31 389
Een integraal kader voor regels over gehouden dieren en daaraan gerelateerde onderwerpen (Wet dieren)

nr. 37
AMENDEMENT VAN DE LEDEN CRAMER EN WAALKENS

Ontvangen 6 oktober 2009

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

In hoofdstuk 11, § 2. Wijziging andere wetten, wordt voor artikel 11.2 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 11.1a [Wijziging Burgerlijk Wetboek]

Na artikel 2 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2a

1. Dieren zijn geen zaken.

2. Bepalingen met betrekking tot zaken zijn op dieren van overeenkomstige toepassing, met in achtneming van de op wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht gegronde beperkingen, verplichtingen en rechtsbeginselen, alsmede de openbare orde en de goede zeden.

Toelichting

Wettelijk bezien zijn dieren in ons rechtsstelsel (roerende) zaken. Het Burgerlijk Wetboek (BW) gaat in Boek 3 immers uit van de begrippen «goederen» (alle zaken en vermogensrechten) en «zaken» (voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten). Dieren worden niet apart onderscheiden. Binnen de systematiek van het BW gelden zij als roerende zaken. Zij kunnen in bezit worden genomen en mensen kunnen over dieren het wettelijk recht van eigendom uitoefenen.

Deze juridische kwalificatie van dieren als – niet meer dan – zaken, sluit niet aan op het natuurlijk rechtsgevoel. Een dier kan tot op zekere hoogte behandeld worden als zaak; rechtshandelingen met dieren als object (koop, verkoop, enzovoorts) zijn mogelijk. Tegelijkertijd onderscheidt het dier zich van een «gewone» zaak. Als men dieren koopt, verkoopt, in eigendom heeft, houdt men rekening met de eigen aard van het dier.

Het BW komt hier in enkele bepalingen tot op zekere hoogte aan tegemoet. Zo kent het BW een bepaling over het verlies van een goed (BW, boek 5, artikel 18) en daarnaast een op de eigen aard van het dier toegesneden bepaling over het verlies van een dier (artikel 19) Ook artikel 350 wetboek van strafrecht onderscheidt enerzijds beschadiging van goederen (lid 1) en anderzijds beschadiging van dieren (lid 2).

Deze notie is in het BW echter niet zo ver doorgevoerd dat dieren, naast zaken, worden gezien als een in juridische zin aparte categorie.

Het voorliggend amendement voorziet daarin. Daartoe wordt, dit in navolging van het BW in Duitsland (Buch 1, allgemeiner Teil, artikel 90a), in Boek 3 BW een nieuw artikel ingevoegd waarin wordt bepaald dat dieren geen zaken zijn.

In het tweede lid van het voorgestelde artikel wordt bepaald dat de bepalingen met betrekking tot zaken wel van overeenkomstige toepassing zijn op dieren, zij het dat op wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht gegronde beperkingen, verplichtingen en rechtsbeginselen, alsmede de openbare orde en de goede zeden daarbij in acht moeten worden genomen.

Dit tweede lid zoekt in de formulering aansluiting bij de algemene beperkingen op het eigendomsrecht (Boek 5 BW, artikel 1, tweede lid) en op rechtshandelingen (Boek 3 BW, artikel 40, eerste lid).

De betekenis van de voorgestelde bepaling is dat het BW, in aansluiting op een breed gedragen rechtsgevoel, onder woorden brengt dat dieren niet zonder meer gelijk kunnen worden gesteld met zaken. Voorts geeft het amendement een aansluiting tussen het BW en artikel 1.3 Wet Dieren (de intrinsieke waarde van het dier). De meer praktische betekenis van het artikel is dat rechtshandelingen jegens dieren plaatsvinden overeenkomstig de inhoudelijke normstelling uit (onder meer) de Wet dieren (of eerder de GWWD). Strijd met de openbare orde of goede zeden geeft een meer algemene beperking in de omgang met dieren.

Cramer

Waalkens

Naar boven