nr. 44
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 13 oktober 2008
In het Kamerdebat op 25 juni jl. (Handelingen der Kamer II, vergaderjaar
2007–2008, nr. 101, blz. 7176–7218) naar aanleiding van de
nieuwe Mediawet kwam de positie van zendgemachtigden op levensbeschouwelijke
grondslag (39f-omroepen) aan de orde, met een korte discussie over hun positie
in de nieuwe Mediawet. In het debat heb ik al kort aangegeven dat ik een maatschappelijke
rechtvaardiging zie voor handhaving van dit type omroep. De heer Remkes heeft
mij in het debat gevraagd dit toch nog eens tegen het licht te houden. Ik
heb toegezegd hierop terug te komen. In deze brief informeer ik u hierover.
Nederland kent van oudsher de zogenaamde 39f-zendgemachtigden: kerkgenootschappen
en genootschappen op geestelijke grondslag die via de landelijke publieke
omroep specifiek aanbod van levensbeschouwelijke aard verzorgen. Dit is ook
tevens één van de maatschappelijke taken van de landelijke publieke
omroep: een podium te bieden aan geloofsstromingen, niet aanvullend op overige
aanbieders, maar als zelfstandig gepositioneerde zendgemachtigden met de voor
hun achterban kenmerkende boodschap. Doordat dit aanbod deel uitmaakt van
het totale media-aanbod van de landelijke publieke omroep kan een breed publiek
van geïnteresseerden daarvan kennis nemen.
Alleen genootschappen die representatief zijn voor een kerkelijke of geestelijke
hoofdstroming komen in aanmerking voor een zendtijdtoewijzing. Het toewijzingsbeleid
van het Commissariaat voor de Media heeft onder meer als doel versnippering
te voorkomen. Toelating van kerkelijke of geestelijke genootschappen geschiedt
op basis van representativiteit voor een bepaalde hoofdstroming, waarbij er
per hoofdstroming niet meer dan één organisatie wordt aangewezen.
Onder hoofdstroming verstaat het Commissariaat een religieuze dan wel geestelijke
stroming die door kwantiteit van haar aanhang en/of de historie van haar aanwezigheid
in de Nederlandse samenleving constituerend is voor de hedendaagse Nederlandse
pluriforme religieuze en geestelijke cultuur.
Voor de afbakening van het begrip hoofdstroming telt het aantal aanhangers
van de stroming in de Nederlandse samenleving, maar ook speelt de historische
worteling van een stroming in de Nederlandse cultuur een belangrijke rol.
Het Commissariaat voor de Media bepaalt het draagvlak op basis van onderzoek
naar de aanhang van religieuze of geestelijke hoofdstromingen in Nederland.
De kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag moeten hun
representativiteit ten genoegen van het Commissariaat aantonen. Als er meerdere
organisaties binnen een hoofdstroming in aanmerking willen komen, bevordert
het Commissariaat de samenwerking of het samengaan daarvan. Als dat niet lukt,
wijst het Commissariaat slechts één organisatie aan. Voorkomen
moet immers worden dat er versnippering optreedt.
Conform de huidige praktijk stelt de minister op advies van het Commissariaat
de totale hoeveelheid uren op radio en televisie vast die beschikbaar zijn
voor kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag. Het Commissariaat
verdeelt deze uren vervolgens over de individuele organisaties. Een deel van
de uren, vijfentwintig procent, wordt dan ook verdeeld volgens vaste voeten,
de rest op basis van de omvang van de achterban. In de wet is opgenomen dat
de uren die kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag
ter beschikking staan, geheel gebruikt worden voor media-aanbod op kerkelijk
of geestelijk terrein dat direct verband houden met de kerkelijke of geestelijke
identiteit. Die identiteit vormt immers de rechtvaardiging voor toegang tot
de landelijke publieke omroep. Dit kan in de vorm van kerkdiensten op radio
en televisie of via internet, maar ook in de vorm van specifieke kinder- en
jeugdprogramma’s en programma’s over de maatschappelijke betekenis
van een religieuze of levensbeschouwelijke overtuiging. Aangewezen kerkgenootschappen
of genootschappen op geestelijk grondslag kunnen net als onder de huidige
Mediawet de verzorging van het media-aanbod opdragen aan de NOS, een omroepvereniging
of een door hen opgerichte rechtspersoon. Een aantal kerkgenootschappen werkt
zo samen. Voorbeelden zijn de Stichting Verzorging Kerkelijke Zendtijd, waarin
meerdere protestantse kerken deelnemen, en het Rooms Katholieke Kerkgenootschap,
dat de verzorging van zijn media-aanbod heeft opgedragen aan de omroepvereniging
KRO.
De toegankelijkheid van het bestel voor kerkelijke en geestelijke organisaties
is bijzonder en draagt bij aan wederzijds begrip en kennismaking tussen bevolkingsgroepen.
De toegang van kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag
tot het bestel wijzigt in de nieuwe mediawet niet ten opzichte van de regels
in de huidige Mediawet. Gezien de breed gedragen maatschappelijke consensus
voor dit type omroep heeft het kabinet in de nieuwe Mediawet geen reden gezien
dit te wijzigen.
Ik vertrouw erop dat ik u hiermee voldoende heb geïnformeerd ten
aanzien van de positie van 39f-omroepen binnen de publieke omroep.
De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R. H. A. Plasterk