Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201831415 nr. 19

31 415 DNA-onderzoek in strafzaken

Nr. 19 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 10 november 2017

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de brief van 30 augustus 2017 over het ontwerpbesluit houdende regels met betrekking tot het verrichten van DNA-onderzoek in het kader van de uitvoering van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Besluit DNA-onderzoek Wiv 2017) (Kamerstuk 31 415, nr. 17).

De vragen en opmerkingen zijn op 15 september 2017 aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voorgelegd. Bij brief van 9 november 2017 zijn de vragen beantwoord.

De fungerend voorzitter van de commissie, Pia Dijkstra

De waarnemend griffier van de commissie, Hendrickx

Inleiding

Op 15 september 2017 heeft de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken van uw Kamer een verslag van een schriftelijk overleg uitgebracht over het ontwerp-besluit houdende regels met betrekking tot het verrichten van DNA-onderzoek in het kader van de uitvoering van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Besluit DNA-onderzoek Wiv 2017). Daarin hebben de leden van de fracties van het CDA, D66, SP en de ChristenUnie een aantal vragen over het ontwerp-besluit gesteld. Ik heb daarvan met belangstelling kennisgenomen. In het onderstaande ga ik op de gestelde vragen in. Ik hou daarbij de volgorde van het verslag aan.

Artikel 3

De leden van de D66-fractie vragen zich af waarom de woorden «ten minste» in artikel 3 van het besluit zijn opgenomen. Welke gegevens zouden inzake de uitvoering van de bevoegdheid tot DNA-onderzoek geadministreerd mogen worden, zonder dat ze in deze opsomming opgenomen zijn of zonder dat een ander artikel in het ontwerpbesluit verzoekt aantekening te houden. Als dat reeds voorzienbaar is, waarom is dat niet in de opsomming meegenomen? Als er geen andere gegevens voorzienbaar zijn die geadministreerd moeten worden, waarom wordt dan omwille van de rechtszekerheid en bescherming tegen onnodige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer niet «ten minste» geschrapt?

In de in artikel 3 bedoelde administratie worden de gegevens vastgelegd die aldaar zijn vermeld alsmede die gegevens waarvan elders in het besluit is bepaald dat daarvan in die administratie aantekening dient te worden gehouden. Het gebruik van de terminologie «ten minste» is gelet hierop verwarringwekkend en zal worden geschrapt. Er zal worden bepaald dat, onverminderd hetgeen elders in het besluit is bepaald, de administratie de in artikel 3 aangeduide gegevens omvat.

Artikel 5

De leden van de ChristenUnie-fractie krijgen de indruk dat het uitgangspunt in het besluit is dat celmateriaal wordt verzameld voordat de Minister toestemming heeft gegeven voor onderzoek aan dit materiaal. Deze leden begrijpen dat het werk van de diensten van dien aard is dat niet altijd voorafgaand aan het verzamelen van het materiaal toestemming van de Minister kan worden gevraagd. Tegelijkertijd lijkt het hen onwenselijk als diensten binnen een onderzoek gericht celmateriaal verzamelen en dan pas toestemming van de Minister vragen voor DNA-onderzoekingen aan dat materiaal. Deelt de regering die opvatting? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe wordt geborgd dat waar mogelijk voorafgaand aan respectievelijk de verzameling en het veiligstellen van materiaal toestemming van de Minister wordt gevraagd voor onderzoek daaraan?

Die opvatting deel ik niet. Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen het veiligstellen van celmateriaal en het daadwerkelijke onderzoek dat hieraan verricht kan worden. Voor het veiligstellen van DNA-celmateriaal of het voorwerp waarop dit zich (mogelijk) bevindt moet op grond van artikel 42, derde lid, toestemming gevraagd worden, nu sprake is van toepassing van de bevoegdheid ex artikel 42, eerste lid, onder c jo. tweede lid Wiv 2017. Dan wordt nog geen DNA-onderzoek verricht zoals bedoeld in artikel 43 Wiv 2017. Als het DNA-celmateriaal of het voorwerp veiliggesteld is kan vervolgens toestemming worden gevraagd om er daadwerkelijk onderzoek naar te verrichten om zo een profiel op te maken welke vergeleken kan worden met andere profielen (teneinde de identiteit van een persoon vast te stellen of te verifiëren).

Artikel 6

De leden van de D66-fractie vragen zich af waarom in artikel 6, achtste lid, tweede volzin, alleen een verplichting bestaat tot het maken aan aantekening van de vernietiging van het eventueel afgegeven voorwerp. Zou het, om te kunnen herleiden of het voorwerp daadwerkelijk is teruggeplaatst of vernietigd, niet goed zijn om ook de terugplaatsing te administreren? Dit ook in het kader van het gemakkelijk kunnen zien of er geen voorwerpen zowel niet worden vernietigd of teruggeplaatst, en om dit zowel voor de interne processen als de toezichthouder gemakkelijk inzichtelijk te maken.

Voor alle bevoegdheden geldt dat van de uitoefening daarvan aantekening gehouden moet worden (artikel 31 Wiv 2017). Dit geldt dus ook voor de toepassing van de bevoegdheden als bedoeld in de artikelen 42 en 43. Er zal dus wel aantekening worden gehouden van de terugplaatsing.

De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat wordt voorgeschreven dat voorwerpen, die zijn meegenomen om daarvan celmateriaal te halen, «indien nodig» teruggeplaatst moeten worden. Wordt deze noodzaak afgewogen vanuit de belangen van de dienst en het lopende onderzoek of weegt daarin ook het belang van de eigenaar van het voorwerp mee?

De belangen van de eigenaar van het voorwerp worden meegewogen in de af te geven last. Bij de afweging of een voorwerp moet worden teruggeplaatst, speelt echter uitsluitend het belang dat ontdekking van de inzet van de bevoegdheid wordt voorkomen.

In welke gevallen kunnen voorwerpen worden meegenomen, uitsluitend voor het doel om daarvan celmateriaal te halen, voordat de Minister toestemming heeft gegeven voor DNA-onderzoek?

Ik verwijs naar mijn antwoord op de vraag inzake artikel 5.

Artikel 7

In artikel 7, vierde lid en artikel 8, eerste lid sub c, wordt gesproken over het vergelijken van DNA met de DNA-profielen die bij andere instanties beschikbaar zijn. In de toelichting wordt omschreven dat dit bijvoorbeeld gaat om DNA bij buitenlandse diensten. Betekent dit dat buitenlandse diensten ook verzoeken mogen indienen om door hen aangeleverde DNA te vergelijken? De leden van de CDA-fractie vragen welke waarborgen daarvoor gelden.

Het is mogelijk dat een buitenlandse dienst een DNA-profiel aan een van de Nederlandse diensten verstrekt met de vraag of zij (door middel van vergelijking met profielen in onze eigen DNA-profielenregistratie) kunnen achterhalen welke identiteit bij het profiel hoort. Hieraan gehoor geven is een vorm van verdere verwerking. In artikel 43, zesde lid, van de Wiv 2017 is geregeld dat verdere verwerking alleen plaats kan vinden wanneer daarvoor toestemming is verkregen door de Minister. In artikel 9 van het DNA-besluit Wiv 2017 is bepaald wat daarover moet worden opgenomen in de administratie. Wanneer de vergelijking met onze eigen profielenregistratie een «match» oplevert, dan verstrekt de betreffende dienst alleen de daaraan gerelateerde persoonsidentificerende gegevens, mits daarvoor dus toestemming is verkregen van de Minister.

Ook vragen deze leden welke andere instanties dan buitenlandse diensten bedoeld worden. Ziekenhuizen beschikken bijvoorbeeld over grote hoeveelheden DNA-profielen. Het lijkt deze leden niet aannemelijk dat de AIVD ook deze DNA-profielen kan gebruiken. Graag krijgen deze leden meer inzicht welke andere instanties benaderd worden om DNA-profielen te vergelijken.

De wet sluit in dit kader geen enkele instantie uit. Wel is het zo dat er geen enkele verplichting bestaat voor een dergelijke instantie om aan een verzoek tot vergelijking van DNA-profielen mee te werken. Men zal dus zelfstandig moeten afwegen, mede in het licht van de voor de desbetreffende instantie geldende wet- en regelgeving, of men op vrijwillige basis op een dergelijk verzoek ingaat. In dit verband is de regeling inzake de raadpleging van informanten ex artikel 39 Wiv 2017 van toepassing.

De leden van de D66-fractie merken op dat op grond van de wettelijke bevoegdheid in de Wiv verkregen DNA-profielen vergeleken mogen worden met onder andere de in de DNA-databank voor strafzaken opgenomen DNA-profielen. In de toelichting bij het besluit worden daar ten aanzien van die vergelijking waarborgen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in het werkproces opgenomen. Dit betreft onder andere het handmatig zoeken, het niet opslaan van een match en het uitsluitend verstrekken van de naam die behoort bij het DNA-profiel. De aan het woord zijnde leden vragen zich af waarom deze waarborgen slechts gedeeltelijk ook in het besluit zelf lijken te zijn opgenomen.

De in de toelichting beschreven werkwijze, beschrijft de werkwijze zoals deze is overeengekomen met het NFI, die, met toestemming van de verantwoordelijke voor de DNA-databank in strafzaken, in casu de Minister van JenV, handmatig (via een terminal) de vergelijking met DNA-profielen in deze DNA-databank uitvoert en bij een match de naam die bij het DNA-profiel verstrekt. Deze werkwijze borgt dat het door de AIVD of MIVD voor vergelijking aangeboden DNA-profiel niet op enigerlei wijze in de DNA-databank voor strafzaken wordt vastgelegd. Het betreft hier een specifiek op de werkwijze van het NFI afgestemd proces. Indien andere instanties worden benaderd door de diensten voor vergelijking van DNA-profielen, zullen vergelijkbare afspraken kunnen worden gemaakt, waarbij met hun reguliere bedrijfsproces rekening kan worden gehouden. Dat is maatwerk.

De aan het woord zijnde leden constateren voorts dat het leggen van DNA-profielen langs een extern gegevensbestand gezien wordt als een externe verstrekking van gegevens. Klopt het dat daarmee ook artikel 69 Wiv van toepassing is op die verstrekking? In dat geval vragen de aan het woord zijnde leden hoe zich dat verhoudt tot de hoofdregel dat verstrekking van persoonsgegevens, die meer dan 10 jaar gelegen verwerkt zijn, niet plaatsvindt.

Artikel 69 is van toepassing op deze verstrekking. Artikel 69, tweede lid, geeft limitatief aan in welke gevallen van de in artikel 69, eerste lid, neergelegde hoofdregel kan worden afgeweken.

Als voor het alsnog verstrekken van die gegevens gebruikt gemaakt wordt van de ministeriele bevoegdheid van lid 2, onder c, vragen zij zich af welk afwegingskader daarvoor zal gelden.

Het gaat in artikel 69, tweede lid, onder c, om door de betrokken Minister te bepalen bijzondere gevallen. In de afweging zal gekeken moeten worden naar het belang van de nationale veiligheid en het individuele belang van de persoon over wie gegevens verstrekt worden. Daarnaast geldt uiteraard dat iedere verstrekking dient te voldoen aan de in artikel 18 van de wet neergelegde eisen (slechts voor een bepaald doel, noodzakelijk voor een goede uitvoering van de wet, in overeenstemming met de wet en op behoorlijke en zorgvuldige wijze).

De leden van de D66-fractie merken voorts op dat op sleepwet.nl gesteld wordt – zonder daaraan enige beperking te koppelen – dat er een geheime DNA-databank komt waarin iedereen terecht kan komen. Daar stond eerder ook dat DNA-profielen voor 30 jaar bewaard kunnen worden. Kan de Minister in dat kader nog eens helder en toegankelijk uiteenzetten hoe de criteria van artikel 43 Wiv concreet toegepast zullen worden voor verwerving, verwerking en (voortdurende) opslag van DNA-profielen.

Allereerst merk ik op dat de bevoegdheid om DNA-onderzoek te verrichten gericht wordt ingezet op bepaalde personen of bepaalde plaatsen omdat daar (vermoedelijk) personen verblijven of hebben verbleven die onder de aandacht van de diensten staan of daarvoor in aanmerking komen. Er is ook geen sprake van een «geheime DNA-databank», nu de Wiv 2017 voorziet in de inrichting van een DNA-profielenregistratie, waarvoor in het ontwerpbesluit nadere regels worden gesteld. Waar het gaat om de termijn van dertig jaar geldt dat dit een maximum termijn is, waarin de wet expliciet voorziet. Het beeld dat op de genoemde website wordt geschetst laat ik dan ook geheel en al voor rekening van de auteurs van de website.

Overeenkomstig het verzoek van de leden van de D66-fractie zet ik hier nog eens uiteen hoe de criteria van artikel 43 Wiv concreet zullen worden toegepast voor verwerving, verwerking en opslag van DNA-profielen. Ingevolge artikel 43, eerste lid, zijn de diensten bevoegd tot het verrichten van DNA-onderzoek op basis van celmateriaal op voorwerpen ten behoeve van (a) het vaststellen alsmede (b) de verificatie van de identiteit van een persoon. Het doel is daarmee duidelijk afgebakend. Bij identificatie gaat het primair om het vaststellen van de nog onbekende identiteit van een target (daaronder begrepen de situatie dat die identiteit nog onvoldoende vast is gesteld). Een door de diensten opgesteld DNA-profiel wordt daartoe vergeleken met DNA-profielen die de diensten in eigen huis hebben of met DNA-profielen die bij derden beschikbaar zijn. Bij verificatie (ook wel: toekomstige identificatie) is bij de dienst bekend welke identiteit bij een door de dienst opgesteld en bewaard DNA-profiel behoort en wordt het DNA-profiel gebruikt om te verifiëren – aan de hand van een beschikbaar gesteld DNA-profiel of aan de hand van een opgesteld DNA-profiel met betrekking tot beschikbaar gekomen celmateriaal – of een bepaald target degene is van wie men vermoed wie het is, van wie door anderen wordt gesteld dat het een bepaalde persoon is of waarvan onbekend is wie het is, zoals bijvoorbeeld aan de hand van het afgenomen materiaal van een zelfmoordterrorist of het identificeren van een buitenlandse inlichtingenofficier hier ten lande. In artikel 43, vierde lid, wordt bepaald dat het DNA-onderzoek binnen drie maanden nadat het celmateriaal is vergaard, dient te worden uitgevoerd. Indien binnen deze termijn geen DNA-onderzoek kan plaatsvinden, dient het celmateriaal te worden vernietigd. Binnen drie maanden na het DNA-onderzoek dient vervolgens het celmateriaal, waaronder begrepen het voorwerp met daarop mogelijk celmateriaal, te worden vernietigd (artikel 43, vijfde lid). Het DNA-onderzoek vindt plaats met het oog op vergelijking van DNA-profielen. Deze vergelijking kan plaatsvinden aan de hand van DNA-profielen die bij externe (binnen- en buitenlandse) instanties berusten, zoals aan de hand van de DNA-profielen opgenomen in de DNA-databank voor strafzaken, maar ook aan de hand van DNA-profielen die de diensten zelf verwerken en voor (toekomstige) vergelijking opslaan. De DNA-profielen die aldus beschikbaar komen, zijn voor een specifiek doel opgesteld (identificatie of verificatie) en mogen uitsluitend voor het onderzoek ten behoeve waarvan toestemming is verleend worden verwerkt. Verdere verwerking van DNA-profielen in het kader van andere onderzoeken van de dienst, bijvoorbeeld ter verstrekking aan een andere instantie, vergt altijd een afzonderlijke en op die verdere verwerking toegespitste toestemming van de voor de desbetreffende dienst verantwoordelijke Minister (artikel 43, zesde lid). De voor een dienst opgestelde DNA-profielen mogen voor een periode van ten hoogste vijf jaren worden bewaard en dienen daarna te worden vernietigd. Op een daartoe strekkend verzoek van het hoofd van de dienst aan de voor de dienst verantwoordelijke Minister kan de bewaartermijn telkens voor ten hoogste vijf jaren worden verlengd met dien verstande dat de bewaartermijn in totaliteit de dertig jaar niet overschrijdt (artikel 43, zevende lid).

De leden van de SP-fractie lezen dat er een maximale bewaartermijn is voor DNA-profielen van dertig jaar. De genoemde leden vragen waarom er gekozen is voor een termijn van maximaal dertig jaar.

De DNA-profielen mogen in beginsel 5 jaar worden bewaard. Indien noodzaak bestaat om de profielen langer te bewaren, zal dit steeds opnieuw gemotiveerd moeten worden voorgelegd. De Minister dient ter zake van de noodzaak van het verlengen van de termijn bij elk verzoek een afweging te maken. De noodzaak tot verlenging kan in een concreet geval ingegeven zijn door het feit dat het bij onderzoek naar een bepaald persoon is gebleken dat deze voor langere tijd uit beeld is verdwenen, maar dat deze vervolgens alsnog concrete voornemens blijkt te hebben om terroristische activiteiten in Nederland te ontplooien.

Eliminatiebank

Er is voorzien in de inrichting van een registratie met DNA-profielen van medewerkers van de dienst (nota van toelichting, blz. 15–16). De leden van de CDA-fractie vragen naar de wettelijke grondslag voor deze registratie. Deze leden lezen dat de opname van DNA-profielen uitsluitend geschiedt indien men daarvoor toestemming heeft gegeven. Kan de Minister nader toelichten wat wordt bedoeld met «alle gevolgen van dien», indien men de toestemming weigert?

Het gaat om medewerkers die op zodanige wijze betrokken zijn bij het veiligstellen en (laten) uitvoeren van DNA-onderzoek, dat hun DNA-celmateriaal per ongeluk onderwerp kan worden van onderzoek. Opname van DNA-profielen van de hier bedoelde medewerkers geschiedt uitsluitend indien men daarvoor toestemming heeft gegeven. Indien men de toestemming weigert heeft dit echter wel als gevolg dat ook het eventueel vastgestelde DNA-profiel van een medewerker onbedoeld in de DNA-profielenregistratie wordt opgenomen. Dat is vanzelfsprekend niet de bedoeling en kan leiden tot ongewenste vervuiling van de registratie. De in artikel 24 van de wet neergelegde zorgplicht waar het gaat om de bevordering van de juistheid van de door de dienst verwerkte gegevens kan daarmee onder omstandigheden in het geding komen. Het geven van toestemming is met het oog op de kwaliteit van de registratie essentieel voor het kunnen vervullen van deze specialistische functies.

Ofschoon het geven van toestemming een belangrijk uitgangspunt is voor het opnemen in de DNA-profielenregistratie, dient een registratie als hier wordt voorgesteld een wettelijke grondslag te hebben. De in artikel 43, achtste lid, neergelegde delegatiegrondslag lijkt bij nader inzien niet de vereiste wettelijke grondslag te bieden. De regeling van de eliminatiedatabank in onderhavig ontwerp-besluit zal dan ook worden geschrapt. In artikel 16 van de wet wordt echter bepaald, dat de betrokken Minister ten aanzien van de organisatie, de werkwijze en het beheer van een dienst nadere regels kan stellen. De eliminatiedatabank zal thans worden geregeld bij ministeriële regeling. In combinatie met de eis van toestemming van de betrokken medewerker, biedt dit naar mijn mening een adequate wettelijke grondslag voor deze databank. Dat neemt niet weg, dat bij een eerstvolgende wijziging van de wet in een specifieke wettelijke regeling van deze databank zal worden voorzien.

De leden van de SP-fractie lezen dat er een eliminatiedatabank wordt opgezet met DNA-profielen van de desbetreffende medewerkers. Worden hier met «desbetreffende» de medewerkers bedoelt die rechtstreeks met de zaak te maken hebben of gaat het hier om alle medewerkers bij de dienst, die vrijwillig DNA hebben afgestaan?

Hiermee wordt bedoeld die medewerkers die op zodanige wijze betrokken zijn bij het veiligstellen en (laten) uitvoeren van DNA-onderzoek, dat hun DNA-celmateriaal per ongeluk onderwerp kan worden van onderzoek. Dit betreft een kleine groep specialisten. Voor alle overige medewerkers van de diensten geldt dat zij nooit fysiek in aanraking zullen komen met verzameld DNA-celmateriaal. Zij worden daarom niet gevraagd een DNA-profiel op te laten nemen in de profielenregistratie.

Opname van DNA-profielen van medewerkers in een eliminatiedatabank gebeurt op basis van vrijwilligheid, zo lezen de leden van de fractie van de ChristenUnie, maar is volgens de regering tegelijkertijd noodzakelijk om besmetting van materiaal uit te sluiten. Kan de regering aangeven hoe die noodzaak met de vrijwilligheid is te rijmen? Hoe wordt omgegaan met medewerkers die opname in de eliminatiedatabank weigeren?

Ik verwijs naar mijn eerdere antwoord op soortgelijke vragen van de leden van de CDA-fractie.

Artikel 8

DNA-onderzoek is conform artikel 43 Wiv 2017 uitsluitend gericht op de vaststelling en de verificatie van de identiteit van een persoon. De leden van de CDA-fractie vragen wat in dit verband moet worden verstaan onder «verdere verwerking» waarvoor toestemming van de Minister vereist is. Is het juist, dat ook die verdere verwerking alleen gericht kan zijn op de vaststelling en de verificatie van de identiteit van een persoon?

De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de toelichting dat het verstrekken van DNA-profielen aan andere instanties niet valt onder «verdere verwerking», waarvoor nieuwe toestemming van de Minister nodig is, indien deze verstrekking noodzakelijk is voor het onderzoek waarvoor toestemming is verleend. Wanneer valt een dergelijke verstrekking binnen de reikwijdte van het onderzoek waarvoor toestemming is gegeven? En waarom is het bezwaarlijk een dergelijke verstrekking wel als «verdere verwerking» aan te merken? Het gaat in de ogen van deze leden immers om het uitwisselen van uiterst gevoelige gegevens. Is overwogen hiervoor toch nadere regels op te stellen?

Moet in het oorspronkelijk verzoek om toestemming zijn gespecificeerd dat profielen met andere instanties kunnen worden uitgewisseld en om welke instanties dit zou kunnen gaan? Zo nee, hoe past dit dan bij de geest van de wet dat een verzoek om toestemming voldoende concreet moet zijn?

In artikel 43, eerste lid, van de Wiv 2017 is opgenomen dat het DNA-onderzoek plaatsvindt met het oog op vergelijking van DNA-profielen. Deze vergelijking (met als uitsluitend doel identificatie en verificatie) en de eventueel in dat kader noodzakelijke verstrekking van het door de dienst vastgestelde DNA-profiel aan een andere instantie, ligt reeds besloten in de voor het DNA-onderzoek verleende toestemming van de Minister. Dat is geen vorm van «verdere verwerking» en vergt dan ook geen aanvullende toestemming. Wel zal, zoals in de toelichting op het ontwerpbesluit is aangegeven, voor zover de vergelijking bij andere instanties plaatsvindt en het DNA-profiel aan die instanties moet worden verstrekt, (tevens) voldaan dienen te worden aan de wettelijke bepalingen die voor de verstrekking van persoonsgegevens gelden. Voor zover sprake is van een verstrekking aan een buitenlandse collegadienst, zal ook gehandeld dienen te worden met inachtneming van het bepaalde in paragraaf 6.2 van de wet. Het verzoek om toestemming voor het verrichten van DNA-onderzoek en de in dat kader noodzakelijke verstrekking van het DNA-profiel aan een andere instantie dient met andere woorden te worden onderscheiden van het besluit om gegevens daarna te verstrekken. Alle andere verwerkingen dienen te worden aangemerkt als een «verdere verwerking», waarvoor een afzonderlijke toestemming van de Minister is vereist (artikel 43, zesde lid, van de wet). Wat in een bepaald geval de verdere verwerking inhoudt, dient in het verzoek om toestemming nauwkeurig te worden omschreven (artikel 43, zesde lid, onder a). Dat is niet beperkt tot het doel identificatie of verificatie.

Welke afspraken zijn of worden gemaakt met andere instanties over de omgang met deze DNA-profielen binnen en buiten de context van het betreffende onderzoek waarvoor de profielen zijn uitgewisseld?

Voor zover een DNA-profiel aan een buitenlandse collegadienst wordt verstrekt, dient daarbij op grond van artikel 65, tweede lid, van het wetsvoorstel, altijd de zogeheten derde partij-regel te worden gesteld: te weten dat de gegevens die worden verstrekt aan die dienst, door die dienst niet aan derden mogen worden verstrekt. Ook overigens kunnen aan een verstrekking, indien daartoe aanleiding bestaat, voorwaarden worden gesteld omtrent bijvoorbeeld het gebruik dat ervan gemaakt wordt (zoals niet opnemen in een eigen databank of na een bepaalde periode vernietigen).

Diversen

De leden van de D66-fractie zijn benieuwd of de CTIVD geconsulteerd is bij de voorbereiding van dit besluit, en in welke mate de CTIVD van mening is dat aan de randvoorwaarden zoals geschetst in Toezichtsrapport 42 is voldaan.

Bij de voorbereiding van de wet en het besluit is gelet op hetgeen de CTIVD in rapport 42 heeft opgenomen. Het ontwerp-besluit is niet voor een reactie aan de CTIVD voorgelegd. Daartoe bestaat ook geen wettelijke verplichting.

De leden van de D66-fractie vragen zich af of de Europese Commissie gereageerd heeft op de notificatie van het ontwerpbesluit, en wat daarvan de uitkomst is.

De Europese Commissie heeft (nog) niet gereageerd op de notificatie van het ontwerpbesluit.