31 386
Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, Wetboek van Strafvordering en enkele aanverwante wetten in verband met de strafbaarstelling van het deelnemen en meewerken aan training voor terrorisme, uitbreiding van de mogelijkheden tot ontzetting uit het beroep als bijkomende straf en enkele andere wijzigingen

nr. 16
AMENDEMENT VAN HET LID DE ROON

Ontvangen 21 januari 2009

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

Artikel I, onderdeel I, artikel 137h, wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de schuldige:

a. zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen wegens hun godsdienst of levensovertuiging; of

b. anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving, een uitlating openbaar heeft gemaakt die, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, voor een groep mensen wegens hun godsdienst of levensovertuiging beledigend is.

Toelichting

Met het voorstel van de regering om ontzetting uit de oefening van een beroep ook mogelijk te maken ter zake van een veroordeling, ter zake van het beledigen van een groep mensen wegens hun godsdienst of levensovertuiging en ter zake van een verspreidingsdelict gepleegd met betrekking tot een dergelijke uitlating, wordt al weer een volgende stap gezet, gericht op het inperken van het recht van vrije meningsuiting. Naar de mening van ondergetekende is dit een vergaande, onnodige en ook onaanvaardbare verdere beperking van dat grondrecht.

De regering heeft kenbaar gemaakt in de tekst van artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht de woorden «middellijk of onmiddellijk» in te willen voegen. Daardoor zou ook strafbaar worden het doen van een scherpe uitlating over een godsdienst of levensovertuiging, die door de aanhangers van die godsdienst of levensovertuiging voor hen als groep beledigend wordt ervaren. Dus een groep moslims kan bij voorbeeld aangifte doen en vervolging eisen van een persoon die scherpe kritiek op de islam uitoefent, door te stellen dat zij zich door die kritiek op de islam beledigd achten. Scherpe godsdienstkritiek wordt daardoor onmogelijk en in ieder geval aanzienlijk bemoeilijkt, omdat de criticus altijd rekening moet houden met de mogelijkheid van vervolging. De regering legt daardoor een sluier van vrees voor vervolging ter zake van godsdienstkritiek over ons land.

Met het voorstel om beledigende uitlatingen over personen die een godsdienst of levensovertuiging aanhangen dan wel over die godsdienst of levensovertuiging als zodanig, nu ook nog – naast de bedreiging met gevangenisstraf of andere straffen – te bedreigen met een ontzetting uit de uitoefening van een beroep, overschrijdt de regering wederom een grens.

De uiterste consequentie is, dat wie scherpe godsdienstkritiek wil uiten, er nu ook nog rekening mee moet houden dat hij zijn beroep en inkomen kwijt kan raken. De sluier van vrees voor vervolging ter zake van godsdienstkritiek, wordt hiermee nog strakker aangetrokken.

Dit is op zichzelf al buitengewoon kwalijk maar dat wordt nog ernstiger, aangezien de minister niet heeft willen uitsluiten dat de uiterste consequentie kan zijn dat ook bestuurders (bij voorbeeld een burgemeester) of politici (bij voorbeeld leden van de Staten-Generaal of gemeenteraadsleden) op deze gronden uit de uitoefening van hun beroep kunnen worden ontzet.

Om te waarborgen dat godsdienstkritiek en kritiek op een levensovertuiging alsook kritiek op de aanhangers van die godsdienst of levensovertuiging zo vrij mogelijk geuit kan worden, stelt dit amendement voor om daaraan in geen geval de consequentie van het ontzetten uit de uitoefening van een beroep te verbinden.

De Roon

Naar boven