Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum indiening
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-200831346 nr. 6

31 346
Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met de uitbreiding van de groep van personen die het collegegeld dat is vastgesteld bij wet, verschuldigd zijn

nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 14 april 2008

Graag wil ik de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap danken voor de opmerkingen die zij over het wetsvoorstel heeft gemaakt en de vragen die zij heeft gesteld. Voor ik tot beantwoording van de vragen overga, wil ik de commissie voor de goede orde wijzen op de bijgevoegde nota van wijziging die geen verband houdt met de uitbreiding van de groep personen die het wettelijk collegegeld verschuldigd is. Het betreft een wijziging van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Die wijziging is op korte termijn nodig om het regiem voor de tegemoetkoming lerarenopleiding de komende twee jaren ongewijzigd te laten. Wetgevingstechnische redenen liggen ten grondslag aan de noodzaak om op deze wijze de status quo ter zake te handhaven. Voor een nadere uiteenzetting over de reden van deze wijziging moge ik u verwijzen naar de toelichting bij de nota van wijziging zelf.

1. Inleiding

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering hen de verzekering kan geven dat, behoudens de uitbreiding naar de groep Surinaamse studenten, deze wetswijziging niet verder gaat dan waar de Europese regelgeving Nederland toe verplicht.

De richtlijn die het Europees Parlement en de Raad in 2004 hebben aangenomen (Richtlijn 2004/38/EG) geeft aan dat het recht van alle burgers van de Unie op vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten, ook aan hun familieleden, ongeacht de nationaliteit van die familieleden, dient te worden verleend.

Er wordt strikt aan deze Richtlijn tegemoet gekomen door de groep personen van buiten de Europese Economische Ruimte die als familie van een EU-burger in Nederland wonen en hier studeren te rekenen tot degenen die het wettelijk collegegeld verschuldigd zijn.

De leden van de SP-fractie vragen hoe de regeling is voor andere studenten van buiten de EER en wanneer deze studenten verplicht zijn het instellingsgeld te betalen en wanneer het wettelijk collegegeld.

Uit artikel 7.43, eerste lid, onderdeel a, blijkt dat een persoon die de leeftijd van 30 jaren nog niet heeft bereikt en die behoort tot een van de groepen van personen, bedoeld in artikel 2.2 van de Wet studiefinanciering 2000, bij inschrijving als student voor een voltijdse opleiding aan een universiteit of hogeschool het wettelijk collegegeld is verschuldigd.

In artikel 7.43, tweede lid, wordt aangegeven dat bij de inschrijving als student voor een voltijdse opleiding aan een universiteit of hogeschool een door het instellingsbestuur vast te stellen collegegeld verschuldigd is door degene die niet onder het bereik van het eerste lid valt.

Voor studenten van buiten de EER geldt dus dat zij het wettelijk collegegeld verschuldigd zijn als zij vallen binnen een van de groepen, bedoeld in artikel 2.2 van de Wet studiefinanciering 2000. In de memorie van toelichting is een overzicht gegeven van personen van buiten de EER die tot een van deze groepen behoren. Ik zal hier een kort overzicht geven van de belangrijkste groepen:

• onder voorwaarden personen met een Turkse nationaliteit op grond van het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije;

• de personen met een Zwitserse nationaliteit (sinds 1 juni 2002 op grond van het verdrag van 21 juni 1999, dat is goedgekeurd bij wet van 14 september 2001, Stb. 432)

• de familieleden van in Nederland wonende EU-burgers, die een niet EER-nationaliteit bezitten. (op grond van Richtlijn 2004/38/EG).

• de vreemdelingen die hier uitsluitend rechtmatig verblijf houden op grond van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (artikel 28 Vreemdelingenwet 2000);

• de vreemdelingen die hier uitsluitend rechtmatig verblijf houden op grond van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd (artikel 33 Vreemdelingenwet 2000);

• de vreemdelingen die hier uitsluitend rechtmatig verblijf houden op grond van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (artikel 20 Vreemdelingenwet 2000);

• de vreemdelingen die hier uitsluitend rechtmatig verblijf houden op grond van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. (artikel 14 Vreemdelingenwet 2000) Er moet bij een dergelijke vergunning wel sprake van zijn dat de vergunning verleend is in verband met:

1°.  gezinshereniging of gezinsvorming als bedoeld in artikel 15 van de Vreemdelingenwet 2000 met een Nederlander of met een vreemdeling als bedoeld in de onderdelen a of b van dit artikel of hiermee verband houdend voortgezet verblijf,

2°.  verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling of hiermee verband houdend voortgezet verblijf,

3°.  verblijf ter adoptie of als pleegkind of hiermee verband houdend voortgezet verblijf;

• de vreemdelingen die in afwachting zijn van de beslissing op aanvraag tot verlenen of verlengen van een verblijfsvergunning, voor zover zij reeds studiefinanciering genieten. (artikel 3, onderdeel e, Besluit studiefinanciering 2000);

• de vreemdelingen die al eerder tegemoetkoming (ingevolge de WTOS) hebben ontvangen (artikel 3, onderdeel f, Besluit studiefinanciering 2000).

De studenten van buiten de EER die niet behoren tot bovengenoemde groepen betalen dus het instellingscollegegeld.

Voorts willen deze leden weten waaraan een student moet voldoen indien er sprake is van beurzen voor studenten van buiten de EER. Deze leden vragen ook naar de verhouding van deze beurzen ten opzichte van het aantal studenten in Nederland van buiten de EER.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de minister van Buitenlandse Zaken bieden via verschillende beurzenprogramma’s internationale studenten de mogelijkheid een periode in Nederland te studeren.

In het collegejaar 2006/2007 stond een totaal van 17 500 niet-EER studenten ingeschreven aan Nederlandse hoger onderwijsinstellingen. Deze studenten waren afkomstig uit 32 verschillende landen, met als top drie China (4 950 studenten), Indonesië (1 250 studenten) en de Verenigde Staten (900 studenten).

In dat jaar ontvingen in totaal meer dan 1900 niet-EER studenten een beurs uit één van de door de Nederlandse overheid bekostigde beurzenprogramma’s.

Om in aanmerking te komen voor een van de beurzen dient een student aan verschillende voorwaarden te voldoen. Hieronder zal een overzicht gegeven worden van de verschillende beurzenprogramma’s en de voorwaarden die hieraan verbonden zijn. Daarbij zullen de aantallen studenten en de beursprogramma’s waaruit zij een beurs ontvingen worden aangegeven.

Allereerst worden de beurzenprogramma’s die uitgaan van het de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap besproken.

De beurzenprogramma’s «Huygens Scholarship Programme» en «Libertas Noodfonds» worden namens de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap beheerd door de Nuffic (de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs). Op basis van de hieronder genoemde criteria selecteert Nuffic namens de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de bursalen.

Huygens Scholarship Programme (HSP)

Sinds 1 september 2006 bestaat het centrale beurzenprogramma». Het HSP is gericht op excellente inkomende en uitgaande bachelor- en masterstudenten en pas afgestudeerden. De middelen voor het HSP bedragen jaarlijks in totaal ruim € 10 miljoen. Daarvan is € 7 miljoen beschikbaar om excellente buitenlandse studenten naar Nederland te halen en € 3 miljoen om excellente Nederlandse studenten een beurs te geven waarmee zij een periode in het buitenland kunnen studeren. Het HSP is er voor alle opleidingen die in het CROHO zijn opgenomen. Voor het studiejaar 2006–2007 zijn via het HSP 167 talentvolle buitenlandse studenten geselecteerd om in Nederland te komen studeren. Deze studenten zijn afkomstig uit 105 landen. In totaal zijn 112 beurzen toegekend aan studenten uit niet-EER landen.

Voor het HSP geldt het volgende selectiecriterium:

• excellentie en (uitzonderlijke) kwaliteit van de betrokken student. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naar bijvoorbeeld land van herkomst, vakgebied of geslacht. De excellentie van de student wordt beoordeeld op basis van een cijferlijst, CV, motivatiebrief en een nominatiebrief van de Nederlandse hoger onderwijsinstelling waar de student wenst te studeren.

Libertas Noodfonds

Sinds 28 juli 2006 is er een beursprogramma voor studenten, voor wie het vanwege politieke redenen praktisch onmogelijk is geworden om verder te studeren in hun thuisland. Deze studenten kunnen met deze beurs hun studie in Nederland vervolgen dan wel beginnen. Dit programma draagt de naam Libertas Noodfonds. De minister stelt hiervoor jaarlijks € 1 miljoen beschikbaar. In het studiejaar 2006/2007 maakten twee studenten uit Wit-Rusland gebruik van deze regeling. Voor het studiejaar 2007/2008 is de aanvraagprocedure nog niet afgerond. Ook voor dit collegejaar is een bedrag van € 1 miljoen beschikbaar. Op dit moment zijn aanvragen ingediend door 12 Wit-Russische studenten en één Zimbabwaanse student. De verwachting is echter dat het totaal aantal aanvragen nog zal oplopen.

Voor het Libertas Noodfonds gelden de volgende selectiecriteria:

• De student moet afkomstig zijn uit een land waar naar het oordeel van de minister voor bepaalde studenten studeren vanwege politieke redenen praktisch onmogelijk is geworden. Per regeling (Subsidieregeling Libertas Noodfonds) is bepaald dat momenteel studenten uit Wit-Rusland en Zimbabwe voor ondersteuning via het Libertas Noodfonds in aanmerking komen.

• De student moet aannemelijk kunnen maken dat hij of zij direct voorafgaand aan de komst naar Nederland, gestudeerd heeft aan een instituut dat hoger onderwijs verzorgt in het land van herkomst.

• De student moet aannemelijk kunnen maken dat het volgen van verder hoger onderwijs in het land van herkomst voor hem of haar praktisch onmogelijk is geworden, dan wel dat de student in de voortgang van de studie zeer ernstig wordt belemmerd.

Hieronder worden de beurzenprogramma’s besproken die uitgaan van de minister van Buitenlandse Zaken.

Het gaat hier om het «Netherlands Fellowship Programme» (beheerd door de Nuffic) en het «StuNed» (beheerd door het Netherlands Education Support Office in Indonesië).

Netherlands Fellowship Programme (NFP)

De minister van Buitenlandse Zaken stelt jaarlijks € 32 miljoen beschikbaar voor de vermindering van kwantitatieve en kwalitatieve tekorten aan geschoold middenkader in 57 ontwikkelingslanden. Dit vraaggestuurde programma, dat onderverdeeld is in deelprogramma’s biedt medewerkers uit het middenkader, die al bij een instelling of organisatie werkzaam zijn, de mogelijkheid om in Nederland een academische studie, een opfriscursus of kortdurende training te volgen, of een programma tot doctor in de wetenschappen (PhD) te doen. Voor het studiejaar 2006/2007 werd aan 1 532 (589 master, 897 short courses en 46 PhD) werknemers een NFP-beurs toegekend om een periode in Nederland te studeren.

Voor het NFP gelden de volgende selectiecriteria:

• Voor elk van de deelprogramma’s bestaan verschillende criteria waaraan een student dient te voldoen. Zowel de toelatingsvoorwaarden als de aanvraagprocedures lopen per deelprogramma uiteen.

StuNed

De doelstelling van StuNed (Studeren in Nederland) is om door middel van het verstrekken van beurzen aan jonge Indonesische professionals de vakkennis en vaardigheden van deze professionals te vergroten en zodoende een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van de human resources (en daarmee aan de socio-economische ontwikkeling) van Indonesië. Het budget op jaarbasis voor dit programma bedraagt ongeveer € 6 miljoen. Voor het studiejaar 2006/2007 werden in totaal 252 aanvragen voor een StuNed-beurs gehonoreerd.

Criteria om in aanmerking te komen voor een beurs uit StuNed:

• Studenten dienen minimaal twee jaar bij hun huidige werkgever te werken.

• Studenten dienen een relevante academische achtergrond te hebben.

• Studenten dienen aan te kunnen tonen dat zij in de afgelopen twee jaar niet in het buitenland gestudeerd hebben.

Tenslotte vragen de leden van de SP-fractie hoe er wordt omgegaan met studenten die al een studie volgen. Is het mogelijk hen niet te confronteren met de collegegeldstijging wat het afstuderen zou kunnen bemoeilijken, in verband met financiële problemen, zo vragen deze leden.

Naar aanleiding van dit wetsvoorstel zijn er geen studenten die geconfronteerd worden met een collegegeldstijging. De groep van personen die het «lagere» wettelijk collegegeld verschuldigd zijn wordt uitgebreid.

Voor de goede orde merk ik op dat ik voornemens ben de verhoging van het wettelijk collegegeld in het kader van de verbetering van kwaliteit en positie van leraren door middel van een ander wetsvoorstel te realiseren.

De leden van de VVD-fractie vragen wat de reden is, afgezien van de historische banden, een uitzondering te maken voor Suriname. Deze leden merken op dat veel Nederlanders (familie)banden hebben met personen in het buitenland, van Australië tot Zambia. Zij vragen waarom (familie-) banden in Suriname wel een reden voor deze uitzonderingspositie zijn, en banden in Indonesië niet.

Het gaat niet alleen om historische banden en (familie) banden met personen in het buitenland, maar ook om de unieke band die de gemeenschappelijke taal met zich brengt.

Door de uitzondering die gemaakt wordt voor Surinaamse studenten krijgt de Taalunie tevens de mogelijkheid haar missie -alle gebruikers van de Nederlandse taal ondersteunen- beter te realiseren.

2. Financiële gevolgen

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering inzicht kan geven in de mogelijke financiële gevolgen van deze maatregelen voor de hoger onderwijsinstellingen.

Ook de leden van de VVD-fractie vragen de regering inzichtelijk te maken wat de te verwachten kosten van deze maatregel zijn. Zij vragen of de regering inzichtelijk kan maken welke instellingen er met welk bedrag op achteruit zullen gaan.

De instellingsbekostiging verandert niet voorzover het de Surinaamse studenten betreft. Dit is in een brief van 10 oktober 2007 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal kenbaar gemaakt (HO/CBV/2007/38 658). In deze brief is aangegeven dat bij de eerstvolgende aanpassing van het Bekostigingsbesluit WHW zal worden bepaald dat studenten met de Surinaamse nationaliteit (wel) mee blijven tellen bij het berekenen van de rijksbijdrage.

De instellingen is overigens al gevraagd tot het moment van wetswijziging op een zodanige wijze van hun bevoegdheid om studenten het instellingscollegegeld te laten betalen gebruik te maken dat de Surinaamse studenten zich niet geconfronteerd zien met een te betalen collegegeld dat hoger is dan het wettelijk collegegeld.

Diverse instellingen, waaronder Universiteit van Amsterdam, Vrije Universiteit en Radboud Universiteit Nijmegen hebben aangegeven dit verzoek ter harte te nemen.

Ten aanzien van de familieleden van in Nederland wonende EU-burgers, die een niet EER-nationaliteit bezitten is de inkomstenderving van de instellingen verwaarloosbaar. Bovendien wordt ten aanzien van deze groep in de meeste gevallen reeds het wettelijk collegegeld betaald. De instellingen gaan er in dat geval niet op achteruit.

Verder vragen de leden van de SP-fractie om hoeveel studenten het gaat en hoe dit verdeeld is over de verschillende universiteiten en hbo’s?

Op 1–10–2007 waren er 837 studenten met de Surinaamse nationaliteit. Van deze studenten genieten er 171 studiefinanciering en zijn dus het wettelijk collegegeld verschuldigd. Voor de andere 666 studenten zou deze collegegeldmaatregel gevolgen kunnen hebben (namelijk dat zij het wettelijk in plaats van het instellingscollegegeld verschuldigd zijn.

Deze studenten zijn bij universiteiten of hogescholen ingeschreven. In onderstaand overzicht is aangegeven bij welke instellingen 25 of meer Surinaamse studenten zijn ingeschreven die nu nog het instellingscollegegeld verschuldigd zijn omdat zij geen studiefinanciering genieten.

Instellingen met 25 of meer Surinaamse studenten zonder SF

  Met SFzonder SFtotaal
woU Leiden44246
 Erasmus U Rotterdam88997
 TU Delft177592
 U v Amsterdam175168
 VU167490
 overige instellingen127183
wo-totaal74402476
hboHs Rotterdam115869
 Hs INHOLLAND254267
 Haagse Hs104050
 H v Amsterdam3770107
 overige instellingen145468
totaal hbo97264361
totaal ho171666837

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

R. H. A. Plasterk