Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201531322 nr. 276

31 322 Kinderopvang

Nr. 276 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 18 mei 2015

Met deze brief informeer ik uw Kamer over voorgenomen beleidswijzigingen gericht op het mogelijk maken van het aanbieden van meertalige kinderopvang.

De gemeente Amsterdam heeft een pilot voorstel meertalige kinderdagopvang en buitenschoolse opvang aan mij voorgelegd ter beoordeling en goedkeuring. De gemeente Amsterdam wil deze pilot uitvoeren omdat de gemeente een zo aantrekkelijk mogelijk vestigingsklimaat voor zowel expats als internationale ondernemers wil creëren. De gemeente Amsterdam wil ouders en kinderen mogelijkheden bieden voor een goede aansluiting op internationaal en meertalig onderwijs. Naar aanleiding van dit verzoek zijn een aantal partijen geconsulteerd over meertalige opvang. De Brancheorganisatie Kinderopvang en de PO-Raad hebben mij aangegeven voorstander te zijn van invoeren van de mogelijkheid om meertalige opvang aan te bieden. De Belangenvereniging van Ouders in de Kinderopvang en peuterspeelzalen (BOinK) en de MOgroep zijn hier eveneens voorstander van, maar vragen ook aandacht voor de Nederlandse taal.

Naar aanleiding van deze consultaties ben ik voornemens om het op korte termijn mogelijk te maken dat buitenschoolse opvang voor kinderen in de leeftijd van het primair onderwijs meertalig kan worden aangeboden. Ik wil daarbij aansluiten bij ontwikkelingen in het primair onderwijs zelf, in het bijzonder bij de wijziging van de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met het regelen van de mogelijkheid een deel van het onderwijs te geven in de Engelse, Duitse of Franse taal (Kamerstuk 34 031). Met het oog hierop bereid ik een nota van wijziging voor bij het wetsvoorstel wijziging van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen in verband met de totstandkoming van het personenregister kinderopvang en peuterspeelzaalwerk (Kamerstuk 34 195).

Voor de opvang van kinderen van 0 tot 4 jaar zie ik onvoldoende basis om nu te besluiten het aanbieden van meertalige kinderopvang over de hele linie mogelijk te maken. Wel ben ik bereid om het binnen het kader van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen mogelijk te maken om op experimentele basis meertalige kinderopvang en peuterspeelzaalwerk aan te bieden. Deze experimenten zullen aan voorwaarden worden gebonden en alleen daartoe geselecteerde instellingen zullen kunnen deelnemen. Uit de experimenten zal afdoende moeten blijken dat het aanbieden van meertalige opvang niet ten koste gaat van de taalverwerving van het Nederlands.

Meertaligheid bij kinderen

Kinderen worden geboren met een taalvermogen, dat zich door de interactie met de ouders, opvoeders en de sociale omgeving kan ontwikkelen tot concrete taalbeheersing. Jonge kinderen beschikken over het unieke vermogen om spelenderwijs één of twee talen simultaan of successievelijk te leren. Tweetaligheid kan voor kinderen een voordeel zijn, omdat zij al op jonge leeftijd heel bewust met taalbegrip en met interpretatie van verschillen leren omgaan. Kinderen die ouder zijn dan twaalf jaar hebben meer moeilijkheden met het verwerven van een tweede taal. Zij raken zelden een buitenlandse accent kwijt, ook al spreken ze verder (bijna) perfect Nederlands1.

Meertalige opvang

Door middel van kinderopvang kunnen ouders hun werk met de zorg voor hun kinderen combineren. Verantwoorde kinderopvang biedt goede verzorging, is gezond en veilig en levert een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling en de opvoeding van jonge kinderen. Ouders willen graag dat hun kind zich op de opvang optimaal ontwikkelt, met name op het gebied van taal, waaronder tegenwoordig ook steeds meer op het gebied van andere talen. Een groeiend aantal ouders ziet graag dat hun kind op een jonge leeftijd in aanraking komt met de Engelse taal, omdat ze het vloeiend spreken van de Engelse taal belangrijk vinden voor de toekomst van hun kind. Het leren van deze taal op een jonge leeftijd, wanneer het leren van een taal spelenderwijs gaat, zien de ouders als een goede voorbereiding op het leren van de Engelse taal op het voortgezet onderwijs.

Maar ook voor de toekomstige participatie van hun kinderen in het sociale en culturele leven en voor hun kansen op een economisch bestaan in een internationaal georiënteerde arbeidsmarkt vinden ouders een zo goed mogelijke beheersing van vreemde talen, met name het Engels, van belang. Meertalige mensen hebben op de Nederlandse en op de buitenlandse arbeidsmarkt in de communicatie een voorsprong. Zij kunnen zich in verschillende situaties goed van meerdere talen bedienen en hebben de vaardigheid om begrippen en kennis verworven in de ene taal te vertalen en toe te passen in een andere taal.

Momenteel kan in de reguliere kinderopvang alleen de Nederlandse taal (of de Friese taal of een levende streektaal) als voertaal gebruikt worden. Er zijn wel uitzonderingen, bijvoorbeeld als specifieke omstandigheden een andere voertaal vragen als gevolg van de herkomst van de kinderen (bijvoorbeeld een kinderdagverblijf op een buitenlandse school, zoals de British school).

Meertalige buitenschoolse opvang (4–12 jarigen)

Via een nota van wijziging op het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen in verband met de totstandkoming van het personenregister kinderopvang en peuterspeelzalenwerk, welke uw Kamer recentelijk heeft ontvangen, wil ik het uitsluitend voor de buitenschoolse opvang mogelijk maken om kinderopvang aan te bieden in de Engelse, Duitse of Franse taal. Met deze wijziging wordt beoogd om een betere aansluiting tussen het primair onderwijs en de buitenschoolse opvang te bewerkstelligen.

Deze wijziging sluit aan bij het wetsvoorstel wijziging van de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met het regelen van de mogelijkheid een deel van het onderwijs te geven in de Engelse, Duitse of Franse taal van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Met dat wetsvoorstel wordt ruimte geboden aan scholen die hun leerlingen al op jonge leeftijd een andere taal willen leren en daarbij de andere taal ook in het onderwijs als voertaal willen gebruiken voor maximaal 15% van de onderwijstijd. Daarnaast loopt er een pilot tweetalig primair onderwijs waarin het Engels, Duits of Frans als deelvoertaal mag worden gebruikt. Bij positieve eindresultaten van de pilot kan de hoeveelheid onderwijstijd verhoogd worden naar 30–50% van de onderwijstijd.

Bij de buitenschoolse opvang wil ik de mogelijkheid bieden om de opvang voor maximaal 50% van de openingstijd, in de Engelse, Duitse of Franse taal aan te bieden. Hierbij wordt aangehaakt bij de pilot tweetalig primair onderwijs en bij de theoretische principes die van belang worden geacht voor succesvol meertalig onderwijs. Uit onderzoek blijkt dat voor succesvolle vormen van meertalig onderwijs kenmerkend is dat de minderheidstaal tenminste 50% van de tijd gebruikt wordt2. Dit percentage biedt ook de mogelijkheid om gebruik te maken van de methode «one teacher-one language». Dit maakt het mogelijk om gebruik te maken van beroepskrachten die als moedertaal Engels, Frans of Duits spreekt tijdens de dagopvang (zgn. native speaker).

Voor het kunnen ontwikkelen van meertaligheid biedt continue taalrijke input in andere talen (aantal uur blootstelling) en bewuste aandacht voor taal door mensen met een goede taalbeheersing, de beste voorwaarde. Kinderen gaan gemiddeld per maand maar 38 uur naar de buitenschoolse opvang. De keuze voor een hoger percentage dan 15% van de onderwijstijd in het primair onderwijs is hierdoor gerechtvaardigd.

Daarnaast is de kwaliteit van de beroepskracht van belang, deze dient een gedegen kennis te hebben van de aangeboden vreemde taal en dient deze vloeiend te spreken (bij voorkeur een native speaker). Ook dient de beroepskracht kennis te hebben van de taalverwerving bij kinderen in de verschillende leeftijdsgroepen. In de onderliggende regelgeving zullen de kwalificatie-eisen voor meertalige beroepskrachten worden opgenomen.

Experimenten meertalige dagopvang (0–4 jarigen) en peuterspeelzalen

Over de effecten van meertalige opvang voor 0–4 jarigen is minder bekend. Voordat dit breed mogelijk wordt, is naar mijn oordeel meer kennis en ervaring nodig. Daarbij is van belang dat in het experiment voor de leeftijdscategorie 0–4 jarigen wordt aangetoond dat tweetalig opvang, zoals in het onderwijs in andere onderzoeken reeds is aangetoond, geen aanwijsbaar negatieve gevolgen heeft op de taalbeheersing van de eerste taal. Alleen bij positieve eindresultaten van het experiment kan meertalige opvang voor de leeftijdscategorie 0–4 jarigen breed worden ingevoerd.

Op basis van de experimenteerbepalingen in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen zal een algemene maatregel van bestuur (AMvB) worden opgesteld die bij uw Kamer en de Eerste Kamer zal worden voorgehangen. Beoogde inwerkingtreding van deze AMvB is begin 2016.

In aansluiting op de pilot tweetalig primair onderwijs, waarbij 30 tot 50% van de onderwijstijd in het Engels, Duits of Frans mag worden gegeven, zal ik het ook in de dagopvang en peuterspeelzalen mogelijk maken dat op experimentele basis tot 50% van de opvangtijd Engels, Duits of Frans kan worden gesproken. De opvang in de groep wordt dan verzorgd door één beroepskracht die de Nederlandse taal spreekt en daarnaast één beroepskracht die als moedertaal Engels, Frans of Duits spreekt. In de experimenten zal onderzocht worden wat de gevolgen zijn van meertalige opvang voor de algehele taalwerving en voor de Nederlandse taal.

Zoals aangegeven zijn aan het experimenteel aanbieden van meertalige dagopvang voorwaarden gebonden en alleen daartoe geselecteerde instellingen kunnen deelnemen aan het experiment. Deelnemende instellingen dienen in het pedagogisch werkplan de taal-pedagogische visie op te nemen3. Concreet gaat het om het formuleren van een beleid gericht op meertaligheid, inclusief een scholingsplan, een communicatiestrategie richting de ouders, een plan voor participatie in meertalige netwerken met bijvoorbeeld andere kinderopvanginstellingen en een meertalige basisschool die de Engelse, Duitse of Franse taal aanbied vanaf groep 1. De doorgaande leerlijn van de kinderopvang of peuterspeelzaal naar het primair onderwijs moet in het pedagogische werkplan voldoende zijn uitgewerkt. Deze doorgaande leerlijn betreft zowel de kinderen als de gemeenschappelijke inzet, visie en verantwoordelijkheid van de dagopvang waar het kind vandaan komt en de basisschool waar het kind naartoe gaat. De dagopvang of peuterspeelzaal is verplicht om samen te werken met een meertalige school die minimaal 15% meertaligheid toepast vanaf groep 1. Bij de jongere kinderen is de doorgaande lijn van belang omdat het voortzetten van de meertaligheid in de daaropvolgende leerjaren bijdraagt aan blijvende meertaligheid. Tevens is bij de introductie van meertalige opvang een positief advies van de oudercommissie van de betrokken instelling vereist bij deelname aan het experiment.

Met het oog op de in deze brief aangekondigde voorhangprocedure heb ik een afschrift van deze brief aan de voorzitter van de Eerste Kamer gezonden.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher


X Noot
1

Gillis, S., Scaerlaekens, A. (2000). Kindertaalverwerving. Een handboek voor het Nederlands. Groningen: Martinus Nijhoff.

X Noot
2

Trijetalige Skoalle yn Fryslan. Onderzoek naar de opbrengsten van het drietalige onderwijsmodel in Fryslan, B. van Ruijven en J. Ytsma, Fryske Akademy-Leeuwarden 2008.

X Noot
3

Riemersma, A.M.J., Rede bij de installatie tot lector Fries en Meertaligheid in Onderwijs en Opvoeding aan de hogescholen Stenden en NHL te Ljouwert / Leeuwarden (2012).