nr. 2
VOORSTEL VAN WET
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de adviesverplichting
van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bij aanvragen om een
monumentenvergunning voor beschermde gebouwde monumenten te beperken, als
gevolg waarvan de administratieve en bestuurlijke lasten voor het Rijk, de
provincies, de gemeenten en de burgers zullen verminderen; dat het gelet op
het bestand aan beschermde gebouwde monumenten wenselijk is zeer terughoudend
te zijn met aanwijzing als beschermd monument van monumenten op verzoek van
belanghebbenden; dat het wenselijk is andere procedurele vereenvoudigingen
door te voeren; dat in verband daarmee de Monumentenwet 1988 dient te worden
gewijzigd;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der
Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en
verstaan bij deze:
ARTIKEL I
In de Monumentenwet 1988 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
A
Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede tot en met zesde lid worden vernummerd tot het derde
tot en met zevende lid.
2. Het eerste lid wordt vervangen door twee nieuwe leden, luidende:
1. Onze minister kan uit eigen beweging onroerende monumenten aanwijzen
als beschermd monument.
2. Onze minister kan op aanvraag onroerende monumenten aanwijzen
als beschermd monument, indien het betreft:
a. monumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 1, die
zijn vervaardigd na 31 december 1939, en
b. monumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 2.
3. In het nieuwe vierde lid wordt «tweede lid» vervangen
door «derde lid» en vervalt de zinsnede «aan de ingeschreven
hypothecaire schuldeisers».
4. In het nieuwe zesde lid wordt «tweede lid» vervangen
door: derde lid.
B
In artikel 5 wordt «derde lid» vervangen door «vierde
lid» en wordt «11 tot en met 33» vervangen door: 11 tot
en met 31.
C
In artikel 7, eerste lid, wordt «tweede tot en met zesde lid»
vervangen door: derde tot en met zevende lid.
D
In artikel 8, eerste lid, wordt «ambtshalve» vervangen door:
uit eigen beweging.
E
In artikel 9, eerste lid, vervalt de zinsnede «de in artikel 48,
tweede lid, onder b en k, van de Kadasterwet bedoelde gegevens of».
F
Artikel 14a wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt «de adviezen, bedoeld
in artikel 16, tweede lid» vervangen door: het advies of de adviezen,
bedoeld in artikel 16, derde lid.
2. Toegevoegd wordt een nieuw lid, luidende:
6. In de gevallen dat burgemeester en wethouders beslissen over de
aanvraag, delen dezen Onze minister mee dat zij het ontwerp van een besluit
ter inzage hebben gelegd.
G
Artikel 15 komt te luiden:
Artikel 15
De gemeenteraad stelt een verordening vast waarin ten minste de inschakeling
wordt geregeld van een commissie op het gebied van de monumentenzorg die burgemeester
en wethouders adviseert over aanvragen om vergunning als bedoeld in artikel
11. Van de commissie maken geen deel uit leden van burgemeester en wethouders
van de desbetreffende gemeente. Binnen de commissie zijn enkele leden deskundig
op het gebied van de monumentenzorg.
H
Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het derde tot en met zesde lid worden vernummerd tot het vierde
tot en met zevende lid.
2. Het eerste en tweede lid worden vervangen door drie nieuwe leden,
luidende:
1. In bij ministeriële regeling te bepalen gevallen leggen burgemeester
en wethouders een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 11 voor advies
voor aan Onze minister. In de gevallen, bedoeld in de eerste volzin, zenden
burgemeester en wethouders onmiddellijk afschrift van de aanvraag om vergunning
aan de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten. De gevallen,
bedoeld in de eerste volzin, kunnen onder meer betreffen het afbreken van
een beschermd monument, het reconstrueren van een beschermd monument en het
geven van een nieuwe bestemming aan een beschermd monument.
2. Indien de aanvraag een beschermd monument betreft dat buiten de
krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom ligt, zenden
burgemeester en wethouders onmiddellijk afschrift van de aanvraag om vergunning
aan gedeputeerde staten.
3. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, adviseert Onze minister
schriftelijk over de aanvraag binnen twee maanden na de datum van verzending
van het afschrift. Indien gedeputeerde staten advies uitbrengen, gebeurt dat
schriftelijk binnen twee maanden na de datum van verzending van het afschrift.
3. In het nieuwe vierde lid wordt «het laatste van de adviezen,
bedoeld in het tweede lid» vervangen door: het advies of het laatste
van de adviezen, bedoeld in het derde lid.
4. In het nieuwe vijfde lid wordt «derde lid» vervangen
door: vierde lid.
5. Aan het nieuwe zesde lid wordt een volzin toegevoegd, luidende:
Daarbij geven burgemeester en wethouders een omschrijving van de aard
van de werkzaamheden.
I
Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid vervalt de derde volzin.
2. In het tweede lid wordt in de eerste volzin «vierde lid»
vervangen door «vijfde lid» en wordt in de tweede volzin «zesde
lid» vervangen door: zevende lid.
J
In artikel 18 vervallen de woorden «dan wel Onze minister»
en wordt «artikel 16 of 17» vervangen door: artikel 16.
K
In artikel 37, tweede lid, wordt «artikel 1a» vervangen door:
de artikelen 1a.
L
Artikel 64 vervalt.
ARTIKEL II
1. Verzoeken als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Monumentenwet
1988, zoals die bepaling op 31 december 2008 luidde, betreffende voor
1 januari 1940 vervaardigde monumenten als bedoeld in artikel 1, onderdeel
b, onder 1, van die wet die voor 1 januari 2009 zijn ingediend, worden
afgehandeld overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Monumentenwet
1988, zoals die wet op 31 december 2008 luidde.
2. Bezwaar- en beroepschriften tegen een besluit met betrekking tot
een verzoek als bedoeld in het eerste lid worden afgehandeld overeenkomstig
het bepaalde bij of krachtens de Monumentenwet 1988, zoals die wet op 31 december
2008 luidde.
ARTIKEL III
Deze wet treedt in werking met ingang van 1 januari 2009.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat
alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat,
aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven
De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,