31 322 Kinderopvang

Nr. 588 BRIEF VAN DE MINISTER VAN WERK EN PARTICIPATIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 22 juni 2026

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een brief ontvangen van vakbonden FNV en CNV, beroepsvereniging PPINK en ouderorganisaties VWO en BOinK over beroepskrachten in opleiding (BIO’s). In de procedurevergadering van 19 mei 2026 heeft de commissie verzocht een reactie te ontvangen op deze brief.1

Ik heb de brief van FNV, CNV, PPINK, VWO en BOinK met aandacht gelezen. De partijen uiten hun zorgen over het in november 2025 gecommuniceerde voornemen tot een structurele verruiming van de inzet van BIO’s. De partijen wijzen op risico’s voor de pedagogische kwaliteit, de (sociaal-emotionele) veiligheid, stabiliteit en werkdruk voor ervaren professionals. Ze benoemen dat de verruiming zou leiden tot een toename aan incidenten en een afname aan het vertrouwen van ouders in de kinderopvang. Ik begrijp de zorgen en weet dat er verschillende beelden over de effecten van de verruiming leven in de sector.

In het kader van de aanpak van de werkdruk en de personeelstekorten in de kinderopvang mogen kinderopvangorganisaties sinds 1 januari 2022 meer beroepskrachten in opleiding inzetten binnen de formatie. Dit is verhoogd naar 50% van de formatie op een kindercentrum (eerst was dit 33%). Deze verruiming was tijdelijk ingevoerd en heb ik verlengd tot 1 juli 20282. Er is immers nog steeds sprake van personeelstekort in de kinderopvang, wat de aanleiding vormde voor de verruiming. De verwachting is dat de personeelstekorten voorlopig zullen aanhouden. Verruimde inzet geeft houders flexibiliteit tijdens pauzes of bij ziekte van personeel en zij hoeven daardoor minder vaak groepen te sluiten.

Ik vind het belangrijk dat kinderopvangorganisaties verantwoord omgaan met de formatieve inzet van BIO’s, zodat de werkdruk niet onnodig toeneemt. Hierbij hoort dat zij BIO’s niet te vroeg formatief inzetten en goede begeleiding bieden, zoals vastgelegd in het verplichte begeleidingsplan. In gesprekken met onder andere de genoemde partijen hebben zij erop gewezen dat in de Cao Kinderopvang de omschrijving van opleidingsfases onvoldoende aansluit bij de praktijk. Daarom heb ik besloten om de verruiming nu nog niet structureel in te voeren, maar deze te verlengen. De vertegenwoordigende partijen van kinderopvangorganisaties hebben de intentie uitgesproken om de cao-bepaling over formatieve inzetbaarheid van een individuele BIO te verduidelijken, om verantwoorde inzet beter te borgen. De uitkomst van een nieuwe cao-bepaling, evenals signalen uit de sector, neem ik mee in de afweging over het vervolg van de verruiming vanaf 1 juli 2028.

We hebben een gezamenlijk belang bij het verantwoord omgaan met de BIO’s. Door BIO’s goed te begeleiden leren ze om veilige en kwalitatieve kinderopvang te waarborgen. BIO’s dragen bij aan de toekomst van de sector en verdienen een goede leeromgeving, waarin ze zich kunnen ontwikkelen tot gediplomeerde pedagogisch professionals. Ik blijf met de sector in gesprek over het verantwoord omgaan met BIO’s.

De Minister van Werk en Participatie, A.A. Aartsen


X Noot
1

Brief van 21 mei 2026, kenmerk 2026Z08483/2026D24009.

Naar boven