Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201531322 nr. 262

31 322 Kinderopvang

Nr. 262 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 17 november 2014

Met deze brief informeer ik uw Kamer over de stand van zaken op het gebied van toezicht en handhaving in de kinderopvang. Vervolgens geef ik u een update over twee veiligheidsmaatregelen voor de kinderopvangsector: continue screening en de meldplicht gewelds- en zedendelicten. Ik maak van de gelegenheid gebruik om u eveneens in te lichten over twee zaken op het gebied van de kinderopvangtoeslag: effecten van de koppeling recht op toeslag en het vinden van werk en het sanctioneringsbeleid van de Belastingdienst.

A. Toezicht en handhaving

Het college van burgemeester en wethouders ziet op grond van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen toe op de naleving van de kwaliteit van de kindercentra, de gastouderbureaus, de voorzieningen voor gastouderopvang en de peuterspeelzalen. Het toezicht wordt uitgevoerd door de GGD-en. Zoals blijkt uit de brief over Het Nieuwe Toezicht (die ik u vrijwel gelijktijdig toe heb gestuurd) zullen we in de komende periode een groot beroep doen op gemeenten, GGD-en, GGD-inspecteurs en gemeenteambtenaren bij de uitvoering van hun taken. Dat vergt een professioneel stelsel van toezicht en handhaving in de kinderopvang.

Hieronder geef ik daarom aan wat de stand van zaken is van het toezicht, en welke acties zijn ondernomen om de professionaliteit van het toezicht te vergroten. Ik ga daarbij in op het vergroten van de transparantie en het stimuleren van uniformiteit door samenwerking. Tenslotte trek ik lessen uit een onderzoek naar het risicomodel dat GGD-en gebruiken bij het toezicht.

Gemeenten voeren hun toezichttaken steeds beter uit

De Inspectie van het Onderwijs (IvhO) onderzoekt jaarlijks de uitvoering van de gemeentelijke taken op het gebied van het toezicht op de naleving van de kwaliteitseisen in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.

Uit het Landelijk rapport gemeentelijk toezicht kinderopvang 2013–2014 (bijlage 1) blijkt de eerder gesignaleerde generieke verbetering in de uitvoering van het toezicht en de handhaving door gemeenten doorzet1.

Het percentage uitgevoerde inspecties stijgt door naar 92%

Uit de rapportage blijkt dat de eerder gesignaleerde generieke verbetering in de uitvoering van het toezicht en de handhaving door gemeenten doorzet. In 2011 en 2012 haalden GGD-en gemiddeld 86% van de verplichte jaarlijkse reguliere inspectieonderzoeken. In 2013, zo blijkt uit dit rapport, is het gemiddeld aantal gerealiseerde verplichte jaarlijkse inspecties gestegen naar 92%. Dit is een belangrijke stap voorwaarts.

Het percentage handhavingsadviezen daalt

GGD-en adviseren minder vaak dan in voorgaande jaren aan gemeenten om een handhavingstraject in te zetten. Het aandeel handhavingsadviezen is tussen 2009 en 2013 gedaald van 59% naar 39%. De IvhO leidt hieruit af dat steeds meer voorzieningen voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen. Dat is een positieve ontwikkeling.

De transparantie van het toezicht verder vergroot

Ik vind transparantie bij de uitvoering van toezicht en handhavingstaken belangrijk. Het publiceren van de overzichten van kengetallen per GGD-regio helpt daarbij. Voor het eerst heeft de IvhO ook gegevens opgenomen over de toezichtstaak van GGD-en, uitgesplitst naar GGD-regio. Het rapport geeft nu een rijk overzicht van de resultaten die GGD-en bij de uitvoering van de toezichttaak boeken en de variatie daarin.

Het biedt een kans voor GGD-en om te leren van elkaars aanpak, en de uitvoering van de toezichttaken verder te verbeteren. De verschillen en overeenkomsten tussen GGD-regio’s roepen tal van onderzoeksvragen op. GGD GHOR NL is bereid om samen met de IvhO in 2015 onderzoek te doen naar de achtergrond van de verschillende uitkomsten in de GGD-regio’s.

Transparantie over de werkwijze van de toezichthouder

Per 1 juli 2014 is een wijziging van de Beleidsregels werkwijze toezichthouders kinderopvang en peuterspeelzalen van kracht geworden (hierna: beleidsregels).

Hoewel vooral technische wijzigingen zijn doorgevoerd en er in feite sprake is van codificatie van de reeds bestaande toezichtpraktijk, vergroot het besluit de transparantie en kenbaarheid van het toezicht. In de beleidsregels zijn de onderzoeken vastgelegd die de GGD-inspecteurs uitvoeren om de kwaliteit van de kinderopvang op een uniforme wijze te beoordelen. In het wijzigingsbesluit zijn alle onderzoeken vastgelegd. Tot dusver was dat slechts gedeeltelijk het geval. Met de onderzoeken wordt gedifferentieerd in de intensiteit van het toezicht naar aard en omstandigheden per voorziening.

Transparantie over het gebruik van het toezichtinstrumentarium.

Het observatie-instrument dat GGD-inspecteurs gebruiken bij het observeren van de pedagogische praktijk in de kinderopvang is gevalideerd door Sardes. Het onderzoek van Sardes heb ik op www.rijksoverheid.nl geplaatst. Ik ben voornemens om per 1 januari 2015 het instrument waarmee inspecteurs de pedagogische praktijk in de kinderopvang beoordelen openbaar te maken. Zo kan de dialoog tussen ondernemer en toezichthouder over pedagogische praktijk beter worden gevoerd.

GGD GHOR NL stimuleert de uniformiteit in het toezicht

Sinds 2001 heeft GGD GHOR NL (voorheen GGD Nederland) een taak om uniformiteit en kwaliteit van het toezicht op de kinderopvang te bevorderen. Een belangrijk aandachtspunt hierbij is de aansluiting van het toezicht op de handhaving. GGD GHOR NL voert deze taak uit door de regionale GGD-en te ondersteunen, die belast zijn met het toezicht op de kinderopvang. GGD GHOR NL ontvangt hiervoor sinds 2001 jaarlijks financiële middelen. Vanwege het continue karakter van deze activiteiten, is het wenselijk om de basis voor deze bekostigingsrelatie in de wet zelf vast te leggen.

Ik heb het voornemen om deze taakopdracht van GGD GHOR NL per 1 januari 2015 in wetgeving te verankeren door de Wet op de kinderopvang en kwaliteit peuterspeelzalen hierop aan te passen. Deze wetswijziging is onderdeel van het lopende traject van de Verzamelwet SZW 2015. De wettelijke aanwijzing van GGD GHOR NL is een codificatie van een reeds bestaande praktijk. De aanwijzing leidt er toe dat de werkzaamheden van de GGD GHOR NL bestendig worden geregeld, waardoor de bijdrage van GGD GHOR NL aan de kwaliteit en uniformiteit van het toezicht in de kinderopvang is geborgd.

GGD-en en Inspectie van het Onderwijs werken samen

In 2013 hebben de ministeries van SZW en OCW aan GGD GHOR NL en de IvhO gevraagd om een gezamenlijk toezichtkader te ontwikkelen voor geïntegreerde voorzieningen van onderwijs en kinderopvang. Het doel van het project was om één toezichtkader te ontwikkelen voor geïntegreerde voorzieningen onderwijs en kinderopvang waarbij bestaande knelpunten met betrekking tot het toezicht worden weggenomen dan wel tot een minimum beperkt én waarbij het toezichtkader aansluit op het integrale karakter van de voorziening.

Om de knelpunten in kaart te brengen is gesproken met vertegenwoordigers van diverse integrale voorzieningen, inspecteurs van de IvhO en GGD GHOR NL en ambassadeurs van het Landelijk Steunpunt Brede Scholen. Uit deze inventarisatie blijkt dat er nauwelijks knelpunten met betrekking tot het toezichtproces zijn. Er is bijvoorbeeld vrijwel geen overlap in de indicatoren die door de beide toezichthouders worden beoordeeld. De voornaamste knelpunten die worden genoemd hebben betrekking op de verschillen in voorwaarden en criteria waar in het toezicht naar gekeken wordt. Verder hebben inspecteurs nog weinig kennis over integrale voorzieningen en zijn ze soms onvoldoende op de hoogte van de werkwijze van de andere toezichthouder. Ook wordt er onderling nauwelijks informatie uitgewisseld. De vertegenwoordigers van integrale voorzieningen geven vooral aan zich onvoldoende erkend te voelen in de huidige inspecties.

Gedurende de uitwerking van het gezamenlijk toezichtkader werd geconstateerd dat één toezichtkader voor geïntegreerde voorzieningen om een wetswijziging vraagt. Ik zet in op een betere samenwerking tussen toezichtouders door binnen de huidige twee stelsels een samenwerkingsprotocol voor inspecteurs van de beide inspectiediensten te ontwikkelen.

Dit najaar gaan inspecteurs van de IvhO en GGD GHOR NL binnen een pilot het concept samenwerkingsprotocol uittesten. De pilot heeft als doel om op «de werkvloer» te kijken hoe het toezicht op integrale voorzieningen vanuit de twee toezichthouders beter op elkaar kan aansluiten en hoe de samenwerking en afstemming tussen de beide inspectiediensten kan worden bevorderd. Binnen de pilot worden ook de ervaringen van de integrale voorzieningen zelf in kaart gebracht. De resultaten van de pilot verwacht ik begin 2015.

Het risicomodel nader beschouwd

In juli 2014 heeft NIVEL in opdracht van de IvhO een onderzoek opgeleverd (bijlage 2) over het risicomodel dat GGD-en gebruiken in het toezicht op de kinderopvang2. NIVEL heeft onderzocht of het gebruik van het model aansluit bij de oorspronkelijk doelen. Daarnaast is de waarde van het model onderzocht in termen van betrouwbaarheid, validiteit en sensitiviteit in de praktijk. Over het gebruik en eventuele aanpassing van het risicomodel hebben de onderzoekers aanbevelingen gedaan.

Het risicomodel bepaalt de intensiteit van het toezicht, wordt breed gebruikt en geniet draagvlak onder gemeenten en GGD-en.

GGD GHOR NL heeft in verband met de introductie van «risicogestuurd toezicht», een risicomodel ontwikkeld. Met dit model bepalen GGD-en de intensiteit van het toezichtsregime. Kinderopvanglocaties waarover zorgen bestaan moeten extra aandacht krijgen, kinderopvanglocaties die het goed doen, minder. De kern van het onderzoek richt zich op de vraag of het instrument voldoet om per locatie een passende inspectieactiviteit te bepalen.

Die vraag wordt positief beantwoord. Het model kent een breed draagvlak en wordt breed toegepast door GGD-en. GGD-en en gemeenten zijn ervan overtuigd dat het model bijdraagt aan een gericht inzetten van het toezicht in de kinderopvang. Daarmee voldoet het model aan de belangrijkste doelstelling om vorm te geven aan het risicogericht toezicht.

Binnen een bandbreedte is er variatie in het toepassen van het model

Gemeenten en GGD-en hebben op grond van eigen inzichten en lokale omstandigheden, het risicomodel toe- en aangepast. Op deze wijze wordt een bij de eigen werkwijze aansluitend instrument gehanteerd. Hierdoor is er sprake van enige variatie in het gebruik. Uit de analyse van de doelen van het risicomodel is geen eenduidig criterium af te leiden voor een acceptabel niveau van deze variatie. Uit het onderzoek blijkt wel de aard van de aangetroffen diversiteit. De variatie kan ontstaan door verschillen in de wijze waarop het instrument door de toezichthouder wordt ingezet en door verschillen in keuzes die gemeenten maken binnen de gegeven beleidsruimte. De variatie ten gevolge van het gebruik van het model op gemeentelijk niveau ligt binnen een zekere bandbreedte.

Gemeenten maken in toenemende mate met GGD-en afspraken om meer inspectie-uren af te nemen, waardoor ze meer items kunnen controleren dan het pakket waarmee locaties met een lage risico-inschatting standaard worden geïnspecteerd. Ook wordt er soms voor gekozen om een deel van de locaties met een lage risico-inschatting als locaties met een hoge risico-inschatting te inspecteren.

Het model is onderscheidend, maar de validiteit, betrouwbaarheid en effectiviteit zijn nog niet te bepalen

Het model heeft onderscheidend vermogen, omdat sprake is van variatie in de toekenning van risico-inschattingen tussen het eerste jaar en het opvolgende jaar. Bijna een kwart van de locaties met een lage risico-inschatting in het ene jaar hebben in het daarop volgende jaar een hogere risico-inschatting. Een uitspraak over de validiteit, betrouwbaarheid en effectiviteit van het model kan echter nog niet worden gegeven, omdat de voorliggende data onderlinge afhankelijkheid vertonen. Er is dus geen meetlat waarlangs het model gelegd kan worden om een uitspraak te kunnen doen over de kwaliteit. Daarnaast is de Gemeenschappelijke Inspectieruimte (GIR) relatief nieuw en daardoor is de registratiedata daarin nog niet altijd volledig. Om de registratiedata binnen het risicomodel beter te kunnen gebruiken, zal het registreren van data nog meer onderdeel uit moeten maken van het werkproces dan momenteel het geval is.

Meer uniformiteit in de praktijk en vervolgonderzoek is daarom nodig

Omdat het risicoprofiel de basis is voor een reeks aan vervolgbesluiten, is er een belang bij het streven naar een eenduidige werkwijze. De inzet op Het Nieuwe Toezicht zal om een aanpassing van de werkwijze van de toezichthouder vragen. Het project voorziet dan ook in een omscholingstraject om de vereiste kennis en vaardigheden te verwerven. Het gebruik van het risicomodel zal onderdeel van die trainingen zijn. Daarbij is intervisie een belangrijke werkvorm, die in de toekomst een meer structureel karakter zal krijgen.

De vraag naar de validiteit, betrouwbaarheid en effectiviteit van het model blijft actueel. In het kader van Het Nieuwe Toezicht zal het toezichts- en handhavingsinstrumentarium van GGD’en en gemeenten opnieuw onder de loep worden genomen. Ook het risicomodel zal aanpassing behoeven. De validatie en betrouwbaarheid van het aangepaste model zal onderdeel zijn van deze ontwikkeling.

B. Veiligheid

De Amsterdamse zedenzaak heeft aanleiding gegeven de veiligheid van de kinderen in de kinderopvang te vergroten. Over de monitoring van twee maatregelen die ik daarvoor heb genomen, continue screening en de meldplicht gewelds- en zedendelicten, informeer ik u in deze brief.

Een van de veiligheidsmaatregelen is het aanscherpen van de screening van de medewerkers die werken in de kinderopvang. De regering heeft gekozen voor een continue screening waarbij een dagelijkse controle plaatsvindt op relevante strafbare feiten die belemmerend zijn bij het werken met kinderen. Door deze signaalgestuurde screening kunnen medewerkers die mogelijk een bedreiging vormen voor de veiligheid van de opgevangen kinderen, snel worden geweerd uit de kinderopvang.

Een andere veiligheidsmaatregel is de meldplicht gewelds- en zedendelicten door professionals. De meldplicht houdt in dat alle werkzame personen in een kinderopvangvoorziening verplicht zijn om bij een aanwijzing dat een collega zich schuldig maakt aan seksueel of ander geweld tegen een kind dit meteen te melden bij hun werkgever. De werkgever is, als hij een dergelijke aanwijzing heeft, wettelijk verplicht om hierover overleg te voeren met de vertrouwensinspecteur bij de IvhO. Als werknemers vermoeden dat hun werkgever zich zelf schuldig maakt aan seksueel of ander geweld tegen een kind, is de werknemer verplicht hiervan aangifte te doen bij de politie. In alle gevallen kunnen werknemers en ouders de vertrouwensinspecteur voor advies benaderen.

De continue screening in de kinderopvang is op 1 maart 2013 van start gegaan, de meldplicht op 1 juli 2013. In navolging op de brief van Staatssecretaris Teeven en mijzelf van 28 november 2013 (Kamerstuk 31 322, nr. 224), geef ik uw Kamer in deze brief een overzicht van de actuele stand van de afhandeling van signalen uit de continue screening en de dossiers die naar aanleiding van de meldplicht door de vertrouwensinspecteurs in de kinderopvang zijn behandeld.

Monitoringresultaten continue screening

In de periode 1 maart 2013 tot 1 oktober 2014 zijn door screeningsautoriteit Justis 124 signalen verzonden over medewerkers in de kinderopvang. Vanaf 1 november 2013 komen er gemiddeld 5 nieuwe signalen per maand bij.

Bij een signaal verlangt de toezichthouder (de GGD) van de kinderopvanginstelling dat de betrokken persoon een nieuwe VOG aanvraagt. Door de bezwaar- en beroepsmogelijkheid in de VOG-procedure wordt de betrokkene rechtsbescherming geboden. In de meeste gevallen zien de betrokken personen echter af van de aanvraag van een nieuwe VOG. Zij trekken hun conclusies op basis van het continue screening signaal.

Nog altijd hebben de meeste signalen (88) betrekking op huisgenoten van gastouders van 18 jaar en ouder. De totale beroepsgroep in de kinderopvang bestaat uit ruim 150.000 personen, waarvan ruim 37.000 gastouders, waar circa 28.000 huisgenoten woonachtig zijn. In tabel 1 is een overzicht opgenomen van het aantal signalen per (beroeps)groep.

Tabel 1: Aantal signalen continue screening per (beroeps)groep

(Beroeps)groep

Periode 1 maart 2013 tot 1 okt 2014

Aantal signalen

Medewerker KDV/BSO/PSZ/GOB

23

Gastouder

9

Huisgenoot/gezinslid van gastouder van 18 jaar en ouder

88

Houder

4

Totaal aantal personen met een signaal

124

Bron: Justis

Net als in 2013 hebben de meeste signalen betrekking op het gebruik van geweld (51). In 30 gevallen is de aanleiding van een signaal een ander strafbaar feit geweest dan de genoemde strafbare feiten in de tabel. Deze signalen werden afgegeven nadat de volledige justitiële documentatie van de betrokkene in het JDS werd meegenomen bij de beoordeling over een signaal. Het gaat dan bijvoorbeeld om delicten die herhaaldelijk zijn gepleegd door een persoon.

Ten aanzien van de aard van de strafbare feiten is een overzicht opgenomen in tabel 2.

Tabel 2. Aantal signaalbrieven per type strafbaar feit

Type strafbaar feit

Periode 1 maart 2013 tot 1 okt 2014

Aantal signaalbrieven

Drugs

16

Geweld

51

Zeden

24

Wapens

3

Overig

30

Totaal

124

Bron: Justis

Continue screening leidt tot vervolgacties, waarbij de betreffende personen uit de kinderopvang worden verwijderd (tabel 3). De meest voorkomende typen vervolgacties zijn gerelateerd aan gastouderopvang waarbij de bemiddelingsrelatie met het gastouderbureau is stopgezet en de gastouder is uitgeschreven uit het Landelijk Register Kinderopvang en Peuterspeelzalen (LRKP) of waarin een huisgenoot zich vestigt op een ander adres.

Tot nu toe zijn 20 signalen op een andere manier afgehandeld dan de opties opgenomen in de tabel. In twee gevallen ging dit over een persoon die opnieuw een VOG heeft aangevraagd en deze ook heeft gekregen, nadat uit additionele informatie bleek dat er geen beletsel meer was om die te verstrekken. In vijf gevallen bleek de houder niet alleen een kinderopvanginstelling te exploiteren, maar ook actief te zijn in een andere bedrijfstak. De signalen gingen in dit geval over werknemers die niet werkzaam waren in het kinderopvangdeel van de onderneming. De overige signalen hadden bijvoorbeeld betrekking op een houder die de kinderopvanglocatie heeft gesloten, een persoon die niet meer werkzaam is voor de houder, een persoon die zich na verhuizing niet had uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen of een persoon die met een incorrect BSN-nummer in het LRKP stond geregistreerd.

In overleg met de toezichthouder is in alle gevallen gekozen voor een afhandeling van een signaal waarmee de veiligheid van de kinderen gewaarborgd kon worden.

Tabel 3. Definitieve afhandeling van signalen

Definitieve afhandeling

Periode 1 maart 2013 tot 1 okt 2014

Aantal signalen

Medewerker is ontslagen / niet meer werkzaam

16

Bemiddelingsrelatie met de gastouder is stopgezet en uitgeschreven uit het register (LRKP)

47

De gastouder vangt niet meer thuis op

6

De huisgenoot woont niet meer op het opvangadres

26

Overig

20

In afhandeling

9

Totaal

124

Ik constateer, net als in mijn brief van november 2013, dat het systeem van continue screening functioneert zoals beoogd. Informatie over personen die in aanraking komen met Justitie vanwege een relevant strafbaar feit en daardoor een bedreiging kunnen vormen voor de veiligheid van kinderen, komt snel terecht bij de toezichthouder die vervolgens de personen weert uit de sector.

De systematiek van continue screening vereist onder andere een actueel bestand van alle personen die werkzaam zijn in de kinderopvang, voor wie op basis van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wko) een VOG-plicht geldt. De kinderopvang beschikt (nog) niet over een bestand met alle in de sector werkzame personen. Om die reden maakt continue screening kinderopvang op dit moment gebruik van de koppeling van bestaande gegevensbronnen, waarmee maandelijks een nieuw bestand met personen wordt opgebouwd. Bij de inwerkingtreding van de wettelijke maatregel voor continue screening in maart 2013, is gestart met een totaalbestand van 122.648 personen die werden gescreend. In september 2014 bestaat het bestand uit 149.814 personen, ten opzichte van 155.749 personen in oktober 2013. Het verschil kan worden verklaard door fluctuatie in het totale personeelsbestand als gevolg van in- en uitstroom. Omdat er van stagiaires, uitzendkrachten, zelfstandigen en vrijwilligers geen gegevensbestanden zijn, vallen zij op dit moment buiten de continue screening en geldt voor deze groep een tweejarige VOG-plicht.

Ik bereid een voorstel voor tot wijziging van de Wet op de Kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wko) en van het Besluit registers kinderopvang, buitenlandse kinderopvang en peuterspeelzaalwerk. Daarmee regel ik de aanpassingen van wet- regelgeving die nodig zijn om gegevens van alle personen die werkzaam zijn in de kinderopvang en de peuterspeelzalen, of die daarvoor beschikbaar zijn, te verwerken in een personenregister kinderopvang en peuterspeelzaalwerk ten behoeve van de continue screening van die personen, zodat in 2016 iedereen die werkzaam is in de kinderopvang volledig en blijvend wordt gescreend.

Monitoringresultaten meldplicht vertrouwensinspecteurs

De IvhO monitort het aantal meldingen dat bij de vertrouwensinspecteurs binnenkomt. In de periode van 1 juli 2013 tot 1 november 2014 zijn er 125 meldingen binnengekomen: circa 8 per maand.

Tabel 4. Aantal meldingen vertrouwensinspecteur per opvangvoorziening tussen 1 juli 2013 en 1 november 2014, gerangschikt per voorziening

Opvang voorziening

Aantal meldingen

Kinderdagverblijf

65

Peuterspeelzaal

7

Gastouderopvang

34

Buitenschoolse opvang

19

Totaal aantal meldingen

125

* bron: IvhO

Bovenstaand overzicht in tabel 4 geeft het beeld van het aantal meldingen van 1 juli 2013 tot 1 november 2014 per opvangvoorziening. Hieruit blijkt dat de helft van de meldingen uit kinderdagverblijven komt, gevolgd door gastouderopvang en buitenschoolse opvang. Uit peuterspeelzalen komen de minste meldingen.

Tabel 5. Aantal meldingen vertrouwensinspecteur per opvangvoorziening tussen 1 juli 2013 en 1 november 2014, gerangschikt in soorten melding

Type melding

Kinderdagverblijf

Peuterspeelzaal

Gastouderopvang

Buitenschoolse opvang

Totaal

Seksueel misbruik

12

1

11

2

26

Seksueel grens-overschrijdend gedrag

7

1

3

9

20

Psychisch geweld

1

1

1

3

6

Fysiek geweld mishandeling

39

3

9

3

54

Verklaring omtrent het gedrag

2

0

1

0

3

Overig

4

1

9

2

16

Totaal

65

7

34

19

125

* bron: IvhO

Tabel 5 beschrijft het aantal meldingen per opvangvoorziening en per categorie melding. Het aantal meldingen over vermoedens van fysiek geweld door pedagogisch medewerkers en gastouders (54) blijft onverminderd hoog – bijna de helft van alle meldingen. Verder valt op dat eenvijfde van het totaal aantal meldingen gaat over een vermoeden van seksueel misbruik (26). Vermoedens van grensoverschrijdend seksueel gedrag (20) gaan in de meeste gevallen om gedrag tussen kinderen onderling in de buitenschoolse opvang (9). Meldingen over vermoedens van pestgedrag door pedagogisch medewerkers (psychisch geweld) komen minder vaak voor (6 maal). Een vermoeden van seksueel misbruik bij gastouders gaat in alle gevallen om huisgenoten van de gastouder (11). De drie dossiers over de VOG gaan over personen werkzaam in het onderwijs, die via het systeem van continue screening naar voren zijn gekomen. Onder de categorie «overig» vallen vooral contacten tussen GGD-inspecteurs en de vertrouwensinspecteurs en informatievragers waarvoor een dossier opgebouwd is.

Van de 125 dossiers verwacht de IvhO op 38 dossiers nog telefonisch en/of mailcontact met de melder te hebben. De overige dossiers zijn afgesloten. Pas nadat de melding naar het oordeel van een vertrouwensinspecteur een correcte opvolging heeft gekregen wordt de melding afgesloten. In veel gevallen heeft een melding geleid tot een gesprek tussen ouder en kinderopvangorganisatie, of is er een klacht ingediend bij een onafhankelijke klachtencommissie. In een aantal gevallen is er door de vertrouwensinspecteurs geadviseerd om tot aangifte bij de politie over te gaan.

Doordat werkgevers verplicht zijn in een vroeg stadium onafhankelijk advies van de vertrouwensinspecteur in te winnen, kunnen ze ondersteund worden bij het doen van aangifte en worden signalen over misbruik en geweld gebundeld. Op deze wijze kunnen aanwijzingen van seksueel of ander geweld tegen een kind nog sneller bij de betrokken instantie terecht komen en wordt de werkgever geholpen een afweging te maken naar de aard en ernst van de situatie. Uit het bovenstaande leid ik af dat de genomen wettelijke maatregelen ten aanzien van de veiligheid in de kinderopvang belangrijk zijn. Ze dragen bij aan een veilige kinderopvang en zijn nodig om kwetsbare kinderen te beschermen.

C. Kinderopvangtoeslag

Ik maak van de gelegenheid gebruik om u in te lichten over twee zaken die op het gebied van de kinderopvangtoeslag spelen.

Effecten koppeling recht op toeslag voor ouders in een traject naar werk

Voor ouders in een traject naar werk (doelgroepouders) geldt sinds 1 januari 2013 een koppeling van het recht op kinderopvangtoeslag aan de duur van het traject. Het gaat om ouders die een re-integratietraject, verplichte inburgeringcursus of studie volgen. Mijn ambtsvoorganger heeft aan de Eerste Kamer toegezegd om de effecten van de koppeling van het recht op kinderopvangtoeslag voor doelgroepouders aan de duur van het traject naar werk, te monitoren. Ik informeer u hieronder over de resultaten van de monitor.

In 2013 waren er 14.149 ouders in een traject naar werk die kinderopvangtoeslag ontvingen. In 2014 is dit aantal licht gestegen naar 15.045. In tabel 6 wordt het aantal doelgroepouders nader uitgesplitst. De meerderheid van de ouders volgt een studie, daarnaast zijn er ruim 5.000 ouders die een re-integratietraject volgen. Inburgeraars vormen de kleinste groep. De grootte van de verschillende groepen is redelijk constant vergeleken met 2013.

Tabel 6. Uitsplitsing van het aantal doelgroepouders
 

2013

2014

Studie

7.673

8.521

Inburgeringcursus

1.343

1.218

Re-integratietraject

5.133

5.306

Totaal

14.149

15.045

Bron: Belastingdienst, peilmoment september.

Ouders in een traject naar werk vroegen gemiddeld voor 103,1 uur per kind per maand kinderopvangtoeslag aan in 2014; in 2013 was dit 110 uur per kind per maand. Een vergelijking van het aantal ouders en het gebruik van kinderopvang voor en na de introductie van de koppeling aan de duur van het traject laat kleine verschillen zien. De verschillen tussen 2013 en 2014 zijn niet eenduidig te verklaren maar kunnen bijvoorbeeld ook samenhangen met het aanbod van re-integratietrajecten.

Sanctioneringsbeleid Belastingdienst

Tijdens de begrotingsbehandeling SZW 2014 heeft het lid Dijkgraaf aandacht gevraagd voor de problematiek van fouten die burgers maken bij de kinderopvangtoeslag en de doorwerking die deze fouten hebben. In reactie hierop heb ik toegezegd om samen met de Belastingdienst te kijken naar de proportionaliteit van de beboeting.

De Staatssecretaris van Financiën heeft vorig jaar bij brief van 6 december 2013 (Kamerstuk 33 752, nr. 74) zijn boetebeleid nader tegen het licht gehouden en daarbij ook het boetebeleid zoals dat geldt bij toeslagen betrokken. Het gewijzigde boetebeleid is neergelegd in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (Stcrt. 2013, nr. 35876) en in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst Toeslagen (Stcrt. 2014, nr. 8217).

Deze maatregelen zorgen voor een goede balans tussen de aanpak van de kwaadwillende belastingplichtige (vergrijp) en de goedwillende belastingplichtige die een keer vergeet een verplichting na te komen (verzuim). Vergrijpboeten worden opgelegd wanneer er sprake is van grove schuld of opzet. Straftoemeting in dergelijke situaties is bij uitstek maatwerk.

In de genoemde brief van 6 december 2013 worden de drie pijlers van het boetebeleid ten aanzien van de verzuimboeten uiteengezet; te weten een vorm van coulance, een standaardboetebedrag en een uitzonderlijkgevalbepaling. Deze pijlers zijn uitgewerkt in paragraaf 3 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst Toeslagen. De proportionaliteit van de beboeting wordt aldus geborgd.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
2

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl