Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-200831413 nr. 2

31 413
Besluit tot wijziging van onder meer het Besluit bekostiging WEC in verband met het wegnemen van enkele knelpunten bij de leerlinggebonden financiering

nr. 2
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 28 april 2008

Binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1 hebben enkele fracties de behoefte om enkele vragen en opmerkingen voor te leggen over de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mw. Dijksma d.d. 3 april 2008 ter aanbieding van het besluit van 12 maart 2008 tot wijziging van onder meer het besluit bekostiging WEC in verband met het wegnemen van enkele knelpunten bij de leerlinggebonden financiering (Stb. 89) (Kamerstuk 31 413, nr. 1). Bij brief van 28 april 2008 heeft de staatssecretaris deze beantwoord. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Van de Camp

Adjunct-griffier van de commissie,

Arends

Inhoudsopgave 
    
IVragen en opmerkingen vanuit de fracties2
 1.Algemeen2
 1.1Wegnemen knelpunten bij leerlinggebonden financiering2
 1.2Indiening indicatieverzoek door bevoegd gezag van een school3
 1.3Variatie in indicatietermijnen op basis van leerlingkenmerken3
 1.4Toezicht op de indicatiestelling door onderwijsinspectie3
 1.5Concretisering ontoereikende zorg3
 2.Artikelsgewijs3
    
IIReactie van de staatssecretaris6

I VRAGEN EN OPMERKINGEN VANUIT DE FRACTIES

1. Algemeen

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het Besluit van 12 maart 2008 tot wijziging van onder meer het besluit bekostiging WEC in verband met het wegnemen van enkele knelpunten bij de leerlinggebonden financiering. De aan het woord zijnde leden constateren dat veel van de besluiten een nadere uitwerking zijn van de wet zoals deze reeds in de Kamer behandeld is. Deze leden zien dan ook met genoegen dat dit een stap op weg is om iedere indicatiestelling zo eenvoudig, snel en ongecompliceerd mogelijk te krijgen, waarbij natuurlijk altijd het belang van het kind en haar of zijn ouders, centraal dient te staan. Toch hebben deze leden nog enkele vragen.

De leden van de PvdA-fractie hebben met waardering en grotendeels met instemming kennisgenomen van het onderhavige Besluit. Het doel van het Besluit is het wegnemen van enkele knelpunten bij de leerlinggebonden financiering, hetgeen een lovenswaardig doel is. Echter, de leden van de PvdA-fractie menen dat in het Besluit een aantal zaken staan, die juist weer knelpunten opleveren. Zij begrijpen niet goed waarom bepaalde keuzes zijn gemaakt en willen daar graag een nadere toelichting op van de staatssecretaris. Artikelsgewijs willen de leden van de PvdA-fractie de volgende vragen stellen.

De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het besluit tot wijziging van onder meer het Besluit bekostiging WEC in verband met het wegnemen van enkele knelpunten bij de leerlinggebonden financiering. Deze leden hebben nog enkele vragen.

1.1 Wegnemen knelpunten bij leerlinggebonden financiering

De leden van SP-fractie waarderen de poging om de bureaucratie en administratieve lasten terug te dringen. Deze leden vragen of de staatssecretaris kan aangeven of het risico bestaat dat wildgroei ontstaat in aanmeldingsformulieren, hetgeen de tijd om een en ander te verwerken alleen maar zal doen toenemen. Deze leden vragen wat de oorspronkelijke bedoeling was van de format en wie van het afnemen van de administratieve lasten profiteren. Tevens wensen zij van de staatssecretaris te vernemen of zij de bureaucratie en administratieve lastendruk wil verminderen nadat een geïndiceerd kind en geplaatst is in het reguliere onderwijs en op welke manier zij dat dan wil doen.

1.2 Indiening indicatieverzoek door bevoegd gezag van een school

De leden van de SP-fractie merken op dat het aanvragen van een indicatieverzoek door bevoegd gezag van een school pas aan de orde is wanneer ouders de (ernst van de) problematiek niet willen inzien en de aanvraag voor indicatie weigeren. Hoe wordt dat bepaald en door wie wordt dat bepaald, zo vragen de aan het woord zijnde leden. Zij vragen tevens hoe wordt voorkomen dat er hierover een juridische strijd ontstaat tussen ouders en school. Deze leden vragen of de staatssecretaris het eens is dat dit een fundamentele wijziging in beleid is en tevens vragen zij wat de redenen voor deze wijziging zijn.

1.3 Variatie in indicatietermijnen op basis van leerlingkenmerken

De leden van de SP-fractie waarderen het positief dat ouders van leerlingen met syndroom van Down nu slechts eenmalig indicatie hoeven aan te vragen voor de indicatie zeer moeilijk lerende kinderen (zmlk). Deze leden vragen waarom dat niet geldt voor leerlingen met het syndroom van Down met een aflopende indicatie zmlk. De staatssecretaris schrijft dat niet uit de dossiers is op te maken of het gaat om het syndroom van Down. Is het een goed idee om niet dossiers in te kijken maar gewoon naar het kind zelf te (laten) kijken, zo vragen zij.

1.4 Toezicht op de indicatiestelling door onderwijsinspectie

De leden van de SP-fractie vragen of er andere gevolgen zijn van het afschaffen van de Landelijke Commissie Toezicht Indicatiestelling. Wat waren de redenen om deze commissie in te stellen en zijn er functies van de commissie die niet worden overgenomen door de onderwijsinspectie, zo vragen de aan het woord zijnde leden.

1.5 Concretisering ontoereikende zorg

De leden van de SP-fractie vragen of de extra verduidelijking door scholen van het begrip «ontoereikende zorg» niet weer leidt tot een toename van de bureaucratie en administratieve lastendruk. Worden hier weer formats voor aangeleverd aan de scholen, zo vragen deze leden. Zij vragen of dit niet leidt tot een tijdrovende papieren verantwoording. Wat als een professional al na korte tijd inziet en valide argumenten heeft dat de school niet de mogelijkheden kan bieden om een kind met een handicap goede begeleiding te bieden? Moet deze school dan een half jaar wachten voordat een indicatie kan worden aangevraagd, zo zij.

2. Artikelsgewijs

Artikel III A

Ten aanzien van Artikel III A, artikel 1 vragen de leden van de PvdA-fractie of de staatssecretaris kan uitleggen hoe dit voor het voortgezet onderwijs is geregeld. De Wet Voortgezet Onderwijs kent immers geen verplicht onderwijskundig rapport?

Artikel III F

De leden van de CDA-fractie merken op dat in Artikel 11 het mogelijk wordt gemaakt dat jongeren die een tijd hebben doorgebracht in een justitiële jeugdinrichting zonder nadere indicatie geplaatst zouden kunnen worden op een cluster 4-school, voor de periode van één jaar. Volgens deze leden is dat een goede zaak. Wel zou het wat deze leden betreft ook in de toekomst mogelijk moeten kunnen gaan gelden voor jongeren die in een centrum voor gesloten jeugdzorg gezeten hebben. De leden zijn van mening dat indicatie altijd moet leiden tot handelingsgerichte diagnostiek en een adequate ondersteuning van leerlingen. In het verlengde hiervan is het soms van belang om indicatiecriteria aan te scherpen. Echter vanuit diverse instellingen zijn op verschillende aanscherpingen kritiek gekomen. Op welke wijze is de regering met deze instellingen in overleg geweest ten aanzien van de diverse aanpassingen, zo vragen deze leden.

Artikel III F, artikel 11

De leden van de PvdA-fractie vragen of de staatssecretaris kan uitleggen waarom deze regeling niet voor meer beperkingen kan gelden, zoals bijvoorbeeld voor sommige categorieën meervoudig gehandicapte leerlingen (mg). Uit de Nota van toelichting blijkt dat leerlingen met het syndroom van Down met een aflopende indicatie voor zmlk zich bij inwerkingtreding van dit besluit nog eenmaal moeten laten herindiceren. Dit verbaast de leden van de PvdA-fractie. Waarom is een herindicatie voor deze groep kinderen noodzakelijk, zo vragen deze leden. Deze leden vragen of het erg waarschijnlijk is dat kinderen uit deze groep ten onrechte de indicatie «syndroom van Down» hebben gekregen. Dat lijkt deze leden stug. Leveren deze herindicaties niet enorm veel bureaucratische rompslomp op en kosten zij niet onnodig veel geld en tijd, terwijl de uitkomst hetzelfde blijft, zo vragen de aan het woord zijnde leden. Deze leden informeren of ze niet onnodig belastend zijn voor met name de ouders en het betreffende kind. Deze leden dringen er bij de staatssecretaris daarom met klem op aan deze verplichting tot herindicatie te laten vervallen.

Artikel III F, artikel 28c van de WEC

De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat de indicatietermijn van een jaar voor jongeren die in een justitiële jeugdinrichting onderwijs gevolgd hebben, een prima regeling is, maar wat gebeurt er als de jongere nu in een justitiële jeugdinrichting verblijft, die per 1 januari 2009 wordt omgezet in een instelling voor gesloten jeugdzorg, zo vragen zij. Het gaat hierbij om zes instellingen. Gesloten jeugdzorg wordt nu niet genoemd in het Besluit. Kan de staatssecretaris dit toelichten, zo vragen deze leden.

Artikel III G, artikel 13 lid 1 onderdeel g

De leden van de PvdA-fractie vragen of de staatssecretaris kan aangeven waarom gegevens uit zowel het onderwijskundig rapport als een psychodiagnostisch onderzoek nodig zijn. In het advies van de LCTI staat dat deze aanpassing een aanzienlijke vergroting van de belasting van gedragswetenschappers zal opleveren. Deze onderzoeken kosten veel tijd en geld, bovendien zijn er te weinig GZ-psychologen beschikbaar die dit kunnen doen. Deze leden hebben hier al eerder op gewezen. Zij vragen of de staatssecretaris enig zicht heeft op de tijd die met een dergelijk onderzoek gemoeid zal zijn. Wat heeft dit voor gevolgen voor de wachttijden en wachtlijsten en hoeveel gaat het uitvoeren van deze onderzoeken kosten, zo vragen deze leden. Betekent dit niet dat er weer minder geld direct bij het kind terechtkomt, en er weer meer geld naar onderzoek en extra papierwerk gaat? Zij vragen hoe een reguliere school overigens een indicatieaanvraag moet doen, als de ouders niet meewerkend zijn en geen toestemming geven voor psychodiagnostisch onderzoek en er dus alleen een onderwijskundig rapport door het bevoegd gezag geleverd kan worden. Kan de leerling dan volgens dit artikel niet geïndiceerd worden omdat er geen psychodiagnostisch onderzoek geleverd kan worden, of wordt die bal nog nadrukkelijker neergelegd bij de REC’s, hetgeen een extra verzwaring zou betekenen voor de administratieve last? Deze leden merken op dat door de waarschijnlijk langere wachttijden het risico dreigt dat andere dossierstukken in tijd verlopen en vernemen gaarne een reactie van de staatssecretaris hierop. Zij zijn van mening dat deze maatregel het aantal cluster 4-indicaties niet zal beïnvloeden en dringen er bij de staatssecretaris met klem op aan ook deze extra eis te laten vervallen.

De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat artikel 13 van het besluit leerlinggebonden financiering wordt aangepast ter verduidelijking van het begrip «het ontbreken van algemene voorwaarden» wat betreft het leer- en werkgedrag van de leerlingen. Ook deze leden vragen in hoeverre de gevolgen van het toevoegen van het psychodiagnostisch onderzoek voor de belasting van gedragswetenschappers en de wachtlijsten die nu al bestaan voor onderzoek zijn meegewogen bij de beslissing om deze extra eis te stellen. Zal deze eis niet eerder ten koste gaan van de begeleiding van leerlingen dan dat er sprake zal zijn van een beperking van de groei van indicaties in cluster 4, zo vragen deze leden. Zij verzoeken om een nadere toelichting op dit punt.

Artikel III H, lid 1

De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat de situatie zich gaat voordoen dat er gedurende een half jaar veel tijd en energie en geld moet worden gestopt in een leerling van wie in zeer veel gevallen al veel sneller (op schoolniveau) duidelijk is dat het bijvoorbeeld een cluster 4-leerling betreft. Is het eigenlijk niet een verspilling van middelen dat ook een samenwerkingsverband nog moet aantonen wat op schoolniveau al lang duidelijk is, zo vragen deze leden. De verwachting van de staatssecretaris is dat de aanpassing van het begrip van de ontoereikende zorg leidt tot een beheersing van het aantal leerlingen dat een indicatie krijgt voor cluster 4. De leden van de PvdA-fractie hebben er begrip voor dat de staatssecretaris zoekt naar beheersingsmechanismen, maar vragen of het niet vooral zo is dat leerlingen door de aanpassing van het begrip van de ontoereikende zorg alleen láter geïndiceerd worden, in plaats van mínder en dat de verwachte groeibeheersing dus uit zal blijven. Deze leden vragen ook waarom in het ene geval (Artikel III G, artikel 13 lid 1 subonderdeel 3°) voor een jaar gekozen wordt, en voor het andere geval een half jaar.

Artikel III, onderdelen I en J

De leden van de CDA-fractie vragen of het inderdaad zo is, zoals de kritiek luidt, dat in artikel 15, het tweede lid, het deel onder b niets toevoegt, maar in feite een nadere uitleg is van de eis onder a. Tevens vragen deze leden op welke wijze art. 16 en met name deel b geïnterpreteerd dient te worden. Dat leerlingen op «Nederlands aangevuld met gebaren» (NmG) zijn aangewezen, betekent toch niet dat deze leerlingen eerst NmG moeten beheersen alvorens zij tot het slechthorenden onderwijs kunnen worden toegelaten, zo vragen deze leden. Daarnaast willen deze leden graag weten wat het beleid is, aangaande cluster 2, ten aanzien van kinderen die niet testbaar zijn. De leden van de fractie van de ChristenUnie merken op dat in de artikelen 15 en 16 van het Besluit leerlinggebonden financiering de criteria voor leerlingen met een cochleair implantaat worden aangepast. Het gaat daarbij om een verfijning van de criteria waardoor indicering van de best passende onderwijssoort binnen cluster 2 mogelijk wordt. In hoeverre betekent deze verfijning ook een aanscherping, zo vragen de aan het woord zijnde leden. Zij vragen wat de aanvullende waarde is van artikel 15, lid 2 onder b. Wat voegt deze voorwaarde toe ten aanzien van de eis onder a? Artikel 16, lid 2, onder b, van het Besluit leerlinggebonden financiering komt te luiden: «de leerling wat betreft de communicatie is aangewezen op het gesproken Nederlands aangevuld met gebaren». In hoeverre wordt hiermee beoogt dat een kind NmG moet beheersen om tot het slechthorenden-onderwijs te worden toegelaten, zo vragen ook deze leden. Zij wensen graag een nadere toelichting op deze punten.

Artikel III L, artikel 19

De leden van de CDA-fractie plaatsen een opmerking bij de indicatiecriteria betreffende de verlaging van de IQ-grens voor zmlk van 60 naar 55. Deze leden zijn er niet zomaar voorstander van om de indicatiecriteria op deze wijze aan te passen en vragen of de motieven voor deze aanpassing beter toegelicht kunnen worden en of er toegelicht kan worden welk probleem met deze aanpassing daadwerkelijk wordt opgelost. Is de regering het met de leden van de CDA-fractie eens dat een dergelijke verlaging kan leiden tot meer beredeneerde afwijking op leerachterstand en veel meer werk voor scholen die indicaties moeten aanleveren en verwerken, terwijl voor de kinderen in kwestie weinig concrete veranderingen ten positieve zullen zijn, omdat ze onder het vereiste niveau van eind groep 4/ begin groep 5 voor praktijkonderwijs zullen functioneren, zo vragen deze leden. Is het niet beter hen, net als onder andere kinderen met het syndroom van Down een levenslange indicatie te geven? Tevens vragen deze leden of de regering het eens is met de zorg van de Nederlandse Vereniging voor Psychologen (NIP) en de Nederlandse vereniging van pedagogen en onderwijskundigen (NVO) dat uitgaan van de IQ-schatting op dit niveau zeer onbetrouwbaar is. Deze leden hebben er al eerder voor gepleit na te gaan welke kinderen gebaat zouden kunnen zijn met een indicatie voor de hele schoolperiode. Deze leden willen geen overbodige indicaties. Overweegt de regering ook ten aanzien van kinderen met een indicatie voor zml-mg en lg-mg, de indicatietermijn van vier jaar te veranderen in een indicatie voor de gehele vso-schoolperiode, zo vragen deze leden. Dit zou veel overbodig (administratief) werk en rompslomp voor kind en ouders voorkomen.

Ten slotte hebben deze leden nog steeds de zorg die al eerder tijdens de plenaire behandeling door hen is geuit. Deze leden zijn van mening dat het niet zo mag zijn dat een leerling uit cluster 4 waarmee het goed gaat, juist vanwege de ondersteuning die hij of zij krijgt, deze ondersteuning kwijtraakt tijdens de herindicatie. Zij vragen welke maatregelen er kunnen worden getroffen als preventie voor terugval bij deze leerlingen.

Ook de leden van de PvdA-fractie merken op dat de IQ-grens met betrekking tot zml-kinderen van 60 naar 55 wordt verlaagd. Bij de groep kinderen met een IQ tussen de 55 en 60 is er veelal sprake van zeer geringe sociale redzaamheid en sociaal-emotionele problematiek. Veel van deze kinderen zullen in het praktijkonderwijs niet kunnen functioneren, terwijl het zmlk-onderwijs wel een «passende» plek biedt. Deze leden voorzien dat deze verlaging van de IQ-grens veel kinderen in deze groep geen goed zal doen en vragen of deze maatregel echt het gewenste effect zal hebben. Is de regering bereid deze maatregel te heroverwegen, zo vragen deze leden.

II REACTIE VAN DE STAATSSECRETARIS

1.1 Wegnemen knelpunten bij leerlinggebonden financiering

De leden van de SP-fractie hebben een aantal vragen over het wegnemen van knelpunten bij de leerlinggebonden financiering. Naar mijn mening leidt het niet langer voorschrijven van het aanmeldformulier niet tot een wildgroei van formulieren. Zoals in de memorie van toelichting bij het inmiddels aanvaarde wetsvoorstel is aangegeven, is de bedoeling van het niet langer voorschrijven van een model dat regionaal afspraken gemaakt kunnen worden om tot integrale indicatiestelling te komen. Er kunnen wel verschillen ontstaan in aanmeldformulieren tussen regio’s, maar gelet op de informatie die nodig is voor de indicatiestelling voor het onderwijs maar ook voor (jeugd)zorg kunnen de verschillen niet heel groot zijn. De bedoeling is dat vooral ouders profiteren van deze maatregel. Daar waar integraal wordt geïndiceerd, hoeven zij maaréén formulier in te vullen voor een indicatie voor zowel onderwijs als (jeugd)zorg. Zij hoeven dus maar één keer de naw-gegevens en de problematiek van hun kind te beschrijven. Tot slot vragen de leden van de SP of ik voornemens ben de bureaucratie van geplaatste leerlingen met een leerlinggebonden financiering (lgf) in het reguliere onderwijs te verminderen. De «bureaucratie» waar scholen mee te maken krijgen wanneer een leerling is geplaatst, betreft het opstellen van een handelingsplan in overeenstemming met de ouders. In het plan wordt beschreven wat de school met de leerling wil bereiken en hoe zij dat gaan doen. Het handelingsplan is inhoudelijk van groot belang voor de kwaliteit van het onderwijs. Daarom wil ik dat handhaven.

1.2 Indiening indicatieverzoek door bevoegd gezag van een school

De leden van de SP-fractie vragen door wie wordt bepaald dat ouders de problematiek niet willen inzien en weigeren een indicatie aan te vragen. In de nota naar aanleiding van het verslag over het wetsvoorstel dat aan de basis ligt van dit Besluit (Kamerstukken II, 2007/08, 30 956, nr. 7) is aangegeven dat het aanvragen van een indicatie door het bevoegd gezag een instrument is om te voorkomen dat scholen niet in staat zijn leerlingen met een handicap (meestal een gedragsstoornis, cluster 4) geschikt onderwijs te bieden doordat ouders het aanvragen van een indicatie weigeren. Er moet sprake zijn van ernstige problematiek. Het gaat om leerlingen van wie is aangetoond dat zij zijn aangewezen op een hoofdzakelijk orthopedagogische benadering. De extra voorzieningen (ondersteuning) zijn noodzakelijk om te voorkomen dat de leerling uitvalt.

Aan het indienen van een aanvraag door het bevoegd gezag gaat een traject vooraf. Het bevoegd gezag dient de ouders in dat traject te betrekken. Dat kan bijvoorbeeld in de gesprekken over de vorderingen van de leerling. Mocht het zover komen dat het bevoegd gezag voornemens is een indicatie aan te vragen, dan moet het de ouders daarover schriftelijk informeren. De reactie van de ouders moet bij de aanmelding worden gevoegd.

De aanleiding voor deze wijziging zijn signalen die ook bij de Tweede Kamer zijn binnen gekomen naar aanleiding van de invoering van de Leerlinggebonden financiering in 2003. Hieruit bleek dat een kleine groep ouders niet bereid was een indicatie aan te vragen. Het gaat om leerlingen die zonder extra ondersteuning het onderwijs niet kunnen volgen. Door de bevoegde gezagsorganen de mogelijkheid te bieden een indicatie aan te vragen, kan ook voor deze leerlingen een passend onderwijszorgaanbod worden ontwikkeld en wordt voorkomen dat leerlingen thuis komen te zitten.

1.3 Variatie in indicatietermijnen op basis van leerlingkenmerken

De leden van de SP-fractie vragen waarom leerlingen met syndroom van Down die al een indicatie hebben gekregen, toch nog een keer geherïndiceerd moeten worden. Zoals in de nota van toelichting bij voorliggend Besluit is aangegeven, is het op basis van de huidige bestanden niet mogelijk om te achterhalen welke leerlingen met een zmlk-indicatie het syndroom van Down hebben. Dit betekent helaas dat deze kinderen nog eenmaal geïndiceerd moeten worden. Overigens kan deze herindicatie, met een verklaring van een arts heel eenvoudig worden gerealiseerd.

1.4 Toezicht op de indicatiestelling door onderwijsinspectie

Reden voor de inrichting van de Landelijke commissie toezicht indicatiestelling (LCTI), waar de leden van de SP-fractie om vragen, waren enerzijds het (door)ontwikkelen van de indicatiecriteria- en procedures en anderzijds het uitoefenen van toezicht op de uitvoering van de indicatiestelling door de Commissies voor de indicatiestelling (CvI’s). Sinds 1 januari jl. houdt de inspectie integraal toezicht op de uitvoering van de taken van het regionaal expertisecentrum (rec), waaronder de indicatiestelling. De adviserende taak over de indicatiecriteria en procedures is niet overgenomen door de inspectie. Daar al een aantal jaren gewerkt wordt met de indicatiestelling en gelet op de ontwikkelingen richting Passend onderwijs, komt er minder accent op aanpassing van de criteria. Indien daarvoor aanleiding is, zal incidenteel advies worden gevraagd bijvoorbeeld aan de Evaluatie en adviescommissie Passend onderwijs.

1.5 Concretisering ontoereikende zorg

De leden van de SP-fractie vragen of de concretisering van het begrip «ontoereikende zorg» niet leidt tot een toename in bureaucratie en administratieve lasten. Een indicatie voor (v)so/lgf is bedoeld voor leerlingen met ernstige handicaps/stoornissen waardoor zij zijn aangewezen op een overwegend orthopedagogische benadering. De extra ondersteuning die nodig is moet bovendien verder gaan dan wat normaliter van de reguliere school mag worden verwacht. Dat moet een zorgvuldig proces zijn. Van de scholen mag dan ook worden verwacht dat zij bijhouden wat zij aan extra ondersteuning bieden aan leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben en wat daarvan de effecten zijn. Omdat dit onvoldoende naar voren komt in de indicatieaanvragen, is het begrip «ontoereikende zorg» geconcretiseerd. Als scholen dit al deden, betekent de concretisering geen extra bureaucratie. De periode van een half jaar om de effecten van ingezette ondersteuning vanuit de reguliere school te volgen past bij die zorgvuldige procedure.

2. Artikelsgewijs

Artikel III A

Het bevoegd gezag is op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs niet verplicht een onderwijskundig rapport aan te leveren. In gevallen waar het onderwijskundig rapport ontbreekt, kan via de weg van de beredeneerde afwijking (artikel 25 van het Besluit leerlinggebonden financiering) toch een indicatiestelling worden gerealiseerd. Overigens dient ook in die gevallen waarin een onderwijskundig rapport ontbreekt en gebruik wordt gemaakt van de beredeneerde afwijking, de reguliere school aan te tonen dat sprake is van onder meer «ontoereikende zorg».

Artikel III F

De leden van de CDA-fractie zouden het een goede zaak vinden indien in de toekomst niet alleen jongeren afkomstig uit een justitiële jeugdinrichting (JJI) een indicatie van een jaar krijgen, maar ook jongeren afkomstig uit een gesloten jeugdzorginstelling. In reactie hierop het volgende. De wijzigingen in de WEC en WOT in verband met het wegnemen van knelpunten zijn vóór de invoering van de wetgeving waarmee de afsplitsing van de gesloten jeugdzorg wordt gerealiseerd, opgesteld. Bij de uitwerking van voorliggend Besluit is dan ook nog geen rekening gehouden met die wet. Ik zal een procedure starten om het Besluit leerlinggebonden financiering op dit punt aan te passen, zodat de automatische indicatie van een jaar ook gaat gelden voor jongeren afkomstig uit een gesloten jeugdzorginstelling.

Artikel III F, artikel 11

De leden van de fractie van de PvdA vragen waarom de regeling op grond waarvan een indicatie voor de schoolloopbaan wordt gegeven niet voor meer categorieën leerlingen kan gelden. Het antwoord hierop is dat in veel gevallen op jonge leeftijd nog niet is vast te stellen hoe de leerling zich verder zal ontwikkelen. Het is lastig om groepen leerlingen aan te wijzen waarvoor een indicatie voor de schoolloopbaan kan gelden. Wel wil ik de komende periode bezien of voor sommige groepen oudere leerlingen een herindicatie nog noodzakelijk is. In antwoord op vragen van deze fractie over de herindicatie van leerlingen met syndroom van Down, wil ik verwijzen naar het antwoord op de vraag van de leden van de SP-fractie over dit onderwerp.

Artikel III F, artikel 28c van de WEC

In reactie op de vraag van de leden van de PvdA-fractie over de gesloten jeugdzorg wil ik verwijzen naar het antwoord op een vergelijkbare vraag van de leden van de CDA-fractie.

Artikel III G, artikel 13 lid 1 onderdeel g

Zowel de leden van de leden van de PvdA-fractie als leden van de Christen-Unie-fractie hebben vragen over artikel III G, artikel 13, lid1, onderdeel g, over het aantonen van het ontbreken van algemene voorwaarden wat betreft het leer- en werkgedrag van de leerlingen.

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom zowel gegevens uit het onderwijskundig rapport als een psychodiagnostisch onderzoek nodig zijn. Voor de vaststelling van de ontoereikendheid van de zorg in de reguliere setting, wordt een onderwijskundig rapport of/met een geëvalueerd handelingsplan gevraagd. De school beschrijft hierin wat de problemen van de leerling zijn die aanleiding zijn voor indicatieaanvraag, wat de school gedaan heeft om die problemen te verhelpen gedurende tenminste een half jaar, en wat het resultaat is van die hulp (evaluatie). Dit levert een beschrijving op van de gedragsproblematiek van de leerling, waaronder de belemmeringen voor onderwijsparticipatie. Een belangrijke informatiebron voor deze informatie is de leerkracht waarbij de leerling onderwijs volgt. Het gedrag van een leerling kan men echter niet alleen aan die leerling toeschrijven, het is een «resultante» van de interactie van de leerling met de omgeving, waaronder de leerkracht. Dat betekent dat de waarnemingen van de leerkracht van gedrag van de leerlingen altijd een subjectief element bevatten. De LCTI heeft daarom voorgesteld dat een meer onafhankelijk gedragsdeskundige de aard en ernst van de gedragsproblemen beschrijft die leiden tot de onderwijsbelemmering.

De diagnose van de meeste gedragsstoornissen moet door een geregistreerde GZ psycholoog/pedagoog vastgesteld worden. Dat geldt echter niet voor het in kaart brengen van de «onderwijsbelemmeringen». Die kunnen in kaart gebracht worden door een diagnostisch geschoold gedragsdeskundige, waaraan geen tekort aan is. Uit de analyse van de LCTI bleek dat in bijna een derde (31%) van de indicatieaanvragen de informatie over ontbrekende leervoorwaarden al in het dossier zit. Naar mijn mening past een goede analyse van de onderwijsbelemmeringen van de leerling in een zorgvuldig proces en het bieden van kwaliteit. Wanneer de problematiek van een leerling zo ernstig is dat aanmelding voor het speciaal onderwijs nodig lijkt, mag van de school/ouders worden verwacht dat een gedragsdeskundige wordt geraadpleegd. Bovendien vormt de analyse van de onderwijsbelemmeringen de basis voor een goed handelingsplan. Dat neemt niet weg dat ik met de leden van mening ben dat moet worden voorkomen dat de voorgestelde concretisering ten koste gaat van de begeleiding van leerlingen. Ik heb hierover al contact opgenomen met de WEC-raad en ben in overleg met de raad om te bezien hoe tegemoet kan worden gekomen aan een zorgvuldig indicatieproces, dat niet leidt tot wachtlijsten.

De leden van de fracties van de PvdA en de ChristenUnie zijn van mening dat deze maatregel het aantal cluster 4-indicaties niet zal beïnvloeden. Ik verwacht echter dat deze aanpassingen wèl ertoe kunnen bijdragen dat aanmeldingen van kinderen, waarvoor de mogelijkheden van de reguliere zorgstructuur nog niet voldoende benut zijn, voorkómen kunnen worden.

Artikel III H, lid 1

De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat gedurende een half jaar veel geld en energie in leerlingen moet worden gestopt van wie al eerder duidelijk is dat het bijvoorbeeld een cluster 4 leerling is. Gevraagd wordt, of het geen verspilling van middelen is dat het samenwerkingsverband moet aantonen wat op schoolniveau al lang duidelijk is. Het inschakelen van het samenwerkingsverband zie ik niet als het verspillen van middelen. Op dit moment proberen scholen problemen van leerlingen vaak nog heel lang zelf op te lossen en verwijzen zij wanneer het echt niet mee gaat door naar bijvoorbeeld het speciaal onderwijs. Het samenwerkingsverband heeft expertise en middelen om leerlingen in het regulier onderwijs te ondersteunen. Voor een deel van de leerlingen kan met de inzet van die expertise worden voorkomen dat verwijzing naar het speciaal onderwijs nodig is. De verwachting van deze leden dat door aanpassing van het criterium ontoereikende zorg leerlingen later worden geïndiceerd maar dat het er niet minder zijn, deel ik dan ook niet. Tot slot vragen deze leden waarom het in ene artikel wordt gekozen voor een jaar, en in het andere een half jaar. De periode van een jaar onder III G, artikel 13, lid 1, subonderdeel 3 had ook een half jaar moeten zijn. Bezien wordt hoe deze omissie zo snel mogelijk kan worden hersteld.

Artikel III, onderdelen I en J

De leden van de CDA-fractie en van de fractie van de ChristenUnie hebben vragen over de artikelen 15 en 16 in het Besluit leerlinggebonden financiering waarin de indicatiestelling van leerlingen met een cochleair implantaat is geregeld. Deze wijzigingen zijn in tot stand gekomen op basis van een verkenning die in nauw overleg met een klankbordgroep is uitgevoerd door de LCTI. In de klankbordgroep zaten vertegenwoordigers van (belang)organisaties (als Simea, FOSS en Dovenschap), ouderorganisaties (FODOK) en medici. De leden van de fracties van het CDA en de ChristenUnie vragen of het zo is dat het onderdeel b, van artikel 15 niets toevoegt maar in feite een verder uitleg is van de eis onder a. Hoewel het voorstelbaar is dat wordt gedacht dat b niets toevoegt, is dat niet het geval. De meeste leerlingen zijn namelijk al te vatten onder a. en hebben dan logischerwijs ook problemen die zijn genoemd in b. Dit geldt echter niet voor alle leerlingen. Vervolgens vragen de leden op welke wijze artikel 16 en met name deel b. geïnterpreteerd dient te worden. Gevraagd wordt of dit niet betekent dat de leerling eerst NmG moet beheersen voordat hij tot het slechthorenden onderwijs kan worden toegelaten. Het antwoord is ontkennend. Er wordt niet beoogd dat de leerling het NmG al beheerst maar er wordt beoogd dat de mogelijkheden van de leerling om te communiceren liggen bij het NmG. Een leerling moet de mogelijkheid hebben om betekenis te (gaan) toekennen aan geluid en moet in staat zijn om in gesproken taal te (gaan) reageren. Natuurlijk kan een jong kind 2 jaar na implantatie nog niet adequaat middels gesproken taal reageren (aangevuld met gebaren) maar onderzoeken moeten uitwijzen dat de leerling deze mogelijkheden wel heeft en dat hij dus onderwijs via NmG nodig heeft om deze vaardigheden verder te ontwikkelen.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen in hoeverre de verfijning van de criteria ook een aanscherping betekenen. Over de criteria voor de indicatiestelling van leerlingen met een cochleair implantaat is, ook met de Tweede Kamer regelmatig discussie geweest. Dit is aanleiding geweest voor nader onderzoek door de LCTI. De resultaten van dat onderzoek hebben geresulteerd in voorgestelde wijzigingen die inderdaad vooral als verfijning kunnen worden gezien. De oude criteria waren onvoldoende nauwkeurig waardoor het kon voorkomen dat leerlingen niet op de (voor hen) juiste schoolsoort terecht kwamen. Door deze verfijning van de criteria wordt recht gedaan aan de problematiek en de mogelijkheden van de leerling door het mogelijk te maken dat de leerling op die schoolsoort terecht komt waar hij zijn mogelijkheden ten volle kan (leren) benutten.

Artikel III L, artikel 19

De leden van de CDA-fractie en de leden van de PvdA-fractie hebben vragen over de wijziging in de indicatiestelling voor zmlk, betreffende de verlaging van de IQ-grens van 60 naar 55. Ook voor deze wijzigingen geldt dat een zorgvuldig proces aan de basis moet staan van de indicatiestelling. Ook voor deze leerlingen geldt dat het streven is een zo hoog mogelijke kwalificatie te behalen. Met de wijziging wordt een zorgvuldige afweging gestimuleerd of voor een leerling het Praktijkonderwijs haalbaar is of dat de leerling is aangewezen op het zmlk. Voor leerlingen met een IQ tussen de 55 en 60 die zijn aangewezen op het zmlk blijft een zmlk-indicatie mogelijk.

In antwoord op de vraag van de leden van de CDA-fractie of een indicatie voor de vso-periode wordt overwogen, wil ik verwijzen naar het antwoord op een vergelijkbare vraag van de PvdA-fractie, waarin is aangegeven dat wordt bezien of herindicatie voor oudere leerlingen nog noodzakelijk is.


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Van de Camp (CDA), voorzitter, Depla (PvdA), Slob (CU), Remkes (VVD), Joldersma (CDA), De Vries (CDA), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Van Dijk (CDA), Aptroot (VVD), Leerdam (PvdA), Kraneveldt-van der Veen (PvdA), Roefs (PvdA), ondervoorzitter, Verdonk (Verdonk), Van Leeuwen (SP), Biskop (CDA), Bosma (PVV), Pechtold (D66), Zijlstra (VVD), Van Dijk (SP), Besselink (PvdA), De Rooij (SP), Ouwehand (PvdD), Dibi (GL) en Vacature (algemeen).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Ferrier (CDA), Gill’ard (PvdA), Anker (CU), Van Miltenburg (VVD), Atsma (CDA), Uitslag (CDA), Vietsch (CDA), Schinkelshoek (CDA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Van Dijken (PvdA), Hamer (PvdA), Van Dam (PvdA), Van der Burg (VVD), Gesthuizen (SP), Jonker (CDA), Fritsma (PVV), Van der Ham (D66), Ten Broeke (VVD), Leijten (SP), Bouchibti (PvdA), Gerkens (SP), Thieme (PvdD), Peters (GL) en Van Bommel (SP).