wijziging van de Wet werk en bijstand in verband met decentralisering van de langdurigheidstoeslag en op bevordering van maatschappelijke participatie gerichte ondersteuning van huishoudens met schoolgaande kinderen

nr. 6
VERSLAG

Vastgesteld 16 juni 2008

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1, belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit verslag afdoende zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het voorstel van wet voldoende voorbereid.

Inhoudsopgave

1. Inleiding 1

2. Decentraliseren langdurigheidstoeslag 4

3. Op participatiebevordering gerichte ondersteuning van huishoudens met schoolgaande kinderen 7

4. Financiële en fiscale gevolgen 9

5. Ontvangen adviezen 11

6. Artikelsgewijs 11

1. Inleiding

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij steunen de regering in de ambitie om gemeenten meer armslag te geven bij de bestrijding van armoede door middel van gerichte inkomensondersteuning die zoveel mogelijk gericht moet zijn op het bevorderen van participatie. Met de regering zijn de leden van de CDA-fractie van oordeel dat gemeenten hierbij een belangrijke rol vervullen omdat gerichte ondersteuning en individueel maatwerk het best op lokaal niveau gegeven kan worden.

De leden van de CDA-fractie beoordelen dit wetsvoorstel tegen de achtergrond van de doelstellingen van de Wet werk en bijstand. Deze wet is onder verantwoordelijkheid van kabinet Balkenende II ingrijpend gewijzigd. Vier jaar werken met de nieuwe wet laat zien dat het accent op participatie, individueel maatwerk en een samenhangend stelsel van financiele en andere prikkels effect heeft. Er zijn steeds minder mensen aangewezen op een bijstandsuitkering. Steeds meer mensen weten de weg naar de arbeidsmarkt te vinden.

Aanpassingen van de Wet werk en bijstand moeten naar het oordeel van de leden van de CDA-fractie dan ook passen binnen de doelstellingen van de wet. Voorkomen moet worden dat zodanige aanpassing of verruiming plaats vindt dat de effectiviteit van de wet onder druk komt te staan.

De leden van de CDA-fractie zijn van oordeel van de voorgestelde wijzigingen van de WWB passen binnen de algemene kaders van de WWB.

Daar komt bij dat de regering aangeeft dat met dit wetsvoorstel het eindbeeld dat de regering voor ogen staat wordt gerealiseerd. Deze leden willen graag een bevestiging van de regering dat andere vormen van categoriale bijstand volgens de regering niet passen in het door de regering in dit wetsvoorstel geschetste eindbeeld en dat de regering dus ook niet voornemens is met nieuwe voorstellen te komen.

Graag onderstrepen de leden van de CDA-fractie de opvatting van de regering «dat er geen ruimte is voor andere vormen van categoriaal beleid omdat er dan sprake zou zijn van een ongewenste doorkruising van het rijksinkomensbeleid. Wel vragen deze leden hoe de regering erop toeziet dat er ook feitelijk geen andere vorm van categoriaal beleid door gemeenten wordt uitgevoerd. Welke sancties kan de regering toepassen bij eventuele overtreding door gemeenten?

De leden van de PvdA-fractie hebben met genoegen kennisgenomen van het wetsvoorstel Wijziging WWB ivm decentralisering van de langdurigheidstoeslag en op bevordering van maatschappelijke participatie gerichte ondersteuning van huishoudens met schoolgaande kinderen. Zij steunt de wens van de regering om gemeenten meer armslag te geven in de bestrijding van armoede door middel van gerichte inkomensondersteuning, waar mogelijk gericht op het bevorderen van participatie.

Er zijn kinderen die opgroeien in armoede. Volgens de regering lopen zij een grote kans als volwassene later ook in armoede te leven. De leden van de PvdA-fractie vrezen dat dit inderdaad het geval is en vragen de regering om haar stelling met feitenmateriaal te onderbouwen.

Gemeenten krijgen de mogelijkheid op participatiebevordering gerichte voorzieningen aan te bieden aan huishoudens met schoolgaande kinderen die in armoede leven. Hiertoe behoren ook bijkomende schoolkosten. Kan de regering met een of meer voorbeelden toelichten waaruit deze «bijkomende» schoolkosten kunnen bestaan?

Kan de regering toelichten waarom zij geen minimum- en maximumnormen voor de langdurigheidstoeslag heeft opgenomen in het wetsvoorstel? Zou met zulke normen niet beter kunnen worden gegarandeerd dat het generiek inkomensbeleid dat het rijk voert, niet wordt doorkruist?

Waarom heeft de regering er niet voor gekozen om gemeenten te verplichten in de verordening speciale aandacht te besteden aan Wajong’ers? Op welke manier draagt dit wetsvoorstel volgens de regering bij aan uitvoering van de motie-Heerts 28 333, nr. 88, waarin gevraagd wordt te bevorderen dat de uitkeringsverhoging van WAO-, WAZ- of Wajonggerechtigden bijdraagt aan het streven naar inkomensverbetering?

Waarom worden gemeenten niet verplicht ook een verordening op te stellen voor verstrekking van (de overige vormen van) bijzondere bijstand?

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel tot wijziging van de Wet werk en bijstand. De leden zijn van mening dat armoedebestrijding hoge prioriteit behoeft. Zowel het oplossen van de huidige knelpunten binnen de langdurigheidstoeslag en meer ondersteuning voor kwetsbare groepen, zoals gezinnen met kinderen, kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan armoedebestrijding. De leden van de SP-fractie komen echter tot andere oplossingen om hier aan bij te dragen dan de regering en hebben daarom een aantal vragen. Wat is de stand van zaken van het onderzoek naar de achtergronden en langetermijneffecten van armoede bij kinderen?

De regering hanteert de ambitie het aantal kinderen dat maatschappelijk niet meedoet om redenen van armoede in deze kabinetsperiode met de helft afneemt. Welke ambities heeft de regering als het gaat om de groep mensen die nu gebruik maakt van de langdurigheidstoeslag, de langdurige minima? Is er het streven dat deze groep eveneens deze kabinetsperiode met de helft afneemt? De regering stelt dat werk de beste remedie tegen armoede is. Ook de leden van de SP-fractie zijn van mening dat werk een belangrijk middel is tegen armoede, maar gezien de grote en groeiende groep werkende armen is werk niet de enige remedie. Delen de bewindslieden deze mening? Wat zijn de verwachte kwantitatieve effecten van de voorgenomen wetswijziging voor deze groep werkende armen?

Er wordt aangegeven dat gemeenten categoriale bijzondere bijstand kunnen verstrekken ten behoeve van «de kosten van deelname van schoolgaande kinderen aan sport, cultuur of andere activiteiten gericht op maatschappelijke participatie van kinderen; het is de bedoeling deze categoriale bijzondere bijstand zoveel mogelijk in natura te verstrekken, tenzij er redenen zijn hiervan af te wijken». Wat wordt er verstaan onder «zoveel mogelijk» en wat zijn «redenen om hiervan af te wijken»? Kan de regering een aantal denkbeeldige voorbeelden geven?

De regering stelt dat met de wetswijziging gemeenten de langdurigheidstoeslag moeten blijven verstrekken. De hoogte van de toeslag en de invulling van de begrippen langdurig, laag inkomen en gebrek aan arbeidsmarktperspectief worden nu overgelaten aan het gemeentebestuur. Is de regering het met de leden van de SP-fractie eens dat hierdoor de kans bestaat dat mensen in gelijke gevallen in verschillende gemeenten andere ondersteuning zullen ontvangen? Wat is hierover haar oordeel?

Is voorzien in een evaluatie van het wetsvoorstel? Zo, ja, wanneer kan de Kamer de resultaten van deze evaluatie ontvangen?Zo, neen, bij welke gelegenhe(i)d(en) zal de Kamer geïnformeerd worden over de mate waarin de met het wetsvoorstel beoogde doelstellingen worden bereikt?

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het voorliggend wetsvoorstel. Zij hebben een aantal opmerkingen over het wetsvoorstel, die in dit verslag zijn opgenomen.

Door het categoraal maken van een deel van de langdurigheidstoeslag voor mensen die op zoek zijn naar werk zal de prikkel om de arbeidsmarkt op gaan ook «langdurig» verminderen.

De leden van de VVD-fractie zijn benieuwd hoe de regering dit probleem op lost.

In de Memorie van Toelichting wordt gesteld dat werk de beste remedie tegen armoede is. De leden van de VVD-fractie zijn het hier volledig mee eens. Hoe rijmt dit standpunt met de intentie om gezinnen langdurig vast te zetten in armoede door het verlenen van langdurigheidstoeslagen, zonder dat hieraan een algemene sollicitatie/werkplicht is verbonden? Zoals gesteld is werk de enige echte oplossing voor de armoedesituatie van veel gezinnen.

In het kader van het tegengaan van het «niet-gebruik» van de langdurigheidstoeslag wil de regering actief doelgroepen gaan benaderen. De leden van de VVD-fractie stellen vragen bij de effecten die dit beleid zal hebben op de arbeidsmoraal van werkzoekenden en mensen die tegen een laag inkomen werken.

De leden van de PVV-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggend wetsvoorstel. Naar aanleiding van genoemd voorstel brengen zij de navolgende vragen en op-/aanmerkingen naar voren.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het onderhavige wetsvoorstel. Zij hechten waarde aan de langdurigheidstoeslag als een instrument om een uitkering aan te vullen. Hiernaast zien zij het belang van het tegengaan van armoede in gezinnen. Wel hebben zij enkele vragen bij het wetsvoorstel, die in dit verslag zijn opgenomen.

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het voorliggend wetsvoorstel. Op dit moment hebben deze leden geen nadere vragen.

2. Decentraliseren langdurigheidstoeslag

De leden van de CDA-fractie ondersteunen de wijze waarop de decentralisatie van de langdurigheidstoeslag in dit wetsvoorstel vorm krijgt.

Gemeenten kunnen zelf de hoogte van de toeslag vast stellen en moeten in een verordening bepalen wat langdurig is, wat een laag inkomen is en onder welke omstandigheden er sprake is van gebrek aan arbeidsperspectief. Deze leden vinden het belangrijk dat werkenden niet langer uitgesloten zijn van een langdurigheidstoeslag waardoor de armoedeval voor werkenden met een laag inkomen kan worden beperkt en dus werk meer lonend kan zijn.

Wel hebben deze leden vragen bij het criterium «gebrek aan arbeidsmarktperspectief». Waarom zou dit criterium naar het oordeel van de regering moeten worden opgenomen? Is de mogelijkheid van het uitbreiden naar de groep werkenden daarmee niet in tegenspraak. Tonen de resultaten van de WWB tot op heden niet juist aan dat er steeds minder sprake is van een groep mensen met een «gebrek aan arbeidsmarktperspectief»?

Ook willen de leden van de CDA-fractie graag inzicht in het aantal mensen dat op dit moment in aanmerking komt voor een langdurigheidstoeslag. Verwacht de regering dat deze groep ruwweg gelijk zal blijven in omvang? Kan dit beargumenteerd worden aangegeven, mede tegen de achtergrond dat het beschikbare budget gelijk blijft?

Om voor een langdurigheidstoeslag in aanmerking te komen moet een aanvraag worden gedaan. Deze leden gaan ervan uit dat tegen een besluit op grond van de algemene regels ook bezwaar gemaakt kan worden.

Mede vanwege het feit dat dit wetsvoorstel op 1 januari 2009 in werking zou moeten treden betekent dit dat gemeenten snel aan de slag moeten met het opstellen van een verordening en de voorbereiding van de uitvoering van deze nieuwe verantwoordelijkheid. Hoe wordt ook door de regering actief bevorderd dat invoering goed wordt voorbereid? In de Memorie van Toelichting wordt gesteld dat gemeenten in de gemeentefondscirculaire van mei 2008 geïnformeerd worden over de wijze van overheveling, de omvang en de verdeling van het budget voor 2009 en volgende jaren. De leden van de CDA-fractie zien deze informatie ook graag in de nota naar aanleiding van het verslag tegemoet.

De leden van de PvdA-fractie vragen in hoeverre de regering het logisch acht om 65-plussers niet langer uit te sluiten van de langdurigheidstoeslag, nu de hoogte daarvan niet meer eenduidig gelijk wordt getrokken met het verschil tussen de norm voor 65-plussers en 65-minners.

De langdurigheidstoeslag wordt een vorm van bijzondere bijstand. In hoeverre betekent dit dat de langdurigheidstoeslag ook wordt opengesteld voor groepen die nu geen langdurigheidstoeslag kunnen krijgen, zoals studenten?

De leden van de SP-fractie maken zich zorgen over het voornemen tot decentralisering van de langdurigheidstoeslag. Zij zijn van mening dat het recht op de langdurigheidstoeslag afhankelijk zou moeten zijn van de hoogte van iemands inkomen. Nu kan het nog zo zijn dat iemand jaarlijks iets bijverdient, meer dan is toegestaan in het kader van de langdurigheidstoeslag, maar omdat het extra inkomen gekort wordt op de uitkering de persoon er financieel niet op vooruit gaat. Ondanks de inkomsten uit arbeid blijft de hoogte van het inkomen van de persoon gelijk aan het bijstandsniveau. Echter, hij of zij heeft geen recht meer op de langdurigheidstoeslag terwijl hij wel langdurig van een minimuminkomen afhankelijk is. Dit moedigt niet aan om naast de uitkering naar vermogen bij te verdienen, terwijl meedoen en participeren toch zo belangrijk is. Wat is het oordeel van de regering over deze situatie en in hoeverre zal de voorgenomen wetswijziging hier verandering in brengen? Is het denkbaar dat de voorgenomen wetswijziging met betrekking tot de langdurigheidstoeslag er toe leidt dat mensen minder rechten hierop hebben dan nu het geval? Denk bijvoorbeeld aan de hoogte van de bedragen. Oftewel, kan de regering garanderen dat het huidige recht op de langdurigheidstoeslag een minimumwaarborg blijft en de regels niet verslechteren? Zo ja, waaruit blijkt dat en zo neen, waarom niet? Is het mogelijk dat gemeenten bijvoorbeeld «langdurig» gaan definiëren langer dan de huidige vijf jaar, laat zeggen tien jaar? Zo, ja, welke grenzen vindt de regering nog acceptabel?

De regering gaat er van uit dat gemeenten voor wat betreft de hoogte van de toeslag geen excessieve bedragen zullen opnemen. Gaat de regering er ook van uit dat gemeenten geen minimale bedragen zullen opnemen? Zo ja, wat zijn deze bedragen dan? Zo neen, waarom wel een bovengrens en geen ondergrens?Is de regering bereid om landelijke kaders te scheppen rond de invulling van de begrippen langdurig, laag inkomen en gebrek aan arbeidsmarktperspectief ? Wordt er al gewerkt aan een modelverordening in samenwerking met de VNG en cliëntenorganisaties?

De regering stelt dat ze verantwoordelijkheid en armslag met betrekking tot armoedebeleid zwaarder vindt wegen dan verschillen die ontstaan tussen gemeenten. Waarom vindt de regering het acceptabel dat hierdoor rechtsongelijkheid ontstaat op het terrein van inkomensondersteuning? Zijn er naar mening van de regering grenzen aan de rechtsongelijkheid? Zo ja, welke en zo neen, waarom niet?

Waaruit blijkt de verwachting dat de toekomstige regelingen op lokaal niveau de huidige doelgroep niet zullen uitsluiten en de hoogte van de lokale langdurigheidstoeslag ook weinig zal afwijken van de huidige landelijke regeling, waardoor er geen grote inkomenseffecten zullen voordoen? Wat zijn «geen grote inkomenseffecten»? Is het ook de verwachting dat dit niet alleen geldt voor de huidige groep gebruikers, maar ook voor nieuwe gebruikers? Welke actie onderneemt de regering als blijkt dat de verwachtingen niet blijken uit te komen?

De leden van de SP-fractie delen de mening van de Landelijke Cliënten Raad (LCR) met betrekking tot ambtshalve verstrekking. Is de regering alsnog bereid de gemeenten de mogelijkheid te bieden om de langdurigheidstoeslag voor bepaalde groepen ambtshalve te verstrekken? Zo neen, waarom niet, terwijl zowel het uitvoeringspanel als de VNG hierom vragen?

De gewijzigde wetgeving biedt gemeenten nog steeds de mogelijkheid om de langdurigheidstoeslag als voorliggende voorziening te beschouwen voor de bijzondere bijstand. Is de regering met de leden van SP-fractie van mening dat de langdurigheidstoeslag niet gekoppeld dient worden aan de mogelijke toekenning van bijzondere bijstand. Zo neen, waarom niet?

Kan de regering inzicht geven in het aantal personen/huishoudens dat gebruik maakte van de langdurigheidstoeslag in de afgelopen jaren? Wat hanteert de regering hierbij als nulmeting teneinde dit te kunnen vergelijken met de beoogde situatie? Wat is de verwachting ten aanzien van het aantal personen/huishoudens dat na inwerkingtreding van het wetsvoorstel een langdurigheidtoeslag zal ontvangen?

Wordt het aantal verstrekte langdurigheidstoeslagen, gespecificeerd naar doelgroep, duur periode laag inkomen en hoogte van de toeslag, na de decentralisatie gemonitord? Zo, ja, wanneer kan de Kamer een eerste overzicht ontvangen van het aantal verstrekte langdurigheidtoeslagen gespecificeerd naar doelgroep, duur periode laag inkomen en hoogte van de toeslag? Zo, neen, hoe krijgt de regering inzicht in de mate waarin de doelstelling van het wetsvoorstel wordt bereikt?

De Inspectie Werk en Inkomen (IWI) zal een jaar na inwerkingtreding de wijze waarop de langdurigheidstoeslag in de uitvoeringspraktijk wordt vormgegeven voor wat betreft de doelgroep, duur periode laag inkomen en de hoogte van de toeslag onderzoeken.

Kan het onderzoek van de IWI (een jaar na inwerkingtreding van de wet) als een (tussen) evaluatie van het wetsvoorstel voor wat betreft het onderdeel langdurigheidstoeslag worden gezien? Zo, ja, wat is het beoordelingskader bij deze evaluatie? Zo, neen, met welke periodiciteit en bij welke gelegenheid zal de Kamer worden geïnformeerd over de mate waarin de doelstellingen voor het onderdeel doelmatigheidstoeslag worden bereikt?

In de Memorie van Toelichting wordt aangegeven dat ook werkenden die geen perspectief hebben op de arbeidsmarkt door progressief substantieel meer te gaan verdienen, een langdurigheidstoeslag te bieden. Betekent dit een permanente toeslag voor deze groep vragen de leden van de VVD-fractie. Zij vragen wie er tot deze groep gerekend wordt. Ook zijn de leden van de VVD-fractie benieuwd hoe de verdiensten berekend worden? Wordt er rekening gehouden met de mogelijkheid dat mensen in deeltijd werken? Met andere woorden: komen ook mensen die in deeltijd werken in aanmerking voor een langdurigheidstoeslag?

Er wordt gesteld dat «categorale bijzondere bijstand kan de gemeente ook nimmer van de verplichting van maatwerk ontheffen» De leden van de VVD-fractie vragen hoe de voorspelde verlichting van uitvoeringslasten bij de gemeenten hiermee stroken, als er kennelijk nog steeds op individueel niveau getoetst moet worden.

Indien het zoals vermeld in de Memorie van Toelichting de bedoeling is de doelgroep van de langdurigheidstoeslag te verruimen; hoe groot gaat deze groep dan worden?

De leden van de VVD-fractie zijn verrast over de methodologie die wordt toegepast bij de «verruiming» van de doelgroep en de wijze waarop hiermee contact gelegd wordt. Zo wordt de idee om vooraf ingevulde formulieren naar burgers te gaan sturen, die enkel nog ondertekend moeten worden, door de regering gezien als lastenverlichting voor de burger. Bestaat in deze systematiek de mogelijkheid voor burgers, in geval van slechte voorlichting of een gebrekkige actieve rol van de gemeenten bij het wijzen op mogelijke regelingen, om na enkele jaren alsnog, met terugwerkende kracht, aanspraak te maken op deze rechten indien deze niet genoten zijn?

De regering ziet de noodzaak de doelgroepen te verruimen. Meer mensen moeten extra toeslagen krijgen om armoede te bestrijden. Kan het zo zijn dat de noodzaak die de regering hierbij voelt onrealistisch is vergeleken met de gevoelde noodzakelijkheid van financiële steun bij de burger? Wordt er niet een vraag gecreëerd die in werkelijkheid niet bestaat?

De leden van de PVV-fractie delen het standpunt van de regering dat werk de beste remedie tegen armoede is. Er dient alles op alles te worden gezet om iedere persoon die kan werken ook daadwerkelijk aan het werk te krijgen. Wel zetten deze leden enige vraagtekens bij de middelen die de regering wil inzetten bij het bevorderen van een zo groot mogelijke arbeidsparticipatie.

De leden van de PVV-fractie zijn tegen het verlenen van extra financiële ondersteuning aan personen die reeds langere tijd in een uitkeringssituatie verkeren, daar van dergelijke ondersteuning een demotiverende werking zou kunnen uitgaan inzake het actief zoeken naar werk. In dit verband wijzen de leden van de PVV-fractie in het bijzonder op de langdurigheidstoeslag.

Hoe schat de regering het risico in dat van een extra financiële tegemoetkoming een demotiverende werking uitgaat om een baan te zoeken, zo vragen deze leden.

Gemeenten krijgen de vrijheid om zelf definities en hoogtes van bedragen vast te stellen die verband houden met de langdurigheidstoeslag, zo constateren de leden van de ChristenUnie-fractie. Hierbij onderkent de regering dat er rechtsongelijkheid kan ontstaan tussen gemeenten. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering gaat onderzoeken of en zo ja hoe gemeenten invulling hebben gegeven aan de verordening die ten grondslag ligt aan de langdurigheidstoeslag. Voorts vragen zij of de regering voornemens is om ondergrenzen aan te geven ten aanzien van de langdurigheidstoeslag en zo nee, waarom niet? Ook vragen deze leden zich af of de lokale cliëntenraden betrokken worden bij het vaststellen van de plaatselijke verordening?

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat de langdurigheidstoeslag straks ook uitgekeerd kan worden aan mensen die (enkele uren) werken. Dit past in de beleidslijn van de regering dat werk moet lonen. Gaat de regering daarom opleggen dat gemeenten een glijdende schaal moeten hanteren en zo nee waarom niet? En houden ook mensen met een kleine baan ín een uitkeringssituatie ook recht op de langdurigheidstoeslag, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie. Ook vragen zij bij welk inkomen het recht op langdurigheidstoeslag eindigt en wat de regering verder gaat doen om werken in een uitkeringssituatie meer te belonen dan nu?

De regering zet in op enkele vormen van categoriale bijstand, zo constateren de leden van de ChristenUnie-fractie. Deze leden vragen de regering of het mogelijk is dat iemand én categoriale bijzonder bijstand krijgt én langdurigheidstoeslag? Voorts vragen zij hoe gekomen is tot de benoeming van de drie categorieën (ouderen, chronisch zieken en gehandicapten en gezinnen met schoolgaande kinderen) die in aanmerking komen voor categoriale bijzondere bijstand en of hier ook Wajongers onder vallen?

De bijzondere bijstand zal eveneens verstrekt moeten worden aan degene die niet primair tot de doelgroep behoort, maar die voor het overige in vergelijkbare omstandigheden verkeert. Houdt deze stelling in dat bijvoorbeeld ook WW-ers recht kunnen krijgen op de bijzondere bijstand, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie? Zo ja, wie bepaalt of er sprake is van vergelijkbare omstandigheden en kan hiertegen in beroep gegaan worden, zo vragen deze leden?

3. Op participatiebevordering gerichte ondersteuning van huishoudens met schoolgaande kinderen

De leden van de CDA-fractie hebben enkele vragen over de «op participatiebevordering gerichte ondersteuning van huishoudens met schoolgaande kinderen». Met de motie Van Geel cs. is concreet invulling gegeven aan de wens van de leden van de CDA-fractie om gericht extra ondersteuning voor huishoudens met minderjarige kinderen te bieden. Deze ondersteuning moet erop gericht zijn ook voor kinderen die groot worden in een huishouden waarin langdurig van een minimuminkomen moet worden rond gekomen gelijke kansen te bieden. Nu kan een langdurig laag inkomen een belemmering zijn voor de maatschappelijke participatie en ontwikkeling van kinderen. Via het beschikbaar stellen van extra financiele middelen kan hieraan een impuls worden gegeven.

De leden van de CDA-fractie onderschrijven dat verstrekking in natura de beste garantie is dat de extra ondersteuning ook daadwerkelijk bij de kinderen terecht komt. Tegelijkertijd zou verstrekking in natura kunnen betekenen dat sportverenigingen en anderen meer dan nu het geval is welke kinderen via een beroep op de bijstand lid zijn van de vereniging. Dit zou bijvoorbeeld vanwege schaamtegevoelens kunnen leiden tot een ongewenst niet-gebruik. Hoe wil de regering dit proberen te voorkomen?

Hoe stelt de regering zich deze verstrekking in natura concreet voor? Gaat de rekening voor het lidmaatschap van de sportvereniging, de muziekschool of de typecursus rechtstreeks naar de gemeente? Kan de regering aan de hand van een of meer voorbeelden aangeven wat zij reëel en wenselijk acht?

Veel gehoord is inmiddels de computer die bijvoorbeeld bij wijze van bruikleen ter beschikking kan worden gesteld: horen daar ook de inkten en papier verstrekking bij? Wanneer kan van maatschappelijke participatie worden gesproken: lidmaatschap van een sportclub of kan er ook sprake zijn van stapeling van een of meer sporten en/of stapeling van sport en muziek? Kan de verstrekking van voor de sport noodzakelijke kleding ook onder de ondersteuning vallen en moet er naar het oordeel van de regering sprake zijn van een volledig vrije keuze voor de sport, ongeacht de kosten die daaraan verbonden zijn?

Het is in de ogen van de leden van de CDA-fractie terecht dat deze vorm van categoriale bijstand ook beschikbaar is voor mensen die weliswaar niet zijn aangewezen op een bijstandsuitkering maar wel langdurig van een minimuminkomen moeten rond komen. Belangrijk is dat deze groep ook daadwerkelijk wordt bereikt. Kan de regering concreet aangeven aan welke activiteiten word gedacht om te bevorderen dat deze groep die veelal onbekend zal zijn ook gebruik gaat maken van deze nieuwe mogelijkheid?

Gesteld wordt dat als gevolg van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep zal door middel van een individualiserende toepassing van de wet de bijzondere bijstand tevens verstrekt zal moeten worden aan degene die niet primair tot de doelgroep behoort maar voor het overige in vergelijkbare omstandigheden verkeert. Kan de regering via een concreet voorbeeld aangeven in welke situaties zich dit voor kan doen? De leden van de CDA-fractie kunnen zich nauwelijks voorstellen dat daar waar de doelgroep de minderjarige kinderen zijn zich situaties kunnen voordoen waarin mensen die niet minderjarig zijn toch een beroep op deze ondersteuning zouden kunnen doen. zij achten dit ook zeer ongewenst en roepen de regering op om dan toch te bezien op welke wijze in het wetsvoorstel deze individualiserende toepassing kan worden voorkomen.

De leden van de PvdA-fractie hechten sterk aan vermindering van het aantal kinderen dat om financiële redenen niet kan sporten, niet naar muziekles kan et cetera.

De leden van de PvdA-en de SP-fractie vragen de regering aan te geven wanneer een nulmeting aan de Kamer wordt verzonden, waartegen de ambitie om in deze kabinetsperiode het aantal kinderen dat maatschappelijk niet meedoet om redenen van armoede met de helft te verminderen, kan worden afgezet? Welke indicatoren, kengetallen en definities zullen in deze nulmeting worden gehanteerd?

Tevens vragen zij, gegeven de opmerking van de regering dat er geen volledig beeld is van de omvang van armoede en sociale uitsluiting bij kinderen, waarop de verwachting is gebaseerd dat de ter beschikking gestelde middelen voor de gemeenten voldoende zijn om de doelstelling, het aantal kinderen dat maatschappelijk niet meedoet om redenen van armoede met de helft te verminderen, wordt bereikt?

De leden van de SP-fractie zijn van mening dat bijzondere bijstand categoriaal en ambtshalve verstrekt moet kunnen worden. De wetswijziging beoogt dit niet, maar een verruiming van de doelgroep aan wie categoriaal bijstand kan worden verstrekt is ten minste een verbetering. Wel hebben de leden ernstige twijfels bij de randvoorwaarde dat dit in natura wordt verstrekt. Wat draagt dit bij? Waaruit blijkt dat als bijstand niet in natura wordt verstrekt dat dit niet juist besteed wordt door de ontvangers? Waar is dit op gebaseerd? Zijn hierover kwantitatieve gegevens over beschikbaar?

Als randvoorwaarde wordt gesteld dat de verstrekkingen in principe in natura wordt gedaan. Heeft de regering erbij stilgestaan dat dit mogelijk extra administratieve lasten tot gevolg kan hebben voor gemeenten en dat deze ten kosten kunnen gaan van het te besteden budget voor armoedebeleid? Hoe denkt de regering te voorkomen dat gemeente een te groot gedeelte van het budget voor besteden aan uitvoeringskosten in plaats van aan voorziening waarvoor het geld is bedoeld?

Kan de regering voorbeelden geven van «ongerichte inkomenssuppleties, waarbij de aard en/of de omvang van de te bestrijden kosten in de gemeentelijke regelgeving onvoldoende zijn bepaald, zijn niet toegestaan.»?

Hoe zal de regering de naleving van de overige algemene randvoorwaarden die gesteld zijn (zoals te lezen op pagina 8 van de memorie van toelichting) controleren?

Er wordt gesteld dat een categoriale voorziening niet impliceert dat het ambtshalve verstrekt wordt. Er moet nog steeds een individuele aanvraag worden ingediend. Individuele aanvragen brengen extra administratieve lasten met zich mee. Is de regering het met de leden van de SP-fractie eens dat ambtshalve verstrekking deze problemen kan ondervangen?

Er wordt gesteld dat uit het «oogpunt van rechtsgelijkheid er door middel van een individualiserende toepassing van de wet, de bijzondere bijstand eveneens verstrekt moet worden aan degene die niet primair tot de doelgroep behoort». Wat betekent dit nu precies in de praktijk? Geldt dit ook ten aanzien van de langdurigheidstoeslag, komen bijvoorbeeld ook mensen van 65 jaar of ouder, die nu uitgesloten zijn van de langdurigheidstoeslag, straks hiervoor wel in aanmerking? Kunnen ook andere groepen aanspraak maken op een computer?

Er wordt aangegeven dat het de ambitie van deze regering is «het aantal kinderen dat maatschappelijk niet meedoet om redenen van armoede in deze kabinetsperiode» te halveren. Daarna wordt echter vermeld dat er geen volledig beeld is van de huidige omvang van armoede bij kinderen. De leden van de VVD-fractie zijn benieuwd hoe de regering haar beoogde resultaten wil gaan meten? Is de regering voornemens een nulmeting te doen voordat de wetswijziging ingaat? Of zijn deze cijfers nu al beschikbaar. De leden van de VVD-fractie zien ze dan graag tegemoet.

De leden van de PVV-fractie uiten hun zorg betreffende het risico van misbruik van een naturaverstrekking. Met name in het geval van het verstrekken van dure roerende goederen als bijvoorbeeld computers valt niet uit te sluiten dat misbruik van de voorziening wordt gemaakt, in die zin dat dergelijke goederen niet gebruikt zullen worden voor het doel waarvoor zij bestemd zijn, maar worden verkocht.

Graag vernemen de leden van de PVV-fractie hoe de regering zich de uitvoering van de controle op dergelijk misbruik in de praktijk voorstelt.

Gaan gemeente automatisch bijstandsgezinnen met schoolgaande kinderen benaderen met het aanbod in natura of moeten deze ouders daartoe zelf een verzoek doen, vragen de leden van de ChristenUnie-fractie. En hoe worden ouders benaderd, die niet in de uitkering zitten, maar wel in een vergelijkbare situatie verkeren?

4. Financiële en fiscale gevolgen

De middelen voor de bijzondere bijstand zitten in de algemene uitkering van het gemeentefonds. Zowel de langdurigheidstoeslag als de inkomensondersteuning in natura voor minderjarige kinderen worden vormgegeven binnen de bijzondere bijstand. Tegen deze achtergrond vinden de leden van de CDA-fractie het logisch dat ook de extra beschikbare financiële middelen worden verdeeld via de verdeelsleutel van het gemeentefonds. Inmiddels is met een aantal gemeenten een afspraak gemaakt over de concrete inzet van deze middelen. Is de regering van plan dat via aparte afspraken per gemeente vastgelegd wordt op welke wijze en met welk afrekenbaar resultaat deze middelen worden ingezet of worden zijn deze middelen inmiddels voor 2008 al toegevoegd aan het gemeentefonds. Op welke wijze zijn gemeenten hierover geïnformeerd en wordt bevorderd dat de beschikbare middelen ook daadwerkelijk en zichtbaar worden ingezet voor de doelgroep? Denkt de regering bijvoorbeeld aan een expliciete attendering van raadsleden zodat zij erop toe kunnen zien dat de beschikbare middelen ook daadwerkelijk ten goede komen aan kinderen. Er ligt immers een belangrijke verantwoordelijkheid ook bij raadsleden om te bewerkstelligen dat het aantal kinderen dat in armoede opgroeit wordt gehalveerd.

Gemeenten krijgen een uitkering via het gemeentefonds voor uitbetaling van de langdurigheidstoeslag en op participatie gerichte ondersteuning. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering toe te lichten waarom voor deze constructie is gekozen, of in de verdeling wordt aangesloten bij de algemene verdeelsystematiek van het gemeentefonds of bij een verdeelsystematiek die een zwaarder gewicht geeft aan het aantal huishoudens met een laag inkomen, en welke mogelijkheden er zijn om middelen als deze in de toekomst via het I-deel te verdelen over gemeenten.

De gemeentelijke beleidsvrijheid impliceert dat er ook verschillen tussen gemeenten zullen ontstaan. De leden van de PvdA-fractie hebben vertrouwen in de gemeentelijke democratie en de afwegingen die daar worden gemaakt. Zij vragen de regering in hoeverre zij het wenselijk acht in de toekomst te onderzoeken in hoeverre tussen gemeenten verschillen ontstaan in de reikwijdte van de langdurigheidstoeslag, de hoogte ervan en de interferentie met het inkomensbeleid zoals het rijk dat voert. Is de regering voornemens hierover afspraken te maken met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten?

De leden van de SP-fractie vragen of de regering verwacht dat als gevolg van verruiming van de mogelijkheden voor de verstrekking van de langdurigheidstoeslag het aantal verstrekkingen zal stijgen? Is de regering in dat geval bereidt extra budget toe voegen aan het gemeentefonds om deze extra uitgaven te compenseren?

Waarom zijn de extra middelen voor het jaar 2008 en 2009 voor schuldhulpverlening opgevoerd in de financiële paragraaf van dit wetsvoorstel, welke betrekking heeft op de langdurigheidstoeslag en de bestrijding van sociale uitsluiting van kinderen?

Kan de regering in beeld brengen wat de afgelopen jaren door gemeenten aan armoedebeleid is besteed en dit afzetten tegen het fictieve budget wat daarvoor in het Gemeentefonds is opgenomen?

Gemeenten ontvangen in 2008 en 2009 extra middelen om sociale uitsluiting van kinderen uit arme gezinnen tegen te gaan; hoe gaan gemeenten dit na 2009 financieren?

De middelen voor de langdurigheidstoeslag worden overgeheveld uit het macrobudget WWB I-deel naar het gemeentefonds. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering wat er gebeurt wanneer een gemeente een overschrijding dan wel onderbesteding realiseert ten aanzien van de geraamde uitgaven aan bijzondere bijstand. Moeten onderbestede middelen teruggestort worden naar het Rijk en kunnen overschrijdingen uit andere potjes gefinancierd worden?

Welke gemeenten gaan over minder middelen beschikken vanwege de herschikking en om hoeveel geld gaat het per gemeente?

5. Ontvangen adviezen

De Landelijke Cliëntenraad bepleit haar advies voor het opnemen in de wet van een minimumnorm voor de hoogte van de langdurigheidstoeslag. De leden van de SP-fractie vragen of hierin is voorzien. Zo, neen, waarom niet en is de regering hiertoe alsnog bereid?

6. Artikelsgewijs

Artikel 36

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering kan toelichten of langdurigheidstoeslag «kan» worden verstrekt of «moet» worden verstrekt aan 21- en 22-jarigen die voorts aan alle criteria voldoen. Beschikt de regering over informatie over het aantal 21- en 22-jarigen dat in aanmerking zou kunnen komen voor langdurigheidstoeslag en het hiermee gemoeide budget? Hoeveel 23-jarigen ontvangen thans langdurigheidstoeslag en hoeveel geld is daarmee gemoeid?

Kan de regering toelichten waarom in het nieuwe zesde lid is gekozen voor een eenjarige overgangstermijn?

Artikel 44

Kan de regering toelichten waarom artikel 44 WWB buiten toepassing wordt verklaard? Kan de langdurigheidstoeslag met terugwerkende kracht worden aangevraagd, en in hoeverre geldt dit straks ook voor andere vormen van bijzondere bijstand vragen de leden van de PvdA-fractie

De voorzitter van de commissie,

De Wit

Adjunct-griffier van de commissie,

Esmeijer


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), De Wit (SP), voorzitter, Van Gent (GL), Blok (VVD), Tichelaar (PvdA), Nicolaï (VVD), Van Dijk (CDA), Smeets (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Omtzigt (CDA), Van Hijum (CDA), Timmer (PvdA), Koşer Kaya (D66), Jonker (CDA), ondervoorzitter, Luijben (SP), Ulenbelt (SP), Ortega-Martijn (CU), Blanksma-van den Heuvel (CDA), Van der Burg (VVD), Koppejan (CDA), Van Dijck (PVV), Spekman (PvdA), Thieme (PvdD), Karabulut (SP) en Vos (PvdA).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Gerkens (SP), Vendrik (GL), De Krom (VVD), Heerts (PvdA), Weekers (VVD), Smilde (CDA), Depla (PvdA), Aptroot (VVD), Uitslag (CDA), Willemse-van der Ploeg (CDA), Dijsselbloem (PvdA), Pechtold (D66), Spies (CDA), Irrgang (SP), Lempens (SP), Cramer (CU), Biskop (CDA), Kamp (VVD), Joldersma (CDA), Fritsma (PVV), Tang (PvdA), Ouwehand (PvdD), Gesthuizen (SP) en Heijnen (PvdA).

Naar boven