Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-200831346 nr. 5

31 346
Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met de uitbreiding van de groep van personen die het collegegeld dat is vastgesteld bij wet, verschuldigd zijn

nr. 5
VERSLAG

Vastgesteld 11 maart 2008

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel genoegzaam voorbereid.

1. Inleiding

2. Administratieve lasten

3. Financiële gevolgen

1. Inleiding

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van deze wetswijziging.

De leden van de PvdA-fractie hebben met grote tevredenheid kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel.

De leden van de SP-fractie hebben verheugd kennisgenomen van de voorstellen, van het advies van de Raad van State en nader rapport.

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van voorliggend wetsvoorstel. Zij hebben daar enkele vragen en opmerkingen bij.

In de ogen van de leden van de CDA-fractie moet de omzetting van een Europese richtlijn voortvarend ter hand worden genomen, tenzij er onduidelijkheid bestaat over de interpretatie van enkele onderdelen van de richtlijn. In die gevallen kan het aan te bevelen zijn om af te wachten en nadere informatie bij andere lidstaten of de Europese Commissie in te winnen om te komen tot een adequate omzetting van de richtlijn in de Nederlandse wetgeving. Daarnaast bepleiten deze leden een zuivere omzetting van de richtlijn in de Nederlandse wetgeving. Daarmee bedoelen ze dat er geen extra zaken worden geregeld in de wetgeving, dan waartoe de Europese regelgeving ons toe verplicht. Dit ter voorkoming van de zogeheten nationale koppen. Kan de regering ons de verzekering geven dat, behoudens de uitbreiding naar de groep Surinaamse studenten, deze wetswijziging niet verder gaat dan waar de Europese regelgeving ons toe verplicht, zo vragen de aan het woord zijnde leden. Deze leden hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel om te komen tot een uitbreiding naar Surinaamse studenten, voor wat betreft de groep personen die het wettelijk collegegeld verschuldigd is. Deze groep komt niet in aanmerking voor de Nederlandse studiefinanciering, hetgeen door deze leden als billijk wordt gezien.

De leden van de PvdA-fractie hebben zelf via schriftelijke vragen het verzoek gedaan aan de minister om de onterecht ontstane situatie voor Surinaamse studenten te repareren1. Deze leden complimenteren de regering dan ook voor de voortvarendheid waarmee het wettelijk vastgesteld collegegeld voor Surinaamse studenten wordt vastgelegd, hetgeen recht doet aan de historische en culturele banden van vele eeuwen tussen onze beide landen. Daarnaast doet de aanpassing in het kader van richtlijn 2004/38/EG recht aan de band met reeds in Nederland wonende personen van buiten de Europese Economische Ruimte (EER) maar die familie zijn van een EU-burger. Deze leden ondersteunen het wetsvoorstel dan ook.

De leden van de SP-fractie merken op dat naar aanleiding van vragen van de leden Leijten en Van Bommel het dreigende probleem van het hoge collegegeld voor Surinaamse studenten op de politieke agenda is gekomen2. Hoe is de regeling voor andere studenten buiten de EER en wanneer zijn deze verplicht het instellingsgeld te betalen en wanneer het wettelijk collegegeld, zo vragen de aan het woord zijnde leden. Deze leden willen weten waaraan een student moet voldoen indien er sprake is van beurzen voor studenten buiten de EER. Deze leden vragen wat de verhouding is van deze beurzen ten opzichte van het aantal studenten in Nederland van buiten de EER. De leden vragen hoe er wordt omgegaan met studenten die al een studie volgen. Is het mogelijk hen niet te confronteren met de collegegeldstijging wat het afstuderen zou kunnen bemoeilijken, in verband met financiële problemen, zo vragen deze leden.

De leden van de VVD-fractie merken op dat het wetsvoorstel beoogt de groep van personen die het collegegeld, dat is vastgesteld bij wet, verschuldigd zijn, uit te breiden met personen die de Surinaamse nationaliteit hebben. Deze leden zijn er niet van overtuigd, dat er voldoende aanleiding is de groep personen met de Surinaamse nationaliteit dit recht te geven, daar waar het groepen personen met een andere nationaliteit wordt geweigerd. Wat is de reden, afgezien van de historische banden, een uitzondering te maken voor Suriname, zo vragen deze leden. Veel Nederlanders hebben (familie)banden met personen in het buitenland, van Australië tot Zambia. Waarom zijn (familie)banden in Suriname wel een reden voor deze uitzonderingspositie, en banden in Indonesië niet, zo vragen de aan het woord zijnde leden

2. Administratieve lasten

De leden van de SP-fractie zijn verheugd dat deze wetswijziging kan worden doorgevoerd zonder dat dit leidt tot een toename van administratieve lasten.

3. Financiële gevolgen

De leden van de CDA-fractie merken op dat de financiële gevolgen van deze maatregelen vooral neerslaan bij de hoger onderwijs-instellingen. Kan de regering inzicht geven in de mogelijke financiële gevolgen die dat voor deze instellingen zou hebben?

De leden van de SP-fractie vragen om hoeveel studenten het gaat en hoe dit verdeeld is over de verschillende universiteiten en hbo’s?

De leden van de VVD-fractie vragen de regering inzichtelijk te maken wat de te verwachten kosten van deze maatregel zijn. Het gaat om circa 1000 studenten. Kan de regering inzichtelijk maken welke instellingen er met welk bedrag op achteruit zullen gaan, zo vragen de aan het woord zijnde leden.

De voorzitter van de commissie,

Van de Camp

Adjunct-griffier van de commissie,

Arends


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Van de Camp (CDA), voorzitter, Depla (PvdA), Slob (CU), Remkes (VVD), Joldersma (CDA), De Vries (CDA), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Van Dijk (CDA), Aptroot (VVD), Leerdam (PvdA), Kraneveldt-van der Veen (PvdA), Roefs (PvdA), ondervoorzitter, Verdonk (Verdonk), Abel (SP), Van Leeuwen (SP), Biskop (CDA), Bosma (PVV), Pechtold (D66), Zijlstra (VVD), Van Dijk (SP), Besselink (PvdA), De Rooij (SP), Ouwehand (PvdD) en Dibi (GL).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Ferrier (CDA), Gill’ard (PvdA), Anker (CU), Van Miltenburg (VVD), Atsma (CDA), Sterk (CDA), Vietsch (CDA), Schinkelshoek (CDA), Dezentjé Hamming (VVD), Van Dijken (PvdA), Hamer (PvdA), Van Dam (PvdA), Van der Burg (VVD), Van Bommel (SP), Gesthuizen (SP), Jonker (CDA), Fritsma (PVV), Van der Ham (D66), Ten Broeke (VVD), Leijten (SP), Bouchibti (PvdA), Gerkens (SP), Thieme (PvdD) en Peters (GL).

XNoot
1

Aanhangsel van de Handelingen II, 2006–2007, nr. 1991.

XNoot
2

Aanhangsel van de Handelingen II, 2006–2007, nr. 1990.