Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 1 mei 2018
De Inspectie van het Onderwijs (IvhO) heeft onderzoek gedaan naar de vraag of kinderen
van ouders uit lagere inkomensgroepen vaker naar kwalitatief mindere kinderdagverblijven
gaan dan kinderen van ouders uit hogere inkomensgroepen. Dit onderzoek is uitgevoerd
naar aanleiding van een artikel in de Volkskrant eind 2016 over de kwaliteit van de
kinderopvang en Kamervragen hierover. In deze brief informeer ik u over de aanleiding
en uitkomsten van dit onderzoek en de betekenis ervan.
Aanleiding onderzoek
Eind 2016 zijn er Kamervragen gesteld naar aanleiding van een bericht in de Volkskrant
waarin stond dat kinderopvang in arme buurten gemiddeld slechter op kwaliteit scoort
dan kinderopvang in rijke wijken1. De conclusies in dit artikel waren gebaseerd op de risicoprofielen van de toezichthouder
kinderopvang (de GGD’en).
In reactie op deze vragen heeft mijn voorganger aangegeven de conclusies van de Volkskrant
niet te onderschrijven, omdat de risicoprofielen niets zeggen over de actuele kwaliteit
van een opvanglocatie, maar worden gebruikt om een inschatting te maken van de benodigde
toezichtcapaciteit. Mijn voorganger meldde ook het wel zorgelijk te vinden als blijkt
dat de kwaliteit van kinderopvang in buurten met lagere inkomens lager is dan de kwaliteit
in buurten met hogere inkomens en zegde toe de IvhO te vragen hier nader onderzoek
naar te laten doen.
Omdat het niet zozeer gaat om de buurt waar een opvanglocatie staat, maar wie ervan
gebruik maken, heeft de IvhO onderzocht of er een relatie is tussen het inkomen van
ouders en de kwaliteit van een opvanglocatie. Meer specifiek: of kinderen van ouders
met lagere inkomens vaker naar een opvanglocatie van lage kwaliteit gaan dan kinderen
van ouders met hogere inkomens.
Inhoud en resultaten onderzoek
Inhoud
De IvhO heeft onderzocht of kinderen van ouders met lagere inkomens vaker naar kinderopvang
van mindere kwaliteit gaan dan kinderen van ouders met hogere inkomens. Omdat ook
andere factoren (dan het inkomen) kunnen samenhangen met de kwaliteit van een opvanglocatie
heeft de IvhO ook gekeken naar ondermeer de grootte van het kinderdagverblijf (locatiegrootte)
en de omvang van de organisatie waartoe het kinderdagverblijf behoort (houderomvang).
Om iets te kunnen zeggen over de kwaliteit van een kinderdagverblijf heeft de IvhO
gekeken of er tekortkomingen zijn geconstateerd (dus of de toezichthouder tijdens
de inspectie overtredingen heeft vastgesteld) en of er een handhavingsadvies is gegeven
(dus of de geconstateerde overtreding van dien aard is dat de toezichthouder de gemeente
adviseert om te handhaven).
Resultaten
De IvhO concludeert dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat kinderen uit lagere
inkomensgroepen aanzienlijk vaker naar kwalitatief minder goede kinderdagverblijven
gaan dan kinderen uit hogere inkomensgroepen. De IvhO ziet op dit punt geen reden
tot zorg. Uit het onderzoek blijkt dat kinderen uit lagere inkomensgroepen iets vaker
op een kinderdagverblijf met tekortkomingen en een handhavingsadvies zitten dan kinderen
uit hogere inkomensgroepen, maar dat deze verschillen zeer klein zijn. Kinderen uit
lagere inkomensgroepen gaan iets vaker (3–5%) naar een locatie met een handhavingsadvies
en ook iets vaker (2–5%) naar een opvanglocatie met relevante tekortkomingen2. De IvhO concludeert verder dat de uitkomsten erop wijzen dat grote houders en grote
locaties de wet- en regelgeving beter naleven dan kleine houders en kleine kinderdagverblijven.
Betekenis van de resultaten
Ik ben blij met de uitkomsten van het onderzoek door de IvhO. Het laat zien dat kinderen
van ouders met lagere en hogere inkomens naar kinderdagverblijven van vergelijkbare
kwaliteit gaan (ie naar opvanglocaties met vergelijkbare percentages tekortkomingen
en handhavingsadviezen). Dat is goed nieuws. Ik zie daarom geen reden voor aanvullende
maatregelen.
De bevinding dat kleine kinderdagverblijven en kinderdagverblijven die onderdeel uitmaken
van kleine organisaties vaker tekortkomingen en handhavingsadviezen hebben, komen
overeen met de resultaten uit de Landelijke Rapportage Toezicht en Handhaving Kinderopvang
2016, die ik onlangs aan uw Kamer heb gezonden3. Zoals ik in mijn reactie op deze rapportage aangaf, ga ik met GGD GHOR Nederland
in gesprek over de herijking van het huidige risicomodel kinderopvang4. De bevindingen van de IvhO over locatie- en houdergrootte in het bijgaande rapport5 betrek ik bij dit gesprek.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
T. van Ark