Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-200831320 nr. 3

31 320
Regels omtrent energie-efficiëntie (Wet implementatie EG-richtlijnen energie-efficiëntie)

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

I. ALGEMEEN

1. Doel en aanleiding van dit wetsvoorstel

Dit wetsvoorstel strekt tot implementatie van de richtlijn energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten (hierna te noemen: de richtlijn).1 De richtlijn streeft ernaar binnen de Europese Unie (hierna te noemen: de EU) de energie-efficiëntie bij eindgebruikers op kosteneffectieve wijze te verbeteren. Naast een verbetering van de energie-efficiëntie beoogt de richtlijn tevens een prikkel te geven aan zowel de vraag naar, als het aanbod van energiediensten. Energie-efficiëntie wordt in de richtlijn omschreven als de verhouding tussen de verkregen prestatie, dienst, goederen of energie, en de energietoevoer die hiervoor noodzakelijk is. Een toename of verbetering van de energie-efficiëntie bij het eindgebruik kan gerealiseerd worden door technologische, gedrags- en/of economische veranderingen. Naast een verbetering van de energie-efficiëntie spreekt de richtlijn tevens over energiebesparingen. Energiebesparing wordt gedefinieerd als een hoeveelheid bespaarde energie die wordt vastgesteld door meting van het verbruik na uitvoering van een of meer maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie waarbij de externe omstandigheden die het energieverbruik beïnvloeden genormaliseerd worden.

Energiebesparing draagt bij aan een beperking van het verbruik van primaire energie, en daarmee tot het terugdringen van de emissie van koolstofdioxide en andere broeikasgassen. Naast klimatologische voordelen heeft energiebesparing positieve economische effecten. Een beperking van het verbruik van primaire energie helpt de EU haar afhankelijkheid van de invoer van energie te verkleinen. Tot slot vormt de richtlijn een stimulans voor de ontwikkeling van energie-efficiënte technologieën, waarmee het innovatie- en concurrentievermogen van de EU wordt bevorderd. Op deze wijze wordt bijgedragen aan het bereiken van de Lissabon-doelstellingen.

Dit wetsvoorstel implementeert de richtlijn één-op-één. Dat wil zeggen dat hierin ten opzichte van de richtlijn geen aanvullend nationaal beleid is opgenomen conform vast kabinetsbeleid. De implementatie van de richtlijn laat echter onverlet dat het kabinet in het coalitieakkoord een eigen ambitie heeft neergelegd. In het coalitieakkoord van 7 februari 2007 wordt immers een streefwaarde voor energiebesparing genoemd van 2% op jaarbasis (Coalitieakkoord 2007, p. 20, Pijler III Duurzame Leefomgeving), naast verregaande ambities op het terrein van hernieuwbare energie en een reductie van de uitstoot van broeikasgassen. Om deze ambities te realiseren, zal een majeure inspanning nodig zijn. In het werkprogramma Schoon en zuinig «Nieuwe Energie voor het klimaat» is een overzicht opgenomen van acties, aanvullende regulering en ondersteuning. Afspraken met sectoren zijn een belangrijk onderdeel van dit beleidspakket.

Tussen de EU-doelstelling van 1% op jaarbasis en de nationale streefwaarde van 2% bestaan definitieverschillen over wat gerekend mag worden tot energiebesparing. Zo worden besparingen van bedrijven die meedoen aan het systeem van emissiehandel niet meegerekend met de EU-doelstelling.

Overeenkomst tussen de richtlijn en het coalitieakkoord is dat beide tot doel hebben om de energie-efficiëntie bij het eindgebruik op kosteneffectieve wijze te verbeteren. De richtlijn beoogt dit doel op diverse manieren te realiseren. In de eerste plaats door voor te schrijven dat lidstaten voorzien in indicatieve streefwaarden voor energiebesparing. Daarnaast moeten lidstaten mechanismen, stimulansen en institutionele, financiële en juridische raamwerken aanbieden om de bestaande belemmeringen voor het efficiënte eindgebruik van energie weg te nemen. Ten slotte door voorwaarden te scheppen voor de ontwikkeling van de markt voor energiediensten en voor het aanbieden van andere maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie aan eindverbruikers.

Ter invulling van de doelstelling bestrijkt de richtlijn een groot aantal uiteenlopende onderwerpen. Kort weergegeven zijn de hoofdelementen van de richtlijn als volgt.

– Een indicatieve energiebesparingsstreefwaarde van negen procent, te behalen voor het negende toepassingsjaar van de richtlijn.

– Een voorbeeldrol voor de publieke sector op het gebied van energiebesparingen.

– Het bevorderen van de markt voor energiedienstverleners door het wegnemen van belemmerende maatregelen.

– Het beschikbaar stellen van onafhankelijk uitgevoerde energieaudits aan alle eindafnemers.

– Het wegnemen van onnodige of onevenredige belemmeringen bij het gebruik van financiële instrumenten ter verbetering van de energie-efficiëntie.

– De invoering van slimme meters.

– Facturering en informatieverstrekking voor eindgebruikers gebaseerd op het daadwerkelijke energieverbruik.

De richtlijn verplicht verder tot het indienen van verslagen (zogenaamde Actie Plannen voor Energie Efficiëntie, APEEs) bij de Europese Commissie, waarin de getroffen en te treffen maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie worden omschreven en de voortgang met betrekking tot het bereiken van de nationale indicatieve energiebesparingsstreefwaarde. Het eerste verslag is op 12 september vastgesteld en ingediend bij de Europese Commissie. In 2011 en 2014 dienen het tweede en derde verslag te worden ingediend met onder meer een evaluatie en beoordeling van het voorgaande verslag, alsmede maatregelen indien de streefwaarde vermoedelijk niet gehaald wordt.

2. Positionering van dit wetsvoorstel ten opzichte van bestaande wetgeving

In dit wetsvoorstel is er voor gekozen een algemene wet op het gebied van energiebesparing op te stellen, waarin de Wet energiebesparing toestellen (hierna: de WET) wordt opgenomen. Met deze keuze wordt voor de implementatie van de richtlijn één wettelijk kader gecreëerd, dat aanvullend is op bepalingen uit bijvoorbeeld de Woningwet, de Wet milieubeheer, de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet.

De WET is in 1986 tot stand gekomen ter implementatie van Europese richtlijnen die betrekking hebben op energiebesparing specifiek ten aanzien van toestellen en installaties. De WET biedt een basis om over toestellen en installaties, bijvoorbeeld wasmachines, verwarmingsketels of auto’s, regels te stellen, onder andere met betrekking tot de etikettering. Deze etikettering geeft bijvoorbeeld aan hoe zuinig een koelkast of wasmachine is. Het is niet logisch om naast een wet, specifiek voor de energiebesparing van toestellen, een algemene wet over energiebesparing ter uitvoering van de richtlijn op te stellen. Daarom is de WET geïntegreerd in dit wetsvoorstel. De bepalingen over energiebesparing van toestellen zijn inhoudelijk op hoofdlijnen gelijk aan de huidige bepalingen in de WET, maar zijn gemoderniseerd, vereenvoudigd en redactioneel verbeterd.

De richtlijn kent een brede definitie van het begrip energie. Naast elektriciteit en gas heeft de richtlijn ook betrekking op bijvoorbeeld warmte en koude, en transportbrandstoffen, bijvoorbeeld benzine en diesel. Om deze reden is het niet mogelijk om de richtlijn geheel te implementeren in de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet, en is bredere wetgeving ter implementatie van de richtlijn nodig.

Teneinde de richtlijn tijdig te implementeren, worden met dit wetsvoorstel alle uit de richtlijn voortvloeiende verplichtingen omgezet. De bepalingen in dit wetsvoorstel hebben daarmee betrekking op elektriciteit, aardgas, warmte, koude en – voor zover ingevolge de richtlijn nodig – andere soorten van energie. Hierbij is het wetsvoorstel beperkt tot hetgeen door de richtlijn is voorgeschreven. Ten opzichte van de richtlijn worden geen aanvullende eisen gesteld.

Dit wetsvoorstel bevat bepalingen betreffende meetinrichtingen en informatievoorziening die mede betrekking hebben op elektriciteit en gas. Op basis van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet zijn reeds bepalingen over meters opgenomen, die binnen afzienbare tijd zullen worden aangepast met een wetsvoorstel dat thans in voorbereiding is en dat beoogt de werking van de elektriciteits- en gasmarkt te verbeteren (Kamerstukken II 2004/05, 28 982, nr. 44 en 2005/06, 28 982, nrs. 51 en 57)). Dat wetsvoorstel tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet regelt voor elektriciteit en gas wat ingevolge de richtlijn geregeld dient te worden, maar bevat ook andere voorstellen (waaronder een verplichte uitrol van slimme meters voor kleinverbruikers). Wanneer de wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en Gaswet in werking treedt, zullen de bepalingen betreffende elektriciteit en gas in dit wetsvoorstel vervallen.

Met het oog op tijdige implementatie is dus ten aanzien van elektriciteit en gas gekozen voor een twee stappen strategie. Volledige omzetting van de richtlijn vindt plaats in dit wetsvoorstel, dus ook voor elektriciteit en gas. Wanneer de wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en Gaswet in werking treedt, zullen de bepalingen betreffende elektriciteit en gas in dit wetsvoorstel vervallen. De gewijzigde Elektriciteitswet 1998 en Gaswet zullen vanaf dat moment namelijk (ook) voorzien in de benodigde bepalingen voor de implementatie van de richtlijn.

Dit wetsvoorstel is bezien in het licht van richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 (PbEU L 376) betreffende diensten op de interne markt (hierna: Dienstenrichtlijn) met het oog op de bijzondere motivering die op grond van deze richtlijn van de lidstaten wordt gevraagd ten aanzien van het vaststellen van wet- en regelgeving. Hieruit blijkt dat dit wetsvoorstel buiten de werkingssfeer van de Dienstenrichtlijn valt, omdat het voorstel geen betrekking heeft op diensten in de zin van de Dienstenrichtlijn. Gelet op artikel 3, eerste lid, van de Dienstenrichtlijn wordt daarnaast opgemerkt dat de Dienstenrichtlijn specifieke bepalingen van andere communautaire regelgeving en de daarbij behorende één op één implementatie onverlet laat.

Uit de tekst van de richtlijn blijkt dat deze richtlijn het begin is van verdere ontwikkelingen, en dat de Europese Commissie, afhankelijk van de vorderingen die lidstaten boeken ten aanzien van energiebesparing, verdergaande maatregelen kan treffen. Zo biedt artikel 4, vijfde lid, van de richtlijn de Commissie de mogelijkheid om energie-efficiënte door middel van «witte certificaten» te bevorderen. Daarnaast geeft artikel 14, vijfde lid, van de richtlijn aan dat afhankelijk van de resultaten die in de komende jaren worden bereikt op het gebied van energiebesparing, het wenselijk kan zijn aanvullende maatregelen te treffen op Europees niveau, waarbij de indicatieve streefwaarden van karakter kunnen veranderen. Ook met richtlijn 2002/91/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 (PbEG L 2004,1) betreffende de energieprestatie van gebouwen worden maatregelen op het gebied van energiebesparing ingevoerd. Dit wetsvoorstel beoogt dan ook voor de toekomst een goede basis te bieden voor Europese en nationale maatregelen op het gebied van energiebesparing, die, indien nodig na aanpassing van het wetsvoorstel, in samenhang met de reeds bestaande maatregelen kunnen worden getroffen.

Energiebesparing zal ook in de nabije toekomst op zowel Europees niveau als op nationaal niveau in belang toenemen. Zo heeft het kabinet haar ambitie voor het verhogen van het energiebesparingstempo uitgesproken in het Energierapport 2005 «Nu voor later» (Kamerstukken II 2004/05, 29 023, nr. 14). De afgelopen jaren schommelt de gemiddelde nationale energiebesparing rond 1,0% per jaar. In het Energierapport is de ambitie verwoord om de jaarlijkse besparing te verhogen naar 1,3% vanaf 2008 en 1,5% vanaf 2012. In het coalitieakkoord van 7 februari 2007 is deze doelstelling verder aangescherpt. De coalitiepartijen hebben het ambitieuze streven uitgesproken om 2% energiebesparing per jaar te realiseren. Dit is uitgewerkt in het werkprogramma Schoon en Zuinig: Nieuwe energie voor het klimaat.

3. Richtlijnverplichtingen die niet met dit wetsvoorstel in nationale regelgeving worden omgezet

3.1 Algemeen

Voor de implementatie van de richtlijn is op bepaalde punten geen aanvullende regelgeving nodig, maar volstaat de bestaande regelgeving. Daarnaast behoeven verschillende artikelen uit de richtlijn naar hun aard geen implementatie in regelgeving. De richtlijnbepalingen die niet in dit wetsvoorstel zullen worden omgezet, worden hieronder behandeld.

3.2 Artikel 1

Artikel 1 van de richtlijn beschrijft het doel van de richtlijn, te weten het op kosteneffectieve wijze verbeteren van de energie-efficiëntie in de lidstaten. Dit doel wordt in artikel 1 van de richtlijn niet concreet ingevuld en behoeft daarom geen implementatie in dit wetsvoorstel.

Artikel 2

In artikel 2 van de richtlijn is de werkingssfeer vastgelegd. De lidstaten kunnen besluiten dat de artikelen 6 en 13 niet van toepassing zijn op kleine distributeurs, kleine distributienetbeheerders en kleine detailhandelaars in energie. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt. Het wetsvoorstel richt zich op alle aanbieders, ongeacht hun omvang. Belangrijkste redenen hiervoor zijn dat maatregelen ter bevordering van energie-efficiëntie gelijkelijk behoren te rusten op alle leveranciers, netbeheerders en detailhandelaren in energie en dat alle eindafnemers helder inzicht moeten kunnen krijgen in hun energieverbruik. Indien niet alle netbeheerders verplicht zouden worden een slimme meter te installeren, kan dat doel niet worden bereikt.

Artikel 2, onderdeel c, van de richtlijn schenkt speciaal aandacht aan de toepassing van de richtlijn op de strijdkrachten. In het wetsvoorstel zijn geen bepalingen opgenomen over de toepasselijkheid van het wetsvoorstel voor de strijdkrachten. Voor de bepalingen die in dit wetsvoorstel zijn geïmplementeerd, is een dergelijke bepaling niet noodzakelijk omdat de bepalingen in het wetsvoorstel die strekken tot implementatie van de richtlijn, zich voornamelijk richten tot netbeheerders, leveranciers en handelaren in energie. Een bijzondere positie voor de strijdkrachten is hierbij niet nodig.

3.3 Artikel 3, onderdelen b tot en met m en o tot en met s

Artikel 3 van de richtlijn bevat een aantal definities. De definities die zijn opgenomen in de onderdelen b tot en met m en o tot en met s zijn in niet in dit wetsvoorstel overgenomen, omdat de richtlijn geïmplementeerd kan worden zonder gebruik te maken van deze definities.

3.4 Artikel 4, eerste tot en met derde lid en vijfde lid

Artikel 4 van de richtlijn draagt de lidstaten op een algemene indicatieve energiebesparingsstreefwaarde van 9% vast te stellen, de wijze van berekenen van de streefwaarde en het opstellen van actieplannen. Dergelijke acties die gericht zijn tot de lidstaten zelf, en geen directe verplichtingen voor derden bevatten, hoeven niet in wetgeving te worden vastgelegd. Overeenkomstig de aanwijzingen voor de regelgeving worden bepalingen uit EU-regelingen die verplichten tot feitelijk handelen, niet geïmplementeerd. Het vierde lid van dit artikel, dat de lidstaten opdraagt een instantie te belasten met de bewaking van de streefwaarde, wordt wel geïmplementeerd. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf 4.2.

3.5 Artikel 5

Artikel 5 van de richtlijn geeft de publieke sector in het kader van deze richtlijn een voorbeeldrol. De publieke sector dient in dit kader zorg te dragen voor maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie binnen haar eigen domein. In het programma Duurzame Bedrijfsvoering Overheid (hierna: DBO) worden criteria geformuleerd met betrekking tot duurzaam inkopen en aanbesteden. Per productgroep wordt een selectieve lijst van criteria opgesteld waaraan het geleverde moet voldoen. Deze criteria grijpen aan op de belangrijkste duurzaamheidsaspecten die voor de betreffende productgroep aan de orde zijn. Energiegebruik (direct of in de productieketen) zal hier in veel gevallen bij horen en dus zal er vaak een criterium worden opgenomen met betrekking tot energiebesparing. Door opname in het offerteverzoek of het bestek en het contract verplicht de overheid haar leverancier zich daar aan te houden. Voor sommige productgroepen zullen naast de criteria ook aanbevelingen aan de overheden worden gedaan voor de andere fasen van het inkoopproces. Zo kan in de voorbereidingsfase reeds een keuze worden gemaakt voor een minder energievragend alternatief. Ook kan in de contractfase worden aanbevolen in het contract te regelen dat de leverancier gebruikstips verschaft aan de eindgebruiker.

Het programma DBO vormt een samenwerkingsprogramma van het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Unie van Waterschappen. Het doel van het programma is om in 2010 te komen tot 100% duurzaam inkopen door de Rijksoverheid. Gemeenten hebben in het Klimaatakkoord Gemeenten en Rijk 2007–2011 een ambitie van 75% duurzaam inkopen in 2010 uitgesproken en 100% in 2015. In de kamerbrief van 14 juli 2006 van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (Kamerstukken II 2005/2006, 30 300 XI, nr. 134) is aangekondigd dat Nederland invulling zal geven aan artikel 5 van de richtlijn middels het DBO-programma.

In navolging van de voornoemde brief, en omdat energie-efficiëntie als duurzaamheidscriterium een belangrijk onderdeel uitmaakt van het programma DBO, wordt met dit programma op een adequate wijze invulling gegeven aan artikel 5 van de richtlijn. In verband met de voorbeeldrol van de overheid is dan ook geen aanvullende wet- of regelgeving nodig.

Artikel 5 van de richtlijn verwijst naar bijlage VI waarin maatregelen zijn geformuleerd ter bevordering van de energie-efficiëntie bij overheidsopdrachten. Volgens de derde alinea van artikel 5 van de richtlijn, moeten ten minste twee maatregelen uit deze bijlage worden gekozen. Via de DBO-inkooprichtlijnen zal uitvoering worden gegeven aan de onderdelen b en c van bijlage VI. De maatregel onder b vereist dat er voorschriften worden geformuleerd voor de aankoop van apparatuur en voertuigen op basis van lijsten van energie-efficiënte productspecificaties van verschillende categorieën apparatuur en voertuigen. De maatregel onder c schrijft voor dat aangeschafte apparatuur in alle modi een efficiënt energieverbruik heeft. Deze twee maatregelen sluiten goed aan bij het doel en de strekking van het DBO-programma. Om het inkoopproces te vergemakkelijken worden richtsnoeren gepubliceerd over energie-efficiëntie als beoordelingscriterium.

SenterNovem is belast met de administratieve, beheerstechnische en uitvoerende taken ten aanzien van het DBO-programma. Dit agentschap van het Ministerie van Economische Zaken geeft via de internetsite www.senternovem.nl/duurzaaminkopen bekendheid aan het DBO-programma.

3.7 Artikel 6

3.7.1 Artikel 6, eerste lid, onderdeel b

Het doel van artikel 6, eerste lid, onderdeel b, is om activiteiten die een belemmering kunnen vormen voor de vraag naar of de levering van energiediensten te beëindigen. Ook andere maatregelen ter verbetering van de energie-efficiency of de ontwikkeling van een markt voor energiediensten mogen niet worden belemmerd. Lidstaten moeten er voor zorgen dat dergelijke activiteiten worden beëindigd. Het nationale en Europese mededingingsrecht biedt al mogelijkheden om tegen activiteiten op te treden die belemmerend zijn voor bijvoorbeeld de ontwikkeling van de markt voor energiediensten. Dergelijke belemmeringen zijn op dit moment niet bekend. Waar deze in de toekomst zouden ontstaan, kan hiertegen op basis van bestaande regelgeving worden opgetreden. Aanvullende maatregelen ter implementatie van artikel 6, eerste lid, onderdeel b, zijn daarom niet nodig.

3.7.2 Artikel 6, tweede lid

Artikel 6, tweede lid, onderdeel a, schrijft lidstaten voor een keuze te maken uit drie maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie, welke dienen te worden nageleefd door energiedistributeurs, distributienetbeheerders en detailhandelaars in energie. Deze voorschriften dragen energiebedrijven op te zorgen voor onder meer de stimulering van energiediensten en/of onafhankelijk uitgevoerde energieaudits bij hun afnemers.

Als alternatief voor deze voorschriften schrijft de richtlijn in artikel 6, tweede lid, onderdeel b, voor dat lidstaten zorg dienen te dragen voor vrijwillige overeenkomsten of andere marktgerichte regelingen, met een effect dat gelijkwaardig is aan één van de maatregelen van onderdeel a van dit artikel. Om het gelijkwaardige effect vast te stellen, moeten lidstaten deze vrijwillige overeenkomsten evalueren en controleren. Voorts schrijft de richtlijn voor dat deze vrijwillige overeenkomsten duidelijke en ondubbelzinnige doelstellingen, toezicht- en verslagleggingsvoorschriften moeten bevatten, welke gekoppeld zijn aan procedures die kunnen leiden tot herziene of extra maatregelen.

De Nederlandse overheid heeft met onder andere de energieleveranciers een plan ontwikkeld voor energiebesparing in de gebouwde omgeving: Meer met minder. Binnen dit plan wordt een convenant opgesteld. Onderdeel van het convenant is een aantal verplichtende maatregelen dat van kracht zal worden als het convenant te weinig resultaten oplevert.

Sinds 1992 heeft de overheid in het kader van het energiebesparingsbeleid met een groot aantal sectoren een Meerjarenafspraak (hierna: MJA) gemaakt over de verbetering van de energie-efficiency.

Het MJA-programma wordt door SenterNovem uitgevoerd in opdracht van de Minister van Economische Zaken en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. MJA-bedrijven zijn verplicht jaarlijks hun monitoringgegevens naar SenterNovem te sturen. Uit deze gegevens blijkt of zij hun doelstellingen op energiegebied hebben gerealiseerd. SenterNovem gebruikt deze gegevens voor het opstellen van een monitoringsrapportage zowel per bedrijf als per branche. Deze monitoringresultaten worden ook voorgelegd aan de Tweede Kamer. Bovendien zijn MJA-bedrijven verplicht het bevoegd gezag te informeren over de resultaten en de vorderingen van de onderneming in relatie tot het Energiebesparingplan (EBP).

Op 6 juli 1999 heeft de Nederlandse overheid het Convenant Benchmarking gesloten met de energie-intensieve industrie. In deze overeenkomst zegt de industrie toe zich in te zetten voor het efficiënter gebruik van energie bij installaties. Met deelnemende ondernemingen is overeengekomen dat de Nederlandse industrie, uiterlijk in 2012, tot de wereldtop behoort op het gebied van energie-efficiëntie. In ruil daarvoor zal de overheid de ondernemingen geen aanvullende nationale maatregelen opleggen gericht op energiebesparing of CO2-reductie. Informatie over de deelnemende partijen en de resultaten staan weergegeven op de internetpagina van de Commissie Benchmarking op http://www.benchmarking-energie.nl.

Aan de verplichting van artikel 6, tweede lid, onderdeel b, van de richtlijn, wordt voldaan met de boven genoemde vrijwillige overeenkomsten. Nadere regelgeving ter implementatie van dit artikellid in dit wetsvoorstel is daarom niet nodig.

3.7.3 Artikel 6, derde lid

Artikel 6, derde lid, van de richtlijn draagt de lidstaten op te zorgen voor voldoende stimulansen, eerlijke concurrentie en gelijke kansen voor andere marktdeelnemers dan distributeurs, netbeheerders en detailhandelaren om energiediensten, -audits en overige maatregelen uit te voeren. In Nederland is sprake van voldoende stimulansen, eerlijke concurrentie en gelijke kansen voor partijen om dergelijke maatregelen uit te voeren. Indien op dit punt belemmeringen zouden ontstaan, biedt het mededingingsrecht voldoende mogelijkheden om hiertegen op te treden. Nadere regelgeving op dit punt is daarom niet noodzakelijk.

Omdat een belangrijke rol in het kader van de richtlijn is toegekend aan leveranciers van energiediensten, wordt hieronder nader ingegaan op energiediensten en de invloed van onder andere de richtlijn is op de Nederlandse markt voor energiediensten. Leveranciers van energiediensten, in de richtlijn ook wel energie service company (hierna: ESCO) genoemd, kunnen een belangrijke rol vervullen bij het realiseren van de besparingsdoelstellingen. Kenmerkend aan de bedrijfsvoering van een ESCO is dat besparingsmaatregelen voor eigen rekening en risico worden uitgevoerd. De inkomsten uit deze activiteiten zijn afhankelijk van de energiebesparing die wordt gerealiseerd. Randvoorwaarden voor de ontwikkeling van een nationale markt voor ESCO-dienstverlening zijn tweeledig. In de eerste plaats dient de energieprijs dermate hoog te zijn dat de gerealiseerde besparingen daadwerkelijk rendabel kunnen worden uitgevoerd. Daarnaast dient er tevens een voldoende groot besparingspotentieel te zijn. De inkomsten van de ESCO’s zijn afhankelijk van de gerealiseerde besparing. Een hoge energieprijs vergroot het financiële effect van gerealiseerde energiebesparingen en daarmee de mogelijkheden voor ESCO’s. Uit statistische informatie blijkt dat de energieprijs van zowel gas als elektriciteit in Nederland boven het Europees gemiddelde ligt. Daarnaast concludeert het Energieonderzoeks Centrum Nederland (hierna:ECN) dat er voldoende besparingspotentieel aanwezig is, in met name de gebouwde omgeving. Met een relatief hoge energieprijs en voldoende besparingspotentieel voldoet Nederland aan twee belangrijke randvoorwaarden die de ontwikkeling van een markt voor ESCO-diensten mogelijk maakt. Onafhankelijk onderzoek concludeert eveneens dat de condities voor ESCO’s in Nederland goed zijn (CE, Energiediensten voor de industrie, 2005).

Een ander aspect van de activiteiten van een ESCO betreft de financiering van investeringsprojecten. Certificering van ESCO’s draagt eraan bij dat de activiteiten van een ESCO worden erkend en daarmee de toegang tot financieringsbronnen wordt verbeterd. Certificering van ESCO’s zullen volgen op de Europese Certificering (CEN/CLC TF 189) en via het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) worden omgezet in nationale normen.

De richtlijn verbetert de marktkansen van ESCO’s. Het gaat dan in zijn algemeenheid om het realiseren van een energiebesparingsdoelstelling en ook meer specifieke onderdelen als het beschikbaar stellen van modelcontracten (artikel 9, tweede lid, van de richtlijn) en de invoering van zogenaamde «slimme meters». Deze energiemeters zijn onder andere op afstand afleesbaar en zullen het actuele energieverbruik weergeven. De invoering van deze meters maakt het voor ESCO’s makkelijker de gerealiseerde energiebesparing te bepalen. Ook de algemene beschikbaarheid van energieaudits en de voorbeeldrol van de overheid dragen bij aan marktkansen voor ESCO’s. Hiermee is het huidige, maar zeker ook het toekomstige vestigingsklimaat voor ESCO’s in Nederland gunstig.

3.7.4 Artikel 6, vierde en vijfde lid

Artikel 6, vierde lid, van de richtlijn geeft aan dat bij het opleggen van verplichtingen aan distributienetbeheerders op basis van artikel 6, tweede en derde lid, van de richtlijn, Europese voorschriften inzake scheiding van boekhouding in acht moeten worden genomen. Aangezien geen verplichtingen ter implementatie van artikel 6, tweede en derde lid, aan distributienetbeheerders worden opgelegd, ontstaat geen conflict tussen beide verplichtingen. Overigens behoeft artikel 6, vierde lid, van de richtlijn, gelet op het karakter van deze bepaling, geen implementatie.

Artikel 6, vijfde lid, van de richtlijn geeft de verhouding aan tussen de verplichtingen ingevolge artikel 6 van de richtlijn en de richtlijn 2003/54/EG en richtlijn 2003/55/EG. Ook deze bepaling behoeft geen implementatie.

3.8 Artikel 7

Artikel 7, eerste en tweede lid, van de richtlijn draagt lidstaten op zorg te dragen voor een ruime verspreiding van transparante informatie onder marktdeelnemers over mechanismen voor energie-efficiëntie, en financiële en juridische kaders. Daarnaast dienen lidstaten energie-efficiëntie bij het eindgebruik sterker te stimuleren en moeten lidstaten zorgen voor geschikte randvoorwaarden en prikkels voor meer informatie- en adviesverstrekking over energie-efficiency aan eindafnemers door marktdeelnemers. In de praktijk wordt op verschillende manieren aan deze verplichtingen invulling gegeven.

MilieuCentraal is een landelijke organisatie die consumenten praktische en betrouwbare milieu-informatie biedt. De informatie is getoetst door een forum van onafhankelijke deskundigen. Het Energiecentrum is een onafhankelijke zelfstandige stichting die ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf informeert over besparingsmaatregelen. De mechanismen en financiële en juridische kaders die worden vastgesteld ter verwezenlijking van de streefwaarde worden veelal door SenterNovem gepubliceerd en onder de aandacht gebracht. Op deze wijze wordt invulling gegeven aan de informatie- en adviesverstrekking aan eindafnemers over energie-efficiency. Gerelateerd aan maatregelen uit het werkprogramma Schoon en Zuinig zullen de informatie- en adviesverstrekking sterk geïntensiveerd worden. Overeenkomstig de richtlijn worden optimale energiebesparingpraktijken (best practices) uitgewisseld en ruim verspreid. Daartoe neemt Nederland deel aan verschillende internationale netwerken op energiegebied als de European Energy Network (EnR), diverse Implementing Agreements van het Internationale Energie Agentschap (IEA) zoals Energy Conservation in Buildings and Community Systems Programme (ECBCS), Demand Side Management (DSM) en de Working Party on Energy End-Use Technologies.

3.9 Artikel 8

Artikel 8 van de richtlijn draagt lidstaten op, wanneer zij het nodig achten, om regelingen op te stellen ter kwalificatie, erkenning en certificering van leveranciers van energiediensten. Dit om de kwaliteit van energieaudits zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, onderdeel a, onder i en ii van de richtlijn, alsmede de kwaliteit van maatregelen ten verbetering van de energie-efficientie, betrouwbaar en op een hoog niveau te houden. Omdat Nederland diverse regelingen heeft betreffende de kwaliteitsbewaking van energieadviseurs en installatiebedrijven worden in dit wetsvoorstel geen aanvullende voorschriften voorgesteld.

Leveranciers van energiediensten kennen vooralsnog geen certificering, maar Nederland zal aansluiten bij de internationale ontwikkelingen op dit gebied, zoals bij het European Committee for Standardization (CEN) dat in december 2006 gestart is met Taakgroep 189 «Energy management-General requirements and qualification procedures». Het werk van de taakgroep richt zich initieel op de definitie van eisen en kwalificatie procedures voor leveranciers van energiediensten en op de ontwikkeling van Europese standaard voor een energie managementsysteem. Het Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) zal dit traject volgen en nadat de resultaten van de taakgroep bekend zijn geworden, onderzoeken of nationale normen op dit gebied opportuun zijn.

3.10.1 Artikel 9, eerste lid

Artikel 9, eerste lid, van de richtlijn schrijft voor dat wet- en regelgeving, uitgezonderd die van fiscale aard, die een onnodige of onevenredige belemmering vormt op het gebruik van financiële instrumenten voor energiebesparing, dient te worden aangepast. In het kader van de uitvoering van dit artikel is de Nederlandse wet- en regelgeving onderzocht op de aanwezigheid van barrières in het gebruik van financiële instrumenten voor energiebesparing (CE,Richtlijn in zicht, 2007). Dit onderzoek heeft aangetoond dat er geen belemmeringen in wet- en regelgeving bestaan die het gebruik van financiële instrumenten voor energiebesparing beperken. Ter implementatie van artikel 9, eerste lid, van de richtlijn is het daarmee niet noodzakelijk dat regelgeving wordt ingetrokken of gewijzigd.

3.10.2 Artikel 9, tweede lid

Artikel 9, tweede lid, van de richtlijn schrijft voor dat lidstaten modelcontracten beschikbaar stellen aan de bestaande en potentiële afnemers van energiediensten en andere maatregelen ter verbetering van energie-efficiëntie in de publieke en private sector. Een belangrijk aspect van de bedrijfsvoering van een ESCO is dat besparingsmaatregelen dienen te zorgen voor de inkomsten uit de gedane investeringen. Dit kan voor zowel de ESCO gelden als voor degene die de ESCO een opdracht heeft verstrekt. Het contract waarin dit is vastgelegd, dient vertrouwen te geven aan de opdrachtgever over de realisatie en de voorwaarden waaronder dit plaatsvindt. Hiertoe is onder andere een standaardisering van metingen en verificatieprocedures van belang, waarbij zoveel mogelijk wordt aangesloten bij reeds geldende en opgestelde metingen en procedures (in onder andere de Verenigde Staten). In overleg en met medewerking van de leveranciers van energiediensten zal een modelcontract worden opgesteld voor de levering van energiediensten. Dit modelcontract zal beschikbaar worden gesteld aan de afnemers van energiediensten door degene belast met de taak, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van het wetsvoorstel.

3.11 Artikel 10

Artikel 10 van de richtlijn bepaalt dat stimulansen in de transmissie- en distributietarieven die leiden tot een onnodige verhoging van de hoeveelheid gedistribueerde of getransporteerde energie, worden weggenomen. Met dit artikel beoogt de richtlijn eventuele prikkels in de tariefstructuur weg te nemen die bevorderend werken op het energieverbruik van de eindverbruiker. De tariefstructuur bevat, in lijn met de richtlijn, geen stimulansen om méér energie te verbruiken.

3.12 Artikel 11

Artikel 11 van de richtlijn biedt de mogelijkheid aan lidstaten tot het oprichten van fondsen voor de subsidiëring van programma’s en maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie. Wanneer lidstaten overgaan tot de oprichting van fondsen overeenkomstig artikel 11 van de richtlijn, dan dienen de maatregelen te omvatten: stimulering van energieaudits, financiële instrumenten voor energiebesparing en, indien van toepassing, verbeterde technieken voor meteropneming en transparante facturering. Daarnaast dienen de fondsen gericht te zijn op sectoren bij het eindverbruik met hoge transactiekosten en hogere risico’s. Van de mogelijkheden die de richtlijn op dit punt biedt, wordt geen gebruik gemaakt. Op dit moment vindt stimulering vooral plaats door fiscale maatregelen zoals de EIA (Energie Investerings Aftrek) en MIA (Milieu Investerings Aftrek).

3.13 Artikel 12

Artikel 12 van de richtlijn verplicht lidstaten tot de beschikbaarstelling van energieaudits. Dergelijke audits beogen de energieprestatie van een gebouw of installatie inzichtelijk te maken voor zowel de eigenaar als de gebruiker. De richtlijn schrijft voor dat onafhankelijk uitgevoerde en kwalitatief hoogwaardige energieaudits beschikbaar dienen te zijn voor alle eindafnemers.

Naast de energieaudits uit hoofde van het Besluit Energieprestatie Gebouwen kent Nederland diverse energieaudits op het terrein van onder meer de Wet milieubeheer en de meerjarenafspraken. Omdat er reeds energieaudits beschikbaar zijn voor eindafnemers, is het niet nodig ter implementatie van artikel 12 van de richtlijn in dit wetsvoorstel aanvullende regels op te nemen. De beschikbare audits worden hieronder nader toegelicht.

Ingevolge het Besluit Energieprestatie Gebouwen zijn in Nederland energieaudits beschikbaar die in overeenstemming zijn met artikel 7 van richtlijn 2002/91/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PbEG L 2004, 1). Artikel 7 van richtlijn 2002/91/EG schrijft onder meer voor dat een prestatiecertificaat wordt verstrekt bij de bouw, verkoop of verhuur van een gebouw. Een dergelijk energieprestatiecertificaat dient onder andere aanbevelingen en referentiewaarden te bevatten waarmee consumenten de energieprestatie van het gebouw kunnen vergelijken.

– In de loop van 2007 wordt het mogelijk gemaakt om zelf via het internet een «proef energieaudit» uit te voeren. Verder zijn er de volgende energieaudits beschikbaar. Voor consumenten bestaat het Energie Prestatie Advies (EPA). Het maatwerk EPA bevat ten minste het EP-certificaat, specifieke maatregeladviezen en gebruiksadviezen. Daarnaast bestaat een door de markt ontwikkeld keurmerk (BeoordelingsRichtLijn 9500/2).

– Voor de utiliteit bestaat eveneens een maatwerk EPA-advies, hiervan zijn de kenmerken vastgelegd in (BRL 9500/4).

– Voor industriële afnemers is het energieverbruik veelal gerelateerd aan het productieproces en niet aan de gebouwen. Voor afnemers met een energieverbruik groter dan 50 000 kWh of groter dan 25 000 m3 gas, bestaat uit hoofde van de milieuvergunning de verplichting een energiebesparingsonderzoek uit te (laten) voeren. Dit energiebesparingsonderzoek wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het bevoegd gezag.

– Bedrijven die deelnemen aan vrijwillige afspraken (convenanten) hebben de verplichting tot het opstellen van een energiebesparingsplan dat dient te worden goedgekeurd door een onafhankelijke organisatie. Daarbij is een energiebesparingsplan meteen de invulling van de energieparagraaf van de milieuvergunning.

– Bedrijven die een verbruik hebben minder dan 50 000 kWh of 25 000 m3 gas en niet deelnemen aan vrijwillige afspraken kunnen door een onafhankelijke instantie een quickscan laten uitvoeren. Hier bestaat geen formele toetsing of certificering voor. Het Energiecentrum zal voor deze bedrijven een digitale versie van deze quickscan beschikbaar maken.

4. Richtlijnverplichtingen die met dit wetsvoorstel in nationale regelgeving worden omgezet

In de vorige paragraaf is beschreven welke richtlijnverplichtingen niet in dit wetsvoorstel worden geïmplementeerd. De bepalingen uit de richtlijn die wel door dit wetsvoorstel in regelgeving worden omgezet, worden in deze paragraaf toegelicht.

4.1 Artikel 13

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de richtlijn dienen de lidstaten ervoor te zorgen dat eindafnemers van elektriciteit, aardgas, stadsverwarming of -koeling en warm water voor huishoudelijke doeleinden de beschikking krijgen over individuele meters die informatie geven over het energieverbruik en die op afstand zijn af te lezen (de zogenoemde slimme meters). De verplichtingen ten aanzien van meters voor warmte en koude worden met artikel 2 geïmplementeerd in dit wetsvoorstel. Ten aanzien van elektriciteit en gas wordt artikel 13, eerste lid, van de richtlijn geïmplementeerd met artikel 6 van dit wetsvoorstel. Het voorgestelde artikel 3 verplicht de gebouweigenaar ofgebruiker onder meer toegang te verlenen voor het plaatsen en onderhouden van de meter.

Ingevolge de artikelen 2 en 6 van dit wetsvoorstel kunnen eindafnemers van warmte, koude, elektriciteit en gas de beschikking krijgen over individuele slimme meters die het actuele energieverbruik nauwkeurig kunnen weergeven. De meters worden conform artikel 13, eerste lid, van de richtlijn geïnstalleerd bij ingrijpende renovatie, nieuwbouw, ter vervanging en op verzoek. Voor installatie in de laatste twee situaties zijn een aantal uit de richtlijn voortvloeiende uitzonderingsmogelijkheden opgenomen, die voornamelijk verband houden met de kosten en de technische haalbaarheid.

Artikel 13, tweede lid, van de richtlijn schrijft voor dat de facturering gebaseerd dient te zijn op het actuele energieverbruik en in duidelijke en begrijpelijke taal moet worden gesteld. Verder dient de frequentie van de facturering zodanig te zijn dat afnemers in staat zijn hun eigen energieverbruik te regelen. Dit wordt met artikel 4 van het wetsvoorstel voor warmte en koude en met artikel 6 voor elektriciteit en gas, geïmplementeerd. De frequentie van facturen inzake het verbruik van warmte, koude, elektriciteit en gas zal in lagere regelgeving worden vastgelegd. Gedacht wordt aan een frequentie van 6 maal per jaar. Of dit inderdaad de optimale frequentie voor het bereiken van energiebesparing is, zal nader worden onderzocht.

Voorts is van belang dat het begrip facturering in het wetsvoorstel betrekking heeft op het verzenden van een factuur en niet de daadwerkelijke inning van de in de factuur genoemde bedragen. Dit betekent dat het huidige systeem van voorschotrekeningen, waarbij maandelijks vooruitbetalingen op de jaarafrekening van de energieleverancier worden gedaan, kan worden gecontinueerd, maar door de meer frequente factuur het inzicht wordt geboden op het daadwerkelijke periodieke verbruik en de bijbehorende kosten.

Ingevolge artikel 13, derde lid, van de richtlijn dient verder informatie te worden verschaft, waarmee eindafnemers duidelijk inzichtelijk wordt gemaakt hoe hun energieverbruik zich verhoudt tot eenzelfde periode en waar mogelijk tot een gemiddelde verbruiker van dezelfde categorie. Verder betreft het informatie over het daadwerkelijke verbruik en de actuele prijzen. Ten slotte omvat de informatie contactgegevens van instellingen waar informatie kan worden verkregen over beschikbare maatregelen en technieken voor energiebesparing. Artikel 13, derde lid, van de richtlijn wordt met artikel 6 van het wetsvoorstel voor elektriciteit en gas en met artikel 5 voor de overige vormen van energie omgezet in nationale regelgeving. Het geheel aan informatie biedt eindgebruikers de mogelijkheid om vast te stellen of er energie bespaard kan worden en hoe energie bespaard kan worden.

Voor de implementatie van artikel 13 van de richtlijn bevat dit wetsvoorstel bepalingen die mede betrekking hebben op elektriciteit en gas. Deze bepalingen zullen vervallen, indien het voorstel tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en Gaswet dat thans in voorbereiding is en beoogt de werking van de elektriciteits- en gasmarkt te verbeteren, in werking treedt. De gewijzigde Elektriciteitswet 1998 en Gaswet zullen dan namelijk in de bepalingen voorzien die benodigd zijn voor de implementatie van de richtlijn. Aangezien het wetsvoorstel tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en Gaswet ook nog andere onderwerpen regelt naast hetgeen op grond van de richtlijn wordt voorgeschreven, is gekozen voor een initiële volledige omzetting van de richtlijn in dit wetsvoorstel. Hiermee wordt een tijdige implementatie van de richtlijn bevorderd.

Met het oog op een goede uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de uitvoeringsregelgeving ter implementatie van artikel 13 van de richtlijn, d.w.z. lagere regelgeving op grond van de artikelen 2, tweede lid, 4 en 5 in samenhang met artikel 6 van dit wetsvoorstel, zal de Nederlandse mededingingsautoriteit bij het opstellen hiervan worden betrokken.

4.2 Artikelen 4, vierde lid, en 6, eerste lid, onderdeel a

Ten behoeve van het monitoren van de voortgang van de nationale indicatieve doelstelling, die is opgenomen in artikel 4, eerste lid, van de richtlijn, van 9% in het negende jaar na implementatie, zullen gegevens omtrent energieverbruik en maatregelen ter verbetering van energiebesparing worden verzameld, geanalyseerd en bewerkt. Met de artikelen 7 en 8 van het wetsvoorstel wordt uitvoering gegeven aan artikel 4, vierde lid, en artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de richtlijn. Belangrijk element is dat wordt bewaakt dat deze streefwaarde wordt bereikt. Deze taak wordt primair verricht door SenterNovem in nauwe samenwerking met het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN). Beide partijen hebben belangrijke kennis en ervaring op het gebied van het monitoren van energiebesparing.

In artikel 7 van het wetsvoorstel wordt het mogelijk gemaakt om bijvoorbeeld distributiebedrijven, netbeheerders of leveranciers te verplichten om verbruiksinformatie over hun afnemers te verstrekken. Om te voorkomen dat een dergelijke verplichting tot een toename van de administratieve lasten leidt, zal zo veel mogelijk aansluiting worden gezocht bij bestaande informatiebronnen. Hierbij kan worden gedacht aan informatie waarover via het Centraal Bureau voor de Statistiek kan worden beschikt. Waar de gegevens onvoldoende zijn voor de uitvoering van de taak, kunnen verschillende partijen worden verplicht deze informatie aan te leveren. Deze informatie zal uitsluitend voor het doel van monitoring worden gebruikt.

5. Administratieve lasten en overige effecten van het wetsvoorstel

5.1 Administratieve lasten

Administratieve lasten zijn de kosten die bedrijven of burgers moeten maken om te voldoen aan in wet- en regelgeving opgenomen informatieverplichtingen. Aangezien dit wetsvoorstel implementatie van Europese regels betreft, zijn de mogelijkheden om de administratieve lasten te verminderen, beperkter dan bij niet-implementatieregelgeving.

In dit wetsvoorstel is de WET geïncorporeerd. De WET is in 2002 onderzocht op administratieve lasten, waarbij is vastgesteld dat de structurele administratieve lasten van de wet 1 miljoen euro per jaar bedragen. Voor een verantwoording hiervan zij verwezen naar Nulmeting administratieve lasten, EZ-regelgeving, EIM, 2003, p. 48 e.v. Aangezien met de incorporatie van de WET in dit wetsvoorstel de bepalingen over de energiebesparing van toestellen en installaties inhoudelijk op hoofdlijnen gelijk zijn gebleven, zullen de eerder geschatte administratieve lasten ten aanzien van dit deel van het wetsvoorstel niet zijn gewijzigd. De verdere beschouwingen in deze paragraaf zullen dan ook uitsluitend betrekking hebben op het algemene energiebesparingsdeel van dit wetsvoorstel.

Dit wetsvoorstel heeft geen gevolgen voor de administratieve lasten van burgers. Het wetsvoorstel kent geen wettelijke informatieverplichtingen voor burgers, maar burgers zouden juist kunnen profiteren van het wetsvoorstel. De invoering van de slimme meter en de hiermee samenhangende facturering op basis van werkelijke verbruik en informatieverstrekking, biedt meer mogelijkheden om het individuele energieverbruik te monitoren. De kosten voor de slimme meter zullen bovendien niet resulteren in hogere lasten voor de burger. Per 1 januari 2008 worden de meterhuurtarieven gereguleerd door de Nederlandse mededingingsautoriteit (hierna: NMa). Bij deze regulering worden behalve de operationele en investeringskosten, ook de aanzienlijke baten die de slimme meter voor de netbeheerder oplevert expliciet meegenomen. Door de NMa is eerder al vastgesteld dat de stijging van het meterhuurtarief voor de huidige meter niet kan worden verklaard door gestegen kosten. Beoogd wordt derhalve om in de tariefregulering rekening te houden met de extra tariefruimte die de laatste jaren door de netbeheerders is gecreëerd. De consument zal als gevolg daarvan niet worden geconfronteerd met extra lasten.

Op grond van artikel 2 (in samenhang met artikel 6) worden regels gesteld voor de uitrol van slimme meters voor de meting van warmte, koude, elektriciteit en gas. Deze meters kennen als basisfunctionaliteiten het vaststellen en opslaan van het actuele energieverbruik en de mogelijkheid om het verbruik zowel lokaal als op afstand uit te lezen. De specifieke eisen worden uitgewerkt in lagere regelgeving. De meters moeten verplicht worden geïnstalleerd in geval van nieuwbouw en ingrijpende renovatie. Verder vindt installatie plaats op verzoek en bij vervanging, echter alleen dan als de baten van de installatie opwegen tegen de kosten. Vooral bij warmtemeters kunnen de technische oplossingen in sommige gevallen kostbaar zijn. De uitrol kan gezien worden als een transitie of conversie naar een nieuw systeem van meten en informatie verstrekken over de meetgegevens. Deze conversie is eerder onderzocht door middel van een maatschappelijke kosten-batenanalyse, welke een positieve uitkomst had (SenterNovem, Advies Invoering slimme meetinfrastructuur bij kleinverbruikers, oktober 2005 en KEMA, Domme meters worden slim, kosten-batenanalyse slimme meetinfrastructuur, 2005).

Op grond van de voorwaarden in de richtlijn, is niet op voorhand aan te geven wanneer de uitrol van de slimme meters volledig is. De hieraan gerelateerde conversielasten zijn afhankelijk van de snelheid van uitrol en daarom presenteren we twee uitersten. In het ene geval vindt de uitrol geleidelijk plaats en worden de meters vervangen wanneer ze zijn afgeschreven (levensduur 30 jaar), in het andere uiterste worden alle meters in een keer vervangen. In het eerste geval zijn de lasten minimaal, in het tweede (theoretische) geval zijn de lasten maximaal.

De lasten van de uitrol zijn voor het grootste deel eenmalige lasten (conversielasten) en zijn opgebouwd uit de volgende componenten:

• Aanschaf en installatie slimme meters.

  Minimale conversielasten. Plaatsing vindt uitsluitend plaats op het moment dat een conventionele meter zou moeten worden geïnstalleerd. De geschatte meerkosten van aanschaf van een slimme elektriciteitsmeter bedragen ongeveer € 30 en voor een slimme gasmeter € 20 (KEMA, 2005). De warmte- en koudemeters zijn beschouwd op kostenbasis in eerste benadering gelijkwaardig aan een gasmeter. De slimme meter voor elektriciteit heeft een levensduur van 15 jaar en meters die in de eerste 15 jaar zijn geplaatst zullen binnen de 30 jaar weer vervangen dienen te worden. Hier gelden de totale nieuwkosten van een slimme meter van € 50 per stuk en extra installatiekosten van € 25 per stuk. In totaal worden 10,5 miljoen (omvang aantal van toepassing zijnde aansluitingen in 30 jaar) slimme meters voor het elektriciteitsgebruik en 7 miljoen slimme meters voor warmte- of koude dan wel gasgebruik geïnstalleerd en resulteren totale eenmalige conversielasten van ongeveer € 612 miljoen.

  Maximale conversielasten: alle meters worden op zo kort mogelijke termijn vervangen. De kosten zijn in dit geval de totale kosten van de meter en bovendien dienen bij elke aansluiting de installatiekosten te worden meegeteld. De kosten voor elektriciteits- en gasmeter bedragen € 50 per stuk en de installatiekosten € 25 per stuk. In dit geval worden bovendien de oude meters vervangen voordat de restwaarde 0 is. Er is een extra vervroegde afschrijving op de oude meters van in totaal € 175 miljoen. De conversielasten bedragen dan in totaal € 1225 miljoen.

  In de praktijk is de omvang van de conversielasten tussen de € 612 en € 1225 miljoen voor deze component van de administratieve lasten.

• Inrichten data-infrastructuur.

  Om de meetdata over te brengen naar de netbeheerder dient een data-infrastructuur te worden opgezet. Daarbij is de veronderstelling dat de verschillende meters (bijvoorbeeld elektriciteit en gas) de communicatie delen. Dus de infrastructuur is uitgerold voor 7 miljoen aansluitingen. Er zijn hiertoe verschillende mogelijkheden die naast eenmalige lasten ook structurele lasten met zich meebrengen door het aantal benodigde «belminuten» en/of abonnementskosten. Bij een veronderstelde mix van communicatiemiddelen van PLC, GSM/GPRS en ADSL/kabel resulteren eenmalige (conversie) lasten van € 175 miljoen en structurele lasten na volledige uitrol van € 18,1 miljoen (KEMA, 2005). Hierbij zijn de lasten van verplichte fysieke meteropname eens in de drie jaar (Meetcode elektriciteit en gas) ten bedrage van € 12 miljoen als vermindering van administratieve lasten verdisconteerd.

• Inrichten data centra voor meetdata.

  De meetdata van de energiemeters worden op afstand uitgelezen en komen uiteindelijk terecht in datacentra. Deze data worden vervolgens gebruikt om informatie aan de eindverbruiker te verstrekken en de rekening op te maken. Dit proces brengt eenmalige kosten met zich mee in de vorm van de aanschaf en implementatie van dataservers, waarvan de geschatte kosten € 53 miljoen zijn. Structurele lasten worden gevormd door het jaarlijks onderhoud en bedragen ongeveer € 8 miljoen.

Op grond van artikel 4 in samenhang met artikel 6 zullen in uitvoeringsregelgeving regels worden gesteld over de inrichting van facturen en het verstrekken van gegevens betreffende het verbruik van warmte, koude, gas en elektriciteit en de frequentie van facturering. Hiermee zal de exacte kwantificering van deze lasten dan ook plaatsvinden bij het opstellen van de lagere regelgeving ter uitwerking van dit wetsvoorstel.

De frequentie waarmee de meetdata worden teruggekoppeld is door de lidstaat vrij te bepalen, echter dient frequent genoeg te zijn om afnemers in staat te stellen hun eigen energieverbruik te regelen. Uit de literatuur (Environmental Change Institute, The effectiveness of feedback on energy consumption, 2006) is bekend dat een hogere frequentie van terugkoppeling van de meetdata de consument beter in staat stelt het energieverbruik te regelen. Naast een directe terugkoppeling van de meetgegevens op de meter, is het in proefprojecten veelal zo dat de bewerkte informatie maandelijks wordt verstrekt. Dit sluit aan bij de frequentie van rekeningen of voorschotnota’s (zoals in Nederland). Beoogd wordt om in lagere regelgeving in eerste instantie een verplichte minimale frequentie van 6 keer per jaar voor te schrijven. Dit wordt als minimale frequentie gezien waarbij de consument in staat kan worden geacht met de informatie het verbruik te regelen. De minimale frequentie dient nog nader te worden uitgewerkt in lagere wetgeving en de effectiviteit hiervan zal in proefprojecten nader worden onderzocht.

De administratieve lasten die voor bedrijven uit artikel 4 in samenhang met artikel 6 voortvloeien, betreffen voornamelijk aanpassingen in de administratie en investeringen die daarvoor in software gedaan moeten worden. De data die beschikbaar komen van de individuele slimme meters dienen te worden verwerkt en met een nog nader te bepalen frequentie te worden teruggekoppeld aan de eindafnemers. De kosten die hiermee gepaard gaan zijn eerder onderzocht door KEMA (KEMA, 2005). De lasten die resulteren uit deze informatieverplichting van energieleveranciers aan hun afnemers resulteert in structurele lasten die zich gedurende de uitrol ontwikkelen tot een stabiel niveau wanneer elke aansluiting voorzien is van een slimme meter. De lasten zijn afhankelijk van de informatiefrequentie. Bij een informatiefrequentie van 6 keer per jaar resulteren jaarlijkse structurele lasten (na volledige uitrol) van € 17,5 miljoen. Vooralsnog zal niet worden gekozen voor het alternatief met een informatiefrequentie van 12 keer per jaar.

De administratieve lasten die voor bedrijven uit artikel 5 in samenhang met artikel 6 voortvloeien, betreffen hoofdzakelijk aanpassingen in de administratie en investeringen die daarvoor in software gedaan moeten worden. De lasten hiervoor zijn eenmalig en bedragen maximaal circa € 1,5 per eindafnemer (KEMA, 2005). De eenmalige kosten voor deze informatievoorziening, welke worden opgenomen in de jaarlijkse factuur en de periodieke informatieverstrekking van meetdata (na installatie van een slimme meter), bedragen in totaal € 10,5 miljoen. Omdat het informatie betreft die voorhanden is en merendeels al wordt gecommuniceerd, zijn de aanpassingen naar verwachting gering. De uitwerking zal plaatsvinden bij algemene maatregel van bestuur.

Op grond van artikel 7, eerste lid, kunnen inlichtingen en gegevens worden gevraagd omtrent energieverbruik en aanverwante maatregelen. Het streven bij het vragen van de gegevens is om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de reeds bij betrokken bedrijven en instellingen beschikbare gegevens, om tot zo min mogelijk bewerkingen van deze gegevens te verplichten. Echter, waar nodig om aan de Europese verplichtingen te voldoen, zullen de gegevens moeten worden gevraagd en verstrekt. Omdat thans nog niet duidelijk is welke bedrijven welke gegevens op basis van dit artikel aan moeten leveren, is een kwantificering op dit moment niet mogelijk. Echter, zoals gezegd, zal gestreefd worden naar een zo beperkt mogelijke uitvraag van gegevens.

Er zal zo veel mogelijk gebruik worden gemaakt van gegevens die reeds aan het Centraal Bureau voor de Statistiek (hierna: CBS) worden verstrekt en deze zullen uitsluitend voor dit doel vanuit het CBS beschikbaar worden gesteld. Vanwege de hogere administratieve lasten zal van het alternatief om de relevante gegevens separaat bij de energiebedrijven op te vragen in beginsel geen gebruik worden gemaakt. Echter vanwege een zekerheidsstelling wordt wel het wettelijk kader geschapen om dit te doen, wanneer de gegevens vanuit het CBS bijvoorbeeld niet toereikend of niet tijdig beschikbaar zijn om te voldoen aan de richtlijn.

Naar de huidige inzichten zijn er geen kosten van bezwaar en beroep te voorzien. De lasten voor kennisname bedragen ongeveer € 15 000. Deze zijn relatief gering omdat het wetsvoorstel slechts implicaties heeft voor een gering aantal bedrijven (ongeveer 60) in de energiesector.

De totale eenmalige conversielasten van het wetsvoorstel bedragen tussen de € 850 miljoen en de € 1500 miljoen, de jaarlijkse structurele lasten (na volledige uitrol) bedragen bij benadering € 44 miljoen.

5.2 Advies van het Adviescollege toetsing administratieve lasten

Het Adviescollege toetsing administratieve lasten heeft op 11 juni 2007 advies uitgebracht over dit wetsvoorstel. Het college adviseert het wetsvoorstel in te dienen nadat in de toelichting rekening is gehouden met een aantal punten van het advies. Het betreft allereerst het advies om de investeringskosten als structurele administratieve lasten mee te nemen. Aangezien er sprake is van vervanging na 30 jaar voor slimme gasmeters, respectievelijk 15 jaar voor slimme elektriciteitsmeters, is dit niet beschouwd als regelmatige vervanging, maar als conversielasten. Regelmatige vervanging zou betekenen dat er voor deze investeringen sprake is van structurele lasten. Bovendien geldt dat de betreffende investeringen conform de methodiek die in ontwikkeling is en door het nieuwe kabinet zal worden toegepast, de slimme meters als conversielasten worden beschouwd. Het is om deze redenen en in overleg met de Interdepartementale Projectdirectie Administratieve Lasten (IPAL) opgenomen als conversielasten en niet als structurele lasten. De halvering van de levensduur van slimme elektriciteitsmeter ten opzichte van de conventionele variant is conform het advies aangepast in de toelichting.

Overeenkomstig het advies is de vervroegde afschrijving van de conventionele meters bij voortijdige vervanging opgenomen in de toelichting. Ten slotte is het advies om aan te sluiten bij de reguliere vervangingstermijn van de meters in lijn met de huidige één opéén implementatie van de richtlijn, waarbij geen vervangingstermijn is opgenomen.

5.3 Bedrijfseffecten

5.3.1 Kosten en baten

De bedrijfseffecten die voortvloeien uit dit wetsvoorstel hebben betrekking op de invoering van slimme meters voor warmte, koude, elektriciteit en gas en de hiermee samenhangende verplichting tot meer frequente en gedetailleerde facturering en informatieverstrekking. Daarnaast kan aan een distributeur, netbeheerder of detailhandelaar van elke andere vorm van energie worden gevraagd nadere informatie te verstrekken omtrent onder meer de prijzen en het energieverbruik van de afnemers. De invoering van de warmte- en koude-, elektriciteit- en gasmeters en facturering en informatieverstrekking biedt de zakelijke afnemers van deze energie slechts voordelen, omdat de afnemers beter worden geïnformeerd over hun energieverbruik na installatie van een slimme meter.

Met dit wetsvoorstel wordt de richtlijn één op één geïmplementeerd. Dit betekent dat de mogelijk negatieve gevolgen voor het bedrijfsleven tot het minimum worden beperkt, maar dat het wetsvoorstel daarbij wel afdoende is voor correcte implementatie van de richtlijn.

Het bedrijfsleven waarvoor dit wetsvoorstel gevolgen heeft, maakt deel uit van de energiesector, met als belangrijke partijen energieleveranciers en netbeheerders. Het betreft in omvang een beperkte groep bestaande uit 12 netbeheerders, ongeveer 30 leveranciers en bij benadering 20 meetbedrijven. Naast deze bedrijven kan bij de levering van warmte binnen een wooncomplex ook nog de woningbouwvereniging (of meer algemeen: de gebouweigenaar) betrokken zijn. Het merendeel van de technische uitvoeringsvormen van deze systemen maken het plaatsen van slimme warmtemeters binnen een wooncomplex echter technisch vrijwel onmogelijk. Daarom zullen deze partijen ook niet apart beschouwd worden. De levering van koude vindt nog zeer beperkt plaats en wordt daarom verder niet beschouwd.

De grootste kosten voor de implementatie van slimme meters liggen bij de netbeheerders, omdat zij tot taak hebben zorg te dragen voor de installatie van deze meters. Kosten bij de leverancier betreffen vooral de eisen aan facturatie en het aanpassen van ICT-systemen aan de koppeling met op afstand uitleesbare meetdata. Tegenover deze kosten staan efficiencywinsten en baten die voor een groot deel bij de netbeheerder vallen, maar ook bij de leverancier. Het wegvallen van de meteropnemer, efficiënter asset management, het opsporen van storingen in het netwerk en fraudedetectie leiden bij de netbeheerder tot kostenbesparingen. Accuratere facturen en daardoor lagere belasting van de callcentra en reductie van de foutkansen omdat meterstanden niet meer geschat hoeven te worden, levert kostenvoordeel op bij de leverancier. Dat de leverancier daarbij de klant betere en innovatieve diensten kan aanbieden op basis van telemetrie levert ook nog een belangrijk positief effect.

De financiële gevolgen voor de energiesector zijn in onderstaande tabellen samengevat middels conversielasten en structurele lasten en baten. De structurele lasten en baten betreffen de jaarlijkse lasten en baten die resulteren na volledige uitrol. De lasten zijn voor het merendeel administratieve lasten en eerder beschreven in paragraaf 5.1 van deze toelichting (€ 850 – € 1500 miljoen conversielasten en € 44 miljoen structureel). In de onderstaande tabel zijn de lasten samengevat en bevat bovendien lasten of kosten die betrekking hebben op verminderd energieverbruik door afnemers als gevolg van het energiebesparende effect van slimme meters (ingeschat op 2%). Deze kosten (€ 47 miljoen) zijn niet aan te merken als overige nalevingskosten, aangezien zij niet het gevolg zijn van inhoudelijke verplichtingen voor energiebedrijven, maar het gevolg zijn van verwacht gedrag van afnemers.

LastenLastendragerOmvang (miljoen €)
  ConversieStructureel
Aanschaf en installatie slimme meters (AL*)Netbeheerder612–1225 
Inrichten data-infrastructuur voor meetdata (AL)Netbeheerder22826
Inrichten infra tbv terugkoppeling meetdata naar verbruikers (AL)Netbeheerder11 
Frequent informeren afnemers mbt energieverbruik (facturatie) (AL)Leverancier 18
Vermindering energieverbruik door eindafnemers**Netbeheerder*** Leverancier Energieproducent**** 13 23 11
Vermindering afzet producent door detectie fraude e-metersProducent 1
SubTotaalNetbeheerder Leverancier Energieproducent 39 41 12
Totaal 851–146492

* AL staat voor Administratieve lasten, zie ook paragraaf 5.1.

** Door energiebesparing eindafnemers.

*** Het transporttarief is voor een deel afhankelijk van de getransporteerde hoeveelheid. De marge hierop voor de netbeheerder is niet openbaar bekend en hier is een inschatting gemaakt. Met de verwachte invoering van het capaciteitstarief (Kamerstukken II 2006/07, 28 982, nrs. 60 en 62) zijn de transporttarieven niet meer afhankelijk van de hoeveelheid afgenomen energie.

**** De marge op de hoeveelheid geleverde energie is niet openbaar bekend, hier is sprake van een inschatting.

De belangrijkste bedrijfsbaten en de baathebbers zijn in onderstaande tabel samengevat.

Baten BaathebberOmvang (miljoen €) Structureel
Besparing jaarlijkse bepaling meterstanden via opgave afnemersNetbeheerder22
Vermindering klachten via call center Netbeheerder Leverancier 27 40
Efficiënt switch proces Netbeheerder Leverancier0,6 0,3
Verschuiving elektriciteitsverbruik door vraagrespons*Leverancier18
Snellere detectie fraude e-meters Netbeheerder Leverancier 1 1
Effectievere aanpak wanbetalers Netbeheerder Leverancier 2 2
Subtotaal Netbeheerder Leverancier 53 61
Totaal 114

* Baten doordat het verbruik verschuift naar momenten met lagere inkoopprijzen (zogenaamde off-peak prijzen).

De hierboven vermelde kosten en baten maken deel uit van een maatschappelijke kosten-batenanalyse door KEMA uitgevoerd (KEMA, Domme meters worden slim, kosten-batenanalyse slimme meetinfrastructuur, 2005) en tot een advies is verwerkt door SenterNovem (SenterNovem, Advies invoering slimme meetinfrastructuur bij kleinverbruikers, oktober 2005) en komt uit op een positieve netto contante waarde van € 1,2 miljard (over een periode van 50 jaar). Hierbij zijn echter meer posten betrokken zoals maatschappelijke baten van energiebesparing. Accenture heeft vanuit de sector een business-case opgesteld en komt tot een positieve netto contante waarde van € 800 miljoen. De gepresenteerde cijfers bevatten een aantal onzekerheden, waardoor niet met zekerheid is vast te stellen dat de uitkomst van de business case positief zal zijn (Kamerstukken II 2005/06, 28 982, nr. 57).

De betrokken partijen hebben een aanzienlijke draagkracht en verwacht wordt dan ook dat zij deze initiële investeringskosten kunnen opvangen in de reguliere bedrijfsvoering.

In deze beschouwing zijn warmtemeters niet separaat beschouwd en zijn zij meegenomen als zijnde gasmeters. Warmtemeters zullen naar verwachting slechts circa 10% uitmaken van de te installeren slimme meters omdat warmte-aansluitingen in geringe mate voorkomen en in veel gevallen installatie technisch niet mogelijk is.

5.3.2 Sociaal-economische effecten

De invoering van de slimme meter en het op afstand uitlezen daarvan zal een besparing in arbeidskosten opleveren. Dit wordt vooral veroorzaakt door het wegvallen van de noodzaak tot handmatige opname en de administratieve verwerking van handmatig opgenomen meterstanden. Ook de benodigde capaciteit in callcenters voor onder andere klachtenafhandeling zal op termijn moeten kunnen afnemen. Zoals in paragraaf 5.3.1 weergegeven zijn de baten vooral efficiency verbeteringen en besparing op arbeidskosten. Het zal hier naar schatting gaan om 1000 arbeidsplaatsen. Nieuwe werkgelegenheid zal ontstaan in de installatiebranche en de dienstverlenende sector. De installatiebranche zal de slimme meters installeren, de dienstverlenende sector zal inspelen op de mogelijkheden die ontstaan door het beschikbaar komen van verbruiksdata met onder andere het verstrekken van energiebesparingsadviezen. Verwacht wordt dat het totaal aan nieuwe arbeidsplaatsen van dezelfde grootte zal zijn als de bovengenoemde besparing.

5.3.3 Marktwerking

De slimme meter is een belangrijk instrument dat op meerdere vlakken de marktwerking zal bevorderen. Middels de slimme meter wordt een efficiëntere werking van de markt gefaciliteerd vanwege het on line beschikbaar zijn van de meest actuele meterstanden. De administratieve verwerking van mutaties kan daardoor sterk worden verbeterd. Voorts is een bredere producten dienstendifferentiatie van leveranciers mogelijk. Ten slotte biedt de beschikbaarheid van frequente meetdata op afstand potentie voor energiebesparingsdiensten. Hiermee kunnen leveranciers zich onderscheiden van concurrenten en worden mogelijkheden geboden aan andere dienstverleners op besparingsgebied.

De warmtemeter maakt deel uit van de fysieke infrastructuur voor warmtelevering en het beheer van de fysieke infrastructuur berust bij de netbeheerder. Daarom is ervoor gekozen de netbeheerder verantwoordelijk te maken voor plaatsing van de slimme meter. Doordat hiermee de fysieke infrastructuur wordt losgekoppeld van de feitelijke levering wordt een mogelijke wijziging van leverancier ook bij warmtelevering in de toekomst bevorderd.

5.3.4 Ervaringen in buitenland

In Italië is het distributiebedrijf Enel in 2002 begonnen met de installatie van slimme meters. Sinds begin 2007 zijn alle huishoudens voorzien van een slimme meter. De uitrol had tot doel een betere controle op de meterstanden en vermogensvraag, de mogelijkheid om andere tariefsystemen aan te bieden en de mogelijkheid voor het aanbieden van andere diensten. De geschatte programma kosten bedroegen € 2,1 miljard en de opbrengsten 500 miljoen op jaarbasis.

In Zweden is een wet aangenomen die leveranciers verplicht om maandelijks de actuele meterstand af te lezen. Hoewel de wet niet voorschrijft hoe dit moet gebeuren, betekent het in de praktijk dat alle kleinverbruikers vanaf 1 juli 2009 met een slimme meter zijn uitgerust. De kosten-batenanalyse laat een jaarlijks maatschappelijk overschot zien van ruim € 60 miljoen.

Grootschalige proefprojecten worden ondernomen op verschillende plaatsen, waarbij vooral Canada en Scandinavië actief zijn.

In mei 2007 is de European Smart Metering Alliance (ESMA) opgericht met als belangrijkste doel het verzamelen en verspreiden van ervaringen en best practices op het gebied van slimme meters. Samen met 10 andere landen is Nederland actief betrokken bij de opzet en uitvoering van dit initiatief.

5.4 Milieueffecten

In deze paragraaf wordt ingegaan op de gevolgen van het wetsvoorstel voor het milieu. Op enkele onderdelen van het wetsvoorstel zijn enkele belangrijke milieueffecten te verwachten, welke zich richten op energiebesparing, de bijbehorende beperking van emissies en beperking van het verbruik van grondstoffen.

De milieueffecten van het wetsvoorstel richten zich met name op de metermarkt.

Ingevolge dit wetsvoorstel kunnen eindafnemers van warmte en koude, elektriciteit en gas de beschikking krijgen over individuele slimme meters die het actuele energieverbruik nauwkeurig kunnen weergeven. De meters worden geïnstalleerd bij ingrijpende renovatie, nieuwbouw, vervanging en op verzoek. Voor installatie in de laatste twee situaties zijn een aantal uitzonderingsmogelijkheden opgenomen, die voornamelijk verband houden met de kosten en de technische haalbaarheid.

Door de installatie van de slimme meter en de verplichting om de eindafnemers frequent te informeren over hun werkelijke energieverbruik, wordt een effect op energiebesparing verwacht. Een slimme meter vergemakkelijkt het geven van feedback op het energieverbruik. Door de afnemers van energie beter te informeren over hun werkelijke verbruik, wordt een besparing verwacht door gedragsverandering (bewustwording). Bepalend hierbij is dat afnemers in staat moeten zijn om hun eigen verbruik te kunnen beïnvloeden en dat de facturering gebaseerd is op dit verbruik.

De grootte van het verwachte besparingseffect bij de installatie van slimme meters bedraagt 2% tot 10%. Deze getallen worden aangehaald in de literatuur en worden bereikt in proefprojecten (Sarah Darby, Making it obvious: Designing feedback into energy consumption en KEMA, Domme meters worden slim, kosten-batenanalyse slimme meetinfrastructuur, 2005). Voor slimme warmtemeters zijn nog geen data beschikbaar. De verwachting is dat het besparingspercentage vergelijkbaar is met een slimme gasmeter, omdat warmte grotendeels voor dezelfde doelen wordt ingezet (verwarming en warmwater voorziening). De levering van koude is nog van zeer beperkte omvang en wordt daarom verder niet beschouwd.

In totaal leidt een energiebesparing van 2% voor gas, warmte en elektriciteit tot een CO2-reductie van 850 kton, bij een besparing van 10% is dit 4255 kton, voor SO2 achtereenvolgens 70 tot 352 ton, en NOx 890 tot 4708 ton bij 2% tot 10%.

De besparing in het energiegebruik heeft naast emissiereductie ook gevolgen voor de reductie van het grondstofgebruik. De reductie van grondstofgebruik in relatie tot elektriciteitsopwekking bij een energiebesparing van 2% is 60 kton kolen en 107 miljoen m3 gas, tot achtereenvolgens 300 kton kolen en 533 miljoen m3 gas bij een besparing van 10%. De reductie van grondstofgebruik in relatie tot het directe gasgebruik is 300 miljoen m3 bij een energiebesparing van 2%, tot 1500 miljoen m3 gas bij een besparing van 10%. Voor het toegepaste rekenmodel zijn gegevens gebruikt over het aantal kleinverbruikers, de samenstelling ervan en de hoeveelheid gebruik van kleinverbruikers bij elektriciteit en gas uit een recentelijk rapport van Energiened(Energie in Nederland, Energiened 2006).

De milieu-effecten voor warmtevoorziening worden in eerste benadering toegerekend aan projecten met warmtevoorziening afkomstig van industriële restwarmte, warmte van elektriciteitsproductie en afvalverbranding. Het gemiddelde warmteverbruik van een huishouden met warmtelevering bedraagt 35 GJ. Deze warmte heeft een geringe emissiefactor, waardoor een installatie van slimme meters met de bijbehorende informatieverstrekking bij 400 000 huishoudens in een totale reductie van 6 tot 28 kton CO2 per jaar resulteert.

In een eerste aanname wordt er vanuit gegaan dat doordat er minder warmte wordt verbruikt, er minder gasverbruik plaatsvindt, waarmee warmtemeters een beperkte vermindering van het aardgasverbruik tot gevolg hebben.

De emissies die gepaard gaan met het verbruik van gas, elektriciteit en warmte naar bodem of oppervlaktewater zijn te verwaarlozen. Wat betreft afvalstromen betekent de installatie van slimme meters dat oude meters worden gedemonteerd. Deze oude meters zullen gecontroleerd worden afgevoerd, zodat de afvalmaterialen niet ongecontroleerd in het milieu terecht komen.

Er is geen sprake van significante invloed op de mobiliteit. Enerzijds zal er in verminderde mate sprake zijn van handmatige meteropname. Deze invloed is echter gering omdat de meterstanden veelal door de consument zelf worden doorgegeven. Bovendien zullen in eerste instantie de meters geïnstalleerd moeten worden, waar monteurbezoek voor nodig is. Er is geen effect op de voor gebruik beschikbare fysieke ruimte.

6. Handhaving

6.1 Algemeen

Handhaving van dit wetsvoorstel valt uiteen in twee delen, te weten het toezicht op de naleving van hoofdstuk 1 (energiebesparing) en de handhaving betreffende hoofdstuk 2 (energiebesparing toestellen en installaties). Ter verduidelijking van dit onderscheid zijn in dit wetsvoorstel voor de twee onderdelen aparte handhavingshoofdstukken opgenomen: hoofdstuk 3 voor energiebesparing en hoofdstuk 4 betreffende energiebesparing toestellen en installaties.

Voorgesteld wordt om de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit te belasten met het toezicht op de naleving van het merendeel van de bepalingen die betrekking hebben op energiebesparing in het algemeen. Hiermee wordt aangesloten bij de taken en bevoegdheden die de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit heeft bij de handhaving van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet.

De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit en de door hem voor het toezicht aangewezen ambtenaren zullen beschikken over de gebruikelijke bevoegdheden van toezichthouders in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Bij de handhaving staat enerzijds de herstelsanctie oplegging van een last onder dwangsom en anderzijds de punitieve sanctie oplegging van een bestuurlijke boete ter beschikking. De keuze voor bestuursrechtelijke handhaving van het algemene energiebesparingsdeel is ingegeven door de administratieve aard van de vaststelling van de overtreding. Daarnaast is er geen behoefte aan een opsporingsfase met bijbehorende dwangmiddelen en opsporingbevoegdheden.

Op de hoofdregel van bestuursrechtelijke handhaving van hoofdstuk 1 is een uitzondering gemaakt voor de handhaving van artikel 3. Dit artikel, dat inhoudelijk gelijk is aan artikel 8, tweede lid, van de WET, richt zich tot de eigenaar of gebruiker van een gebouw en niet tot de energiesector. In verband daarmee is bestuursrechtelijk toezicht door de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit minder aangewezen. Daarnaast ligt de verwachte inzet van het soort bevoegdheden meer in lijn met strafrechtelijke handhaving via de WED. Daarom wordt voorgesteld het toezicht op de naleving van artikel 3 van dit wetsvoorstel overeenkomstig de handhaving van artikel 8, tweede lid, van de WET, door de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren en via de WED plaats te laten vinden.

In paragraaf 2 van deze toelichting is uiteengezet dat met de incorporatie van de Wet energiebesparing toestellen in dit wetsvoorstel de bepalingen over de energiebesparing van toestellen en installaties op hoofdlijnen inhoudelijk gelijk blijven. In lijn hiermee zal het toezicht op de naleving van de bepalingen betreffende toestellen en installaties ook niet worden gewijzigd. Hierbij zij opgemerkt dat de bepalingen uit de WET die geen betrekking hebben op energiebesparing bij toestellen en installaties (namelijk de artikelen 8 en 9 van de WET) in hoofdstuk 1 van dit wetsvoorstel zijn opgenomen, dat met uitzondering van artikel 3 langs bestuursrechtelijke weg wordt gehandhaafd.

Het voorgaande betekent dat de artikelen ten aanzien van de energiebesparing van toestellen en installaties via de Wet op de economische delicten zullen blijven gehandhaafd, waarbij door de toezichthouder gebruik kan worden gemaakt van de reeds opgebouwde expertise.

6.2 Uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets

Het onderdeel van het wetsvoorstel dat betrekking heeft op het algemene energiebesparingsdeel is voor een uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets voorgelegd aan de raad van bestuur van de Nederlandse mededingingsautoriteit. Bij brief van 28 juni 2007 heeft de raad van bestuur twee opmerkingen gemaakt.

Ten eerste geef de raad van bestuur aan dat het hier gaat om zowel toezichtstaken die vergelijkbaar zijn met, of in het verlengde liggen van het huidige wettelijke takenpakket als om een aantal nieuwe taken. Het toezicht op het ter beschikking stellen van slimme meters aan eindafnemers is nieuw, met name voor wat betreft het toezicht op de verplichting voor beheerders van een warmte- of koudenet (artikel 2 van het wetsvoorstel). De raad van bestuur stelt vast dat beheerders van een warmte- of koudenet niet bekend zijn, omdat warmte en koude op dit moment niet wettelijk zijn gereguleerd. De raad van bestuur geeft aan dat een reële inschatting van de uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidsaspecten hierdoor wordt bemoeilijkt.

Ten tweede kiest de raad van bestuur ervoor de capaciteitsgevolgen samen te bezien met het wetsvoorstel dat beoogt de werking van de elektriciteits- en gasmarkt te verbeteren (Kamerstukken II 2004/05, 28 982, nr. 44 en 2005/06, 28 982, nrs. 51 en 57) en hier later op terug te komen. Wel wordt de verwachting uitgesproken dat de uit het wetsvoorstel voortvloeiende benodigde extra capaciteit naar verwachting beperkt zal zijn voor de taken die vergelijkbaar zijn met het huidige wettelijke takenpakket.

II. ARTIKELEN

Artikel 1

Dit artikel strekt tot regeling van de voor de toepassing van dit wetsvoorstel en de daarop berustende lagere regelgeving noodzakelijke begripsomschrijvingen. De definities zijn voor zover mogelijk ontleend aan de richtlijn. De meeste definities van artikel 3 van de richtlijn behoeven niet in dit wetsvoorstel te worden opgenomen. Enkele behoeven geen implementatie, omdat de betekenis ervan in het Nederlandse recht duidelijk is. Zo komt het begrip distributienetbeheerder van artikel 3, onderdeel p, van de richtlijn overeen met de definitie van een netbeheerder als bedoeld in artikel 1, onderdeel k, van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 1, onderdeel e, van de Gaswet. Omzetting van sommige andere begripsbepalingen (bijv. artikel 3, onderdelen f en g) is niet nodig, omdat de richtlijnbepalingen waarin deze definities voorkomen, niet met dit wetsvoorstel in nationale regelgeving worden omgezet.

Onderdeel b

Met deze begripsbepaling is aangesloten bij artikel 3, onderdeel a, van de richtlijn. Onder het brede begrip van energie vallen onder andere elektriciteit, aardgas, LPG, warmte, koude, steenkool, bruinkool, biomassa en transportbrandstoffen zoals benzine (met uitzondering van bunkerbrandstoffen voor het lucht- en zeevervoer).

Onderdeel c

Onder de definitie van warmte valt zowel warmte ten behoeve van ruimteverwarming als warm tapwater bedoeld voor huishoudelijke doeleinden. Het gaat hier dus niet om warm tapwater dat binnenshuis door bijvoorbeeld een boiler wordt verwarmd.

Onderdeel d

Het begrip koude is in dit wetsvoorstel beperkt tot koud water dat is bedoeld voor ruimtekoeling. Koud tapwater valt dus niet onder de definitie van koude. Koud tapwater valt onder de bepalingen van de Waterleidingwet, waarin leidingwater wordt omschreven als water, bestemd om te drinken, te koken, voedsel te bereiden of andere huishoudelijke doeleinden, dat door een waterleidingbedrijf of een collectieve watervoorziening aan derden ter beschikking wordt gesteld. Deze beide definities overlappen dus niet.

Onderdeel e

Met deze definitie wordt de brede begripsbepaling van eindafnemers van artikel 3, onderdeel n, van de richtlijn overgenomen. Bij eindverbruikers gaat het dus om afnemers die energie gebruiken, bijvoorbeeld benzine gebruiken om een auto op te laten rijden. Dit in tegenstelling tot afnemers, die bijvoorbeeld handelen in benzine, en benzine dus kopen en weer verkopen.

Onderdelen f en g en tweede lid

Deze begripsbepalingen zijn ongewijzigd overgenomen uit artikel 1 van de Wet energiebesparing toestellen en zijn met name van belang voor de hoofdstukken 2 en 4 van dit wetsvoorstel.

Een toestel is een technisch hulpmiddel dat bij aanwending energie verbruikt of dat geschikt om energie op te slaan, over te brengen of om te vormen. Technische hulpmiddelen kunnen voor uiteenlopende doeleinden als ruimteverwarming, energieomvorming, industriële processen en voortbeweging worden gebruikt. De vraag welke brandstof of andere energiebron voor het toestel wordt gebruikt doet daarbij niet ter zake. Verder wordt onder toestel ook begrepen hulpmiddelen als warmtewisselaars en zonnecollectoren alsmede leidingen voor elektriciteit, gas en (warm) water. Dit laatste is van belang met het oog op isolatie-eisen.

Het begrip installatie is breder dan toestel. Een installatie is een samenstel van meerdere toestellen, voorwerpen of materialen dat naar zijn aard geschikt is om als een geheel te functioneren, voor zover het bij de aanwending energie verbruikt of geschikt om energie op te slaan, over te brengen of om te vormen. Hierbij kan worden gedacht aan klimaatregelings- en verwarmingsinstallaties en aan industriële apparatuur.

Artikel 2

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de richtlijn dienen de lidstaten ervoor te zorgen dat eindafnemers van elektriciteit, aardgas, stadsverwarming of -koeling en warm water voor huishoudelijke doeleinden de beschikking krijgen over individuele meters die informatie geven over het actuele energieverbruik en over de tijd waarin sprake was van verbruik. Met deze slimme meters, die op afstand zijn af te lezen, kan het energiemanagement worden gefaciliteerd. De verplichtingen betreffende meters voor warmte en koude worden met dit artikel geïmplementeerd. De verplichtingen die ingevolge de richtlijn voortvloeien voor meters van elektriciteit en gas, worden geïmplementeerd door middel van het van overeenkomstige toepassing verklaren van dit artikel op elektriciteit en gas in artikel 6.

Artikel 2 richt zich nadrukkelijk tot de beheerders van een warmte- of koudenet door toedeling van de taak aan deze beheerders tot het ter beschikking stellen van individuele meetinrichtingen aan eindafnemers. Deze netbeheerders zijn degenen die het warm- of koudwaterleidingnet beheren dat de warmte of koude tot in de woning distribueert. De netbeheerder wordt ook wel aangeduid als distributeur. In het geval van warmtelevering is de netbeheerder veelal ook de leverancier.

Het eerste lid, onderdeel a, verplicht beheerders van een warmte- of koudenet ertoe slimme meters aan eindafnemers ter beschikking te stellen indien de eindafnemers daarom verzoeken. Aan dit verzoek zal op een redelijke termijn moeten worden voldaan. Wat deze redelijke termijn is, hangt af van een aantal omstandigheden, bijvoorbeeld de feitelijke beschikbaarheid van meters, het aantal verzoeken dat is gedaan en de beschikbare capaciteit om meters ook daadwerkelijk te plaatsen. De beheerder zal niet aan het verzoek van de eindafnemer te hoeven voldoen indien het ter beschikking stellen van een slimme meter technisch onmogelijk is, financieel niet redelijk is of niet in verhouding staat tot de potentiële energiebesparingen. Met deze uitzonderingsgronden wordt aangesloten bij de eerste alinea van artikel 13, eerste lid, van de richtlijn.

Voorgesteld wordt om de netbeheerder verantwoordelijk te maken voor de plaatsing van de meter. Hiermee wordt ten eerste aangesloten bij de structuur van de elektriciteits- en gasmarkt zoals die met een wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en Gaswet, welke thans in voorbereiding is, zal worden geïntroduceerd ter verbetering van de werking van de elektriciteits- en gasmarkt (Kamerstukken II 2004/05, 28 982, nr. 44 en 2005/06, 28 982, nrs. 51 en 57). Daarnaast maakt de meter fysiek deel uit van de netinfrastructuur, waardoor de voorgestelde taak goed aansluit bij de competentie en verantwoordelijkheden van een netbeheerder.

Op grond van het eerste lid, onderdeel b, zullen slimme meters zonder verzoek ter beschikking dienen te worden gesteld indien een bestaande meetinrichting wordt vervangen. Alleen als het technisch onmogelijk is of niet kostenefficiënt is in verhouding tot de geraamde potentiële besparingen op lange termijn, zal een beheerder niet aan deze verplichting hoeven te voldoen. Deze uitzonderingsgronden volgen uit de tweede alinea van artikel 13, eerste lid, van de richtlijn.

Op grond van het eerste lid, onderdelen c en d, zullen slimme meters zonder verzoek in ieder geval ter beschikking dienen te worden gesteld voor nieuwe aansluitingen in nieuwe gebouwen of in geval van ingrijpende renovaties overeenkomstig Richtlijn 2002/91/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 2002 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PbEG L 2003, 1). De preambule van richtlijn 2002/91/EG stelt dat er sprake is van een ingrijpende renovatie van een bestaand gebouw indien de totale kosten van de renovatie met betrekking tot de buitenschil of energie-installaties zoals verwarming, warmwatervoorziening, airconditioning, ventilatie en verlichting hoger zijn dan 25% van de waarde van het gebouw, exclusief de waarde van de grond waarop het gebouw zich bevindt, dan wel die waarbij meer dan 25% van de buitenschil van het gebouw gerenoveerd wordt. Dit betekent dus concreet dat er bij nieuwe aansluitingen en ingrijpende renovaties altijd een slimme meter zal moeten worden geïnstalleerd.

De delegatiebepaling van het tweede lid biedt de mogelijkheid om in uitvoeringsregelgeving concreet aan te geven aan welke eisen de meter zal moeten voldoen. Artikel 13, eerste lid, van de richtlijn schrijft voor dat de meters het actuele energieverbruik van de eindafnemer nauwkeurig moeten weergeven en informatie dienen te geven over de tijd waarin sprake was van daadwerkelijk verbruik. De slimme meter zal dan ook in ieder geval aan deze technische eisen moeten voldoen. De eisen die aan de meetinrichting worden gesteld, moeten uiteraard in overeenstemming zijn met de (Europese) metrologieregelgeving, zoals geïmplementeerd met de Metrologiewet.

In het tweede lid is verder een grondslag opgenomen om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels te stellen over de tarieven voor de koop of huur van een slimme meter. Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de richtlijn zullen de meters in ieder geval tegen concurrerende prijzen ter beschikking moeten worden gesteld.

Artikel 3

Artikel 2, eerste lid, verplicht beheerders van een warmte- of koudenet in bepaalde gevallen een slimme meter aan te brengen. Artikel 3 maakt het mogelijk voor de eigenaar of gebruiker van of rechthebbende op het desbetreffende gebouw de meters ook daadwerkelijk te plaatsen. Deze mogelijkheid ontstaat door bewoners of gebruikers van een gebouw te verplichten de nodige medewerking te verlenen voor onder meer het plaatsen en onderhouden van de meter. Door enerzijds tot het aanbrengen van slimme meters te verplichten en anderzijds voor te schrijven dat hiertoe door de desbetreffende gebouweigenaar of -gebruiker medewerking moet worden verleend, wordt aan artikel 13, eerste lid, van de richtlijn voldaan voor zover het warmte en koude betreft. Ten aanzien van elektriciteit en aardgas wordt aan deze richtlijnverplichting invulling gegeven door het van overeenkomstige toepassing verklaren van dit artikel op elektriciteit en gas in artikel 6.

Op hoofdlijnen komt het voorgestelde artikel 3 overeen met het huidige artikel 8, tweede lid, van de WET. Ten opzichte artikel 8, tweede lid, van de WET is de reikwijdte van artikel 3 uitgebreid met koude om het artikel in overeenstemming te brengen met artikel 13, eerste lid, van de richtlijn.

Artikel 4

Op grond van artikel 13, tweede lid, van de richtlijn moeten lidstaten ervoor zorgen dat de facturering van energiedistributeurs, -netbeheerders en detailhandelaars in energie is gebaseerd op het actuele energieverbruik en in duidelijke, begrijpelijke taal is gesteld. Hiertoe is in artikel 4, onderdeel a, bepaald dat in uitvoeringsregelgeving regels zullen worden gesteld over de inrichting van facturen betreffende het verbruik van warmte of koude. In onderdeel c is een delegatiegrondslag opgenomen waarmee regels worden gesteld over het verstrekken van informatie over het verbruik en de ontwikkeling van dat verbruik. Vergelijkbare bepalingen zijn ook opgenomen in artikel 9, tweede lid, van de WET. Ten opzichte van de WET is de reikwijdte van artikel 4 met koude uitgebreid, zodat artikel 4 in lijn is met artikel 13, tweede lid, van de richtlijn.

Verder dient de frequentie van de facturering van het gebruik van warmte en koude ingevolge artikel 13, tweede lid, van de richtlijn zodanig te zijn dat afnemers in staat zijn met kennis van zaken beslissingen te nemen over het eigen energiegebruik. Ter omzetting van deze richtlijnverplichting biedt artikel 4, onderdeel b, de mogelijkheid regels te stellen over de frequentie van de informatievoorziening door leveranciers van warmte en koude. Voor elektriciteit en gas wordt gedacht aan een frequentie van 6 maal per jaar. Het voornemen is om aan te sluiten bij deze frequentie. Op grond van onderdeel d worden in de uitvoeringsregelgeving regels gesteld over degenen die de informatie, bedoeld in het eerste lid, verstrekt. Opgemerkt wordt dat de regels die ingevolge de delegatiegrondslagen van de onderdelen a, b, c en d, worden gesteld, per categorie van ontvangers van informatie kunnen verschillen.

Ten aanzien van elektriciteit en gas wordt aan de verplichtingen van artikel 13, tweede lid, van de richtlijn invulling gegeven door het van overeenkomstige toepassing verklaren van artikel 4 op elektriciteit en gas in artikel 6.

Ten slotte heeft het begrip facturering in dit wetsvoorstel betrekking op het verzenden van een rekening aan bijvoorbeeld (eind)afnemers en niet op de daadwerkelijke inning van in de factuur genoemde bedragen. Nederland kent een systeem van voorschotrekeningen, waarbij maandelijks vooruitbetalingen op de jaarafrekening van de energieleverancier worden gedaan. Dit systeem wordt met dit wetsvoorstel niet gewijzigd.

Artikel 5

Artikel 13, derde lid, van de richtlijn schrijft voor dat energiedistributeurs, -netbeheerders of detailhandelaars in energie bepaalde informatie aan hun eindafnemers geven. Deze informatie omvat actuele prijzen en het daadwerkelijke verbruik van energie, een vergelijking van het huidige energieverbruik van de eindafnemer met het verbruik in dezelfde periode en indien mogelijk een vergelijking met een gemiddelde energieverbruiker van dezelfde categorie. Daarnaast moet in contactgegevens worden voorzien van instanties waar informatie kan worden verkregen over onder andere maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie en technische specificaties voor energieverbruikende apparatuur. Artikel 5 geldt voor alle vormen van energie met uitzondering van elektriciteit en gas. Dit artikel is, voor zover het warmte en koude betreft, aanvullend op de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 4. Voor zover artikel 13, derde lid, van de richtlijn betrekking heeft op het gebruik van elektriciteit en gas, wordt dit door middel van een van overeenkomstige toepassingsverklaring van artikel 5 op elektriciteit en gas in artikel 6 geïmplementeerd. Voor een toelichting op dit voorstel zij verwezen naar de toelichting bij artikel 6.

Artikel 5 maakt het mogelijk netbeheerders, leveranciers van energie of handelaren in energie te verplichten om informatie aan onder meer eindafnemers te verstrekken. Deze informatie kan in contracten, facturen en ontvangstbewijzen over energie worden opgenomen. Uitgangspunt is dat de informatieverplichting bij moet dragen aan het doel waar deze informatieverplichting voor is opgenomen, namelijk het besparen van energie. In eerste instantie zal dit doel worden bereikt door de in artikel 13, derde lid, van de richtlijn genoemde onderwerpen. Waar nodig voor energiebesparing zullen echter aan de in de richtlijn genoemde punten ook onderwerpen kunnen worden toegevoegd.

Artikel 6

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de richtlijn dienen de lidstaten ervoor te zorgen dat eindafnemers van onder meer elektriciteit en aardgas de beschikking krijgen over individuele meters die informatie geven over het actuele energieverbruik en die informatie geven over de tijd waarin sprake was van daadwerkelijk verbruik. Op grond van artikel 13, tweede lid, van de richtlijn moeten lidstaten ervoor zorgen dat de facturering van energiedistributeurs, -netbeheerders en detailhandelaars in energie is gebaseerd op het actuele energieverbruik en in duidelijke, begrijpelijke taal is gesteld. Ten slotte schrijft artikel 13, derde lid, van de richtlijn voor dat energiedistributeurs,netbeheerders of detailhandelaars in energie bepaalde informatie aan hun eindafnemers geven. Met artikel 6 wordt voorzien in implementatie van artikel 13 van de richtlijn ten aanzien van elektriciteit en gas. Ingevolge deze bepaling worden de artikelen 2 en 3 (betreffende meetinrichtingen), 4 (inzake facturering) en 5 (over informatievoorziening) namelijk van overeenkomstige toepassing verklaard op elektriciteit en gas. Hierbij dient in deze artikelen voor «beheerder van een warmtenet of koudenet» beheerder van een elektriciteitsnet of gasnet gelezen te worden overeenkomstig de in artikel 6, onderdelen a en b, genoemde definities.

Over meters zijn in de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet reeds bepalingen opgenomen. Deze zullen binnen afzienbare tijd worden aangepast met een wetsvoorstel dat thans in voorbereiding is en dat beoogt de werking van de elektriciteits- en gasmarkt te verbeteren (Kamerstukken II 2004/05, 28 982, nr. 44 en Kamerstukken II 2005/06, 28 982, nrs. 51 en 57). Dat wetsvoorstel tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet regelt voor elektriciteit en gas ook wat ingevolge de richtlijn geregeld dient te worden, maar bevat ook andere voorstellen (waaronder een verplichte uitrol van slimme meters voor kleinverbruikers). Met het oog op tijdige implementatie is daarom gekozen voor volledige omzetting van de richtlijn in dit wetsvoorstel. Wanneer de wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en Gaswet in werking treedt, zullen de bepalingen betreffende elektriciteit en gas in dit wetsvoorstel ingevolge artikel 37 vervallen. De gewijzigde Elektriciteitswet 1998 en Gaswet zullen dan namelijk voorzien in de bepalingen benodigd voor de implementatie van de richtlijn.

Artikelen 7 en 8

Op basis van artikel 4 van de richtlijn stellen de lidstaten een nationale indicatieve streefwaarde vast, die negen jaar na het van toepassing worden van de richtlijn moet zijn bereikt. Daarnaast moeten ook tussentijdse nationale streefwaarden worden vastgelegd. De richtlijn geeft aan hoe deze streefwaarden berekend moeten worden en geeft een eerste indicatie over de wijze van monitoren. De nationale streefwaarde als vermeld in het coalitieakkoord van 7 februari 2007 is met 2% belangrijk hoger dan de 1% uit de richtlijn. Opgemerkt wordt dat de calculatiemethodes hiervan onderling afwijken. Uiteraard zullen maatregelen gericht op energiebesparing doorgaans aan het bereiken van beide doelen bijdragen (zie ook paragraaf 1 van het algemeen deel van deze memorie).

Artikel 4, vierde lid, van de richtlijn geeft aan dat een instantie verantwoordelijk moet zijn voor de bewaking van de streefwaarden, het hiertoe vastgestelde kader van meetmethodieken en de vraag wat de effecten zijn van maatregelen op het gebied van energiebesparing. Per lidstaat moet dus worden vastgesteld of de (tussentijdse) nationale indicatieve streefwaarden worden gehaald. Met het onderzoek ontstaat tevens inzicht in de effecten van de maatregelen op het gebied van energiebesparing.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de richtlijn zorgen de lidstaten ervoor dat energiedistributeurs, netbeheerders of detailhandelaars in energie op verzoek statistische informatie verstrekken over hun eindafnemers direct of indirect aan de instantie, bedoeld in artikel 4, vierde lid, van richtlijn.

Artikel 14 van de richtlijn schrijft voor dat lidstaten op gezette tijden aan de Europese Commissie moeten rapporteren. In deze rapporten moeten de getroffen maatregelen op het gebied van de energiebesparing worden beschreven en moet ook worden aangegeven tot welke resultaten deze maatregelen leiden. Voor het opstellen van deze rapporten is het dus noodzakelijk om inzicht te hebben in het energieverbruik en de vraag op welke wijze dit energieverbruik wordt beïnvloed door maatregelen op het gebied van energiebesparing.

Het voorgestelde artikel 7 strekt ertoe mogelijk te maken dat de gegevens over het energieverbruik en de effecten van de maatregelen van energiebesparing door de Minister worden verzameld, om zo aan de artikelen 4, 6, eerste lid, onderdeel a, en 14 van de richtlijn te kunnen voldoen. Voorgesteld wordt de taak om deze gegevens te verzamelen in eerste instantie neer te leggen bij de Minister. Naar verwachting zal de Minister deze taak in praktijk opdragen aan SenterNovem, een agentschap van het Ministerie van Economische Zaken, dat specifieke kennis en ervaring heeft met het monitoren van programma’s in het algemeen, en in het bijzonder kennis heeft op het gebied van energiebesparing. Een andere partij die veel kennis en ervaring op dit gebied heeft, is het Energieonderzoek Centrum Nederland (hierna: ECN). Het kan dan ook wenselijk zijn bepaalde onderdelen van de in dit artikel omschreven taak neer te leggen bij het ECN. Om deze reden is in artikel 8, eerste lid, voorgesteld de mogelijkheid op te nemen om specialisten zoals bijvoorbeeld ECN, ook te betrekken bij de monitoring van energieverbruik en maatregelen.

Bij de uitvoering van de monitoringstaak van artikel 7, eerste lid, is uiteraard de kwaliteit en consistentie van de gehanteerde monitoringmethodiek van belang. Deze methodiek wordt echter niet in dit wetsvoorstel vastgelegd, maar zal in overleg tussen de Minister en SenterNovem worden ontwikkeld. De methodiek omvat behalve gegevensverzameling ook dataverwerking, interpretatie en vastlegging van de uitkomsten.

De verzamelde gegevens bevatten veel informatie, die wellicht ook voor andere trajecten van belang kan zijn. Het is echter niet de bedoeling dat deze gegevens breed worden gebruikt voor andere doeleinden. Dit zou er bovendien toe kunnen leiden dat terughoudendheid ontstaat bij het verstrekken van gegevens. Om deze reden zijn de artikelen 7, tweede lid, en 8, tweede lid, opgenomen. Deze artikelen zijn vergelijkbaar met bijvoorbeeld artikel 78, derde en vierde lid, van de Elektriciteitswet 1998.

In artikel 7, derde lid, is een delegatiebepaling opgenomen. In de uitvoeringsregelgeving zal concreet worden aangegeven wie welke gegevens moet verstrekken, op welk tijdstip en in welke vorm. Om de administratieve lasten te beperken zullen gegevens die reeds beschikbaar zijn voor de Minister en gebruikt kunnen worden voor de monitoring, niet opnieuw worden gevraagd. Ook ter beperking van de administratieve lasten zullen niet meer gedetailleerde gegevens worden gevraagd dan noodzakelijk. Tot slot is het streven bij het vragen van de gegevens zo veel mogelijk aan te sluiten bij de reeds bij de betrokken bedrijven en instellingen (met name het Centraal Bureau voor de Statistiek) beschikbare gegevens, om tot zo min mogelijk bewerkingen van deze gegevens te verplichten. Echter, waar nodig om aan de Europese verplichtingen te voldoen, zullen de gegevens moeten worden gevraagd en verstrekt.

Artikel 9

Dit artikel geeft een delegatiebasis voor een algemene maatregel van bestuur, welke kan worden gemaakt in het belang van een tijdige omzetting van communautaire regelgeving op het gebied van energiebesparing. Zoals in het algemeen deel van deze toelichting is beschreven, valt te verwachten dat energiebesparing in de nabije toekomst op Europees niveau in belang zal toenemen. Met name met het oog op een tijdige omzetting van bindende Europese besluiten is het dan ook van belang om te beschikken over de mogelijkheid bij algemene maatregel van bestuur de noodzakelijke voorzieningen te treffen.

Strevend naar een goede uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van een dergelijke algemene maatregel van bestuur zal de Nederlandse mededingingsautoriteit bij het opstellen van een dergelijk besluit worden betrokken.

Artikelen 10 en 13

De artikelen 10 en 13 bevatten bevoegdheden die bedoeld zijn om greep te kunnen krijgen op het energieverbruik dat door het functioneren van toestellen en installaties wordt teweeggebracht. Deze artikelen komen overeen met de artikelen 2 en 6 van de WET. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld voor aan te wijzen categorieën van toestellen of installaties. Deze regels kunnen specifieke eisen inhouden, eventueel te koppelen aan een keuringsregime. De eisen die aan toestellen of installaties worden gesteld zullen veelal betrekking hebben op het energetisch rendement bij gebruik van het toestel of de installatie. In het algemeen kunnen die eisen worden gesteld, waarmee het energieverbruik door de betreffende apparatuur kan worden beperkt, al dan niet rechtstreeks. Zo kan bijvoorbeeld ook bijbehorende regelapparatuur worden voorgeschreven of een zodanig constructie, dat onderhoud goed mogelijk is, (mede) ter beïnvloeding van het energieverbruik. Er kunnen geen eisen met betrekking tot duurzaamheid, repareerbaarheid en dergelijke als zodanig worden gesteld. Indien niet aan de gestelde eisen wordt voldaan of geen goedkeuring is verkregen mogen geen commerciële handelingen (in- of uitvoeren, ten verkoop voorhanden hebben, ten verkoop aanbieden, tentoonstellen, verkopen, verhuren, afleveren of installeren, gebruiken) met betrekking tot het toestel of de installatie worden verricht. Ten aanzien van het keuringsregime kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden gegeven ten aanzien van het aanvragen van een goedkeuring, de wijze waarop de keuringen plaatshebben, het gebruik en van aanduidingen inzake de goedkeuring alsmede de gevallen waarin en de wijze waarop een goedkeuring kan worden geschorst of ingetrokken. Ook kan de geldingsduur van goedkeuring worden begrensd.

Op grond van de artikelen 2 en/of 6 van de WET zijn de volgende algemene maatregelen van bestuur vastgesteld: het Besluit energie-efficiëntienormen koel- en vriesapparatuur, het Besluit energierendementseisen voorschakelapparaten voor fluorescentielampen, het Besluit Energy Star-etiketteringsprogramma, het Besluit etikettering energiegebruik personenauto’s, het Besluit gastoestellen, het Besluit rendementseisen cv-ketels en het Kaderbesluit etikettering energiegebruik huishoudelijk apparatuur.

Artikel 12

Artikel 12 bevat de verplichting voor de vervaardiger en de importeur van toestellen en installaties, behorende tot een goedgekeurd type, om de keuringsinstelling in de gelegenheid te stellen te controleren of toestellen of installaties overeenkomstig het goedgekeurde type zijn of worden vervaardigd (nacontrole). Bij algemene maatregel van bestuur kunnen aangaande de normen en procedure volgens welke die controle plaatsvindt en de kostenvergoeding ter zake regels worden gegeven.

Verder is een medewerkingsplicht van de hierboven bedoelde vervaardiger en importeur vastgelegd jegens degenen die namens de keuringsinstantie de nacontrole uitvoeren.

Artikel 14

De op grond van artikelen 10 en 13 te stellen regels zijn niet van toepassing op het gebruik of onderhoud van toestellen of installaties in woningen en op erven in de sfeer van de particuliere huishouding of een daarmee bij algemene maatregel van bestuur gelijk te stellen huishouding. Hierbij kan worden gedacht aan verzorgingstehuizen of internaten.

Artikel 15

In artikel 15 is een waarborg neergelegd dat regeling wordt gehouden met de nadelige aspecten van de inwerkingtreding van krachtens artikel 10 gegeven regels met betrekking tot reeds vervaardigde en hier te lande ten verkoop of voorhanden zijnde toestellen of installaties. Hiervoor dient ingevolge artikel 12 afzonderlijk een overgangstermijn te worden gesteld.

Artikel 16

In verband met het verlenen van de bevoegdheid tot het instellen van een vergunningsplicht in artikel 10 is in artikel 11 voorzien in de mogelijkheid om nader te regelen op welke wijze de aanvragen om een vergunning dienen te worden gedaan en welke gegevens daarbij dienen te worden overgelegd. Artikel 16 bevat verder bepalingen over modaliteiten van de vergunning, alsmede weigering, wijziging en intrekking daarvan.

Artikel 17

Voorzien wordt in de mogelijkheid van het vragen van retributies ter gelegenheid van aanvragen voor keuringen, vergunningen of ontheffingen. Met de opbrengst van deze bijdragen zullen de kosten, welke de behandeling van de betreffende verzoeken met zich meebrengt, worden bestreden.

Artikel 18

Dit artikel geeft een delegatiebasis voor een algemene maatregel van bestuur, welke kan worden gemaakt in het belang van tijdige implementatie van communautaire regelgeving ten aanzien van de energiebesparing betreffende toestellen en installaties. Zoals in het algemeen deel van deze toelichting is beschreven, valt te verwachten dat energiebesparing in de nabije toekomst op Europees niveau in belang zal toenemen. Met name met het oog op een tijdige omzetting van bindende Europese besluiten is het dan ook van belang om te beschikken over de mogelijkheid bij algemene maatregel van bestuur de noodzakelijke voorzieningen te treffen.

Artikel 19

Op basis van artikel 19, eerste en tweede lid, wordt de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit belast met het toezicht op de naleving van de bepalingen genoemd in deze leden en worden de met het toezicht bevoegde ambtenaren aangewezen. Het door de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit uit te oefenen toezicht beperkt zich daarmee tot bepalingen ten aanzien van energiebesparing. Na aanwijzing door de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit worden de betreffende ambtenaren toezichthouders in de zin van artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht met de daarbij behorende bevoegdheden.

Artikel 19, derde lid, regelt dat de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren belast worden met het toezicht op de naleving van artikel 3, dat inhoudelijk gelijk is aan artikel 8, tweede lid, van de WET. In paragraaf 6.1 van het algemeen deel van deze memorie is toegelicht waarom voorgesteld wordt de handhaving van deze bepaling door de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren en via de WED plaats te laten vinden.

Artikel 20

Ingevolge dit artikel kunnen een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete ook aan een rechtspersoon worden opgelegd. Hierbij worden eveneens begrepen andere vennootschappen, niet zijnde rechtspersonen, zoals de maatschap en de vennootschap onder firma. Met het de overeenkomstige toepassing verklaring van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht is het daarnaast mogelijk om de feitelijk leidinggevende of de opdrachtgever een last onder dwangsom of bestuurlijke boete op te leggen.

Bij de formulering van deze bepaling is ervan uitgegaan dat het wetsvoorstel Vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 2) op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel nog niet in werking is getreden. Als het wetsvoorstel Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht tot wet wordt verheven en in werking treedt, kan dit artikel vervallen, omdat hierin dan door artikel 5.0.1, derde lid, van de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht wordt voorzien. Voor een meer uitgebreide toelichting op dit artikel, wordt kortheidshalve verwezen naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3).

Artikel 21

Dit artikel heeft betrekking op het opleggen van een last onder dwangsom. Voorgesteld wordt aan de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit de bevoegdheid te geven om een last onder dwangsom op te leggen ter handhaving van de bepalingen genoemd in dit artikel. Hierbij is aansluiting gezocht bij het handhavingsysteem ingevolge artikel 77hc van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 60ac van de Gaswet. In overeenstemming met artikel 77k van de Elektriciteitswet en artikel 60af van de Gaswet wordt bij de vaststelling van een overtreding als bedoeld in artikel 21, een rapport opgemaakt door de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit.

De last onder dwangsom is geregeld in de artikelen 5:32 tot en met 5:36 van de Algemene wet bestuursrecht. Het enige dat daarom nog in dit wetsvoorstel geregeld hoeft te worden, is de bevoegdheid tot oplegging hiervan.

Artikel 22

In plaats van of in combinatie met oplegging van een last onder dwangsom is de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit ingevolge dit voorgestelde artikel bevoegd een bestuurlijke boete op te leggen bij de handhaving van het bij of krachtens de artikelen 2, 4, 5, 6, 7, derde lid, en 9 bepaalde. Daarnaast kan een bestuurlijke boete worden opgelegd om artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (meewerkplicht) af te dwingen. Een bestuurlijke boete impliceert een onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een geldsom door de overtreder. Bij de keuze voor de toekenning van de bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete en de vormgeving daarvan is aansluiting gezocht bij artikel 77i van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 60ad van de Gaswet.

Conform het wetsvoorstel Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht is een maximumboete voorgeschreven. Hierbij is overeenkomstig soortgelijke overtredingen in de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet een maximale boete per overtreding van € 450 000 mogelijk gemaakt.

De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit stemt de hoogte van de boete in elk geval af op de omstandigheden van de overtreding. Hierbij kan rekening worden gehouden met de aard, ernst en duur van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten.

Artikelen 23 tot en met 30

In de artikelen 23 tot en met 30 is een regeling getroffen voor bestuurlijke boetes. De artikelen zijn overeenkomstig de boetebepalingen van hoofdstuk 5A van de Elektriciteitswet 1998 en hoofdstuk 5.5a van de Gaswet vormgegeven. Bij de formulering van de artikelen is er vanuit gegaan dat het wetsvoorstel Vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 2) op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel nog niet in werking is getreden. Als het wetsvoorstel Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht tot wet wordt verheven en in werking treedt, kan het merendeel van de bepalingen betreffende de bestuurlijke boete in dit wetsvoorstel, vervallen (zie artikel 42). Echter, zolang de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht nog niet in werking is getreden, is een uitgebreide regeling voor bestuurlijke boetes in de sectorspecifieke wetgeving noodzakelijk. De artikelen van het wetsvoorstel Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht zijn derhalve voor zover relevant overgenomen. Voor een uitgebreidere toelichting op de artikelen inzake de bestuurlijke boete, wordt kortheidshalve verwezen naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3).

Artikel 31

Met deze bepaling wordt artikel 11 van de WET ten aanzien van toestellen en installaties in dit wetsvoorstel overgenomen. Op basis van dit artikel worden de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van de bepalingen genoemd in dit artikel. Dit toezicht heeft daarmee uitsluitend betrekking op de genoemde bepalingen ten aanzien van energiebesparing betreffende toestellen en installaties. Hierin ligt het verschil van deze bepaling ten opzichte van artikel 11 van de WET, waarin de door Onze Minister aangewezen ambtenaren ook zijn belast met het toezicht op de naleving van paragraaf 4 van de WET. Die paragraaf bevat regels over het in rekening brengen van de kosten van energieverbruik en heeft geen betrekking op energiebesparing omtrent toestellen en installaties. De desbetreffende artikelen van de WET (artikelen 8 en 9) zijn daarom opgenomen in hoofdstuk 1 van dit wetsvoorstel, dat over energiebesparing in den brede gaat. Dit hoofdstuk wordt, met uitzondering van artikel 3, langs bestuursrechtelijke weg gehandhaafd.

Bij besluit van de Minister van Economische Zaken van 17 augustus 1999, nr. WJZ/JZ 99 052 575, houdende mandaatverlening aanwijzing toezichthoudende ambtenaren (Stcrt. 161) in samenhang met het besluit van de Minister van Economische Zaken van 1 september 1999, nr. CDJZ/WBI/19 991 309, houdende aanwijzing buitengewoon opsporingsambtenaren ex artikel 11, eerste lid, van de Wet energiebesparing toestellen (Stcrt. 172) zijn met het toezicht op de naleving van artikel 11 van de WET, de aangewezen ambtenaren van de Belastingdienst/ECD belast. Met de incorporatie van artikel 11 van de WET in artikel 31 van dit wetsvoorstel wordt hierin geen wijziging aangebracht.

Artikelen 32 en 33

Met deze bepalingen zijn de artikelen 12 en 17 van de WET inhoudelijk ongewijzigd overgenomen. Kortheidshalve wordt daarom verwezen naar de memorie van toelichting bij voornoemde artikelen van de WET (Kamerstukken II 1981/82, 17 251, nr. 3).

Artikel 34

Evenals in de WET wordt voor het College van Beroep voor het bedrijfsleven als bevoegde bestuursrechter gekozen voor zover het gaat om een op grond van deze wet genomen besluit. Het college is ook de bevoegde rechter in de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet, zodat met deze aanwijzing als bevoegde rechter gebruik kan worden gemaakt van de opgebouwde expertise met betrekking tot energiewetgeving.

Artikelen 35 en 36

Voorgesteld wordt tot een algemene wet op het terrein van energiebesparing te komen, waarin de WET is geïncorporeerd. Hierdoor dienen de verwijzingen naar de WET in andere wetten te worden aangepast, waartoe de artikelen 35 en 36 strekken.

Op dit moment wordt de WET strafrechtelijk gehandhaafd via een bepaling in de Wet op de economische delicten (hierna: WED). In artikel 1, onderdeel 4°, van de Wet op de economische delicten is overtreding van de daar genoemde WET-bepalingen aangewezen als economisch delict. In dit wetsvoorstel worden de verwijzingen naar de desbetreffende bepalingen aangepast, maar blijft deze systematiek in beginsel ongewijzigd. De bepalingen betreffende energiebesparing toestellen en installaties worden namelijk ook in dit wetsvoorstel via de WED gehandhaafd. In dit verband zij verwezen naar de toelichting in paragraaf 6.1 van het algemeen deel van deze memorie van toelichting.

Artikel 37

Met paragraaf 5 van hoofdstuk 1 wordt voorzien in implementatie van artikel 13 van de richtlijn ten aanzien van elektriciteit en gas. De verplichtingen van artikel 13 van de richtlijn hebben betrekking op meetinrichtingen en informatievoorziening.

Momenteel is een wetsvoorstel in voorbereiding dat beoogt de werking van de elektriciteits- en gasmarkt te verbeteren (Kamerstukken II 2004/05, 28 982, nr. 44 en 2005/06, 28 982, nrs. 51 en 57). Dat wetsvoorstel zal onder meer voorzien in een delegatiegrondslag voor het stellen van eisen aan meetinrichtingen en aan de informatie die aan eindafnemers moet worden verstrekt, waarmee aan de uit de richtlijn voortvloeiende verplichtingen betreffende elektriciteit en gas in de Elektriciteitswet 1998 en Gaswet kan worden voldaan. Het wetsvoorstel tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en Gaswet regelt echter ook andere zaken dan hetgeen ingevolge de richtlijn geregeld dient te worden. Met het oog op tijdige implementatie is daarom gekozen voor volledige omzetting van de richtlijn in dit wetsvoorstel.

Wanneer de wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en Gaswet in werking treedt, zullen de bepalingen betreffende elektriciteit en gas in dit wetsvoorstel vervallen. Omdat niet op voorhand is te zeggen wanneer dat wetsvoorstel in werking zal treden, wordt voorgesteld met artikel 37 de mogelijkheid op te nemen de desbetreffende bepalingen van dit wetsvoorstel bij koninklijk besluit te laten vervallen.

Artikel 38

Aangezien dit wetsvoorstel mede basis biedt voor de bepalingen die thans in de WET zijn opgenomen, kan de WET worden ingetrokken.

Artikel 39

In het wetsvoorstel Implementatiewet EG-richtlijn ecologisch ontwerp energieverbruikende producten (Kamerstukken II 2006/07, 30 958, nr. 2) is een bepaling opgenomen, waarmee een artikel aan de WET wordt toegevoegd. De voorgestelde toevoeging houdt in dat voor zover ingevolge de WET met betrekking tot installaties of toestellen voorschriften zijn gesteld over onderwerpen waarvoor tevens ingevolge titel 9.4 van de Wet milieubeheer voorschriften zijn gesteld, eerstgenoemde voorschriften niet gelden. Aangezien met dit wetsvoorstel de WET wordt ingetrokken en bovendien op dit moment nog niet duidelijk is welk wetsvoorstel eerder in werking zal treden, is in dit artikel een samenloopbepaling opgenomen. Hiermee wordt de samenhang tussen de relevante bepalingen van beide wetsvoorstellen in de verschillende mogelijke tijdpadscenario’s geregeld.

Artikelen 40 en 41

Door de voorgestelde intrekking van de WET en de incorporatie hiervan in dit wetsvoorstel, kan onduidelijkheid bestaan over de grondslag van besluiten die thans op de WET zijn gebaseerd. Met artikel 40 wordt duidelijk dat deze besluiten niet door de intrekking van de WET vervallen, maar blijven bestaan op basis van dit wetsvoorstel. Met dit artikel wordt namelijk aan deze besluiten en nieuwe grondslag gegeven.

Artikel IV, eerste lid, van het wetsvoorstel Implementatiewet EG-richtlijn ecologisch ontwerp energieverbruikende producten (Kamerstukken II 2006/07, 30 958, nr. 2) breidt daarnaast de grondslag van het Besluit energie-efficiëntienormen koel- en vriesapparatuur, het Besluit energierendementseisen voorschakelapparaten voor fluorescentielampen en het Besluit rendementseisen cv-ketels uit met artikel 9.4.4 van de Wet milieubeheer. In artikel 41 is daarom in een samenloopbepaling voorzien voor het geval artikel IV, eerste lid, van het wetsvoorstel Implementatiewet EG-richtlijn ecologisch ontwerp energieverbruikende producten eerder in werking treedt dan de bepalingen inzake energiebesparing toestellen en installaties van dit wetsvoorstel.

Artikel 42

Indien het wetsvoorstel Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht tot wet wordt verheven en in werking treedt, wordt aangesloten bij het algemene regime van de Algemene wet bestuursrecht en kunnen de artikelen genoemd in deze bepaling vervallen. Dit artikel strekt hiertoe.

Artikel 43

Het kan wenselijk zijn om bepaalde artikelen niet onmiddellijk in werking te laten treden. Te denken valt bijvoorbeeld aan de bepalingen over meters voor levering van warmte of koude indien dit wetsvoorstel voor de implementatietermijn van de richtlijn tot wet wordt verheven. Streven is zo veel mogelijk bepalingen onmiddellijk in werking te laten treden. Indien het nodig is dat artikelen of onderdelen hiervan later in werking treden, zal de termijn dat deze artikelen later in werking treden zo veel mogelijk worden beperkt.

De minister van Economische Zaken,

M. J. A. van der Hoeven

BIJLAGE I

Transponeringstabel

In de navolgende tabel is in de rechterkolom aangegeven in welke artikelen van dit wetsvoorstel de in de linkerkolom vermelde bepalingen van de richtlijn zijn verwerkt.

Het betreft richtlijn 2006/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 april 2006 betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten en houdende intrekking van richtlijn 93/76/EEG van de Raad (PBEG L 114).

Uiterste implementatiedatum van de richtlijn is 17 mei 2008.

RICHTLIJNWETSVOORSTEL
Artikel 1Behoeft geen implementatie
Artikel 2Behoeft geen implementatie
Artikel 3, onderdeel aArtikel 1, eerste lid, onderdeel b
Artikel 3, onderdelen b tot en met mBehoeft geen implementatie
Artikel 3, onderdeel nArtikel 1, eerste lid, onderdeel e
Artikel 3, onderdelen o tot en met sBehoeft geen implementatie
Artikel 4, eerste tot en met derde lidBehoeft geen implementatie
Artikel 4, vierde lidArtikelen 7 en 8
Artikel 4, vijfde lidBehoeft geen implementatie
Artikel 5Behoeft geen implementatie
Artikel 6, eerste lid, onderdeel aArtikelen 7 en 8
Artikel 6, eerste lid, onderdeel bBehoeft geen implementatie
Artikel 6, tweede tot en met vijfde lidBehoeft geen implementatie
Artikel 7Behoeft geen implementatie
Artikel 8Behoeft geen implementatie
Artikel 9Behoeft geen implementatie
Artikel 10Behoeft geen implementatie
Artikel 11Behoeft geen implementatie
Artikel 12Behoeft geen implementatie
Artikel 13, eerste lidArtikelen 2, 3 en 6
Artikel 13, tweede en derde lidArtikelen 4, 5 en 6
Artikel 14Behoeft geen implementatie
Artikel 15Behoeft geen implementatie
Artikel 16Behoeft geen implementatie
Artikel 17Behoeft geen implementatie
Artikel 18Behoeft geen implementatie
Artikel 19Behoeft geen implementatie
Artikel 20Behoeft geen implementatie

BIJLAGE II

Omzettingsoverzicht

In de navolgende tabel is in de rechterkolom aangegeven in welke artikelen van dit wetsvoorstel de in de linkerkolom vermelde bepalingen van de Wet energiebesparing toestellen zijn opgenomen.

WET ENERGIEBESPARING TOESTELLENWETSVOORSTEL
Artikel 1, eerste lidArtikel 1, onderdelen f en g
Artikel 1, tweede lidArtikel 1, tweede lid
Artikel 2, eerste tot en met derde lidArtikel 10
Artikel 2, vierde lidArtikel 14
Artikel 3Artikel 15
Artikel 4Artikel 11
Artikel 5Artikel 12
Artikel 6, eerste tot en met vierde lidArtikel 13
Artikel 6, vijfde lidArtikel 14
Artikel 7Artikel 15
Artikel 8, eerste en derde lidArtikel 4
Artikel 8, tweede lidArtikel 3
Artikel 9, eerste lidArtikel 4 in samenhang met artikel 6
Artikel 9, tweede lidArtikel 4
Artikel 10Artikel 34
Artikel 11Artikel 31
Artikel 12Artikel 32
Artikel 17Artikel 33
Artikel 19Artikel 16
Artikel 20Artikel 17
Artikel 21Artikel 18

De volgende bepalingen uit de Wet energiebesparing toestellen worden niet in dit wetsvoorstel overgenomen.

• De artikelen 13, 14, 15, 16 en 22 waren al vervallen.

• In het bepaalde van artikel 18 wordt voorzien door interdepartementale afspraken (zie Handleiding medebetrokkenheid en medeondertekening, Draaiboek voor de wetgeving).

• Artikel 23 bevatte wijzigingen in andere regelgeving.

• Artikel 24 regelde de citeertitel en inwerkingtreding van de Wet energiebesparing toestellen.


XNoot
1

Richtlijn 2006/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 april 2006 betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten en houdende intrekking van richtlijn 93/76/EEG van de Raad (PBEG L 114). Uiterste implementatietermijn van de richtlijn is 17 mei 2008. Voor verdere implementatie-aspecten zij verwezen naar de transponeringstabel in de bijlage bij deze memorie van toelichting.