Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201531311 nr. 151

31 311 Zelfstandig ondernemerschap

Nr. 151 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 8 juli 2015

De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Financiën over de brief van 31 maart 2015 over de rapportage van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) over de herbeoordelingen door banken van rentederivaten bij niet-professionele MKB-ondernemingen (Kamerstuk 31 311, nr. 147).

De vragen en opmerkingen zijn op 28 mei 2015 aan de Minister van Financiën voorgelegd. Bij brief van 7 juli 2015 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Duisenberg

De adjunct-griffier van de commissie, Van den Eeden

I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de VVD

De leden van de VVD-fractie hebben met teleurstelling kennis genomen van de voortgang van de herbeoordeling van rentederivaten bij niet-professionele MKB-ondernemingen door banken. Het is de banken niet gelukt om eind 2014 de herbeoordeling van alle kwetsbare klantgroepen afgerond te hebben. Banken moeten wat de leden van de fractie van de VVD betreft de herbeoordeling snel en adequaat afronden en indien nodig snel adequate oplossingen bieden aan de MKB-ers. De kwaliteit van de herbeoordeling staat natuurlijk voorop, maar dat hoeft niet ten koste te gaan van snelheid, want ondernemers hebben snel recht op duidelijkheid. Als er sprake is van niet passende informatie en adviezen door banken richting het MKB, dan moeten de banken passende oplossingen aanbieden. Als daardoor (financiële) schade is ontstaan, dan moet die vergoed worden door de banken.

De leden van de VVD-fractie vinden het een gemiste kans en zeer, zeer teleurstellend dat de betrokken banken niet vrijwillig akkoord zijn gegaan met het noemen van naam en toenaam in dit dossier. Ook al omdat er behoorlijke verschillen bestaan tussen de banken volgens de AFM. De goede lijden dus onder slechte. Het noemen van naam en toenaam zou bij kunnen dragen aan het herstel van vertrouwen in de banken. En bovendien een prikkel en een stimulans kunnen zijn voor kwaliteitsverbetering voor de banken. De leden van de fractie van de VVD zijn een groot voorstander van naming & shaming, oftewel het met naam en toenaam noemen van de betrokken banken. Deze leden vragen de Minister daarom om de betrokken banken nog eens zelf met klem te verzoeken om wel vrijwillig akkoord te gaan met het noemen van naam en toenaam in de eerstvolgende rapportage. Is de Minister daartoe bereid? De leden van de fractie van de VVD roepen de betrokken banken met klem op om vrijwillig akkoord te gaan. De leden van de fractie van de VVD hebben over naming & shaming in april 2015 ook schriftelijke vragen gesteld aan de Minister om het gebruik van naam en toenaam door de AFM meer en ruimer mogelijk te maken. Deze leden gaan er vanuit dat de schriftelijke vragen hierover voor of uiterlijk tegelijk met het verslag van dit schriftelijk overleg worden gegeven.

De AFM zal in de loop van 2015 nader rapporteren over de uitkomsten van de herbeoordeling. Wat zal inhoud van deze rapportage zijn, aangezien de banken pas eind 2015 alle herbeoordelingen en oplossingen afgerond hebben? De leden van de VVD-fractie willen weten wanneer dit rapport in 2015 precies gereed is. Deze leden willen het rapport graag uiterlijk medio 2015 ontvangen, aangezien alle banken de herbeoordeling van de kwetsbare klantengroepen in het eerste kwartaal van 2015 hebben afgerond. Kan de Minister toezeggen dat het rapport uiterlijk medio 2015 naar de Tweede Kamer gaat en daarin ook uitgebreide informatie in opgenomen is over de geboden oplossingen aan het MKB?

In 43% van de per 31 december 2014 gerapporteerde gevallen zijn er door de banken wel bevindingen gevonden in de dossiers van MKB-ers over rentederivaten. In hoeveel van deze gevallen ging het om gebrekkige informatieverstrekking? In hoeveel van deze gevallen ging het om onvolledige dossiervorming? In hoeveel gevallen is er sprake van niet-passend advies of ongeschikte dienstverlening? In hoeveel gevallen is er al een oplossing geboden en zo ja welk type oplossingen (o.a. financiële compensatie)?

De leden van de VVD-fractie lezen in het AFM-rapport dat de optie van onafhankelijke reviewers voor de herbeoordeling nadrukkelijker in beeld kan komen als er opnieuw twijfel ontstaat over de kwaliteit van de herbeoordeling. Wanneer zou dit het geval kunnen zijn?

De AFM is van mening dat klanten uiteindelijk allemaal een schriftelijke bevestiging moeten krijgen van de uitkomsten van de herbeoordeling van hun derivaat of derivaten. In hoeverre moet er in deze brieven ook worden opgenomen welke mogelijkheden MKB-ers hebben als ze het niet eens zijn met de herbeoordeling of de oplossing? De leden van de fractie van de VVD vinden dat de MKB-ers ook over deze mogelijkheden duidelijke informatie moeten krijgen.

De AFM beraadt zich nog op de exacte invulling van de herbeoordeling van de contracten die tussen januari 2012 tot april 2014 (voortijdig) zijn beëindigd. Welke invulling staat de AFM voor ogen? Welke afspraken zijn daarover gemaakt door de AFM met de banken? Wat zijn de financiële gevolgen voor een ondernemer van een derivatencontract dat gedwongen moet worden beëindigd door bijvoorbeeld een faillissement van de ondernemer?

De VVD wil dat álle herbeoordelingen ook echt uiterlijk eind 2015 afgerond zijn door de betrokken banken, en dat er waar nodig ook voor dat tijdstip oplossingen zijn geboden. De leden van de VVD-fractie lezen dat de AFM de mogelijkheid tot handhaving bij overtredingen heeft. Welke handhavingsinstrumenten kan de AFM wanneer inzetten?

Zijn de «embedded derivaten», waarbij een rentederivaat is verwerkt in een lening of een deposito, ook meegenomen in de herbeoordeling door de banken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe?

De leden van de VVD-fractie lezen dat geen van de banken MKB-ers de verplichting tot het storten van onderpand in de vorm van contacten opleggen (zogenaamde «cash margins»). In hoeverre worden er door de banken wel andere vormen van extra onderpand gevraagd bij ondernemers met derivaten met een negatieve waarde? In hoeverre worden er wel extra risico-opslagen op de leningen gehanteerd door de banken bij ondernemers met derivaten met een negatieve waarde?

Gedurende de looptijd vergelijken banken de actuele marktwaarde met het bedrag van de limiet. Als de actuele (negatieve) marktwaarde de limiet dreigt te overschrijden, kunnen banken de derivatenlimiet verhogen. In hoeveel procent van de gevallen doen de banken dit? De banken geven aan dat zij dit in verreweg de meeste gevallen doen zonder aanvullende zekerheden te vragen. In hoeveel van de gevallen gebeurt het mét en zónder zekerheden te vragen door de betrokken banken?

Hoeveel MKB-ers zitten inmiddels bij de banken in een klachtenprocedure over de rentederivaten? Het Kifid is tijdelijk opengesteld voor MKB-ers met klachten over rentederivaten. Hoeveel klachten heeft het Kifid op dit moment in behandeling?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdA

De leden van de PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het AFM-rapport over de voortgang die banken hebben gemaakt bij de herbeoordeling van rentederivaten aan niet-professionele MKB-ondernemingen. Uit de rapportage van de AFM blijkt dat banken verder hadden moeten en kunnen zijn bij het oplossen van de problemen met rentederivaten in het MKB. De leden van de PvdA-fractie verwachten van banken dat zij hun zorgplicht serieus nemen. Banken moeten nu snel oplossingen bieden aan MKB-ondernemingen die schade hebben opgelopen door verkeerde advisering over en aanschaf van niet-passende rentederivaten. De leden van de PvdA-fractie hebben nog de hierna volgende vragen over het AFM-rapport.

De kwaliteit van de herbeoordeling van rentederivaten door banken wordt in lang niet alle gevallen als «goed» gekwalificeerd door de AFM. De leden van de PvdA-fractie vragen welke maatregelen banken in overleg met de AFM nemen om de kwaliteit van de herbeoordelingen te verbeteren? Welke verbeteringen moeten worden gerealiseerd om een situatie waarin banken verplicht worden om onafhankelijke reviewers in te zetten te voorkomen? Op welke termijn zou het verplicht inzetten van onafhankelijke reviewers kunnen worden gerealiseerd?

In haar rapport geeft de AFM aan dat banken ook oog moeten hebben voor klanten met een rentederivatencontract dat voor de peildatum is beëindigd en zich nog beraden op de exacte invulling daarvan. De leden van de PvdA-fractie vragen of de AFM signalen heeft dat ook bij deze categorie sprake is van tekortschietende dienstverlening door banken? De AFM verwacht van banken dat zij in ieder geval de voortijdig beëindigde contracten herbeoordelen, waarbij de klant een negatieve marktwaarde heeft moeten betalen; de leden van de PvdA-fractie vragen of de AFM ook actief gaat toezien op herbeoordeling van dergelijke contracten en daar ook in volgende rapportages op terugkomt?

De AFM verwacht van banken een categorisering van problemen en bijbehorende oplossingsrichtingen. De leden van de PvdA-fractie vragen hoe het daarmee staat? Welke oplossingen bieden banken aan gedupeerde ondernemers? Krijgen MKB-ondernemingen die schade hebben opgelopen ook financiële compensatie? Wordt hiervan in de volgende rapportage ook per bank een overzicht gegeven? Eén bank laat het bieden van oplossingen parallel lopen aan het uitvoeren van de herbeoordeling zelf. De leden van de PvdA-fractie vragen hoe dit zich verhoudt tot het geformuleerde uitgangspunt dat banken vergelijkbare gevallen gelijk behandelen?

Vooralsnog legt geen van de banken zogenaamde «cash margins» op aan niet-professionele klanten. De leden van de PvdA-fractie delen het standpunt van de AFM, dat de saldibewakingsplicht in principe niet geldt bij rentederivaten van niet-professionele klanten. Wel vragen de genoemde leden of dit ook betekent, dat de AFM erop zal toezien dat ook in de toekomst door banken geen «cash margins» zullen worden opgelegd aan niet-professionele klanten?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de SP

De leden van de SP-fractie hebben enkele vragen over het AFM-rapport Herbeoordelingen door banken van rentederivaten bij niet-professionele MKB-ondernemingen dd. 31 maart 2015.

Ten eerste vragen deze leden of de Minister kan reageren op de reactie van het Kenniscentrum Rentederivaten (KCR) op het AFM-rapport. De leden van de SP-fractie vragen de Minister vooral in te gaan op het oordeel van het KCR dat de AFM is tekortgeschoten als toezichthouder door de geconstateerde misstanden slechts te presenteren als hypothetische voorbeelden. Is de Minister het eens met de stelling dat de AFM – naast aanbevelingen voor de toekomst – ook een oordeel moet geven over de handelwijze van banken in het verleden? Zo ja, is de Minister bereid de AFM te verzoeken deze verantwoordelijkheid te nemen? Zo nee, waarom niet?

Ook willen deze leden een reactie van de Minister op de stelling van het KCR dat het rapport ten onrechte als uitgangspunt neemt dat klanten vrijwillig en uit eigen beweging een rentederivaat hebben gekocht bij banken, terwijl het vrijwel altijd precies andersom is gegaan.

In het rapport (p. 4) lezen de leden van de SP-fractie dat de herbeoordeling aanvankelijk vertraging heeft opgelopen, doordat de kwaliteit te wensen overliet. Na interventie van de AFM wordt de kwaliteit nu als «over het algemeen voldoende» gekwalificeerd. Waar is dit oordeel op gebaseerd? Welke criteria zijn gehanteerd om tot dit oordeel te komen? Hoe valt dit oordeel te rijmen met de stelling van de AFM dat het nu nog te vroeg is om conclusies te trekken over de uitkomsten?

De AFM geeft aan dat de informatievoorziening gebrekkig is geweest waardoor sommige klanten verkeerde beslissingen hebben genomen. Kan de Minister uitleggen hoe dit heeft kunnen gebeuren? Welke sancties worden hierop gesteld, afgezien van de (financiële) compensatie voor de klant? Zijn deze volgens de Minister voldoende hoog om de misstanden mee te kunnen voorkomen.

Hoe verklaart de Minister de grote verschillen tussen banken als het gaat om de kwaliteit van de uitvoering van de herbeoordeling? Wat gaat de Minister doen als de kwaliteit bij sommige banken na meerdere steekproeven geen verbetering laat zien (zie bijvoorbeeld bank E die op peildatum 13 februari 14% onvoldoende had en na de laatste steekproef 15%)? Wat betekent het voor de individuele klant als de kwaliteit van de herbeoordeling van zijn dossier keer op keer te wensen overlaat?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het AFM-rapport Herbeoordelingen door banken bij rentederivaten bij niet-professionele MKB-ondernemingen. Deze leden vinden het verontrustend dat de voortgang van de herbeoordeling naar het oordeel van de AFM tegenvalt. Wel delen zij de mening dat kwaliteit en zorgvuldigheid in deze situatie belangrijker is dan snelheid. Toch mag de snelheid niet uit het oog verloren worden. Het kan niet zo zijn dat zelfs nog niet van alle klanten in het bijzonder beheer de herbeoordeling is afgerond. Daarom willen de leden van de CDA-fractie graag van de Minister weten wanneer volgens hem de herbeoordelingen (per groep) afgerond moeten zijn, wat de Minister gaat doen om daarvoor zorg te dragen en daarnaast wanneer de «rentederivatenaffaire» in zijn geheel opgelost zal zijn.

Misselling

De leden van de CDA-fractie maken zich echter grote zorgen dat de herbeoordeling te beperkt is. Rentederivaten passen niet bij de flexibiliteit die voor het MKB benodigd is. De hamvraag is dan ook hoe het zover heeft kunnen komen dat ook aan onprofessionele partijen in grote getale dergelijke risicovolle producten zijn verkocht. Wat is de mening van de Minister daarover? Is de Minister bereid deze belangrijke vraag door de AFM te laten onderzoeken? In Engeland is men tot de conclusie gekomen dat sprake is van «misselling». In België is geconcludeerd dat sprake was van de verkoop van derivaten en dat de advisering ontbrak. De FSMA heeft vastgesteld dat geen van de banken heeft aangetoond dat de zorgplicht is nageleefd. Maar in Nederland wordt ervan uit gegaan dat een rentederivaat een prachtig product was voor het MKB en dat slechts de informatievoorziening in enkele gevallen tekort schoot. De leden van de CDA-fractie menen dat het aannemelijker is dat ook in Nederland sprake is van misselling, waarbij de bank het product verkocht en niet optrad als de adviseur van de klant. Daardoor is de vertrouwensrelatie tussen de bank en de klant onder druk komen te staan. Kan de Minister aangeven hoe hij aankijkt tegen de afwikkeling van het derivatendossier in Engeland en België in verhouding tot de Nederlandse herbeoordeling? Hoe kan het dat in België geoordeeld is dat niet aan de zorgplicht is voldaan en dat in Nederland slechts geconcludeerd wordt dat tekortkomingen zijn geconstateerd in de rentederivatendienstverlening? Zijn Belgische banken slechter voor hun klanten, is de Belgische zorgplicht zwaarder of zijn we in Nederland bang om te benoemen wat er fout is gegaan?

Vindt de Minister dat een klant, zijnde MKB-ondernemer, is aan te spreken op zijn of haar eigen verantwoordelijkheid bij de afname van een rentederivaat als er in de vertrouwensrelatie tussen klant en accountmanager sterk gestuurd wordt op de verkoop? Maakt het daarbij voor de Minister nog uit of het rentederivaat wel, niet of in bepaalde mate verplicht werd om in aanmerking te komen voor financiering?

De optelsom van verschillende aspecten, waaronder dat een rentederivaat als inflexibel, complex en risicovol product niet bij het MKB past, de tegengestelde belangen van de bank en de ondernemer, de vertrouwensrelatie van de bank en de zorgplicht van de bank, maakt dat het volgens de leden van de CDA-fractie logischer is dat de bank zich verantwoordt of de verkoop van renteswaps in individuele gevallen goed is gegaan dan dat de accountmanager die het derivaat zelf verkocht heeft beoordeelt of er een fout is te vinden in de gang van zaken bij de verkoop. Waarom acht de Minister een herbeoordeling voldoende? Deelt de Minister de vrees dat veel MKB-ondernemers zich niet zullen kunnen vinden in het «slager-keurt-zijn-eigen-vlees-oordeel», waardoor deze ondernemers naar het Kifid of de rechter zullen moeten stappen? De leden van de CDA-fractie menen dat het nog lastiger wordt wanneer deze MKB-ondernemers niet naar het Kifid kunnen (vanwege de inhoud van het geschil over de verkoop van het derivaat) of niet naar de rechter kunnen (vanwege hun financiële positie, bijvoorbeeld omdat ze in bijzonder beheer terecht zijn gekomen). Kan de Minister aangeven welke weg MKB-ondernemers met rentederivaten nog kunnen bewandelen om hun gelijk te krijgen?

Daarnaast is de herbeoordeling beperkt, omdat alleen gekeken wordt naar het «onprofessionele MKB». Waarom ziet de AFM niet mede toe op de herbeoordeling van de dossiers van particulieren met een rentederivaat, zo vragen de leden van de CDA-fractie de Minister. Is de Minister bereid ervoor te zorgen dat ook deze dossiers herbeoordeeld worden onder toezicht van de AFM? Particulieren kennen immers als consument in deze financieringsconstructies een nog verdergaande bescherming uit hoofde van de Wft.

Negatieve waarde en opslagen

Het was niet alleen de – sommige gevallen gebrekkige – informatievoorziening van de bank aan de klant over het derivaat, maar ook de gewijzigde voorwaarden waar MKB-ondernemers ernstig door gedupeerd zijn. Dit speelt wanneer op de lening moet worden afgelost van de bank wanneer de waarde van het derivaat negatief is en wanneer door verhoging van opslagen alsnog geen sprake is van een vaste rente. Vallen ook deze aspecten onder de herbeoordeling, zo vragen de leden van de CDA-fractie de Minister. Hoe beoordeelt de Minister deze aspecten in het kader van de zorgplicht van de bank?

De AFM schrijft in haar rapport op pagina 31 dat klanten die een rentederivaat afsluiten in de meeste gevallen de intentie hebben om het rentederivaat gedurende de hele looptijd aan te houden. De leden van de CDA-fractie constateren dat dit alleen zo zal zijn als de koper van het derivaat goed is voorgelicht over alle voorwaarden en risico’s van het product. Als alle klanten van de bank goed waren voorgelicht over de rentederivaten, zou het hele proces van de herbeoordeling niet nodig zijn geweest. Is het de Minister bekend dat de rentederivaten door banken over het algemeen als flexibel en eenvoudig overdraagbaar werden gepresenteerd en dat er vaak niet over een mogelijke negatieve waarde gesproken werd? Zo ja, hoe kijkt de Minister dan naar de conclusie van de AFM dat klanten de intentie hadden het derivaat de gehele looptijd te houden en de saldibewakingsplicht daardoor volgens de AFM niet geldt bij rentederivaten van niet-professionele klanten? Deelt de Minister de mening van de AFM dat de margin- en saldibewakingsplicht van toepassing zijn bij rentederivaten, tenzij bij het afsluiten voorzienbaar is geweest dat het rentederivaat gedurende de looptijd tussentijds zou worden opgezegd? Zo ja, wat is de wettelijke grondslag van deze voorwaarde? De leden van de CDA-fractie menen dat als ondernemers verplicht zouden zijn een onderpand te verlenen, de risico’s van het product beter zichtbaar zouden zijn geweest voor de ondernemer. Door het ontbreken van onderpand verslechterde immers de financiële positie van de klant bij de bank, vaak met hogere risico-opslagen voor de ondernemer tot gevolg. De leden van de CDA-fractie vragen de Minister tevens om aan te geven of banken momenteel met betrekking tot lopende rentederivaten verplicht zijn te voldoen aan de marginverplichtingen op grond van artikel 85 en 86 Bgfo of dat zij niet hoeven te voldoen aan de marginverplichtingen op basis van het oordeel van de AFM in onderhavig rapport.

Verloop herbeoordelingen

De leden van de CDA-fractie ontvangen verschillende signalen dat de herbeoordelingen nog lang niet altijd goed verlopen.

Is de Minister bijvoorbeeld op de hoogte van het feit dat banken in veel gevallen hun derivatenklanten geen schriftelijke inzake geven in de herbeoordeling van hun dossier, terwijl de AFM wel meent dat dit zou moeten?

Is de Minister op de hoogte dat klachten over rentederivaten een gemiddelde responstijd kennen van enkele maanden?

Is de Minister op de hoogte dat inhoudelijke opmerkingen vanuit de klant en de adviseur van de klant niet worden meegenomen in de herbeoordelingen?

Is de Minister op de hoogte dat de invulling van de zorgplicht bij de advisering van rentederivaten door de banken niet wordt meegenomen in de herbeoordeling?

Is de Minister op de hoogte van het feit dat banken slechts wanneer de klant daar expliciet zelf om vraagt, de kwaliteit van het advies van de bank bij het afsluiten van het rentederivaat herbeoordeeld?

De leden van de CDA-fractie vragen de Minister hoe hij al deze aspecten van de herbeoordeling ziet en wat hij eraan gaat doen om het verloop van de herbeoordelingen te verbeteren.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PVV

De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het AFM-rapport «Herbeoordelingen door banken van rentederivaten bij niet-professionele MKB-ondernemingen» en de brief van de Minister hierover.

Naar aanleiding van het genoemde punt brengt de fractie het volgende naar voren.

Allereerst merken de leden van de PVV-fractie op dat de banken de herbeoordelingen zelf uitvoeren. De leden van de PVV-fractie vragen de Minister hierbij of hij het verstandig vindt dat de «slager zijn eigen vlees keurt». In hoeverre acht de Minister het mogelijk de herbeoordeling door een onafhankelijk instituut uit te laten voeren?

Tevens stellen de leden van de PVV-fractie vast dat de banken één op de vijf dossiers niet goed genoeg hadden herbeoordeeld. De leden van de PVV-fractie vragen om een verklaring hiervoor.

Voorts merken de leden van de PVV-fractie op dat de AFM als gevolg hiervan er vervolgens op aan heeft gedrongen dat banken de herbeoordeling van diverse dossiers voor een tweede keer uitvoeren of de betreffende dossiers op aanvullende aspecten toetsen. De leden van de PVV-fractie willen weten hoe de tweede herbeoordeling is verlopen en gecontroleerd zal worden.

Daarnaast stellen de leden van de PVV-fractie vast dat de Minister aangeeft dat het aantal oplossingen dat banken tot nu toe aan klanten hebben aangeboden nog zeer beperkt is. De leden van de PVV-fractie vragen aan hoeveel klanten er precies oplossingen zijn geboden (in absolute cijfers) en welke oplossingen dit waren. Kan de Minister toezeggen dit in het vervolg inzichtelijk te blijven maken (ook welke oplossingen er zijn geboden)?

De leden van de PVV-fractie stellen vast dat alle banken hebben toegezegd om alle klanten uiterlijk eind 2015 een oplossing te hebben geboden. De leden van de PVV-fractie vragen welke gevolgen er zullen kleven aan het niet nakomen van deze afspraak door de banken.

Tot slot ontvangen de leden van de PVV-fractie graag een update van hoeveel de ondernemingen in totaal aan extra bijstortingen kwijt waren (rente-opslag en marginverplichting). Op welke wijze zal voorkomen worden dat zich een volgende affaire met megaclaims aandient?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de AFM-rapportage over rentederivatendienstverlening aan het MKB. Het feit dat banken achterlopen op schema en daarnaast ook nog uit steekproeven van de AFM blijkt dat banken één op de vijf dossiers niet goed hebben beoordeeld, is zeer teleurstellend. Met name de constatering dat banken pas na aandringen van de AFM bereid waren de herbeoordelingen op orde te brengen, getuigt van te weinig betrokkenheid van banken bij het aanpakken van deze problematiek.

De leden van de D66-fractie vragen of de Minister bereid is om de mogelijkheid af te dwingen dat banken bij naam en toenaam worden genoemd in de volgende AFM-rapportage begin 2016, indien er dan nog banken zijn die niet voor het einde van dit jaar aan alle betreffende klanten een oplossing hebben geboden. Deze leden lezen dat na een moeizame start, de AFM nu de kwaliteit van de uitvoering van de herbeoordelingen «grosso modo» voldoende vindt. Kan hierop een nadere toelichting worden gegeven? Op welke aspecten schieten sommige herbeoordelingen nog tekort? In bijlage vijf van de rapportage geeft de AFM een toelichting op de wijze waarop het toezicht wordt uitgevoerd op de herbeoordelingen door banken. Deze leden vragen of de AFM ook spreekt met de klanten van de dossiers die zij steekproefsgewijs selecteren. Zo nee, waarom niet?

De leden van de D66-fractie vragen hoe de Minister aankijkt tegen uitbreiding van het toezicht op herbeoordelingen door banken naar particulieren, in aanvulling op het niet-professionele MKB?

Tot slot vragen de leden van de D66-fractie naar aanleiding van het recente besluit van de Belgische FSMA waardoor banken «bermudan swaps» moeten omzetten naar «plain vanilla swaps», kan de Minister aangeven of en zo ja hoeveel «bermudan swaps» door Nederlandse banken zijn verkocht?

Vragen en opmerkingen van de fractie van de ChristenUnie

De leden van de ChristenUnie-fractie willen graag enkele vragen stellen aan de Minister over de AFM-rapportage «rentederivatendienstverlening aan het MKB».

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de Minister de conclusie van de AFM deelt dat de voortgang van de herbeoordeling door banken van rentederivaten bij niet-professionele MKB-ondernemingen tegenvalt en dat de banken verder hadden moeten zijn. Kan de Minister inzicht geven waarom banken aan het begin in de werkprogramma’s niet voorzagen in het vaststellen in hoeverre het product bij aanvang van de dienstverlening passend was en of de informatieverstrekking aan de klant voldeed aan de wettelijke eisen.

Ondertussen is de kwaliteit van de herbeoordelingen volgens de AFM aanmerkelijk verbeterd, maar de leden van de ChristenUnie-fractie stellen vast dat een tweetal banken volgens de laatste steekproef (tabel 5) nog steeds gedeeltelijk onvoldoende scoren. Hoe oordeelt de Minister hierover en kan de Minister aangeven wat de oorzaken van de achterblijvende scores bij deze twee banken zijn, zo vragen genoemde leden. Deze leden willen weten hoe er voor gezorgd gaat worden dat de kwaliteit van de herbeoordelingen ook bij deze twee banken verbeterd.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen wanneer meer duidelijkheid wordt verwacht over de nadere afspraken tussen de AFM en de banken over de wijze waarop banken de reeds beëindigde contracten in de herbeoordeling betrekken.

De Minister geeft aan dat de AFM zal communiceren over de voortgang. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de Minister ook de Kamer tussentijds zal informeren over de voortgang en of banken de herbeoordeling conform hun huidige planning afronden.

II Reactie van de Minister van Financiën

Ik heb met belangstelling kennis genomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van de VVD, de PvdA, de SP, het CDA, de PVV, D66 en de ChristenUnie over rentederivaten in het MKB en de verkenning dienstverlening MKB. Om een logische opbouw in de beantwoording te krijgen en om mogelijke doublures te vermijden heb ik gekozen voor een thematisch geordende beantwoording volgens de volgende rubricering:

  • (1) algemene vragen over rentederivaten;

  • (2) herbeoordelingen door banken: proces, reikwijdte en uitkomsten

  • (3) kwaliteit en voortgang van de herbeoordelingen;

  • (4) toezicht op herbeoordelingen door de AFM;

  • (5) vergelijking met het VK en België;

  • (6) klachten.

1. Algemene vragen over rentederivaten

De fractie van de PVV vraagt op welke wijze zal voorkomen worden dat zich een volgende affaire met megaclaims aandient.

Het is in de eerste plaats aan banken om in hun dienstverlening het klantbelang centraal te stellen zodat dienstverlening altijd passend en zorgvuldig is. De afgelopen jaren zijn door zowel de overheid als de banken veel maatregelen getroffen om te borgen dat dienstverlening voldoet aan de maatstaven van passendheid en zorgvuldigheid. Bovendien kan de toezichthouder in aanvulling daarop toezien op de naleving van normen die gesteld zijn aan het productontwikkelingsproces en de dienstverlening van banken.

Met betrekking tot rentederivaten verkocht aan MKB-ondernemingen zijn tekortkomingen geconstateerd in de dienstverlening door banken. Vanwege het complexe karakter van rentederivaten in combinatie met kredieten is het van groot belang dat de dienstverlening voorafgaand aan het afsluiten van een rentederivatencontract goed is. De AFM heeft om deze reden banken opgeroepen hun dienstverlening met betrekking tot in het verleden afgesloten rentederivaten te herbeoordelen en daar waar tekortkomingen of problemen worden geconstateerd deze op te lossen. Uit deze herbeoordelingen moet de feitelijke omvang van de problematiek nog blijken.

De fractie van het CDA vraagt hoe het mogelijk is dat aan niet-professionele partijen op grote schaal deze risicovolle producten, rentederivaten, zijn verkocht.

Niet-professionele MKB-ondernemingen hebben rentederivaten afgesloten bij een lening met variabele rente om het risico dat de rentelasten zouden stijgen af te dekken. Bij het stijgen of dalen van de marktrente krijgt zo’n rentederivaat respectievelijk een positieve of een negatieve waarde. Deze waarde verdwijnt automatisch met de tijd als de looptijd van het rentederivaat verstrijkt. De negatieve waarde moet wel worden afgerekend en betaald in geval van voortijdige beëindiging (een eventueel positieve waarde wordt uitgekeerd). Dit risico lijkt niet in alle gevallen voldoende over het voetlicht te zijn gebracht en kan vooral bij onvrijwillige voortijdige beëindiging dan ook tot een onverwacht vervelende situatie leiden. Overigens moet hierbij opgemerkt worden dat ook bij een lening met vaste rente een (in waarde gelijkwaardige) boeterente in rekening kan worden gebracht bij de voortijdige opeising van de financiering.

De fractie van de VVD vraagt wat de financiële gevolgen zijn voor een ondernemer indien een derivatencontract gedwongen moet worden beëindigd door bijvoorbeeld een faillissement van de ondernemer.

Indien een rentederivatencontract (al dan niet gedwongen) voortijdig wordt beëindigd moet de actuele marktwaarde van het rentederivatencontract worden verrekend tussen de bank en de onderneming. Door de sterke daling van de marktrente de afgelopen jaren, zal dit voor veel ondernemingen op dit moment een negatieve waarde zijn. De onderneming moet deze negatieve waarde betalen aan de bank of, indien dit niet mogelijk is door een gebrek aan middelen als gevolg van een faillissement, wordt de negatieve waarde bij de restschuld van de onderneming opgeteld. In het geval van een lening met een vaste rente zou de klant bij voortijdige beëindiging een vergelijkbare boeterente aan de bank moeten betalen.

De fracties van de VVD en van de PVV vragen in hoeverre er extra risico-opslagen op de leningen gehanteerd worden door de banken bij ondernemers met derivaten met een negatieve waarde.

De banken geven aan dat er geen extra risico-opslagen gehanteerd als gevolg van het ontstaan van een negatieve waarde van het rentederivaat. Een eventuele negatieve waarde speelt geen rol in de beoordeling van het risicoprofiel van een ondernemer en is daarmee niet van invloed op de risico-opslag die aan de klant wordt doorberekend. De AFM heeft in haar steekproeven ook niet waargenomen dat banken de risico-opslag verhogen enkel als gevolg van een (stijgende) negatieve waarde van het rentederivaat.

De fractie van het CDA vraagt of de wettelijke grondslag van de margin- en saldibewakingsplicht van toepassing is bij rentederivaten. Deze leden vragen de Minister voorts om aan te geven of banken momenteel met betrekking tot lopende rentederivaten verplicht zijn te voldoen aan de marginverplichtingen op grond van artikel 85 en 86 Bgfo of dat zij niet hoeven te voldoen aan de marginverplichtingen op basis van het oordeel van de AFM in haar rapport. De fracties van de VVD, PvdA, CDA en PVV stellen de vraag in hoeverre banken gedurende de looptijd de actuele marktwaarde met het bedrag van de limiet vergelijken en of dit leidt tot het vragen van extra zekerheden. De fracties van de VVD, PvdA, CDA en PVV vragen in dit verband ook naar het gebruik van bijstortverplichtingen («cash margins»).

De saldibewakingsplicht is in de wet opgenomen als uitvloeisel van de algemene zorgplicht van de bank om haar klant zorgvuldig te behandelen. De grondslag is artikel 86, eerste lid, van het Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen (Bgfo). Op grond van deze saldibewakingsplicht moet de beleggingsonderneming (in geval van de rentederivaten waar het hier over gaat: de bank) er op toezien dat klanten die posities hebben in financiële instrumenten (zoals rentederivaten) waaruit verplichtingen kunnen voortvloeien voortdurend over voldoende saldi beschikken om aan de actuele verplichtingen die uit die posities voortvloeien te voldoen. Als de verplichting groter wordt dan de klant kan betalen, moet de klant zekerheden stellen om aan zijn betalingsverplichting te kunnen voldoen. Indien niet voorzienbaar is dat het rentederivaat voortijdig wordt beëindigd, is de negatieve waarde van het rentederivaat gedurende de looptijd niet aan te merken als een actuele verplichting. De klant moet deze waarde immers alleen betalen als het rentederivaat voortijdig wordt beëindigd. Als de klant de looptijd van het derivaat uitdient heeft hij uit hoofde van dat rentederivaat geen verplichtingen meer jegens de bank; de waarde van het derivaat aan het einde van de looptijd is immers nul.

De AFM stelt zich op het standpunt dat de saldibewakingsplicht in principe niet geldt bij rentederivatencontracten met niet-professionele klanten. Toen deze klanten een rentederivaat afsloten, hadden zij vrijwel altijd de intentie om het rentederivaat gedurende de hele looptijd aan te houden. Een eventuele negatieve waarde gedurende de looptijd wordt dan niet gezien als een actuele verplichting. Daarnaast geldt het onderpand dat de klant heeft gegeven op de lening doorgaans ook voor andere toekomstige vorderingen. Daaronder valt eveneens een mogelijke vordering als gevolg van het afgesloten rentederivaat. De banken geven aan dat het verhogen van een derivatenlimiet in de regel gebeurt zonder aanvullende zekerheden te vragen. De AFM heeft geen signalen ontvangen die op het tegendeel wijzen. Exacte cijfers zijn echter niet beschikbaar. Bij het afsluiten van een derivaat bij een andere bank dan die waar de lening loopt, komt het overigens wel voor dat extra zekerheden, zoals bijvoorbeeld een tweede recht van hypotheek op vastgoed worden gevraagd. Als de saldibewakingsplicht wel zou gelden, dan zou ook de liquidatieplicht uit artikel 86, tweede lid, Bgfo van toepassing zijn.1 Het gevolg daarvan zou dan kunnen zijn dat een klant gedwongen wordt het rentederivaat voortijdig te beëindigen, terwijl de bijbehorende lening nog doorloopt. De liquidatieplicht zou in deze situatie schadelijk zijn voor die klant. Gelet op belang van de klant lijkt het me dan ook een wenselijke lezing van de AFM dat de saldibewakingsplicht niet geldt bij rentederivatencontracten van niet-professionele partijen.

De verplichting tot het storten van onderpand in de vorm van contanten (zogenaamde «cash margins») komt uitsluitend voor bij contracten met professionele beleggers en in aanmerking komende tegenpartijen met wie een ISDA-overeenkomst en Credit Support Annex (of soortgelijke documenten waarin een bijstortverplichting is opgenomen) zijn overeengekomen. Volgens de banken komen dergelijke overeenkomsten bij niet-professionele klanten niet voor, waardoor banken ook geen cash margins vragen bij het niet-professionele MKB. De AFM heeft geen signalen op grond waarvan zij hier in het bijzonder toezicht op zou houden.

De fractie van het CDA vraagt in hoeverre een klant is aan te spreken op zijn of haar eigen verantwoordelijkheid bij de afname van een rentederivaat, of er geen sprake was van een vertrouwensrelatie tussen klant en accountmanager en of het uitmaakt of het rentederivaat wel, niet of in bepaalde mate verplicht werd om in aanmerking te komen voor financiering.

Bij de advisering en de verkoop van rentederivaten moet de dienstverlening passend en zorgvuldig zijn. De klant moet worden gewezen op de kenmerken en de risico’s van het product en het product moet aansluiten bij de behoeften van de klant. Naast de verantwoordelijkheid van de bank is er ook een verantwoordelijkheid voor de klant. De klant moet bepalen of hij inzicht heeft in de kenmerken en risico’s, of hij deze voldoende begrijpt, of het product goed aansluit bij zijn wensen en behoeften, en of hij akkoord gaat met de gestelde voorwaarden van het product. Het beeld dat rentederivaten door banken veelal als flexibele producten werden gepresenteerd en dat de risico’s van een mogelijke negatieve waarde onderbelicht bleven, wordt volgens de AFM grosso modo bevestigd in de dossiers die zij in haar steekproeven treft. Dit kan deels verklaard worden doordat er in het verleden minder strenge eisen inzake informatieverstrekking van toepassing waren. De AFM constateert overigens op basis van haar steekproeven dat het niet veel voorkomt dat er een verplichting bestond om een rentederivaat af te sluiten. Waar sprake was van zo’n verplichting was dit meestal verklaarbaar vanuit het oogpunt van beheersing van het kredietrisico.

De fractie van de SP vraagt of de Minister kan uitleggen hoe het heeft kunnen gebeuren dat de informatievoorziening gebrekkig is geweest waardoor sommige klanten verkeerde beslissingen hebben genomen.

Uit de rapportage van de AFM (rapport maart 2015) blijkt dat de banken relatief veel bevindingen rapporteren op het gebied van informatievoorziening. Uit steekproeven van de AFM is gebleken dat in de informatiedocumenten waar sommige banken in het verleden gebruik van maakten, naar voren komt dat de banken onvoldoende aansluiting hebben gezocht bij de kennis en ervaring van de klant bij het opstellen van die informatiedocumenten. Dit kan betekenen dat de informatie die nodig is voor een adequate beoordeling van de dienstverlening door de klant niet is verstrekt, niet tijdig is verstrekt of dat de informatieverstrekking niet voldeed aan de norm «correct, duidelijk en niet misleidend». Het is aannemelijk dat dit heeft kunnen gebeuren door een samenloop van factoren, zoals de behoefte aan financiering, onvoldoende inzicht in de informatiebehoefte van de klant en niet altijd voldoende kwaliteit van informatievoorziening. Banken dienen ook in gevallen van gebrekkige informatievoorziening de klant een oplossing aan te bieden. Het soort oplossing dat nodig is als gevolg van gebrekkige informatieverstrekking hangt echter af van individuele omstandigheden. Het kan bijvoorbeeld toereikend zijn om de klant alsnog te informeren over de risico’s. Het kan echter ook zo zijn dat een klant naar aanleiding van gebrekkige informatie verkeerde beslissingen heeft genomen. Als de klant daardoor financiële schade heeft, dan ligt (financiële) compensatie voor de hand.

De fractie van de SP vraagt ook of de AFM – naast aanbevelingen voor de toekomst – ook een oordeel zou moeten geven over de handelwijze van banken in het verleden.

Het is lastig in algemene termen uitspraken te doen over de rentederivatenproblematiek. Er moet van geval tot geval worden bekeken of er iets is mis is gegaan en zo ja, hoe dat hersteld kan worden. Dat is precies wat de banken doen in de herbeoordelingen. Dit leidt tot een herstel van problemen voor klanten, dat is de hoofdzaak. Dat de AFM bovendien aanbevelingen voor de toekomst heeft gedaan, vind ik een goede zaak. Overigens hebben alle banken naar aanleiding van de aanbevelingen besloten geen rentederivaten meer aan te bieden aan het niet-professionele MKB.

2. Herbeoordelingen door banken: proces, reikwijdte en uitkomsten

Werkwijze herbeoordelingen

De fractie van het CDA vraagt waarom de banken niet meer dan een herbeoordeling hoeven te doen. Voorts vragen zij of een herbeoordeling wel voldoende waarborgen kent als de accountmanager die het rentederivaat zelf verkocht heeft, beoordeelt. De fracties van het CDA en PVV vragen zich in dit kader af of er geen risico is dat de «slager zijn eigen vlees keurt?» De fractie van de PVV vraagt voorts of ik het mogelijk acht de herbeoordelingen door een onafhankelijk instituut uit te laten voeren.

Toen de tekortkomingen in dienstverlening bij de rentederivaten aan het licht kwamen, was niet evident in welke mate in individuele gevallen sprake was van niet-passende en/of onzorgvuldige dienstverlening in het verleden. De AFM heeft in 2014 om deze reden banken opgeroepen hun dienstverlening met betrekking tot in het verleden afgesloten rentederivaten te herbeoordelen aan de hand van de bestaande wettelijke normen. Deze aanpak was en is erop gericht mogelijke problemen voor klanten zo spoedig mogelijk te identificeren en op te lossen. De herbeoordelingen worden bij banken uitgevoerd door een team van medewerkers, waar accountmanagers ook deel van uitmaken en in sommige gevallen in samenwerking met een externe specialist. Daarnaast hebben verschillende banken de afdeling Compliance ingezet om een structurele tweedelijns controle van de herbeoordelingen uit te voeren. Bij de keuze voor deze werkwijze waarbij banken zelf de herbeoordelingen uitvoeren speelt ook een rol dat dit in principe bijdraagt aan bewustwording bij banken van de noodzaak om het klantbelang centraal te stellen. Dit kan de kwaliteit van de herbeoordelingen en toekomstige dienstverlening ten goede komen.

De AFM ziet toe op de kwaliteit van het herbeoordelingsproces, zowel op het proces als op de uitvoering daarvan op concrete dossiers. Dat laatste gebeurt door middel van steekproeven.

De fractie van de ChristenUnie vraagt waarom banken aan het begin in de werkprogramma’s niet voorzagen in het vaststellen in hoeverre het product bij aanvang van de dienstverlening passend was en of de informatieverstrekking aan de klant voldeed aan de wettelijke eisen.

Een aantal banken was ten tijde van de oproep van de AFM om herbeoordelingen te doen, al zelf begonnen met herbeoordelingen. Uit de eerste steekproeven bleek dat de gebruikte werkprogramma’s aanvankelijk niet voorzagen in het vaststellen in hoeverre het product bij aanvang van de dienstverlening passend was en of de informatieverstrekking aan de klant voldeed aan de wettelijke eisen. Er werd door de banken overwegend gekeken in hoeverre het product nu passend is. Waar van toepassing hebben banken op verzoek van de AFM hun werkprogramma’s aangepast. Dit heeft er toe geleid dat alle belangrijke wettelijke normen in het werkprogramma zijn verwerkt en dat het proces van herbeoordelingen op een adequate manier is georganiseerd.

De fractie van het CDA vraagt voorts of inhoudelijke opmerkingen vanuit de klant en de adviseur van de klant worden meegenomen in de herbeoordelingen, omdat zij het beeld heeft dat dat niet gebeurt.

Inhoudelijke opmerkingen die worden gemaakt in een klacht treft de AFM inderdaad aan in dossiers die zij selecteert voor de steekproeven. Deze worden dus meegenomen in de herbeoordeling. Inhoudelijke opmerkingen gemaakt tijdens het traject voorafgaand aan het aangaan van het derivaat, treft AFM ook met regelmaat aan in gespreksverslagen en andere documentatie. Banken nemen deze opmerkingen dus ook mee in hun herbeoordeling. De banken geven aan dat dossiers waarover klachten die tijdens of naar aanleiding van de herbeoordeling worden ingediend, herbeoordeeld worden als alle andere dossiers. Het beeld dat wordt geschetst in de vraag komt dan ook niet overeen met het beeld dat de AFM heeft verkregen uit de steekproeven.

De fractie van het CDA vraagt of banken hun derivatenklanten schriftelijke inzage dienen te geven in de herbeoordeling van hun dossier. De fractie van de VVD vraagt in hoeverre in de schriftelijke bevestigingen die klanten moeten krijgen van de uitkomsten van de herbeoordeling van hun derivaat of derivaten er in deze brieven ook moet worden opgenomen welke mogelijkheden MKB-ondernemingen hebben als ze het niet eens zijn met de herbeoordeling of de oplossing.

Banken dienen hun klanten te informeren over de uitkomst van de herbeoordeling. De AFM is van mening dat de klanten uiteindelijk allemaal via een schriftelijke bevestiging inzicht moeten krijgen in de uitkomsten van de herbeoordeling van hun derivaat of derivaten. Op grond daarvan moet de klant zich een oordeel kunnen vormen of de herbeoordeling terecht al dan niet tot een voorstel voor een oplossing heeft geleid en of die oplossing passend is. Deze visie heeft de AFM met de banken gedeeld. Het spreekt vanzelf dat banken hun klanten in dezelfde brief wijzen op de mogelijkheden die MKB-ondernemingen hebben als ze het niet eens zijn met de herbeoordeling of de geboden oplossing. Naast de klachtenprocedure van de bank is het Kifid vanaf 26 januari dit jaar geopend voor klachten voortvloeiend uit de herbeoordelingen van rentederivaten bij het niet-professionele MKB. De AFM heeft overigens geen signalen ontvangen dat banken hun cliënten in voorkomende gevallen niet op deze mogelijkheid wijzen.

Reikwijdte van de herbeoordelingen

De fractie van de PvdA vraagt of de AFM signalen heeft dat ook bij rentederivatencontracten die vóór de peildatum van de herbeoordelingen zijn beëindigd sprake is van tekortschietende dienstverlening door banken en of de AFM ook actief gaat toezien op herbeoordelingen van dergelijke contracten en daar ook in volgende rapportages op terugkomt. De fractie van de ChristenUnie vraagt wanneer meer duidelijkheid wordt verwacht over de nadere afspraken tussen de AFM en de banken over de wijze waarop banken reeds beëindigde contracten in de herbeoordelingen betrekken en de fractie van de VVD vraagt in het verlengde hiervan welke invulling van de herbeoordelingen van de contracten die tussen januari 2012 en april 2014 (voortijdig) zijn beëindigd de AFM voor ogen heeft en welke afspraken daarover zijn gemaakt door de AFM met de banken.

In haar rapportage van maart 2015 geeft de AFM aan dat het vinden van een oplossing voor een klant van wie het derivaat nog loopt, urgenter is dan voor een klant van wie het derivaat in het verleden al is beëindigd. Het ligt daarom voor de hand dat banken prioriteit geven aan de herbeoordelingen van uitstaande contracten en het waar nodig aan het bieden van oplossingen. De AFM is van mening dat het voor de hand ligt dat de dienstverlening enige tijd voorafgaand aan de peildatum niet wezenlijk anders is geweest dan daarna. De AFM is nog met de banken in gesprek over de exacte invulling van de herbeoordelingen van de reeds beëindigde contracten en verwacht mij hierover deze zomer te kunnen informeren. Ik vind het van groot belang dat de banken voldoende ambitieus zijn en uitlegbaar optreden. Zodra de banken dergelijke contracten gaan herbeoordelen, zal de AFM daar ook op toe te zien.

De fractie van het CDA vraagt of zorgplicht wordt meegenomen in de herbeoordeling en of de Minister ervan op de hoogte is dat de invulling van de zorgplicht bij de advisering van rentederivaten door de banken niet wordt meegenomen in de herbeoordeling of dat alleen doen als de klant er expliciet om vraagt.

Alle rentederivaten die uitstaan bij het niet-professionele MKB worden meegenomen in de herbeoordelingen. In de herbeoordelingen wordt bezien of er in de individuele gevallen tekortkomingen zijn geweest in de rentederivatendienstverlening aan de hand van de bestaande, wettelijke normen (in de Wft), waaronder normen die zien op de zorgplicht bij advisering. De AFM neemt dit ook mee in de steekproeven die zij uitvoert. Zo nodig worden er oplossingen aangeboden door de bank. Dit betekent dat ook de naleving van de zorgplicht wordt bezien. Ik ben er niet van op de hoogte dat dit alleen gebeurt als de klant erom vraagt en ook de AFM herkent dit beeld niet op grond van de steekproeven.

De fracties van het CDA en D66 vragen waarom de herbeoordelingen niet ook zien op de dossiers van particulieren met een rentederivaat en of dit niet wenselijk is.

De aanleiding van de herbeoordelingen waren signalen uit de markt voor het MKB. Vandaar dat de herbeoordelingen zich richten op het niet-professionele MKB. Volgens de AFM en de banken zijn rentederivatencontracten beperkt afgesloten met particulieren. De AFM is echter mede naar aanleiding van de ontvangen signalen in gesprek gegaan met de banken over particuliere klanten met een rentederivaat. Alle banken hebben inmiddels aangegeven particulieren met een rentederivaat ook mee te nemen in hun herbeoordelingen.

De fractie van de VVD vraagt of embedded derivaten, waarbij een rentederivaat is verwerkt in een lening of een deposito, ook zijn meegenomen in de herbeoordelingen door de banken.

Rentederivaten die zijn verwerkt («embedded») in een lening verstrekt aan een niet-professionele MKB-onderneming zijn onderdeel van de herbeoordelingen. Rentederivaten die verwerkt zijn in een deposito (creditgelden van de ondernemer) worden niet meegenomen, omdat de herbeoordelingen zich richten op MKB-ondernemingen die rentederivaten hebben afgesloten in combinatie met het aangaan van een lening (debet positie van de ondernemer). Bovendien heeft de AFM geen signalen ontvangen dat zich problemen voordoen of hebben voorgedaan bij niet-professionele MKB-ondernemingen die een rentederivaat hebben afgesloten dat verwerkt is in een deposito.

De fractie van het CDA vraagt of renteopslagen onder de herbeoordeling vallen.

Renteopslagen vallen binnen de herbeoordelingen als in de informatie die de klant heeft ontvangen over het rentederivaat door de bank overwegend de indruk is gewekt dat de rente onveranderlijk vast zou zijn. Dan acht de AFM het opleggen van extra debiteurenopslagen op de lening niet passend. De AFM toetst dit door middel van steekproeven in de individuele dossiers en spreekt waar nodig ook de banken hier individueel op aan.

Uitkomsten herbeoordelingen

De fractie van de PvdA vraagt hoe het staat met categorisering van problemen en bijbehorende oplossingsrichtingen. In het verlengde hiervan vraagt de fractie van VVD met betrekking tot de 43% van de per 31 december 2014 gerapporteerde gevallen waarin door de banken bevindingen gevonden zijn in de dossiers van MKB-ondernemingen over rentederivaten in hoeveel van deze gevallen het ging om gebrekkige informatieverstrekking, om onvolledige dossiervorming, en om niet-passend advies of ongeschikte dienstverlening.

In een eerder stadium heeft de AFM de bevindingen met behulp van categorisering gedetailleerder proberen in te winnen. Dit bleek voor de banken lastig hanteerbaar en heeft onder meer geleid tot dubbeltellingen. Hierdoor gaven de gerapporteerde bevindingen geen goed beeld van de mate waarin de dienstverlening en/of de producten wel of niet passend waren. De AFM heeft hierop besloten de categorisering te vereenvoudigen. Er zal daarom door de AFM inzicht worden geboden in de mate waarin producten passend zijn met of zonder aanvullende herstelacties en in de mate waarin de dienstverlening of producten niet passend waren.

De fracties van de VVD en PVV vragen in hoeveel gevallen er al een oplossing geboden is en zo ja welk type oplossingen (o.a. financiële compensatie). De fractie van de PvdA vraagt welke oplossingen banken bieden aan gedupeerde ondernemers en of er ook sprake is van financiële compensatie voor MKB-ondernemingen die schade hebben opgelopen. In het verlengde hiervan vraagt de fractie van de PvdA of in de volgende rapportage ook per bank een overzicht gegeven van oplossingen. De fractie van de PVV vraagt ook of dit in het vervolg inzichtelijk gemaakt kan blijven worden (ook welke oplossingen er zijn geboden).

Het aantal oplossingen dat banken eind 2014 aan klanten hadden geboden was nog zeer beperkt (minder dan honderd voor alle banken tezamen). Voorbeelden van oplossingsrichtingen die de AFM tot dusver in de praktijk is tegengekomen zijn aanpassing van het rentederivaat en/of de onderliggende lening op kosten van de bank, terugbetaling van teveel betaalde rente (bij evidente fouten door de bank) en het opnieuw en correct verstrekken van informatie. De AFM vindt het in het verlengde hiervan van belang dat het beleid voor oplossingen (of oplossingsrichtingen) voldoende diepgaand is uitgewerkt en dat het voldoet aan de uitgangspunten van de AFM. De AFM toetst het beleid van de bank op deze uitgangspunten. Daarnaast vergelijkt de AFM het beleid van de banken onderling en zal mogelijke verschillen hierin terugkoppelen aan de banken. Nog niet alle banken hebben dit beleid voor oplossingen (of oplossingsrichtingen) afgerond. Om hoeveel geboden oplossingen het nu gaat is (nog) niet bekend. Hierover zal in de rapportage van de AFM in het begin van het tweede kwartaal van 2016 inzicht worden geboden.

3. Kwaliteit en voortgang van de herbeoordelingen

Kwaliteit herbeoordelingen

De fractie van de SP vraagt waar het oordeel van de AFM op is gebaseerd dat na interventie van de AFM de kwaliteit van de herbeoordelingen nu als «over het algemeen voldoende» gekwalificeerd, welke criteria hiervoor zijn gebruikt, en hoe dit oordeel te rijmen valt met de stelling van de AFM dat het nu nog te vroeg is om conclusies te trekken over de uitkomsten.

De AFM baseert dit op haar oordeel over de steekproeven die zij heeft uitgevoerd nadat de AFM bijgestuurd heeft op de kwaliteit van de herbeoordelingen. In juli 2015 had de AFM steekproeven uitgevoerd op ruim 200 door banken herbeoordeelde klantdossiers. De criteria die de AFM hiervoor hanteert zijn gelijk aan de criteria die zij voor alle andere steekproeven hanteert. De AFM beoordeelt hierbij dus of de door de bank uitgevoerde herbeoordelingen de toetsingsuitgangspunten van de AFM voldoende adresseren. Omdat de banken (op verzoek van de AFM) prioriteit hebben gegeven aan complexe rentederivaten, rentederivaten die voortijdig zijn beëindigd (met een negatieve waarde) en rentederivaten waarbij sprake was van een overhedge, kunnen de uitkomsten van de herbeoordelingen voor die groepen afwijken van de uitkomsten van de steekproeven op dossiers van andere klanten. Extrapolatie op basis van deze eerste observaties zou hoogstwaarschijnlijk tot vertekening van de conclusies over de gehele groep leiden, dat wil zeggen een te negatief beeld geven.

De fractie van de PVV vraagt een verklaring voor haar vaststelling dat banken één op de vijf dossiers niet goed genoeg hadden herbeoordeeld. In het verlengde hiervan vraagt de fractie van de SP hoe de Minister de grote verschillen tussen banken verklaart als het gaat om de kwaliteit van de uitvoering van de herbeoordelingen en vraagt de fractie van de PvdA welke maatregelen banken in overleg met de AFM nemen om de kwaliteit van de herbeoordelingen te verbeteren. De fractie van D66 vraagt om een nadere toelichting op de beoordeling van de AFM dat de kwaliteit van de uitvoering van de herbeoordelingen grosso modo voldoende is en op welke aspecten sommige herbeoordelingen nog tekort schieten. De fractie van de CU vraagt in dit verband hoe de Minister oordeelt over haar vaststelling dat een tweetal banken volgens de laatste steekproef nog steeds gedeeltelijk onvoldoende scoren en of de Minister kan aangeven, wat de oorzaken van de achterblijvende scores bij deze twee banken zijn, hoe ervoor gezorgd gaat worden dat kwaliteit van de herbeoordelingen ook bij deze twee banken verbeterd.

De AFM geeft aan dat de verschillen tussen banken mede komen doordat de aanpak en voortgang per bank verschilt. Het verschil in aanpak en voortgang laat zich verklaren door organisatorische verschillen per bank en de omvang van de portefeuille die de bank moet herbeoordelen. Om recht te doen aan de verschillen tussen de banken, de complexiteit van de materie en om de banken de verantwoordelijkheid te laten nemen die hen in deze toebehoort, heeft de AFM geen allesomvattende werkwijze voorgeschreven. Een bank die haar proces en uitvoering van de herbeoordelingen niet voorafgaand met de AFM had afgestemd, kan daardoor initieel tot een lagere kwaliteit van de herbeoordelingen zijn gekomen. De AFM kijkt in haar steekproeven op individuele dossiers of de bevindingen die de bank rapporteert ook zijn af te leiden uit het dossier. Als zij hierbij interpretatieverschillen of slordigheden in de herbeoordelingen ziet, zal zij deze in het oordeel over de herbeoordelingen melden aan de betreffende bank. De bank wordt geacht deze punten mee te nemen in deze, volgende en, waar nodig, eerdere herbeoordelingen.

De AFM geeft aan dat enkele banken externe expertise hebben ingehuurd om de kwaliteit van de herbeoordelingen te verbeteren. Daarnaast hebben diverse banken de afdeling Compliance ingezet om een structurele «tweedelijns controle» uit te voeren. Ook zijn er banken die hun werkprogramma en het proces van herbeoordelingen verder hebben aangepast om de kwaliteit te verbeteren. Naarmate het proces van de herbeoordelingen vordert doen banken bovendien meer ervaring op. In principe treedt er dus een «leereffect» op dat de kwaliteit van de herbeoordelingen ten goede kan komen. De banken moeten namelijk de herbeoordelingen van diverse dossiers (in ieder geval de door AFM als «onvoldoende» gekwalificeerde dossiers) voor een tweede keer uitvoeren of de betreffende dossiers op aanvullende aspecten toetsen. Indien uit een steekproef van de AFM blijkt dat de bank niet-dossierspecifieke fouten in de herbeoordelingen maakt, dan moet de bank ook de herbeoordelingen van vergelijkbare dossiers opnieuw uitvoeren of op aanvullende aspecten toetsen.

Een bank die volgens de laatste steekproef nog steeds gedeeltelijk onvoldoendes scoort, ging in haar herbeoordelingen onvoldoende in op de passendheid van bepaalde complexe rentederivaten ten tijde van het afsluiten van deze producten. Ook onderkende deze bank in haar herbeoordelingen niet in alle gevallen de tekortkomingen in de informatieverstrekking. Deze punten zijn aangepast in het werkprogramma door de betreffende bank na gesprekken met de AFM hierover. De onvoldoendes van de tweede bank zijn voornamelijk tot stand gekomen door slordigheden in de herbeoordelingen die het voor de AFM niet mogelijk maakte om een goede reconstructie te maken van het dienstverleningsproces.

Voorts wil de fractie van de PVV weten hoe de tweede herbeoordeling bij enkele banken is verlopen en gecontroleerd zal worden.

Wanneer de AFM herbeoordelingen aantreft in de steekproeven waarvan de kwaliteit onvoldoende is, vraagt de AFM van de bank hier een reactie op. Indien deze reactie niet afdoende is, verwacht zij van de bank dat het desbetreffende dossier opnieuw beoordeeld wordt. De bevindingen van de AFM en de reactie hierop van de bank worden vervolgens besproken met de bank. Wanneer blijkt dat bepaalde verbeterpunten vaker voorkomen, wordt van de bank verwacht dat zij hier additioneel ook haar reeds beoordeelde dossiers op controleert.

De fractie van de PvdA vraagt hoe het parallel laten lopen van het bieden van oplossingen aan het uitvoeren van de herbeoordelingen zelf door één bank zich verhoudt tot het geformuleerde uitgangspunt dat banken vergelijkbare gevallen gelijk behandelen.

De banken geven aan dat zij op verschillende manieren waarborgen dat vergelijkbare gevallen gelijk behandeld worden. Door het hanteren van een beleid of vuistregels, door een centrale beoordeling of controle kan gewaarborgd worden dat vergelijkbare gevallen gelijk behandeld worden. De uitgangspunten van de AFM voor het bieden van oplossingen zijn vanaf het begin besproken met de banken. Het beleid van de banken is op basis van deze uitgangspunten opgesteld en beoordeeld door de AFM. Dit beleid is daarmee sinds aanvang van het bieden van oplossingen consistent en is naar verwachting dan ook consistent toegepast. Bij het uitvoeren van steekproeven op de geboden oplossingen toetst de AFM de consistentie van de toepassing van het beleid bij vergelijkbare gevallen.

Voortgang herbeoordelingen

De fractie van de CU vraagt of de Minister de conclusie van de AFM deelt dat de voortgang van de herbeoordelingen door banken van rentederivaten bij niet-professionele MKB-ondernemingen tegenvalt en dat de banken verder hadden moeten zijn.

Ik deel de conclusie van de AFM dat de voortgang van de herbeoordelingen door banken van rentederivaten bij niet-professionele MKB-ondernemingen tegenvalt en dat de banken verder hadden moeten zijn. Tegelijkertijd ben ik ook met de AFM van mening dat de kwaliteit van de herbeoordelingen voorop dient te staan omdat hierover geen twijfel mag bestaan. Banken kunnen alleen een passende oplossing aan een MKB-ondernemingen bieden als ze de herbeoordelingen zorgvuldig uitgevoerd hebben.

4. Toezicht op herbeoordelingen door AFM

De fractie van de CU vraagt verder of de Minister ook de Kamer tussentijds zal informeren over de voortgang en of banken de herbeoordelingen conform hun huidige planning afronden. De fractie van de VVD vraagt specifiek wat de inhoud van de rapportage in de loop van 2015 zal zijn, aangezien de banken pas eind 2015 alle herbeoordelingen en oplossingen afgerond hebben, en wanneer het rapport in 2015 precies gereed is. Deze fractie vraagt tevens een toezegging dat het rapport uiterlijk medio 2015 naar de Tweede Kamer gaat en daarin ook uitgebreide informatie in opgenomen is over de geboden oplossingen. De fractie van het CDA wil graag van de Minister weten wanneer volgens hem de herbeoordelingen afgerond moeten zijn, wat de Minister gaat doen om daarvoor zorg te dragen en daarnaast wanneer deze problematiek in zijn geheel opgelost zal zijn.

De AFM heeft mij laten weten dat zij op dit nog moment bezig is met het uitvragen bij de banken van de benodigde gegevens om inzicht te kunnen bieden in de daadwerkelijke omvang van het probleem (aan de hand van de bevindingen van de herbeoordelingen) en hierover in het laatste kwartaal van 2015 meer inzicht te kunnen geven. De AFM verwacht dat de verwerking en zorgvuldige beoordeling van deze gegevens nog enige tijd zal kosten, waardoor het niet mogelijk is om hier vóór het laatste kwartaal van 2015 een betrouwbare uitspraak over te doen. Hiervoor zal de AFM de banken vragen om de bevindingen die voortkomen uit de (tot aan dat moment) afgeronde herbeoordelingen in door de AFM opgestelde categorieën te plaatsen. Er wordt dan inzicht verkregen in hoeveel gevallen de dienstverlening en producten passend zijn met of zonder aanvullende herstelacties en in hoeveel gevallen de dienstverlening en producten niet passend zijn (geweest). Als de AFM eind 2015 meer inzicht heeft gegeven in de problematiek omtrent rentederivaten in het MKB verwacht de AFM uiterlijk het tweede kwartaal van 2016 een rapportage uit te brengen met de eindstand ten aanzien van de herbeoordelingen en het bieden van oplossingen. Indien belangrijke tussentijdse ontwikkelingen daartoe aanleiding geven, dan zal de AFM daar tijdig over communiceren.

De fractie van de SP vraagt wat de Minister gaat doen als de kwaliteit bij sommige banken na meerdere steekproeven geen verbetering laat zien. Zij verwijst naar een bank («bank E») die op peildatum 13 februari 14% onvoldoende had en na de laatste steekproef 15%.

De banken geven aan dat eind dit jaar de herbeoordelingen zullen zijn afgerond. De banken geven ook aan dat alle klanten met een rentederivaat dan, waar nodig, een oplossing aangeboden zullen hebben gekregen.

De AFM houdt toezicht op de kwaliteit en voortgang van de herbeoordelingen door banken. Indien een bank geen verbetering laat zien, vertrouw ik er op dat de AFM de betreffende bank hierop dringend aanspreekt opdat deze alsnog voldoet aan de gewenste kwaliteit in haar herbeoordelingen. Als een bank structureel onvoldoende scoort op haar herbeoordelingen zou naar het oordeel van de AFM de inzet van onafhankelijke reviewers in beeld komen. Overigens moet hierbij worden opgemerkt dat de inzet van externe reviewers niet door de AFM afdwingbaar is.

De fractie van D66 vraagt of de AFM ook spreekt met de klanten van de dossiers die zij steekproefsgewijs selecteert, en zo nee de reden waarom niet.

De AFM heeft incidenteel met klanten gesproken, mede om te bepalen welke vragen in de herbeoordelingen aan bod moesten komen. De AFM spreekt echter niet met alle klanten van de dossiers die zij steekproefsgewijs selecteert. Dit is volgens de AFM ook niet nodig, omdat er voldoende inzicht is in de problemen die zich hebben voorgedaan en omdat het proces voor de herbeoordelingen bij alle banken zorgvuldig lijkt te zijn.

De fractie van de PVV vraagt welke gevolgen er zullen kleven aan het niet nakomen van de afspraak door de banken om alle klanten uiterlijk eind 2015 een oplossing te hebben geboden. De fractie van de VVD vraagt wanneer de AFM welke handhavingsinstrumenten kan inzetten.

De AFM kan bij overtreding van de (wettelijke) eisen voor dienstverlening met betrekking tot rentederivaten haar reguliere handhavingsinstrumentarium inzetten. Het gaat dan om het opleggen van een bestuurlijke boete of een last onder dwangsom of het geven van een aanwijzing. Bij de keuze voor een handhavingsinstrument (en het al dan niet inzetten daarvan) kijkt de AFM onder meer naar de ernst en de duur van de overtreding en de mate waarin de overtreding verwijtbaar is. Hierbij dient nog een keer vermeld te worden dat de gevolgen van gebrekkige informatievoorziening afhankelijk zijn van de individuele omstandigheden. Als oplossing kan bijvoorbeeld toereikend zijn om de klant alsnog te informeren over de risico’s. Overigens is het gehele herbeoordelingstraject op zichzelf niet handhaafbaar dan wel afdwingbaar met het reguliere handhavingsinstrumentarium omdat hiervoor geen wettelijke voorschriften bestaan.

De AFM richt zich in dit dossier echter primair op het helpen van de klant door erop toe te zien dat de banken hun dienstverlening adequaat herbeoordelen en waar nodig passende oplossingen bieden. Daar is de klant het meest mee geholpen.

De fractie van de VVD vraagt wanneer de optie van onafhankelijke reviewers voor de herbeoordelingen nadrukkelijker in beeld kan komen als er opnieuw twijfel ontstaat over de kwaliteit van de herbeoordelingen. De fractie van de PvdA vraagt zich af welke verbeteringen door banken moeten worden gerealiseerd om een situatie waarin banken verplicht worden om onafhankelijke reviewers in te zetten te voorkomen en op welke termijn het verplicht inzetten van onafhankelijke reviewers zou kunnen worden gerealiseerd.

De inzet van onafhankelijke reviewers zou naar het oordeel van de AFM in beeld komen als een bank structureel onvoldoende scoort op haar herbeoordelingen. Indien nodig zou, praktisch gezien, de inzet van onafhankelijke reviewers op relatief korte termijn gerealiseerd kunnen worden. Hierbij merkt de AFM nogmaals op dat de inzet van externe reviewers niet door haar afdwingbaar is. Bovendien blijkt uit het voorbeeld van het Verenigd Koninkrijk dat hier potentieel aanzienlijke kosten voor de bank aan zijn verbonden. Om de inzet van onafhankelijke reviewers te voorkomen moeten banken zorgen dat de kwaliteit van het proces en de uitvoering van de herbeoordelingen in orde is en voldoet aan de uitgangspunten die door de AFM zijn geformuleerd. Dit betekent ook dat banken voortvarend aan de slag gaan met eventuele door de AFM gesignaleerde verbeterpunten en dat banken dossiers waarvan de kwaliteit eerder als onvoldoende beoordeeld is, beter moeten afhandelen.

De fractie van de VVD vraagt de Minister om de betrokken banken nog eens zelf met klem te verzoeken om wel vrijwillig akkoord te gaan met het noemen van naam en toenaam in de eerstvolgende rapportage. In het verlengde hiervan vraagt de fractie van D66 of de Minister bereid is om de mogelijkheid af te dwingen dat banken bij naam en toenaam worden genoemd in de volgende AFM-rapportage begin 2016, indien er dan nog banken zijn die niet voor het einde van dit jaar aan alle betreffende klanten een oplossing hebben geboden.

Ik ben een voorstander van transparantie over het toezicht dat op de financiële sector wordt uitgeoefend waar dat mogelijk is. Daarbij hoort wat mij betreft ook dat de AFM de belangrijkste conclusies van onderzoeken die zij doet kan publiceren op een manier die naar financiële ondernemingen herleidbaar is. De AFM zal in overleg met de banken bezien in hoeverre er inzicht geboden kan worden in de voortgang per bank bij herbeoordelingen van rentederivaten. Hiervoor is momenteel de medewerking van de banken nodig. Met de AFM inventariseer ik in hoeverre hiervoor in de toekomst een aanvullende wettelijke grondslag nodig is.

De fractie van de SP en PvdA vragen de Minister te reageren op de reacties van het Kenniscentrum Rentederivaten (KCR) op het AFM-rapport. De fractie van de SP vraagt een reactie op het oordeel van het KCR dat de AFM is tekortgeschoten als toezichthouder door de geconstateerde misstanden slechts te presenteren als hypothetische voorbeelden. De fractie van de PvdA vraagt een reactie op de stelling van het KCR dat het rapport ten onrechte als uitgangspunt neemt dat klanten vrijwillig en uit eigen beweging een rentederivaat hebben gekocht bij banken, terwijl het volgens de fractie van de PvdA vrijwel altijd precies andersom is gegaan.

De AFM heeft een geheimhoudingsplicht en wil voorkomen dat specifieke (praktijk)voorbeelden te herleiden zijn tot individuele banken of klanten. Om die reden heeft de AFM in haar rapportage praktijkvoorbeelden veralgemeniseerd. Ik ben er van overtuigd dat de AFM hiermee niet de indruk heeft willen wekken dat beschreven handelwijzen niet daadwerkelijk voorkomen in de praktijk. Ik denk ook dat de AFM niet de indruk heeft willen wekken dat een klant uit eigen beweging naar de bank gaat om een rentederivaat af te sluiten. De AFM schrijft hierover in haar rapportage uit februari 2014 immers het volgende: «Beleggingsondernemingen bieden ondernemingen en instellingen oplossingen aan voor het beperken van renterisico’s die zij lopen op (langlopende) financieringen... Om als onderneming toch beschermd te zijn tegen de gevolgen van een stijging van de variabele rente, biedt de beleggingsonderneming een rentederivaat in de vorm van een renteswap aan... Beleggingsondernemingen kunnen, behalve het belang van de klant, andere redenen hebben om rentederivaten aan te bieden aan hun klanten.»

5. Vergelijking met het VK en België

De fractie van het CDA vraagt hoe de afwikkeling van het derivatendossier in Engeland en België zich verhoudt tot de Nederlandse herbeoordelingen. Daarbij vragen zij specifieke aandacht voor het feit dat in België geoordeeld is dat niet aan de zorgplicht is voldaan.

In het Verenigd Koninkrijk (VK) heeft de Britse toezichthouder FCA op kosten van de banken onafhankelijke reviewers ingeschakeld voor de herbeoordelingen van alle dossiers. Bij de herbeoordelingen in het VK wordt niet-naleving van wet- en regelgeving direct gekoppeld aan herstelacties. De kosten van de herbeoordelingen in het VK zijn hierdoor zeer aanzienlijk (ca. € 3 miljard).

In Nederland heeft de AFM de grootste aanbieders op gebied van rentederivaten opgeroepen om hun dienstverlening met betrekking tot in het verleden afgesloten rentederivaten te herbeoordelen aan de hand van de bestaande wettelijke normen. Deze aanpak is mijns inziens passend, omdat bij niet-naleving van wettelijke normen niet per definitie een herstelactie dan wel schadevergoeding op zijn plaats is. Niet-naleving betekent namelijk niet meteen schade voor de klant. Schade openbaart zich mogelijk pas wanneer het derivaat niet aansluit op de onderliggende lening of wanneer deze voortijdig wordt beëindigd. Dit is echter casus-specifiek en niet op voorhand te zeggen. Het inhuren van onafhankelijke reviewers is dan ook nu niet aan de orde. De AFM heeft laten weten dat naar haar oordeel de inzet van onafhankelijke reviewers in beeld zou komen als een bank structureel onvoldoende scoort op haar herbeoordelingen.

De Belgische toezichthouder (FSMA) heeft na een eerste inventarisatie een onderzoek gestart op het gebied van rentederivaten. In dit onderzoek heeft de FSMA zich beperkt tot vier banken en één complex product, de zogenoemde bermudan callable swaps. Sinds 1 november 2007 hebben deze vier banken 363 contracten afgesloten met 330 niet-professionele MKB-ondernemingen. Bij deze complexe rentederivaten heeft de bank eenzijdig het recht om het derivaat op een of meerdere momenten voor de einddatum van het derivaat vervroegd te beëindigen, zonder vergoeding aan de klant. Dit zal de bank in de regel doen zodra de rente hoger is dan de vaste rente die de klant onder het derivaat betaalt. In ruil voor het verstrekken van deze optie(s) aan de bank betaalt de klant in de regel een lagere vaste rente onder het derivaat.

De FSMA heeft gekozen voor een vergelijkbare aanpak als de AFM. Zo hebben de banken hun dienstverlening omtrent deze rentederivaten moeten herbeoordelen. Uit deze herbeoordelingen is onder andere naar voren gekomen dat de banken niet hebben kunnen aantonen dat de klanten de kenmerken van het rentederivaat goed begrepen en konden overzien. De FSMA heeft de banken door middel van moral persuasion aangezet de bermudan callable swaps om te zetten naar gewone rentederivaten met behoud van de rentekorting.

Het onderzoek van de FSMA wijkt wat betreft zijn reikwijdte af van de Nederlandse herbeoordelingen. Het rapport dat de FSMA in mei 2015 heeft uitgebracht en het oordeel dat daarin wordt geveld, spitst zich toe op één enkele productsoort. Voor dit ene product is het mogelijk gebleken voor de FSMA om een algemene schending van zorgplicht te constateren, omdat het product in kwestie door haar als niet-passend voor het MKB wordt gekwalificeerd.

De herbeoordelingen door de banken in Nederland richten zich op zes banken en op alle typen afgesloten rentederivatenovereenkomsten met niet- professionele MKB-ondernemingen. Hiervoor kan niet eenvoudig gesteld worden dat voor al deze contracten sprake is van een schending van de zorgplicht. Dit neemt niet weg dat ook in Nederland in specifieke gevallen sprake kan zijn van een schending van de zorgplicht. Wanneer de herbeoordelingen zijn afgerond, zal per dossier de conclusie zijn getrokken in hoeverre is voldaan aan de zorgplicht en welke oplossing, indien nodig, passend is. Dit kan betekenen dat ook in Nederlandse situaties een complex rentederivaat wordt omgezet in een gewoon rentederivaat.

Ook vragen de leden van de D66-fractie of de Minister kan aangeven of en zo ja hoeveel bermudan callable swaps door Nederlandse banken zijn verkocht.

Ook in Nederland zijn dergelijke swaps met MKB-ondernemingen afgesloten. Aan klanten met een dergelijk rentederivaat is in de herbeoordelingen prioriteit gegeven, omdat de AFM deze rentederivaten heeft gedefinieerd als een complex rentederivaat. Per eind juli 2014 bedroeg het uitstaande aantal complexe derivaten bij het niet-professioneel MKB 1.268 contracten, i.e. circa. 7% van het totaal. Het is echter niet precies bekend hoeveel van deze complexe derivaten dergelijke swaps betrof. De AFM is in gesprek met de banken over dergelijke producten om te bezien welke oplossingen aan klanten worden geboden. Zo heeft één bank er voor gekozen om bij alle swaps, waarbij er nog mogelijkheden voor de bank bestonden om het derivaat tussentijds te beëindigen, van deze mogelijkheden af te zien. Het rentevoordeel voor de klant blijft daarbij behouden.

6. Klachten

De fracties van het CDA en van de VVD stellen een aantal vragen over de mogelijkheden om klachten en geschillen aanhangig te maken.

In de eerste plaats dienen ondernemers hun klacht te bespreken met hun bank. Als dat niet leidt tot een oplossing staat Kifid open voor ondernemers met geschillen in verband met een rentederivaat. Dus als de rechter een te hoge drempel is, is het Kifid loket een optie. Klachten over rentederivaten kennen een gemiddelde responstijd van enkele maanden. De banken geven aan dat het kan voorkomen dat de behandeling, analyse en uitwerking enkele maanden in beslag neemt. Zorgvuldige afhandeling van klachten staat voorop en kost tijd. Dit heeft te maken met complexiteit en inbreng van de klant c.q. zijn adviseur en/of advocaat. De banken geven aan dat er ongeveer 300 klachten in behandeling zijn bij banken. Er zijn op dit moment 26 klachten ingediend bij Kifid.

De fractie van de SP vraagt wat het betekent voor de individuele klant als de kwaliteit van de herbeoordeling van zijn dossier keer op keer te wensen overlaat.

Als de herbeoordeling volgens een klant te wensen overlaat of niet leidt tot overeenstemming tussen bank en klant, kan de klant zijn klacht indienen bij de bank. Als de klacht daar niet wordt opgelost, kan de klant kiezen om zijn zaak voor te leggen aan het speciale loket dat hiervoor is geopend bij Kifid. Een klant kan ook altijd zijn zaak aan de rechter voor leggen. Zoals eerder aangegeven zou naar het oordeel van de AFM de inzet van onafhankelijke reviewers in beeld komen als een bank structureel onvoldoende scoort op haar herbeoordelingen.


X Noot
1

Als de verplichting groter wordt dan de klant kan betalen, moet de klant zekerheden stellen om aan zijn betalingsverplichting te kunnen voldoen. Kan de klant dit niet dan zal de bank de klant moeten beschermen door de positie te sluiten (liquidatieplicht).