Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum indiening
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-200831345 nr. 7

31 345
Wijziging van de Monumentenwet 1988 in verband met onder meer beperking van de ministeriële adviesplicht bij aanvragen om een monumentenvergunning

nr. 7
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 15 mei 2008

Met belangstellingh heb ik kennis genomen van het verslag van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap inzake het onderhavige wetsvoorstel. Ik dank de leden van de fracties van het CDA, de PvdA en de SGP voor de steun die zij aan het wetsvoorstel verlenen. De leden van deze fracties hebben nog enkele vragen over het wetsvoorstel, evenals de leden van de fracties van de SP en de ChristenUnie. Deze vragen beantwoord ik hieronder in de volgorde van het verslag.

I. ALGEMEEN DEEL

1. Inleiding

De leden van de CDA-fractie vragen waarom dit wetsvoorstel los gezien moet worden van de voorgenomen modernisering van de monumentenzorg. Ook de leden van de SGP-fractie stellen een vraag hierover.

Het kabinetsbeleid is gericht op deregulering en vermindering van administratieve lasten. Daar draagt dit wetsvoorstel aan bij. Deze bijdrage is zinvol, onafhankelijk van een beleidsontwikkeling die pas later (mogelijk) zijn vertaling zal krijgen in een voorstel van wet betreffende de modernisering van de monumentenzorg. Uiteraard wil ik voorkomen dat zaken in gang worden gezet die mogelijk haaks kunnen komen te staan op de uitkomsten van de discussie over de modernisering van de monumentenzorg. Ik meen dat dit wetsvoorstel past binnen deze marge.

De leden van de CDA-fractie vragen waarom het monumentenbestand – gelet op veronderstelde representativiteit van het monumentenbestand van voor 1940 – nog zou moeten worden herzien.

Over het huidige monumentenbestand heb ik in de memorie van toelichting bij het onderhavige wetsvoorstel opgemerkt dat ik de circa 52 000 beschermde rijksmonumenten als de meest beschermenswaardige werken beschouw van het totale bouwareaal. In die zin vormt dit een representatief bestand. Hoewel er verbeteracties te formuleren zijn waar ik in paragraaf 3 nog op inga, heb ik vooralsnog niet het voornemen om het monumentenbestand te herzien.

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom de dubbele adviesplicht ooit in het leven is geroepen.

Op grond van de geschiedenis van de totstandkoming van de Monumentenwet 1988 kan hierover het volgende worden gezegd.

De dubbele adviesplicht is gerelateerd aan de keuze voor decentralisatie van het vergunningstelsel naar de gemeenten. Dit betekende dat gemeenten op korte termijn een eigen monumentenbeleid moesten ontwikkelen en dat nog niet elke gemeente over voldoende deskundigheid op dit terrein beschikte. Om deze deskundigheid te borgen is in de wet een minimale waarborg opgenomen. Indien een gemeente de uitvoering van het vergunningstelsel ter hand wil nemen, wordt een gemeentelijke monumentenverordening verlangd die de advisering door een deskundige commissie regelt. Gemeenten kunnen bepalen of zij de kennis op dit terrein van buiten het eigen gemeentelijk apparaat in willen schakelen, zoals deskundigheid van particuliere monumentenorganisaties of de inschakeling van een (monumenten)commissie van een andere gemeente.

De adviesverplichting van de minister is in het leven geroepen om hem – vanwege zijn verantwoordelijkheid voor het monumentenbestand als zodanig – de gelegenheid te bieden zijn visie kenbaar te maken voorafgaand aan de beslissing op de vergunningaanvraag en niet om via deze weg de mogelijkheid te scheppen tot verregaande bemoeienis van rijkswege. Het advies kan ook een aanvulling betekenen bij de besluitvorming.

De leden van de SP-fractie verwijzen voor hun vragen en opmerkingen over het onderhavige wetsvoorstel naar die welke zijn gemaakt naar aanleiding van mijn beleidsbrief van 7 februari 2008 (Kamerstukken II 2007–2008, 29 314, nr. 24).

De vragen van deze leden heb ik alle beantwoord in het verslag van het schriftelijk overleg over deze beleidsbrief (Kamerstukken II 2007–2008, 29 314, nr. 25). Kortheidshalve verwijs ik naar dat stuk.

2. Huidige systematiek van de wetgeving

In relatie tot de op te stellen monumentenverordeningen informeren de leden van de PvdA-fractie naar de overgangssituatie. Zij vragen of alle gemeenten er in 2009 klaar voor zijn.

De gemeenten die nog geen monumentenverordening hebben, zijn door mij (meerdere keren) ingelicht over het feit dat zij met ingang van het volgend jaar zelf de monumentvergunningen moeten verlenen. Deze gemeenten worden ook allemaal bezocht door de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM), zodat mogelijke knelpunten tijdig worden onderkend.

Door het overnemen van de modelverordening van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) kunnen gemeenten relatief snel en eenvoudig voldoen aan de (minimum-)vereisten. Ik ga er vanuit dat alle gemeenten voor 2009 een monumentenverordening hebben vastgesteld.

3. Nieuwe systematiek

De leden van de CDA-fractie schetsen de situatie waarbij de gemeente zelf eigenaar is van een rijksmonument. Zij vragen hoe een objectieve deskundige beoordeling van vergunningaanvragen gewaarborgd kan worden.

In deze situatie moeten burgemeester en wethouders oordelen over een eigen vergunningaanvraag (dat is overigens nu ook al het geval). Mede gelet op deze situatie bevat artikel 15 van het wetsvoorstel een bepaling ten aanzien van de onafhankelijkheid van de monumentencommissie. Anders dan nu het geval is, mogen burgemeester en wethouders geen deel meer uitmaken van deze commissie. Bij de meest ingrijpende wijzigingen aan monumenten (sloop, herbestemming/functiewijziging en reconstructie) blijft overigens ook het advies van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een vereiste.

Het belang van een goed gemotiveerd besluit op de aanvraag is in het geschetste geval evident, ook al omdat de gemeente zich bij een beroep van een belanghebbende moet kunnen verantwoorden voor de bestuursrechter.

De leden van de CDA-fractie baart het zorgen dat niet alle gemeenten een monumentenbeleid hebben. Om welke gemeenten gaat het? Wat is in het verleden door het ministerie ondernomen? Op welke termijn dienen gemeenten beleid te formuleren? Hoe gaat de minster dat verwezenlijken?

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel heb ik gemeld dat een aantal gemeenten nog geen monumentenverordening heeft. Dat is niet synoniem met het niet hebben van monumentenbeleid. De wettelijke verplichting richt zich op het vaststellen van een verordening en niet op het ontwikkelen van beleid. In de praktijk zal een en ander vaak hand in hand gaan. Volgens mijn informatie zijn er 25 gemeenten die nog geen monumentenverordening hebben vastgesteld: Hoogeveen, Midden-Drenthe, Millingen aan de Rijn, Tiel, Andijk, Anna Pawlona, Wieringermeer, Boskoop, Cromstrijen, Dirksland, Korendijk, Krimpen aan den IJssel, Leiderdorp, Oostflakkee, Papendrecht, Rozenburg, Vlist, Voorschoten, Almere, Dronten, Lelystad, Zeewolde, Aalburg en Reusel-De Mierden. Daarnaast zijn er nog verschillende gemeenten die na een gemeentelijke herindeling nog niet helemaal op orde zijn met een gebiedsdekkende verordening voor de nieuwe gemeente. Ook deze gemeenten zullen actief door de RACM worden benaderd om te voldoen aan de gestelde eisen. De RACM en zijn voorganger, de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, hebben gedurende twee decennia tijdens ambtelijke en bestuurlijke overleggen de bedoeling van de Monumentenwet 1988 over het voetlicht gebracht. In het bijzonder wordt dat doel gediend met decentralisatie van de uitvoerende taak van de vergunningverleningen. Door die taak bij de gemeente te beleggen kon de gemeente immers de integrale afwegingen maken waarbij men andere belangen (ruimtelijke, economische of sociale belangen) bij een besluit kon betrekken. Vanaf 1988 is het aantal gemeenten dat de vergunningverlenende taak op zich heeft genomen, gestaag gegroeid. Doordat de overgangsregeling (artikel 64) vervalt, zijn alle gemeenten op grond van artikel 15 van het wetsvoorstel verplicht (bij inwerkingtreding van het wetsvoorstel) een monumentenverordening vast te stellen waarbij een monumentencommissie wordt ingesteld. De gemeente kan op relatief eenvoudige wijze hierin voorzien door de model-verordening van de VNG over te nemen. Men kan kiezen voor een onafhankelijke gemeentelijke monumentencommissie of een geïntegreerde welstands- en monumentencommissie of een regionaal opererende monumenten- of welstands- en monumentencommissie. Zoals ik hierboven al heb gesteld, is de RACM thans druk doende om gemeenten die nog geen verordening hebben vastgesteld, ertoe te bewegen dat zij tijdig zullen voldoen aan de komende wettelijke verplichting. Indien gemeenten op ambtelijk niveau geen aanstalten maken om aan de verplichting te voldoen, zal ik dit ook op bestuurlijk niveau aan de orde stellen.

De leden van de CDA-fractie vragen of de situatie waarbij zowel een monumentenvergunning (te verlenen door de gemeente) als een aanvraag voor restauratiesubsidie (te verlenen door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) aan de orde zijn, niet leidt tot conflictueuze uitkomsten.

Deze situatie is in het huidige wettelijke systeem ook vaak actueel, maar leidt zelden tot onduidelijkheden of conflictueuze uitkomsten, omdat de aard van de te nemen besluiten door gemeenten en de minister verschillend zijn. Het antwoord op de vraag welke ingrepen in een monument kunnen worden toegestaan is een andere dan dat op de vraag voor welke werkzaamheden (gericht op instandhouding van monumentale waarden) subsidie wordt toegekend. Ik licht dit met een voorbeeld toe.

De restauratie van een monumentale boerderij gaat samen met de verandering van de agrarische functie naar die van wonen. De gemeente kan dan bij de afweging tussen belangen van de gebruiker en de monumentale waarden besluiten dat er ramen in het gesloten dak mogen komen (hetgeen een inbreuk vormt op de monumentale waarden van het pand) . De minister zal echter dit deel van het plan niet subsidiëren. De subsidieregelingen zijn daarbij kaderstellend. Ik zie geen reden om deze situatie te voorkomen.

Indien de minister van oordeel is dat met een vergunningverlening door de gemeente een te grote inbreuk wordt gemaakt op de monumentale waarden, dan kan een zienswijze worden ingediend en daarna eventueel beroep.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe de RACM zich voorbereidt op de verzwaring en vergroting van de taak om meer gemeenten intensiever te gaan ondersteunen. Verder stellen deze leden de vraag om hoeveel adviezen het in de afgelopen drie jaar ging.

Het wetsvoorstel strekt er juist toe om op het punt van de wettelijk verplichte advisering een terugtrekkende beweging te maken. De facto zal de RACM alleen nog maar adviseren over ingrepen die het voortbestaan van het monument raken. De (verplichte) rijksbemoeienis met vele minder ingrijpende ingrepen wordt beëindigd. De RACM zal ook meer in generieke zin adviseren over deze zaken via brochures en zijn website.

De RACM heeft in de afgelopen drie jaar de volgende aantallen verplichte adviezen afgegeven ten aanzien van vergunningaanvragen, in 2005: 3 059, in 2006: 2 962 en in 2007: 2 789.

In het licht van dit wetsvoorstel tonen de leden van de SGP-fractie zich bezorgd over signalen dat bij veel gemeenten de monumentenzorg niet de hoogste prioriteit geniet. Zijn er aanvullende richtlijnen om een gezond monumentenaanbod op lokaal niveau te blijven garanderen?

Mijn uitgangspunt is zeker niet dat de monumentenzorg bij de gemeenten niet in goede handen zou zijn. In de Monumentenwet 1988 is een grotere verantwoordelijkheid toegekend aan gemeenten. Inherent hieraan is dat gemeenten aan dit onderwerp meer of minder prioriteit kunnen geven. Daarop kunnen ze wel worden aangesproken via de lokale democratie, belangengroeperingen en – incidenteel – provincie of Rijk. De betrokkenheid van gemeenten met de monumentenzorg heeft door de decentralisatie in 1988 zeker een impuls gekregen.

Het is mij niet duidelijk waarop de leden van de SGP-fractie duiden als zij vragen naar aanvullende richtlijnen voor gemeenten. Mijn inzet zal zijn dat gemeenten in staat zijn om op basis van de juiste kennis van monumenten besluiten te nemen, zodat de belangenafweging goed kan plaatsvinden. Daartoe kan de gemeente gebruik maken van de diensten van de gemeentelijke monumentencommissie, de provinciale steunpunten monumentenzorg, de RACM en externe adviseurs.

De leden van de SGP-fractie willen weten of de bevoegdheid tot het uit eigen beweging aanwijzen van monumenten wel voldoende om het lijf heeft. Verder vragen die leden of bij het toepassen van de bevoegdheid om uit eigen beweging monumenten aan te wijzen voldoende rekening wordt gehouden met monumenten uit de lokale gemeenschap.

De vraag van de leden van de SGP-fractie of de bevoegdheid tot het uit eigen beweging aanwijzen van monumenten wel voldoende om het lijf heeft, wordt bevestigend beantwoord. Het rechtsgevolg van zo’n aanwijzing is hetzelfde als die van een aanwijzing op verzoek.

Over de vraag over het rekening houden met monumenten uit de lokale gemeenschap merk ik op dat elk rijksmonument behalve een nationale waarde ook lokale waarde heeft. Toch zal het oordeel of een monument wordt aangewezen als beschermd monument er een zijn dat op nationale schaal wordt gegeven. Dit uitgangspunt is een constante in het aanwijzingsbeleid in de laatste decennia.

Het is niet mijn inzet monumenten die (alleen) voor een lokale gemeenschap van belang zijn, te beschermen. Gemeenten kunnen hierin voorzien door op basis van een monumentenverordening gebouwen of objecten op een gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.

Met de leden van de CDA-fractie ben ik het eens dat er bij gemeenten en monumentencommissies niet altijd de specialistische kennis aanwezig zal zijn die nodig is voor een goede beoordeling van werkzaamheden aan monumenten. Deze leden vragen hoe gewaarborgd wordt dat deze kennis toch wordt betrokken bij de besluitvorming over monumenten.

Het is de verantwoordelijkheid van gemeenten om zo nodig specialistische kennis te betrekken bij de afwegingen. De bedoelde specialistische kennis over orgels, carillons, molens, bijzondere materialen, interieurs enz. is in ieder geval aanwezig bij de RACM. De RACM heeft de opdracht om te fungeren als kenniscentrum voor de monumentenzorg en dient bedoelde kennis zo goed en efficiënt mogelijk ten nutte te laten zijn voor de monumentenzorgpraktijk. Gemeenten kunnen – ook in de nieuwe situatie – een beroep doen op de RACM. Uiteraard alles binnen de grenzen van het redelijke. Verdere «waarborgen» dan deze kan ik niet geven, zonder te treden in de gemeentelijke verantwoordelijkheid.

De leden van de CDA-fractie vragen of de provinciale steunpunten voldoende zijn toegerust op hun rol in de nieuwe situatie.

De provinciale steunpunten monumentenzorg en archeologie worden door het Rijk en de provincies gesubsidieerd voor twee kerntaken: het ondersteunen van gemeenten bij de uitvoering van de gedecentraliseerde gebouwde en archeologische monumentenzorg door middel van eerstelijnszorg én het bieden van een kennisplatform waarin de verschillende partijen informatie uitwisselen en elkaar versterken.

Die eerstelijnszorg bestaat bij voorbeeld uit het bieden van een helpdeskfunctie en het organiseren van spreekuren en planoverleggen. Ik zal de rijksmiddelen voor de steunpunten met ingang van de nieuwe cultuurconvenantsperiode decentraliseren naar de provincies. Ik maak daarover nog nadere afspraken met het Interprovinciaal Overleg (IPO).

Het steunpuntennetwerk heeft zich de afgelopen jaren ontwikkeld en er is veel ervaring opgedaan: gemeenten kennen de weg naar de steunpunten en alle steunpunten zijn inmiddels ofwel onderdeel van – of direct gelieerd aan – ofwel werken intensief samen met welstandsorganisaties, erfgoedhuizen en andere kennisinstellingen op het gebied van erfgoedzorg. Ook zie ik de ontwikkeling dat steunpunten meer en meer betaalde diensten leveren. Een en ander maakt dat de steunpunten als het ware «robuuster» geworden zijn wat betreft hun kennis en expertise. Ik heb daarom het vertrouwen dat zij voldoende toegerust zijn om de bovengenoemde kerntaken ook in de nieuwe situatie te vervullen. Dit vertrouwen is mede gebaseerd op het vruchtbare overleg dat in de aanloop naar dit wetsvoorstel is gevoerd met de steunpunten.

Ongeveer 25 gemeenten beschikken momenteel niet over een monumentenverordening. De leden van de SGP-fractie vragen binnen welke termijn dit overgangsrecht beëindigd zal worden en alle gemeenten over een monumentenverordening dienen te beschikken.

Artikel 65 van de Monumentenwet 1988 (Mw) voorziet in overgangsrecht voor gemeenten die na meer dan twintig jaar geen monumentenverorderning hebben vastgesteld. Dit artikel wordt bij gelegenheid van dit wetsvoorstel geschrapt. Waar het wetsvoorstel naar verwachting met ingang van 1 januari 2009 in werking zal treden, komt aan de overgangsrechtelijke positie van de 25 gemeenten op dat moment een einde. Ingevolge artikel 15 van de Mw dienen die gemeenten vanaf 1 januari 2009 over een monumentenverordening te beschikken.

De leden van de SGP-fractie informeren naar de criteria waarop het oordeel van een representatief monumentenbestand (van vóór 1940) is gebaseerd. Hoe is het uitgangspunt van een representatief bestand te rechtvaardigen? Zij willen ook weten hoe wordt omgegaan met nieuwe ontdekkingen, met de uniciteit van monumenten en mogelijk lokale aanvullingen op het bestand.

In paragraaf 7 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel heb ik hierover – als reactie op het advies van de Raad voor cultuur – het nodige uiteengezet. Onder meer heb ik een nadere invulling gegeven aan het begrip representativiteit. In aanvulling breng ik het volgende naar voren.

Mijn conclusie is dat de ongeveer 52 000 beschermde monumenten als de meest beschermenswaardige werken (van het totale bouwareaal van vóór 1940) moeten worden beschouwd. In die zin is dit bestand representatief te noemen. Ik wil dit graag nader onderbouwen met een verwijzing naar de wijze waarop het bestand in de tijd is opgebouwd.

De aanwijzing van rijksmonumenten is tot stand gebracht gedurende een periode van vele tientallen jaren. Grondslag daarvoor zijn de wettelijke criteria, eerst de criteria van de Monumentenwet van 1961 en vervolgens die van de Monumentenwet 1988.

Voor de onderbouwing van mijn stelling is het dienstig om onderscheid te maken naar het bestand dat dateert van voor en na 1850.

Voor de bebouwing uit de jaren 1850 tot 1940 geldt dat vanaf de jaren ’80 een omvangrijk beschermingsprogramma is vormgegeven. In het Monumenten Inventarisatie Project (MIP) zijn zo’n 165 000 monumenten geïnventariseerd. Deze projectresultaten zijn in het Monumenten Selectie Project (MSP) gebruikt. De monumenten zijn volgens een vaste methodiek in onderlinge samenhang verkend, beschreven en geselecteerd. Op deze wijze zijn uit de genoemde periode uiteindelijk zo’n 8 000 monumenten aangewezen als rijksmonument.

Voor wat betreft het bestand van vóór 1850 kan ik niet verwijzen naar een vergelijkbare systematische aanpak. Het bestand gaat terug tot de Voorloopige Lijst van Nederlandsche Monumenten van Geschiedenis en Kunst die vanaf 1903 tot stand is gebracht. Later zijn daaraan nieuwe categorieën toegevoegd zoals woonhuizen, boerderijen en molens.

Uiteindelijk hebben alle inspanningen geresulteerd in een bestand waarbij een zeer groot percentage van de vóór 1850 daterende monumenten zijn beschermd.

Verder merk ik op dat het begrip «representativiteit», in relatie tot de beschermingsopdracht, niet zo moet worden uitgelegd dat unieke of zeer zeldzame gebouwen worden uitgesloten van bescherming. Bij bijzondere nieuwe ontdekkingen ben ik bereid om mij een oordeel te vormen over de vraag of ambtshalve aanwijzing als beschermd monument opportuun is. Zoiets kan bijvoorbeeld zinvol zijn als blijkt dat achter een (niet monumentale) 19e eeuwse gevel een middeleeuws huis schuilgaat.

4. Bestuurslasten

De leden van de fractie van de ChristenUnie willen een toelichting op de vermindering van de bestuurs- en administratieve lasten.

Met betrekking tot de beperking van de adviesplicht is er sprake van (interbestuurlijke) lastenverlichting, zowel voor de gemeenten als voor het Rijk. De vaak omvangrijke aanvragen hoeven niet meer te worden doorgezonden, er hoeft geen advies te worden opgesteld en er hoeft dus door de gemeente ook niet gewacht of gereageerd te worden op een rijksadvies.

Het effect van de beperking van de mogelijkheid om aanvragen te doen voor de aanwijzing van rijksmonumenten van voor 1940 is dat er minder aanwijzingsprocedures doorlopen hoeven te worden. De procedure voorziet in hoorzittingen en in adviezen van gemeenteraden, provinciale staten (indien het monument zich buiten de bebouwde kom bevindt) en de Raad voor cultuur. Zeker als er sprake is van kansloze verzoeken is dat een enorme (nodeloze) belasting. Dat geldt niet alleen voor de betrokken overheden, maar ook voor de eigenaren van onroerende zaken die het betreft.

Daarbij komt ook dat als gevolg van een aanwijzingsverzoek de zogenaamde voorbescherming in werking treedt, wat inhoudt dat er een vergunningplicht voor wijzigingen is. Dit kan bijzonder knellen, als een eigenaar wordt geconfronteerd met een aanwijzingsverzoek op het moment dat hij zijn gebouw wil verbouwen of slopen (en daartoe vaak alle vereiste vergunningen al heeft verkregen).

5. Advies van de Raad voor cultuur

De leden van de PvdA-fractie zijn benieuwd waarom deze wijziging niet wordt meegenomen met de modernisering van de monumentenzorg.

In dit verband verwijs ik naar mijn antwoorden in de inleiding op vragen van de leden van de fracties van het CDA en de SGP.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoe de minister voornemens is om van de bevoegdheid tot het ambtshalve aanwijzen van monumenten gebruik te maken (om zo gestructureerd te werken aan verbeteracties).

Bij verbetering van het monumentenbestand moet niet alleen gedacht worden aan nieuwe aanwijzingen, maar ook aan het afvoeren van monumenten van onvoldoende waarde en het verbeteren van de beschrijvingen en begrenzingen van monumenten. Als voorbeeld hiervan noem ik de historische buitenplaatsen. Van deze categorie monumenten werd aanvankelijk (in de jaren 1960 tot 1980) vaak alleen het hoofdgebouw in de registeromschrijving genoemd, waardoor de bescherming onvolkomen was. Veelal vormden ook de parkaanleg, de dienstgebouwen en de tuinversierselen een gaaf en onlosmakelijk onderdeel van de buitenplaats. Door middel van een grote verfijningsoperatie is door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en daarna door de RACM in de jaren 1997 tot en met 2007 de bescherming van ongeveer 500 historische buitenplaatsen aangepakt. Daarbij werden reeds beschermde buitenplaatsen en nog te beschermen buitenplaatsen doorgelicht en op een zelfde manier beschreven en onder bescherming gebracht door bescherming van hoofdgebouw, parkaanleg, tuinversierselen, dienstgebouwen en bijgebouwen. Het is mogelijk om ook voor andere categorieën monumenten dergelijke verbeteracties te benoemen.

Het is een goede gewoonte om de ambities voor het aanwijzen van monumenten te vatten in beleidsregels. De huidige Tijdelijke beleidsregel aanwijzing beschermde monumenten 2007 (Stcrt. 116) expireert op 1 januari 2009. Voor die tijd zal ik een nieuwe beleidsregel vaststellen. Omdat op dat moment de uitkomst van de discussies over de modernisering van de monumentenzorg nog niet bekend is, zal ik vooralsnog een terughoudend aanwijzingsbeleid blijven voeren.

Hierboven heb ik in paragraaf 3 al aangegeven dat ik bereid ben om bij nieuwe bijzondere ontdekkingen gebruik te maken van de mogelijkheid tot ambtshalve aanwijzing.

De leden van de SGP-fractie vragen of de maatregel om monumentaanvragen van voor 1940 niet meer ontvankelijk te verklaren niet verder gaat dan enkel vermindering van administratieve lasten.

De maatregel is eerst en vooral ingegeven door de wens om te komen tot een beperking van bureaucratie. Ik wil echter niet verhelen dat dit wel gevolgen heeft voor de (juridische) mogelijkheden van belangengroepen om nog wijzigingen te bepleiten van het monumentenregister van vóór 1940.

De leden van de PvdA-fractie willen weten hoeveel geld er wordt bespaard en wat de gevolgen zijn voor het ambtelijk apparaat.

Hierboven heb ik in paragraaf 4 de verwachte effecten beschreven van de voorgestelde maatregelen. Deze effecten zullen zich vertalen in besparing van kosten, voornamelijk omdat allerlei administratieve handelingen niet meer hoeven te worden gedaan. De grootste besparing wordt dus gerealiseerd door het vrijspelen van ambtelijke capaciteit bij de gemeenten en de RACM, en in mindere mate bij de provincies. In hoeverre de besparing in geld is uit te drukken hangt dus af van de mate waarin een en ander zal leiden tot minder ambtenaren.

Ik heb de hoop dat bij gemeenten de bestaande ambtelijke capaciteit ten dienste zal blijven van de monumentenzorg.

Als gevolg van het kabinetsbeleid ten aanzien van het verkleinen van het aantal rijksambtenaren zal ook de formatie van de RACM worden ingekrompen en wel met 28,6 fte. Hoewel dit wetsvoorstel wel bijdraagt om de taakstelling op verantwoorde wijze te realiseren, zal de verwachte tijdsbesparing zeker niet volledig worden ingeboekt. Tegenover de extensivering van het aantal verplichte adviezen en de vermindering van aanwijzingsprocedures staat een intensivering, omdat meer tijd kan worden besteed aan de belangrijkste wijzigingen van monumenten. De kwaliteit en bruikbaarheid van de RACM-adviezen kan daardoor verbeteren. Ook zal het beschikbaar stellen van kennis door de RACM in mindere mate langs het formeel voorgeschreven traject plaatsvinden. Er is meer ruimte voor een vroegtijdige betrokkenheid bij belangrijke transformatieprocessen van monumenten en voor een meer generieke advisering (via brochures e.d.).

Ook vragen de leden van de PvdA-fractie of er behalve een kortere doorlooptijd nog andere positieve gevolgen voor de burger te verwachten zijn.

Wat betreft de beperking van de adviesplicht is het antwoord nee. De beperking van de mogelijkheid om aanvragen te doen voor de status van beschermd monument is een positief bericht voor de eigenaren van onroerende zaken waarvoor mogelijk door derdenbelanghebbenden aanvragen worden gedaan.

II. ARTIKELEN

Artikel I, onderdeel D

De leden van de SGP-fractie vragen waarom in dit onderdeel – in navolging van onderdeel A – gekozen is voor de terminologie «uit eigen beweging» in plaats van de term «ambtshalve» en vragen voorts naar de meerwaarde van de voorgestelde terminologie.

De voorgestelde terminologie heeft bij nader inzien geen meerwaarde. Derhalve is bij de nota van wijziging die bij de nota naar aanleiding van het verslag is gevoegd, in onderdeel D van artikel I de oorspronkelijke term weer opgenomen en is in onderdeel A daarbij aangesloten.

Artikel I, onderdeel J

In relatie tot het voorstel om de woorden «dan wel Onze minister» te laten vervallen in artikel 18 van de Monumentenwet 1988 vragen de leden van de SGP-fractie naar de wenselijkheid van een ministeriële bevoegdheid ten aanzien van kerkelijke monumenten.

De voorgestelde wijziging is van wetstechnische aard. Omdat voor andere dan archeologische monumenten bij inwerkingtreding van de wet altijd burgemeester en wethouders het bevoegd gezag zijn bij aanvragen voor monumentvergunningen, hoeft in artikel 18 geen rekening meer gehouden te worden met de eventualiteit dat de minister bevoegd gezag is.

Ik ben van oordeel dat artikel 18 aan kerkgenootschappen en anderen voldoende waarborgen biedt voor het wezenlijke belang van het belijden van godsdienst of levensovertuiging. Een ministeriële bevoegdheid in deze acht ik niet nodig en ook niet passend in het systeem van de wet.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

R. H. A. Plasterk