Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 10 maart 2015
Met deze brief wil ik u informeren over de inmiddels ontvangen reactie van mijn Deense
collega op de door mij gevraagde concessie aangaande uitbreiding van het vaargebied
en op berichten die mij vanuit de sector bereiken omtrent vermeende discriminatie
van de Nederlandse zeegaande zeilschepen.
Vaargebied Nederlandse zeegaande zeilschepen op de Oostzee
Aan mijn Deense collega, de heer Sass Larsen, Minister voor «Business and Growth»
in Denemarken, heb ik voorgesteld om schepen die voldoen aan striktere veiligheidseisen,
toe te staan ook buiten de zone tot 20 zeemijlen uit de Deense kust te varen. Helaas
houdt mijn Deense collega vast aan het standpunt dat de zeegaande zeilschepen slechts
buiten de bedoelde zone kunnen varen indien de schepen voldoen aan de corresponderende
internationale of Europese veiligheidseisen. Dat betekent in de praktijk dat een zeegaand
zeilschip dat buiten de zone tot 20 zeemijlen vaart, aan de eisen van het SOLAS-verdrag
moet voldoen.
Met Denemarken is echter wel overeenstemming bereikt om het vaargebied bij de Duitse
«Kieler Bucht» uit te breiden. Daardoor kunnen schepen die zijn gebonden aan het vaargebied
tot maximaal 5 zeemijlen uit de kust varen in een ruimer vaargebied. Hierdoor kunnen
deze schepen de oversteek maken naar Duitse wateren. Daarnaast is het voor Nederlandse
zeegaande zeilschepen mogelijk om gebruik te maken van een bilaterale overeenkomst
tussen Denemarken en Zweden om de oversteek van Denemarken naar Zweden te kunnen maken
via de Øresund.
Discriminatie
Tevens heb ik aan mijn Deense collega toegelicht dat ik verschillende signalen betreffende
vermeende discriminatie van Nederlandse zeilschepen heb ontvangen vanuit de sector.
De heer Sass Larsen heeft mij in zijn reactie verzekerd dat er geen sprake is van
discriminatoire eisen die worden gesteld aan Nederlandse of enig andere buitenlandse
zeilschepen. Mijn Deense collega stelt voor om, wanneer deze signalen blijven aanhouden,
een brede handhavingcampagne op te zetten gericht op zeegaande zeilschepen. Ik verwijs
in dit verband tevens naar mijn antwoorden op de vragen van het lid de Vries van uw
Kamer1.
Reeds in een eerder stadium heb ik begrepen dat Denemarken sommige schepen met een
historische karakter aanmerkt als «worthy of preservation». Wanneer een schip als
zodanig wordt aangemerkt gelden specifieke veiligheidseisen en wordt het vaargebied
per individueel schip bepaald. Met name dit laatste maakt het bijzonder moeilijk om
vast te stellen of er sprake is van discriminatie. Op dit moment kan ik slechts vaststellen
dat er geen harde bewijzen zijn dat er sprake is van discriminatoire eisen voor Nederlandse
zeegaande zeilschepen. Ook de Europese Commissie heeft dit vastgesteld in haar afwijzing
van de klacht van de Vereniging voor Beroepschartervaart (BBZ) tegen Denemarken.
Vervolg
Over het oplossingsvoorstel, dat de voorwaarden bevat om in Deense wateren te kunnen
varen, en over de stand van zaken daarvan heb ik u geïnformeerd middels de antwoorden
op de vragen van het lid Bashir van uw Kamer. Naar aanleiding van de reactie van mijn
Deense collega zal het vaargebied voor de vaart van en naar Deense havens beperkt
zijn tot maximaal 20 zeemijlen uit de kust wanneer het schip aan de meest moderne
Nederlandse eisen voor lekstabiliteit voldoet. Is dat niet het geval, dan zal dit
beperkt zijn tot 5 zeemijlen uit de kust. Bij de Duitse «Kieler Bucht» is het vaargebied
echter ruimer dan 5 mijl uit de kust. Op dit moment wordt de laatste hand gelegd aan
de definitieve inhoud van het oplossingsvoorstel. De BBZ heeft inmiddels aangegeven
akkoord te zijn met het oplossingsvoorstel en mijn voornemen is om nu zo snel mogelijk
tot een formele afronding te komen.
Ik wil hier nog het volgende aan toevoegen. In het oplossingsvoorstel is tevens opgenomen
dat Denemarken en Nederland het onderling oneens zijn over de vraag of het SOLAS-verdrag
en/of de Europese richtlijn 2009/45/EC inzake veiligheidsvoorschriften en -normen
voor passagiersschepen, van toepassing zijn op de (Nederlandse) zeilschepen. Ik moet
helaas constateren dat Nederland geïsoleerd staat met haar opvatting dat het genoemde
verdrag en de richtlijn in dit geval niet van toepassing zijn. Tot op heden heeft
geen enkel ander Europees land aangegeven onze opvatting te onderschrijven. Integendeel,
de conclusies die te lezen zijn in het onlangs verschenen eindrapport van de Ierse
Marine Casualty Investigation Board (MCIB) over het vergaan van het Nederlandse zeilschip
«Astrid» voor de Ierse kust op 24 juli 2013, laten niets aan duidelijkheid te wensen
over. De Ierse autoriteiten zullen erop gaan toezien dat zeegaande zeilschepen, zoals
de «Astrid», voldoen aan de eisen zoals neergelegd in internationale conventies en
Europese richtlijnen.
Mijn conclusie is daarom dat ik, ondanks de inperkingen van het vaargebied, verheugd
ben dat er een oplossingsvoorstel ligt waar zowel Denemarken als Nederland achter
kan staan. Naar mijn mening is met dat oplossingsvoorstel ook het maximaal mogelijke
resultaat behaald.
De Minister van Infrastructuur en Milieu,
M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus