Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-201431332 nr. 22

31 332 Doorlopende Leerlijnen Taal en Rekenen

Nr. 22 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 5 november 2013

Op donderdag 9 oktober jl. vond er een algemeen overleg plaats met uw Kamer over de referentieniveaus taal en rekenen. In dat debat heb ik een aantal toezeggingen gedaan. Ten behoeve van de tweede termijn van het genoemde overleg, stuur ik u deze brief en ga ik in op enkele toezeggingen.

Tijdens het overleg bleek de opvatting dat een goede rekenvaardigheid essentieel is, breed gedeeld. Tegelijkertijd waren er zorgen over de grote afstand tussen de vereiste niveaus en de huidige prestaties op de pilottoetsen. Op verzoek van het lid Jadnanansing (PvdA), presenteer ik hierbij een plan van aanpak om de rekenvaardigheid van leerlingen te verbeteren1. Voor de aanpak voor leerlingen met dyscalculie en vmbo-bb en voor de maatregelen gericht op de rekentoetsen verwijs ik daarbij naar de voortgangsrapportage 2013.

De sleutel voor het verhogen van de rekenprestaties ligt in het verder verbeteren van het rekenonderwijs. Dat hierbij nog veel te winnen is, wordt duidelijk uit enquêtes van het College voor Examens (CvE). Daarin geeft 45% van de vo-docenten aan dat zij hun leerlingen voorbereid hebben op de inhoud van de rekentoets die in maart als pilot is afgenomen. Naarmate het aantal docenten dat leerlingen voorbereidt toeneemt met de introductie van de rekentoets, zullen hoogstwaarschijnlijk ook de resultaten een stuk verbeteren. Uit de pilot blijkt bovendien dat de spreiding van de toetsresultaten tussen scholen groot is. De ene school doet het beter dan de andere: de 10% scholen met de hoogste prestaties scoort al gemiddeld voldoende, terwijl de 10% scholen met de laagste prestaties rond een vier blijft steken. Ook deze bevindingen leiden mij tot de constatering dat niet het niveau van de toets als zodanig een horde vormt, maar het sterk afhangt van de mate waarin scholen en docenten hun leerlingen voorbereiden.

Naast het plan van aanpak ontvangt u voorbeelden van rekentoetsen op het referentieniveau 2F en op het referentieniveau 3F (zie bijlage 1 en 2).2 Ik ga hier ook in op de vraag van de Kamer of de rekentoetsen in balans zijn, op welke wijze het veld hierbij betrokken wordt en hoe dit in het algemeen plaatsvindt bij de totstandkoming van curricula en examens. Tot slot bespreek ik de uitkomsten van het onderzoek van de KNAW over rekendidactiek.

Tijdens het debat is ook toegezegd dat het eindrapport van de pilot leerwinst en toegevoegde waarde in het primair onderwijs eind dit jaar wordt toegestuurd aan de Kamer. In de pilot heeft de verwerking van de laatste toetsgegevens van de scholen (juni 2013) vertraging opgelopen. Hiermee loopt ook de terugkoppeling van de berekende leerwinst en toegevoegde waarde aan scholen vertraging op. Om de feedback van de deelnemende scholen recht te doen in het eindrapport, is er voor gekozen om het project niet in december maar in januari 2014 af te ronden. Het eindrapport wordt daarom in januari 2014 aan de Kamer toegestuurd. Op de toezegging aan het lid Rog (CDA) om schriftelijk terug te komen op de vraag over de ontheffing van de tweede moderne vreemde taal kom ik in december terug.

1. Plan van aanpak rekenen

Vasthouden aan de ingezette koers

De referentieniveaus taal en rekenen en de toetsing ervan geven een extra impuls aan de kwaliteitsverbetering die al in gang is gezet. In het po en so stelt de eindtoets in schooljaar 2014–2015 voor het eerst vast welk referentieniveau een leerling in groep 8 heeft bereikt. Daarnaast is met goedkeuring van uw Kamer bepaald dat een rekentoets onderdeel wordt van het examen in vo en mbo en dat het cijfer dat leerlingen hiervoor behalen consequenties heeft voor het slagen en zakken. De prestaties op de rekentoets maken duidelijk dat er werk aan de winkel is. Het is daarbij essentieel dat nu vastgehouden wordt aan de ingezette koers. Er wordt door veel scholen al enige tijd hard gewerkt aan het verbeteren van de resultaten en we vragen een flinke extra inspanning om de gestelde doelen te bereiken. Onduidelijkheid over het tijdpad en de te bereiken doelen zijn dan funest. Dat betekent ook dat het belangrijk is om vast te houden aan het vermelden van het cijfer voor rekenen op de cijferlijst bij het vo-diploma. Bovendien is bij de examenresultaten 2013, waarover uw Kamer op 29 oktober jl. is geïnformeerd, gebleken dat het hebben van hoge verwachtingen resultaat oplevert (Kamerstuk 31 289, nr. 178).

Extra middelen

Om de ambities met betrekking tot de verbeterde rekenprestaties te realiseren, krijgen scholen in het po en vo sinds 2008 extra geld. Voor 2013 gaat het om een bedrag van 37 miljoen voor het po en 148 miljoen voor het vo. De mbo-instellingen ontvangen in het kader van de regeling Intensivering Nederlandse taal en rekenen mbo vanaf 2010 jaarlijks zo’n 52 miljoen euro ten behoeve van de invoering van de referentieniveaus taal en rekenen. Deze aanvullende bekostiging kunnen zij besteden aan activiteiten zoals extra onderwijstijd, toetsing, professionalisering van docenten, zomerklassen en andere activiteiten die gericht zijn op de intensivering van het taal- en rekenonderwijs. Het voornemen is om deze middelen vanaf 2015 onder te brengen in de prestatiebox.

Intensiveringstraject

Vanaf schooljaar 2014–2015 kunnen scholen in het po de referentieniveaus heel gericht gaan gebruiken, omdat dan de centrale eindtoets beschikbaar zal komen. Om scholen hierop goed voor te bereiden start SLO dit schooljaar met extra voorlichting en ondersteuning over het werken met de referentieniveaus en de toetsing daarvan.

Ook de steunpunten taal en rekenen vo/mbo zijn een tweejarig intensiveringstraject gestart, gericht op het ondersteunen van scholen bij de verdere realisatie van hun rekenbeleid. De kern van het intensiveringstraject betreft het voeren van gesprekken met scholen. In deze gesprekken wordt gezamenlijk gereflecteerd op de resultaten uit de pilots. Aandachtspunten hierbij zijn het rekenbeleid van de instelling, het delen van goede voorbeelden en praktische handreikingen voor verbetering van het rekenonderwijs. Verder wordt ingegaan op de personele inzet op het gebied van rekenen en op de vraag of er bij de school en docenten behoefte bestaat aan deskundigheidsbevordering in het geven van rekenonderwijs.

In het vo zullen vooral de scholen bezocht worden waarbij dat gelet op de resultaten bij de pilot rekentoets 2013 het meest wenselijk is. In het mbo worden alle mbo-instellingen bezocht. Er vinden meerdere gesprekken plaats. Deze maand start de eerste ronde gesprekken. In het mbo worden deze gesprekken deels geïntegreerd in de gesprekkencyclus van MBO15 met de mbo-instellingen over de uitvoering van Focus op vakmanschap.

Ondersteuning docenten in 2013–2014

Scholen kunnen sinds 2009 gebruik maken van het ondersteuningsaanbod van SLO voor het po en de steunpunten taal en rekenen vo/mbo. Inmiddels is een rijk aanbod beschikbaar. In 2013–2014 organiseren SLO en de steunpunten regelmatig informatiebijeenkomsten en themaconferenties voor docenten en beleidsmedewerkers. Ook kunnen alle scholen deelnemen aan door de steunpunten georganiseerde netwerken taal en rekenen. Deze regionale netwerken bieden een platform om docenten direct en actief te betrekken bij ontwikkeling en uitvoering van beleid. Op de websites www.taalenrekenen.nl en www.steunpunttaalenrekenen.nl vinden docenten informatie van SLO en steunpunten over uitwerkingen van de referentieniveaus, voorbeeldmateriaal en informatie over de aanpak bij zorgleerlingen. Op www.aanbodoverzichttaalenrekenen.nl vinden docenten een actueel overzicht van het aanbod aan leermiddelen, toetsen, volgsystemen, nascholing en (beleids)ondersteuning op het gebied van taal en rekenen. Door scholen zelf ontwikkeld materiaal wordt ontsloten door middel van het door Kennisnet ontwikkelde Portaal taal en rekenen. Docenten, beleidsmedewerkers, coördinatoren en andere betrokkenen bij het rekenonderwijs kunnen met allerlei vragen terecht bij de helpdesk van de steunpunten.

Ook het CvE stelt in 2013–2014 een aantal producten ter beschikking ter ondersteuning van het rekenonderwijs. Zowel voor referentieniveau 2F als 3F worden voorbeeldtoetsen en -examens beschikbaar gesteld waarmee leerlingen kunnen oefenen. Daarnaast ontvangen scholen een meer gedetailleerde terugkoppeling van de rekenresultaten. CvE stelt een overzicht op van onderwerpen waarvan uit de analyses van de rekentoetsen en -examens is gebleken dat leerlingen deze als lastig ervaren. Aanvullend ontvangen scholen vanaf schooljaar 2013–2014 een rapportage op domeinen. Kandidaten en docenten krijgen daarmee meer inzicht in de behaalde scores op de verschillende domeinen die bij de referentieniveaus rekenen worden onderscheiden. Dit kan worden benut om bij het rekenonderwijs in te spelen op de zwakke punten van leerlingen.

Met lerarenopleidingen wordt het gesprek gevoerd hoe het (na)scholingsaanbod verder kan worden afgestemd op het rekenonderwijs in het vo en mbo. Hierbij worden de VO-raad en de MBO Raad betrokken.

Toezicht

Alle po scholen worden door de inspectie jaarlijks beoordeeld op hun taal- en rekenprestaties. Daarnaast worden taal- en rekenzwakke scholen door de inspectie aangespoord deel te nemen aan taal- en rekenverbetertrajecten. De resultaten laten zien dat de inspanningen van scholen werken: het aantal taal- en rekenzwakke basisscholen is van 238 naar 158 gedaald. Bovendien zijn er nog maar 14 zeer zwakke scholen. In het toekomstige gedifferentieerde toezicht zullen scholen nog meer worden uitgedaagd beter te presteren.

De inspectie zal in het vo gedurende het kalenderjaar 2014 een themaonderzoek uitvoeren naar de bestrijding van achterstanden, ook in het licht van de referentieniveaus rekenen. Er wordt een steekproef genomen van 130 scholen die zullen worden onderzocht. Daarbij zal de vraag centraal staan welke activiteiten scholen verrichten om achterstanden te bestrijden. De resultaten die gehaald worden bij de rekentoets worden meegenomen in het reguliere toezicht op scholen. In het mbo is het toezicht op het taal- en rekenonderwijs vanaf 2012 opgenomen in het reguliere toezichtkader. De inspectie voert periodiek een instellingsanalyse uit met betrekking tot het onderwijsproces en de examinering. De inspectie neemt het taal- en rekenonderwijs mee in het onderzoek naar onderwijskwaliteit. Indien uit het onderzoek blijkt dat het taal- en rekenonderwijs niet voldoet, dan betrekt de inspectie dit in het oordeel over het onderwijsproces.

2. Balans in de rekentoetsen en betrokkenheid onderwijsveld

Uw Kamer heeft mij verzocht om – samen met het CvE en CITO – na te gaan of de rekentoetsen in balans zijn. Het gaat daarbij om toetsen die inzichtelijk moeten maken of een leerling het vereiste referentieniveau beheerst. CvE en CITO hebben aangegeven dat de toets valide en betrouwbaar meet wat in de referentieniveaus beschreven staat. De referentieniveaus vereisen zowel toetsing van parate kennis als toetsing van de toepassing van die kennis in een zinvolle context. Hoe de school de leerlingen voorbereidt is een didactische kwestie en het is niet aan de overheid om daarover te beslissen.

Bij totstandkoming van curricula en examens wordt het onderwijsveld nauw betrokken. Dat geldt ook voor de referentieniveaus en de daarop aansluitende examens (zie bijlage 3 voor een uitgebreide beschrijving3). Ook bij de pilottoetsen en -examens worden de opmerkingen van docenten volop benut. Zo worden – onder andere naar aanleiding van reacties van docenten – de rekentoetsen vo korter en zullen er meer opgaven zonder context komen. Er ligt een goede rekentoets. Dat betekent niet dat er geen aanpassingen meer mogelijk zijn. Net als bij de reguliere centrale examens werkt het CvE voortdurend samen met het scholenveld aan toetsontwikkeling, evaluatie en bijstelling.

Het onderzoek van de KNAW

Zoals ook uit het overleg van 9 oktober met uw Kamer is gebleken, speelt er een discussie over de juiste rekendidactiek. De KNAW heeft in 2009 onderzocht of er een relatie is tussen rekendidactiek en de behaalde rekenvaardigheden. Hieruit kwam naar voren dat er geen wetenschappelijk gefundeerde uitspraken te doen zijn over de relatie tussen rekendidactiek en het effect op de rekenvaardigheid. Een andere conclusie was dat binnen een bepaalde rekendidactiek er vaak grotere verschillen in de leerlingprestaties bestaan dan tussen verschillende rekendidactieken. Tenslotte concludeerde de KNAW dat de sleutel tot verbetering van de rekenvaardigheid ligt in de kwaliteit van de leraar.4

De overheid heeft een stelselverantwoordelijkheid voor het onderwijs. Daarbij hoort het laten doen van onderzoek naar goede aanpakken en die verspreiden. Tegelijkertijd past de overheid terughoudendheid waar het om didactiek gaat; scholen hebben, binnen de wettelijke kaders, inrichtingsvrijheid bij het (reken)onderwijs. De Programmaraad voor het Onderwijsonderzoek (PROO) van de NWO laat in opdracht van OCW onderzoek uitvoeren naar effectief rekenonderwijs. In 2011 zijn vijf onderzoeksaanvragen gehonoreerd met een budget van in totaal 2,7 miljoen euro. Tussentijdse resultaten worden actief verspreid door publicaties in vakbladen en tijdens (internationale) wetenschappelijke conferenties. De eindresultaten worden in september 2015 verwacht. Het gaat om de volgende vijf onderzoeken:

  • De rol van de docent bij het verbeteren van het onderwijs in breuken: docentcognities, docentgedrag en leerlingopbrengsten – Technische Universiteit Eindhoven i.s.m. HS Avans, Fontys HS, HS Zuyd en HS de Kempel;

  • Rekendidactiek in de klas in relatie tot strategiegebruik en rekenpeil van leerlingen in het basisonderwijs – Universiteit Leiden i.s.m. Stichting Cito;

  • Verbetering toetspraktijk van leerkrachten bij het reken-wiskundeonderwijs – Universiteit Utrecht, i.s.m. Stichting Cito, Openbaar Primair Onderwijs Zoetermeer, OBD Duin- en Bollenstreek en Pabo van De Haagse Hogeschool;

  • Gedifferentieerd (speciaal) rekenonderwijs – Universiteit Utrecht, i.s.m. Expertis, CPS, CED-groep, Giralisgroep, Pabo Windesheim/ Opleidingen Speciale Onderwijszorg Windesheim, Pabo Utrecht/ Marnix opleidingscentrum, Pabo & Kenniscentrum HS Utrecht en Academische Pabo Utrecht, en;

  • Digitaal ondersteunde assessment in het rekenonderwijs – Rijksuniversiteit Groningen i.s.m. KPC Groep en Fontys Hogescholen.

Een korte inhoudelijke beschrijving van deze onderzoeken is als bijlage aan deze brief toegevoegd5.

Tot slot

De implementatie van de referentieniveaus taal en rekenen, gericht op de versterking van de taal- en rekenprestaties van leerlingen, is in volle gang. De bevindingen in schooljaar 2012–2013 maken duidelijk dat we er nog niet zijn. Er is extra inzet nodig van alle betrokken partijen, vooral voor de invoering van de referentieniveaus rekenen. Van scholen wordt gerichte inspanning verwacht voor verdere verbetering van het rekenonderwijs. Daarbij wordt er nu al hard door scholen gewerkt omdat helder is wat er van hen verwacht wordt. Ik zorg, samen met de Minister, voor ondersteuning van het proces en omwille van een verantwoorde invoering volgen wij de ontwikkelingen op de voet.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, S. Dekker


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
2

Ten opzichte van deze voorbeelden zullen de rekentoetsen in 2014 teruggaan van 60 naar 51 opgaven en meer contextloze opgaven bevatten (van 12 naar 15), ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
3

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
4

Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen, Rekenonderwijs op de basisschool. Analyse en sleutels tot verbetering. (2009)

X Noot
5

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer