31 371
Kredietcrisis

nr. 319
BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 maart 2010

Op 26 februari jl. heb ik het rapport van professor Scheltema ontvangen met zijn bevindingen over het eerste bestuurdersonderzoek zoals dat door de Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten is verricht naar aanleiding van het faillissement van DSB Bank.

Het eerste bestuurdersonderzoek heeft betrekking op de heer Zalm. De uitkomst van de herbeoordeling van DNB, de vergunningverlenende en daarmee leidende toezichthouder in deze, is positief, mede in achtnemend dat de AFM tot een ander oordeel komt. Gelet op dit positieve eindresultaat is de toezichthouder niet overgegaan tot het treffen van maatregelen.

De conclusie van de heer Scheltema is dat de toezichthouder zorgvuldig te werk is gegaan en dat zij in redelijkheid tot haar eindoordeel heeft kunnen komen. Op basis hiervan heb ik geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

Zoals eerder is toegezegd, betracht ik maximale transparantie bij het informeren van uw Kamer bij de DSB-onderzoeken. Het behoeft geen toelichting dat het nastreven van dit publieke belang op gespannen voet kan komen te staan met de bescherming van belangen van de bij het bestuurdersonderzoek betrokken personen. Uiteindelijk heb ik alles overwegende besloten het volledige rapport van de heer Scheltema aan uw Kamer te doen toekomen.1

Uit het rapport blijkt dat de toezichthouders onderling niet telkens eenzelfde beoordelingslijn hebben gehanteerd. Daarover plaatst prof. Scheltema een aantal kritische kanttekeningen. Ik zal mij dan ook op korte termijn hierover met zowel de voorzitter van de raad van bestuur van de AFM als met de president van de Nederlandsche Bank verstaan.

De minister van Financiën,

J. C. de Jager


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven