Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2008-200931425 nr. 6

31 425
Aanpassing van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de toetreding door het Koninkrijk tot het op 2 mei 1996 te Londen tot stand gekomen Protocol van 1996 tot wijziging van het op 19 november 1976 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen (Trb. 1997, 300)

nr. 6
NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 4 december 2008

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel I onder B onder 1 komt het voorgestelde eerste lid van artikel 8:755 BW te luiden:

1. Onverminderd het in het tweede lid bepaalde, kan de aansprakelijkheid uit hoofde van deze titel voor andere vorderingen dan die genoemd in artikel 756 die naar aanleiding van éénzelfde voorval zijn ontstaan als volgt worden beperkt:

a. voor vorderingen die niet zijn vorderingen als bedoeld in artikel 752, eerste lid, onder d of e, tot het bedrag bepaald op grond van artikel 6, eerste lid, van het op 19 november 1976 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen (Trb. 1980, 23) zoals gewijzigd door artikel 3 van het Protocol van 1996, behoudens wijziging door de bijzondere amenderingsprocedure voorzien in artikel 8 van het Protocol van 1996; en

b. voor vorderingen bedoeld in artikel 752, eerste lid, onder d of e (wrakkenfonds), tot het bedrag bepaald op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van het op 19 november 1976 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen (Trb. 1980, 23) zoals gewijzigd door artikel 3 van het Protocol van 1996, behoudens wijziging door de bijzondere amenderingsprocedure voorzien in artikel 8 van het Protocol van 1996.

B

In artikel I onder C komt het voorgestelde eerste lid van artikel 8:756 BW te luiden:

1. Wat betreft vorderingen ontstaan naar aanleiding van éénzelfde voorval terzake van dood of letsel van passagiers van een schip kan de reder zijn aansprakelijkheid beperken tot het bedrag bepaald in artikel 7 van het op 19 november 1976 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen (Trb. 1980, 23) zoals gewijzigd door artikel 4 van het Protocol van 1996, behoudens wijziging door de bijzondere amenderingsprocedure voorzien in artikel 8 van het Protocol van 1996.

Toelichting

Met deze nota van wijziging worden twee technische wijzigingen in het wetsvoorstel doorgevoerd. Deze nota van wijziging wordt mede namens de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat ingediend.

In de huidige artikelen 8:755 en 8:756 BW worden de limieten uit het Londens Limitatieverdrag 1976 met zoveel woorden genoemd. In het voorstel van wet is voor een andere benadering gekozen in verband met de bijzondere (snelle) procedure voor het amenderen van de limieten die artikel 8 van het Protocol van 1996 introduceert. In het voorstel van wet wordt voor de bedragen waartoe de aansprakelijkheid kan worden beperkt, verwezen naar het Protocol van 1996. Daarmee wordt voorkomen dat gewijzigde limieten in werking treden voordat het Burgerlijk Wetboek daaraan kan worden aangepast.

Het voorstel van wet verwijst in de artikelen 8:755 en 8:756 BW uitsluitend naar artikel 3 en artikel 4 van het Protocol van 1996. Bij nader inzien schept de enkele verwijzing naar artikel 3 van het Protocol van 1996 in het voorgestelde artikel 8:755, eerste lid, BW onduidelijkheid over de toepasselijke limieten inzake de aansprakelijkheid voor vorderingen in verband met – kort gezegd – interventie, vlottrekken en wrakopruiming. Artikel 18, eerste lid, van het Protocol van 1996 biedt de mogelijkheid om een voorbehoud te maken ten aanzien van genoemde vorderingen. De mogelijkheid om dit voorbehoud te maken, bestaat reeds in het Londens Limitatieverdrag 1976 en daar heeft het Koninkrijk destijds gebruik van gemaakt. Ook ten aanzien van het Protocol van 1996 zal het Koninkrijk dit voorbehoud maken. Als gevolg van het voorbehoud ten aanzien van vorderingen in verband met interventie, vlottrekken en wrakopruiming blijft de limitering van deze vorderingen beheerst door nationaal recht in plaats van door het Protocol van 1996. Naar Nederlands recht bestaat er naast het zakenfonds en het personenfonds waaruit vorderingen anders dan uit wrakopruiming worden voldaan een apart wrakkenfonds waaruit vorderingen uit wrakopruiming worden voldaan.

Om de situatie ten aanzien van het wrakkenfonds te verhelderen, wordt in artikel 8:755, eerste lid, BW – net als in het huidige artikel 8:755 BW – uitdrukkelijk verwezen naar het wrakkenfonds. In artikel 8:755, eerste lid, BW wordt bepaald dat de aansprakelijkheid voor vorderingen bedoeld in artikel 752, eerste lid, onder d of e (wrakkenfonds) kan worden beperkt tot het bedrag bepaald op grond van artikel 6, eerste lid, onder b van het Londens Limitatieverdrag 1976 zoals gewijzigd door artikel 3 van het Protocol van 1996, behoudens wijziging door de bijzondere amenderingsprocedure voorzien in artikel 8 van het Protocol van 1996.

Door de voorgestelde wijziging is duidelijk dat naar Nederlands recht voor vorderingen als genoemd in artikel 2, eerste lid, onder d en e (vorderingen uit het lokaliseren, markeren of opruimen van een wrak, bunkerolie of lading) ook na de inwerkingtreding van het Protocol van 1996 blijft gelden dat een afzonderlijk wrakkenfonds moet worden ingesteld ingeval de scheepseigenaar zijn aansprakelijkheid wil beperken. De limieten van de aansprakelijkheid voor deze vorderingen zijn even hoog als de limieten die op grond van het Londens Limitatieverdrag 1976 zoals gewijzigd door het Protocol van 1996 gelden voor vorderingen uit zaakschade. Doordat het wrakkenfonds evenwel zelfstandig naast het zaakschade fonds fungeert, is het totaalbedrag van het wrakkenfonds exclusief beschikbaar voor vorderingen uit wrakopruiming.

Teneinde de tekst van de artikelen van het voorstel van wet te harmoniseren, wordt artikel 8:755 BW voor wat betreft het zakenfonds en het personenfonds en artikel 8:756 BW betreffende het passagiersfonds op overeenkomstige wijze aangepast.

De minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin