31 390 (R 1851)
Verdrag tussen het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden en de Portugese Republiek tot oprichting van het Europees Gendarmeriekorps EUROGENDFOR; Velsen, 18 oktober 2007

A
nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 29 februari 2008

Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op 19 maart 2008. De wens dat het verdrag aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Staten-Generaal wordt onderworpen kan door of namens een van de Kamers of door ten minste vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de Tweede Kamer of door de Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen onderscheidenlijk van Aruba te kennen worden gegeven uiterlijk op 18 april 2008.Overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste en tweede lid, en artikel 5, eerste en tweede lid, van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, heb ik de eer u hierbij ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen het op 18 oktober 2007 te Velsen totstandgekomen verdrag tussen het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden en de Portugese Republiek tot oprichting van het Europees Gendarmeriekorps EUROGENDFOR (Trb. 2007, 227).

Een toelichtende nota bij dit verdrag treft u eveneens hierbij aan.

De goedkeuring wordt voor het gehele Koninkrijk gevraagd.

Aan de Gouverneurs van de Nederlandse Antillen en van Aruba is verzocht hogergenoemde stukken op 18 maart 2008 over te leggen aan de Staten van de Nederlandse Antillen en de Staten van Aruba.

De Gevolmachtigde Ministers van de Nederlandse Antillen en van Aruba zijn van deze overlegging in kennis gesteld.

De minister van Buitenlandse Zaken,

M. J. M. Verhagen

TOELICHTENDE NOTA

Inleiding

Het advies van de Raad van State van het Koninkrijk wordt niet openbaar gemaakt, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat (ertikel 25a, vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State).Tijdens recente internationale crisisbeheersings- en vredesoperaties in bijvoorbeeld de Balkan, is gebleken dat er, naast de noodzaak voor militaire vredeshandhavings-eenheden, ook bijzondere behoefte bestaat aan (robuuste) politie-eenheden die zelfstandig inzetbaar zijn in instabiele situaties (gendarmerie). Gebleken is dat een lacune bestaat tussen enerzijds het herstellen en handhaven van de vrede door inzet van militairen en anderzijds het starten van een stabiliserings- en opbouwproces, waartoe een blijvend herstel van de rechtsorde noodzakelijk is en waartoe normale militaire troepen veelal geen bijzonder mandaat, dan wel vaardigheden en middelen bezitten. Ook is gebleken dat bij dergelijke veelal instabiele situaties nog niet kan worden volstaan met de inzet van lokale politie -voor zover nog of al functionerend aanwezig- dan wel met de inzet van normale politie-eenheden uit derde staten, al dan niet opererend in internationaal verband.

In 2003 heeft Frankrijk ingegeven door deze gedachte een suggestie voor de oprichting van een Europese gendarmerie-macht voorgelegd aan de vier lidstaten van de EU (zoals die op dat moment bestond), die over een dergelijk politiekorps met militaire status beschikten, te weten: Italië, Nederland, Portugal en Spanje. Dit heeft op 17 september 2004 geresulteerd in een Declaration of Intent (ondertekend te Noordwijk door de ministers van Defensie van de vijf voornoemde staten) om over te gaan tot vorming van de van een dergelijk Europees gendarmerie-wapen en om de, ook voor het onderling samenwerken noodzakelijke, volkenrechtelijke basis neer te leggen in de vorm van een verdrag, dat nu ter goedkeuring voorligt.

Met dit verdrag wordt vooral beoogd de volgende doelstellingen te waarborgen:

• binnen Europa zorg te dragen dat een volwaardige capaciteit bestaat voor het verrichten van alle politietaken bij crisisbeheersingsoperaties in het kader van de Verklaring van Petersberg, in het bijzonder met betrekking tot substitutiemissies;

• een multinationale operationele structuur te bieden voor staten die voornemens zijn deel te nemen aan EU-operaties;

• deel te kunnen nemen aan initiatieven van internationale organisaties op het gebied van crisisbeheersing.

Om deze doelstellingen te verwezenlijken hebben de bovengenoemde landen besloten de «European Gendarmerie Force» (hierna te noemen «de EGF») in het leven te roepen. Deze gendarmeriemacht zal al standaard zijn samengesteld en voorbereid, zodat zij bij crises snel inzetbaar is. De EGF heeft verdragsrechtelijk een multinationaal, modulair en uitzendbaar permanent hoofdkwartier gevestigd in Vicenza (Italië) De leiding van dit hoofdkwartier berust bij de commandant van de EGF, waarbij iedere Partij om beurt de commandant benoemt. Het hoofdkwartier bestaat uit een multinationale kern die naar behoefte en na overeenstemming tussen de deelnemende landen kan worden versterkt. Verder omvat de EGF personeel van de politiemachten met militaire status van de Partijen, dat door de Partijen aan de EGF wordt toegewezen voor het uitvoeren van missies of oefeningen nadat het onder bevel is gesteld van de EGF.

Wanneer tot deelname aan een operatie wordt besloten, benoemen de deelnemende landen een commandant voor de EGF-missie. Het permanente hoofdkwartier van de EGF fungeert als moederhoofdkwartier voor het hoofdkwartier van de commandant voor de EGF-missie (Lokaal Hoofdkwartier). De rol van het permanente hoofdkwartier in de bevelsketen zal worden ingevuld aan de hand van de behoeften die de situatie stelt.

De EGF zal in eerste instantie vooral ter beschikking van de Europese Unie staan. Daarnaast kan de EGF ook ter beschikking worden gesteld van de Verenigde Naties, de Organisatie voor Samenwerking en Veiligheid in Europa, de Noord Atlantische Verdragsorganisatie, andere internationale organisaties of van ad hoc-coalities. Voor de operationele inzet van de EGF is een unaniem besluit vereist van de landen die deelnemen aan de EGF. Elk deelnemend land behoudt de volledige vrijheid om te beslissen of zijn eenheden al dan niet aan een EGF-operatie deelnemen.

De hiergenoemde uitgangspunten, onderlinge rechten en – verplichtingen zijn in uitgewerkt in meer precieze bepalingen over statutaire, operationele en financiële aangelegenheden van de EGF, alsmede over de statusgerelateerde aangelegenheden (privileges en immuniteiten) van de EGF en haar personeel en waar toepasselijk, hun familieleden. Het verdrag is ingedeeld in elf hoofdstukken; per hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de voornaamste artikelen.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Hoofdstuk I Algemene bepalingen

Dit hoofdstuk omvat bepalingen inzake de doelstelling van het verdrag, vastgelegd in artikel 1. Artikel 2 vermeldt de beginselen van wederkerigheid en gedeelde kosten waarop de bepalingen van het verdrag zijn gebaseerd. Artikel 3 omvat een lijst met definities.

Hoofdstuk II Missies, stationering en inzet

Artikel 4, eerste lid: Op grond van het gestelde in dit artikel moet de EGF in staat zijn binnen alle aspecten van crisisbeheersingsoperaties te kunnen opereren:

• gedurende de aanvangsfase van de operatie zou de EGF tegelijk met de militaire macht het operatiegebied kunnen betreden voor de uitvoering van politietaken;

• gedurende de overgangsfase zou de EGF zijn taken zelfstandig of samen met een militaire macht kunnen voortzetten, teneinde de samenwerking en coördinatie met plaatselijke of internationale politie-eenheden te bevorderen;

• bij het vertrek van de militaire macht uit het crisisgebied zou de EGF, indien nodig, de overdracht van verantwoordelijkheden aan de civiele autoriteiten en de organisaties die deelnemen aan de samenwerking, kunnen vergemakkelijken.

Bij crisispreventie zou de EGF zelfstandig of gezamenlijk met een militaire macht kunnen worden ingezet. Artikel 4, tweede lid: De eenheden van de EGF kunnen hetzij onder militair bevel, hetzij onder civiel gezag worden geplaatst voor het waarborgen van de openbare orde en veiligheid, en voor het verrichten van justitiële politietaken.

Artikel 4, derde lid: In overeenstemming met het mandaat van de desbetreffende missie kan de EGF een breed spectrum aan activiteiten uitvoeren die verband houden met haar eigen politiecapaciteiten, zoals:

• missies in het kader van de openbare orde en veiligheid;

• toezicht houden op en adviseren van de plaatselijke politie bij hun dagelijkse werkzaamheden, met inbegrip van werkzaamheden op het gebied van strafrechtelijk onderzoek;

• openbare surveillancetaken, verkeersregeling,- en grenspolitietaken;

• strafrechtelijk onderzoek, waaronder opsporing van strafbare feiten, het opsporen van daders en het overdragen daarvan aan de betrokken gerechtelijke autoriteiten;

• bescherming van mensen en eigendommen en ordehandhaving bij verstoring van de openbare orde;

• opleiding van politiefunctionarissen op het gebied van internationale normen;

• opleiding van instructeurs, in het bijzonder door middel van samenwerkingsprogramma’s.

Artikel 6: Dit artikel bevat nadere bepalingen voor de inzet van de EGF. Op grond van het gestelde in het eerste lid zullen de voorwaarden voor inzet van de EGF altijd unaniem worden besloten door een Hoge Interdepartementale Commissie, hierna te noemen: «CIMIN» (zie hiervoor artikel 7). Tevens zal een inzet van de EGF altijd berusten op een mandaat. Op grond van het gestelde in het derde lid, dienen de voorwaarden voor de stationering van EGF-personeel op het grondgebied van een derde staat te worden overeengekomen tussen de zendstaten en de betreffende derde staat. In het bijzonder zal dit gelden indien niet onder de vlag van internationale organisaties, genoemd in artikel 5 van het onderhavige verdrag, maar met een ad hoc-coalitie wordt opgetreden. Een belangrijk onderwerp voor stationering is onder meer de statusafspraak (statusverdrag) voor het personeel. In dit verdrag worden de privileges en immuniteiten van het personeel op het grondgebied van de derde staat vastgelegd.

Hoofdstuk III Institutionele en juridische aspecten

Artikel 7: De CIMIN is samengesteld uit vertegenwoordigers van de verantwoordelijke ministeries van elk land en waarborgt de politiek-militaire samenwerking. De CIMIN benoemt onder meer de commandant van de EGF en voorziet deze van richtlijnen. Verder stuurt de CIMIN de inzet van de EGF aan. Beslissingen in de CIMIN worden unaniem genomen. Specifieke regelingen inzake de deelname, structuur, organisatie en het functioneren van de CIMIN worden in het reglement van orde door de CIMIN vastgesteld.

Artikel 8: Dit artikel regelt de hoofdtaken van de EGF-commandant. Op grond van het gestelde in artikel 8, onder c, kan de commandant onder uitdrukkelijk mandaat van de verdragspartijen, via en namens de CIMIN, onderhandelen over, of overgaan tot het sluiten van technische overeenkomsten of regelingen die nodig zijn voor het naar behoren functioneren van de EGF en voor de uitvoering van oefeningen of operaties op het grondgebied van een derde staat. In dit kader kan vooral worden gedacht aan logistieke afspraken die moeten worden gemaakt met het gastland in verband met het verblijf van EGF-personeel op het grondgebied.

De bovengenoemde bevoegdheid van de commandant is met name van belang in de gevallen dat de EGF niet onder de vlag van internationale organisaties, genoemd in artikel 5, maar op ad hoc-basis optreedt. Door het volgen van een centrale procedure wordt in de regel tijd gespaard. Partijen behouden de mogelijkheid om het mandaat niet aan de commandant te verlenen. Besluiten in de CIMIN worden immers met eenparigheid van stemmen genomen.

Artikel 9: Dit artikel regelt de rechtspersoonlijkheid van de EGF op grond waarvan de EGF, vertegenwoordigd door de commandant of een daartoe door deze uitdrukkelijk aangewezen persoon, in elk van de Partijen de bevoegdheid heeft om naar nationaal recht van de Partijen contracten te sluiten. In dit verband is de EGF ook bevoegd om in rechte op te treden. Met de gastheerstaat (Italië) kan worden overeengekomen dat deze als vertegenwoordiger optreedt in alle gerechtelijke procedures in die staat waarbij de EGF partij is. Alle hieruit voortvloeiende kosten dienen door de EGF te worden vergoed. In het verdrag wordt niet expressis verbis internationale rechtspersoonlijkheid toegekend aan de organisatie, maar uit de bevoegdheid van de commandant om onder uitdrukkelijk mandaat van de CIMIN overeenkomsten te sluiten (zie art 8 c), kan worden afgeleid dat de organisatie daar wel impliciet over beschikt, zij het dat de verdragsluitende bevoegdheid zeer beperkt is.

Hoofdstuk IV Faciliteiten voor het Permanente Hoofdkwartier

Dit hoofdstuk omvat nadere bepalingen over de door de gastheerstaat (Italië) te verstrekken faciliteiten voor het permanente hoofdkwartier en de ondersteunende diensten (artikel 10) evenals de verplichting van de EGF-commandant om vertegenwoordigers van een bevoegde dienst van de gastheerstaat toegang te verlenen tot de infrastructuur van het permanente hoofdkwartier om noodzakelijke inspecties, onderhoudswerkzaamheden, reparaties en verbouwingen te kunnen verrichten (artikel 11).

Hoofdstuk V Bescherming van inlichtingen

Artikel 12: Op grond van het gestelde in het eerste lid zal tussen de Partijen een veiligheidsovereenkomst worden gesloten waarin de grondbeginselen en minimumnormen voor de bescherming van geheime informatie of geheim materiaal zijn vervat.

Hoofdstuk VI Bepalingen betreffende het personeel

Artikel 13: Dit artikel bevat de bij verlening van privileges en immuniteiten aan personeel van een staat geplaatst in een andere staat gebruikelijke bepaling dat het personeel van de EGF en hun gezinsleden de wetgeving van de gastheerstaat en de wetgeving van de ontvangende staat dienen te respecteren.

Artikel 14: Dit artikel sluit de regelgeving betreffende vreemdelingen in de gastheerstaat (Italië) uit wat betreft de immigratievoorschriften en de wettelijke formaliteiten betreffende toegang en verblijf voor leden van het permanente hoofdkwartier en hun gezinsleden.

Artikel 16: Op grond van het gestelde in het tweede lid mag EGF-personeel wapens en munitie bezitten dan wel met zich mee (ver)voeren indien dit is toegestaan volgens de op hen toepasselijke voorschriften en indien dit in overeenstemming is met de wetgeving van de gastheerstaat en de ontvangende staat.

Artikel 17: Personeel van de EGF, dat in het bezit is van een door hun land van herkomst afgegeven militair rijbewijs, kan met dit militaire rijbewijs op het grondgebied van een andere verdragsluitende Partij, motorrijtuigen van de EGF besturen van een categorie overeenkomende met de categorie waarvoor het militaire rijbewijs is verstrekt.

Hoofdstuk VII Voorrechten en Immuniteiten

In dit hoofdstuk zijn door Partijen voorrechten en immuniteiten neergelegd om het behalen van de doelstelling van het verdrag, zoals dat is omschreven in artikel 1, eerste lid, te bevorderen. Daarbij wordt onder voorwaarden voorzien in voorrechten en immuniteiten voor het permanente hoofdkwartier met betrekking tot het officiële functioneren daarvan. Verder wordt onder voorwaarden voorzien in zekere voorrechten voor het door Partijen daarbij geplaatste personeel gedurende hun plaatsing bij dat hoofdkwartier, evenals, eveneens onder voorwaarden, in voorrechten en immuniteiten voor door Partijen aan de EGF toe te wijzen politie-eenheden met militaire status.

Artikel 19. De deelnemende landen hebben in dit artikel afspraken vastgelegd, die voorzien in vrijstelling van belasting en rechten in het kader van het officiële functioneren voor het permanente hoofdkwartier. Voor politie-eenheden met militaire status, die opereren onder dit verdrag, wordt voorzien in beperktere vrijstellingen. Het eerste, tweede, derde, vierde en zesde lid van dit artikel bepalen, dat het permanente hoofdkwartier in dat geval in alle deelnemende Staten volledige vrijstelling geniet van belasting en van rechten. Door een deelnemende Staat aan de EGF toegewezen politie-eenheden met militaire status hebben zoals blijkt uit artikel 19, vijfde en zesde lid, in dat geval alleen met betrekking tot brandstof en smeermiddelen en met betrekking tot motorrijtuigenbelasting in de andere deelnemende Staten recht op vrijstelling van belasting en rechten. Het zevende en achtste lid bevatten enige gebruikelijke bepalingen over het voorwaardelijke karakter van privileges (zevende lid) en over het materiële belastingkarakter daarvan (achtste lid). In het negende lid leggen Partijen vast, dat dit verdrag geen basis biedt voor vrijstelling van belasting, rechten of andere heffingen, bij aanschaf van militair materieel en militaire uitrusting.

Artikel 20: In dit artikel hebben Partijen afspraken neergelegd over persoonlijke voorrechten van het personeel van het permanente hoofdkwartier. Voor ten minste één jaar bij het Permanente Hoofdkwartier gedetacheerd personeel van een zendstaat kan tot één jaar na de plaatsing een belastingvrije auto voor persoonlijk gebruik aanschaffen (eerste, tweede en derde lid). Daarnaast heeft dit personeel in de gastheerstaat vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor één auto voor de tijd, dat de plaatsing bij het permanente hoofdkwartier duurt (vijfde lid). Het bezit van de nationaliteit van de gastheerstaat, of het hebben van permanent verblijf in de gastheerstaat ten tijde van de plaatsing bij het Permanente Hoofdkwartier, zijn prohibitief om gemelde belastingvrijstellingen met betrekking tot particuliere auto’s te kunnen genieten. (eerste lid).

Artikel 21: Dit artikel regelt de onschendbaarheid van terreinen, gebouwen en archieven. Deze bepaling brengt voor de Partijen de verplichting met zich mee om gebouwen en terreinen op een zo goed mogelijke wijze te beschermen. De nodige zorgvuldigheid dient te worden betracht om ervoor te zorgen dat de veiligheid en orde op de terreinen en in de gebouwen van de EGF niet worden verstoord door onbevoegde personen of groepen van personen die de onmiddellijke omgeving ervan trachten te betreden of hierin ordeverstoringen veroorzaken. Voor wat betreft de archieven is geen territoriale begrenzing gegeven zolang ze zich onder de EGF bevinden of onder een functionaris in het kader van de vervulling van diens officiële functies. De bepaling betreffende de onschendbaarheid van archieven is nodig naast de bepaling van onschendbaarheid van gebouwen en terreinen aangezien archiefmateriaal zich ook buiten die gebouwen en terreinen kan bevinden, en daar ook immuun dient te zijn.

Artikel 22: Deze bepaling is noodzakelijk om een vrijstelling te creëren voor alle goederen die de EGF in het kader van de vervulling van zijn officiële functies krachtens rechtsgeldige titel onder zich heeft. Met deze bepaling wordt beoogd deze goederen onschendbaar te maken tegen inbreuk van derden, inclusief de overheid. Dit is noodzakelijk voor een optimale functie-uitoefening door de EGF.

Artikel 23: Het recht van vrije communicatie is een algemeen erkend recht, noodzakelijk voor een goede taakuitoefening van de EGF.

Artikel 24: In dit artikel komen Partijen overeen, dat naar het permanente hoofdkwartier uitgezonden personeel met zijn/haar gezin voor inkomstenbelasting en vermogensbelasting belastingplichtig blijft in de zendstaat. Loon en winst, behaald met commerciële activiteiten in de gastheerstaat, vallen echter wèl onder de belastingwetgeving van de gastheerstaat. Deze bepaling is voor Nederland in lijn zowel met de artikelen 19, 23 en 24 van de op 8 mei 1990 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Italiaanse Republiek tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen en naar het vermogen (Trb. 1990, 86), als met artikel 2.2, tweede lid, onderdeel b, en derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Stb. 2000, 215, zoals deze wet laatstelijk is gewijzigd bij Wet van 14 december 2006, Stb. 681 en 682).

Hoofstuk VIII Voorwaarden ten aanzien van rechtsmacht en discipline

Artikel 25: De bepalingen van dit artikel sluiten nauw aan bij artikel VII van het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noord Atlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, totstandgekomen te Londen op 19 juni 1951 (Trb. 1951, 114), hierna te noemen: «NAVO SOFA». In het eerste en het tweede lid wordt de rechtsmacht van de zendstaat en die van de ontvangststaat vastgesteld. De autoriteiten van de zendstaat hebben rechtsmacht over het eigen militair- en burgerpersoneel volgens de eigen wetgeving die van toepassing is op de strijdkrachten (eerste lid). De autoriteiten van de ontvangststaat hebben rechtsmacht over militair en burgerpersoneel en hun gezinsleden met betrekking tot vergrijpen die op het grondgebied van de ontvangststaat zijn begaan en volgens de wetten van die staat strafbaar zijn (tweede lid). In het derde, vierde en vijfde lid wordt het uitoefenen van de in het eerste en tweede lid vastgestelde rechtsmacht verdeeld. Voor zover het vergrijp slechts naar het recht van één van beide staten strafbaar is, heeft de desbetreffende staat de bevoegdheid om rechtsmacht uit te oefenen bij uitsluiting van de andere staat (derde en vierde lid). Meestal zal er echter sprake zijn van een samenloop van rechtsmacht van beide staten. In geval van een dergelijke samenloop van rechtsmacht geldt een systeem van toekenning van primaire rechtsmacht welke in het kort op het volgende neerkomt: De zendstaat heeft primaire rechtsmacht indien strafbare feiten uitsluitend zijn gepleegd tegen eigendommen of de veiligheid van die staat of indien strafbare feiten uitsluitend zijn gepleegd tegen de persoon of eigendommen van personeel van die staat of van een gezinslid. Verder heeft de zendstaat primaire rechtsmacht over strafbare feiten die voortvloeien uit een handelen of nalaten in het kader van de uitoefening van de officiële taken (vijfde lid, onder a). De autoriteiten van de gastheerstaat of de ontvangende staat zijn primair bevoegd tot het uitoefenen van rechtsmacht ten aanzien van andere strafbare feiten (vijfde lid, onder b). De staat welke primaire rechtsmacht heeft kan van dit recht desgevraagd ten behoeve van de andere staat afstand doen (vijfde lid, onder c).

Artikel 26: Dit artikel bevat bepalingen inzake de samenwerking tussen de zendstaat en de ontvangststaat bij de aanhouding van verdachten en de verdere opsporing en bewijsgaring. De bepalingen van dit artikel sluiten nauw aan bij artikel VII, vijfde en zesde lid, van de NAVO SOFA.

Hoofdstuk IX Vorderingen

Artikel 28: Op grond van het gestelde in dit artikel doen de Partijen over en weer afstand van aanspraken tegenover elkaar ter zake van schade aan hun eigendommen in gebruik in verband met de uitvoering van dit verdrag (eerste lid) en terzake van letsel van hun personeel (tweede lid) toegebracht in het kader van de uitoefening van de dienst. Op grond van het gestelde in het derde lid is het afstand nemen van aanspraken niet van toepassing in geval van opzet en grove schuld. Ligt de hoogte van de schade in de situatie genoemd in het derde lid echter beneden een door de CIMIN vastgesteld bedrag, dan zullen de Partijen ook ten aanzien van die schade afstand nemen van aanspraken tegenover elkaar (vierde lid).

Artikel 29: Dit artikel geeft een regeling voor:

– de behandeling en de afdoening van schade toegebracht aan derden in het kader van de uitvoering van officiële taken, evenals

– de behandeling en afdoening van schade aan derden welke niet is toegebracht in het kader van de uitvoering van officiële taken.

De behandeling en afdoening van schade aan derden toegebracht in het kader van de uitvoering van officiële taken vindt plaats door de gastheerstaat of de ontvangende staat overeenkomstig de wetten en regelingen van deze staten. De procedure inzake behandeling en afdoening van schade sluit nauw aan bij artikel VIII, vijfde lid, van de NAVO SOFA. De verdeling van de schade tussen de Partijen wordt nader vastgelegd in de uitvoeringsovereenkomsten of regelingen bedoeld in Hoofdstuk XI, artikel 45. Voor deze oplossing is gekozen omdat claims in het verlengde liggen van de kostenverdeling tussen de Partijen in algemene zin en deze kostenverdeling, afhankelijk van de activiteit, plaatsvindt op basis van gelijkheid dan wel op basis van proportionaliteit (pro capita). Bovendien kunnen verdeelsleutels op deze wijze eenvoudiger worden aangepast. Indien de schade echter het gevolg is van opzet of grove schuld van personeel van een der Partijen zullen de kosten uitsluitend door die Partij worden gedragen (tweede lid). Op grond van het gestelde in het derde lid genieten personeelsleden van de EGF immuniteit ten aanzien van de tenuitvoerlegging van een tegen hen in de gastheerstaat of ontvangststaat uitgesproken vonnis voor zaken die voortvloeien uit de uitoefening van hun officiële taken.

Met betrekking tot de afwikkeling van schade aan een derde welke niet is toegebracht in het kader van de uitvoering van officiële taken, kunnen de autoriteiten van de zendstaat overgaan tot het aanbieden van een onverplichte uitkering aan deze derde nadat de gastheerstaat of ontvangende staat de schadevergoeding op basis van redelijkheid en billijkheid hebben vastgesteld en een rapport aan de zendstaat hebben overhandigd. Zolang een vordering nog niet volledig is voldaan laat dit onverlet de bevoegdheid van de rechter van de gastheerstaat of ontvangende staat tot het in behandeling nemen van een vordering tegen EGF-personeel (lid 4). De bovenvermelde procedure sluit nauw aan bij artikel VIII, zesde lid, van de NAVO SOFA.

Artikel 30: In geval er twijfel is of schade is ontstaan in het kader van de uitvoering van officiële taken, neemt de CIMIN hierover een besluit nadat de EGF-commandant een rapport over het gebeurde heeft opgesteld.

Artikel 31: Dit artikel biedt de mogelijkheid om in geval van oefeningen en operaties op ad hoc basis een andere verdeelsleutel overeen te komen dan die bedoeld in artikel 29. Met name is dit van belang indien door de Partijen in een oefening of tijdens en operatie met staten wordt samengewerkt die geen partij zijn bij dit verdrag maar wel deelnemen aan missies en taken van de EGF (Bijdragende Staten).

Hoofdstuk X Voorwaarden ten aanzien van financiën en eigendomsrechten

Artikel 33: Een Financiële Raad, bestaande uit door elke Partij aangewezen financiële deskundigen, is verantwoordelijk voor alle financiële en budgettaire aangelegenheden en adviseert de CIMIN terzake. Financiële geschillen worden in eerste aanleg voorgelegd aan de Financiële Raad. Indien de Financiële Raad er niet in slaagt om een geschil te regelen, wordt dit ter regeling voorgelegd aan de CIMIN.

Artikel 34: Elke Partij draagt de eigen kosten die voortvloeien uit de deelname aan de EGF. Gemeenschappelijke kosten worden verdeeld over de Partijen overeenkomstig een, afhankelijk van de activiteit, nader in de financiële regels van de EGF vast te leggen verdeelsleutel.

Hoofdstuk XI Slotbepalingen

Artikel 39: De Partijen komen overeen dat geschillen die voortvloeien uit of verband houden met het verdrag in overleg tussen de Partijen worden opgelost.

Artikel 42: Toetreding tot het verdrag staat open voor EU-lidstaten die over een politiekorps met militaire status beschikken (eerste lid). Op verzoek kunnen zij na instemming van de Partijen tot het verdrag toetreden met inachtneming van het gestelde in het tweede en derde lid.

Artikel 43: Op verzoek kunnen kandidaat EU-lidstaten die over een politiekorps met militaire status beschikken de status van waarnemer verkrijgen door een verbindingsofficier bij het permanente hoofdkwartier te detacheren. Detachering geschiedt in overeenstemming met de door de CIMIN goedgekeurde regels. Hetzelfde geldt voor EU-lidstaten die over een politiekorps met militaire status beschikken als eerste stap op weg naar toetreding.

Artikel 44: EU-lidstaten en kandidaat-EU-lidstaten die over een politiekorps met militaire status beschikken welke echter niet voldoet aan alle kenbaarheidcriteria van een gendarmeriemacht, kunnen de status verkrijgen van partner, waarvoor de specifieke rechten en verplichtingen door de CIMIN worden vastgesteld.

Artikel 46: Dit artikel bevat de gebruikelijke bepaling inzake inwerkingtreding van het verdrag.

Koninkrijkspositie

De regeringen van de Nederlandse Antillen en van Aruba beraden zich nog over de medegelding van het verdrag. Teneinde het mogelijk te maken dat, wanneer de regering van de Nederlandse Antillen of de regering van Aruba medegelding wenselijk acht, die medegelding direct tot stand kan worden gebracht, wordt de goedkeuring van het verdrag voor het gehele Koninkrijk gevraagd.

De minister van Defensie,

E. van Middelkoop

De minister van Buitenlandse Zaken,

M. J. M. Verhagen

Naar boven