31 308
Evaluatie-instrument beleidsdoorlichting

29 949
Evaluatie VBTB

nr. 3
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 28 februari 2008

De commissie voor de Rijksuitgaven1 heeft op 6 februari 2008 overleg gevoerd met minister Bos van Financiën over:

– de brief van de minister van Financiën inzake het verantwoordingsproces, toleranties en subsidies van 19 december 2007 (31 031/29 949, nr. 19);

– de brief van de minister van Financiën inzake beleidsdoorlichtingen van 7 december 2007 (31 308, nr. 1).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer Mastwijk (CDA) waardeert de pogingen van het kabinet om van de verantwoording meer werk te maken en de controledruk te verlichten.

Hij plaatst vraagtekens bij de keuze voor de departementen van LNV, VWS en Buitenlandse Zaken voor het experiment in het kader van de vernieuwing van de Rijksdienst. Zijn voorkeur gaat uit naar het departement van VROM in plaats van Buitenlandse Zaken.

Het beleidsprogramma van het kabinet in de huidige vorm is niet geschikt als basis voor het begrotings- en verantwoordingsproces. De 74 doelstellingen en de 10 prioriteiten hebben immers weinig punten waarop het kabinet afrekenbaar is. Is een goede verantwoording dan mogelijk? Een harde voorwaarde moet zijn dat er een verband is tussen de 74 doelstellingen en de 10 prioriteiten enerzijds en de Miljoenennota anderzijds. Hoe ziet de minister dat? Heeft de Kamer de mogelijkheid om aanvullende prioriteiten te benoemen die opgenomen worden in de beleidsagenda’s van de begrotingen en die uiteindelijk in de jaarverslagen terechtkomen? Gelden daar termijnen voor? Heeft de Kamer die mogelijkheid ook voor de beleidsdoorlichtingen? Waar in de cyclus ziet de minister ruimte voor de Kamer? Is het een idee om dat rond Prinsjesdag te doen? Krijgt de Kamer de gelegenheid om tijdens de rit, bijvoorbeeld na een belangrijk debat, eisen te stellen aan de inhoud van de algemene verantwoordingsbrief en de individuele jaarverslagen?

In het jaarverslag nieuwe opzet worden geen prestatie- en effectgegevens meer opgenomen voor de beleidsartikelen die niet gerelateerd zijn aan de doelstellingen uit het beleidsprogramma, eventueel aangevuld met prioriteiten door de ministers of de Kamer. Wordt hierop een uitzondering gemaakt als de Kamer dat nadrukkelijk vraagt? Wat gebeurt er als er een nieuw kabinet aantreedt dat andere accenten gaat leggen en andere beleidsprioriteiten stelt? Is er dan op de departementen nog informatie achter de hand om tijdig gegevens te kunnen leveren? Is het een alternatief als ministers in overleg met de betrokken Kamercommissies per begroting een onderscheid maken tussen beleidsarme en beleidsrijke artikelen en daarbij van tevoren overeen te komen voor welke artikelen de VBTB-systematiek onverkort blijft gelden?

Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Mastwijk c.s. (29 949, nr. 9) over niet-financiële informatie in de jaarverslagen? Die informatie onderbouwt of gestelde doelen zijn gehaald. Hoe zit dat met meer abstracte onderwerpen? Hoe kan geverifieerd worden of die informatie betrouwbaar is? De Kamer moet kunnen vertrouwen op de deugdelijkheid van de niet-financiële informatie, anders heeft het experiment geen zin. Dat betekent dat de minister een normenkader moet ontwikkelen waarbij de reikwijdte van de accountantsverklaring op enigerlei wijze wordt uitgebreid met een oordeel over de niet-financiële beleidsinformatie. Kan de minister op dit punt een harde toezegging doen?

Gaat het versoepelen van de kwantitatieve controle- en rapportagegrens gepaard met een intensivering van controles op «gevoelige zaken»? Hoe wordt bepaald welke zaken in de controle meer of minder aandacht krijgen? Welke rol ziet de minister daarbij voor de Kamer? Is er sprake van sanctiebeleid?

Het is goed dat de minister voorstelt om voortaan bij elk van de departementale jaarverslagen ten minste één beleidsdoorlichting aan de Kamer aan te bieden. Belangrijk is dat de minister de regie heeft bij de uitvoering van dit essentiële evaluatie-instrument. Er moet een helder kader komen, met richtlijnen die zorgen voor kwaliteit. Bovendien moet het getuigen van onafhankelijkheid. Heeft de Kamer een rol bij de keuze van de onderwerpen? Hoe wil de minister die beleidsdoorlichting laten slagen?

Wat is de status van het voorgestelde subsidiekader? Loopt de toepassing van het kader op vrijwillige basis of wordt het rijksbreed voorgeschreven? Wanneer ligt het kader voor? Hoe wordt omgegaan met gevoelig liggende subsidies? Waarom wordt zo weinig gebruik gemaakt van het terugvorderingsrecht bij misbruik of oneigenlijk gebruik van subsidies? Zijn er cijfers beschikbaar over misbruik en oneigenlijk gebruik en de mate waarin subsidiebedragen worden teruggevorderd? Hoe kan het nieuwe subsidiekader verandering brengen in deze situatie?

De heer Blok (VVD) vindt dat de minister een zeer werkbaar voorstel doet om de verantwoordingsdag te concretiseren. Het is een goede zaak dat de minister-president het beleid zal toelichten. Klopt het dat naast de 74 doelstellingen de 10 prioriteiten onderdeel uitmaken van de jaarlijkse verantwoording? Deze exercitie is alleen zinvol wanneer de Kamer een koppeling kan leggen tussen de begrotingen en de 74 doelstellingen en de 10 prioriteiten. Dat betekent dat per prioriteit wordt aangegeven welk begrotingshoofdstuk geldt. Als die koppeling niet te leggen is, valt het fundament onder de VBTB-systematiek weg.

Het voorstel voor een verruiming van de toleranties op begrotingsartikelniveau vindt instemming. Het is een goede zaak dat gestreefd wordt naar minder administratieve lasten. Het overschrijden van die wat soepeler grenzen door een departement zou dan wel moeten leiden tot strikte maatregelen.

Ook de verdere uitwerking van een subsidiekader, dat leidt tot uniformering en vereenvoudiging van de uitvoering van subsidies, is een stap in de goede richting. Overigens moet hierbij de voorwaarde gelden dat de effectiviteit van de subsidies onderdeel blijft uitmaken van de vaste begrotings- en verantwoordingscyclus.

Mevrouw Vos (PvdA) sluit zich aan bij de lovende woorden over de plannen van de minister. Bij dit belangrijke debat wordt vaak vergeten wat de werkelijkheid achter de cijfers is. Hopelijk maken de plannen van de minister een meer inhoudelijk debat mogelijk.

Wie heeft de leiding over het VBTB-experiment? De minister van Financiën is daarvoor de aangewezen persoon, omdat hij een goed zicht heeft op de jaarverslagen van de verschillende departementen. Van groot belang is de evaluatie. Waarop gaat het kabinet toetsen? Worden de criteria van de Rekenkamer gehanteerd of worden die aangevuld met de criteria «verminderde ambtelijke inzet» en «duidelijkheid voor de burger»?

Klopt het dat bij de beleidsdoorlichtingen de onderwerpen eerst aan de Kamer worden voorgelegd en dat de verantwoording tijdig voor het verantwoordingsdebat plaatsvindt?

De minister is in zijn brief niet ingegaan op de visie van de PvdA dat het budget een zekere taakstellende functie heeft. Hij schrijft slechts dat het budgetrecht van de Kamer niet verandert. De essentie van dit punt is dat de minister een verhoging van het budget door de Kamer bij amendement loyaal moet uitvoeren en dat hij niet op het niveau van de oude raming moet blijven zitten. Klopt het dat de minister-president in het verantwoordingsdebat ook op de resultaten van een Kameronderzoek zal ingaan?

Wanneer wordt de Kamer op de hoogte gesteld van de effecten van de wijzigingen van de tolerantiegrenzen?

Op welk percentage van de subsidies heeft het voorstel voor een verdere uitwerking van een subsidiekader betrekking? Kan de minister een indicatie geven van de besparing aan administratieve lasten en de waardering van de betrokken gesubsidieerde organisaties van dit voorstel? Het is verheugend dat de minister ook op Europees niveau blijft aandringen op vereenvoudiging. Waarom is nooit gebruik gemaakt van het bestaande sanctiemiddel om subsidies te laten terugbetalen?

De heer Luijben (SP) is ook de opvatting toegedaan dat de minister goed werk heeft geleverd. Het is buitengewoon belangrijk dat er een goede verantwoording op verantwoordingsdag plaatsvindt. Om de verantwoordingsdag en het verantwoordingsdebat meer politiek elan te geven, is een verantwoordingsbrief van de minister-president een goed initiatief. Het moet echter geen promopraatje worden, maar een realistisch beeld geven van zowel fouten als successen die behaald zijn. Is het een goed idee om de twee grootste problemen en de twee grootste successen te benoemen? Daarnaast zou de minister-president een mogelijke oplossing kunnen aandragen voor de problemen. Wat vindt de minister hiervan? Bestaat de mogelijkheid dat de Tweede Kamer aangeeft aan welke onderwerpen in het bijzonder aandacht besteed wordt in de verantwoordingsbrief? Kan de minister-president vooraf laten weten welke accenten hij legt in zijn brief? Waarom vindt er geen audit plaats? Dit zou de brief een toegevoegde waarde geven.

Het hanteren van de 74 doelstellingen is een goede manier om meer focus te krijgen, maar het houdt ook het gevaar in dat ministeries hun inspanningen alleen richten op het halen van die doelstellingen omdat zij daarover verantwoording moeten afleggen. Kunnen de doelstellingen tussentijds worden aangepast om het geheel wat dynamischer te maken? Is er een mogelijkheid om andere prioriteiten te stellen indien nodig? Kan de Tweede Kamer daar voorstellen voor doen? Een aantal doelstellingen is niet toetsbaar geformuleerd. Kan de minister deze herformuleren, zodat zij wel toetsbaar of meer toetsbaar zijn? Wat ziet het kabinet als eindbestemming? Welke weg wil het kabinet daarvoor bewandelen? Wat is het prijskaartje dat aan dit traject hangt? Waarom verdwijnen de prestatie- en effectgegevens in het jaarverslag voor niet-prioritaire beleidsartikelen? Is het mogelijk dat het kabinet een extra slag maakt, zoals de Algemene Rekenkamer doet, door een onderscheid te maken tussen beleidsarme en beleidsrijke artikelen?

De heer Luijben kan instemmen met het voorstel voor een verruiming van de toleranties op begrotingsartikelniveau vanwege het verminderen van bureaucratie. Dit voorstel beoogt een verruiming van de grenzen waarbinnen de departementen kunnen opereren. Daarbij moet wel aandacht zijn voor kwalitatieve aspecten. Heeft de Kamer de mogelijkheid om aan te geven op welke punten zij extra aandacht wil? Dit valt onder het risicomanagement.

De verdere uitwerking van een subsidiekader leidt tot uniformering van de regelgeving. De kwaliteit van de regelingen mag er niet op achteruit gaan. Daarnaast moet het uitgangspunt zijn dat er zo min mogelijk regels zijn. Is er goed geluisterd naar de subsidieverleners, de uitvoerders en degenen die de subsidie moeten aanvragen? Wat zien zij als tekortkomingen dan wel pluspunten van de regelingen waarvan zij gebruik maken? Kunnen er meer gegevens worden verstrekt over de subsidieregelingen? Bij de toepassing van de uniformering moet gekeken worden naar het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik. Kunnen er sancties opgelegd worden bij misbruik of fraude?

Antwoord van de minister

De minister vindt het verheugend dat Kamer en kabinet op een constructieve manier met elkaars inzichten op het punt van de verantwoording omgaan. Het gaat in essentie om de vraag hoe de verantwoording van het kabinetsbeleid politieker van karakter wordt. Daarnaast is het van belang om efficiënter om te gaan met controle, wat een besparing op administratieve lasten oplevert, zonder dat dit ten koste gaat van het budgetrecht van de Kamer en een deugdelijke controle.

Er is gekozen voor de departementen van VWS, LNV en Buitenlandse Zaken voor het experiment met verantwoording in de jaarverslagen omdat zij sterk van elkaar verschillen. Het departement van VWS heeft te maken met veel premiefinanciering. Het departement van LNV heeft voornamelijk doelstellingen op ruimtelijk gebied en heeft bij veel zaken betrokkenheid van medeoverheden nodig. Ook gaat het bij dit departement om concrete zaken. Het departement van Buitenlandse Zaken is gekozen omdat dit van alle departementen de moeilijkst meetbare doelstellingen heeft. In de verantwoording van Buitenlandse Zaken loopt ook Ontwikkelingssamenwerking mee. De minister zal bezien of het mogelijk is om de departementen van VROM en WWI bij het experiment te betrekken.

Het is evident dat er een verband moet zijn tussen de verantwoordingsbrief van de minister-president en de Miljoenennota. Het is de bedoeling om elk jaar in hoofdstuk 3 van de Miljoenennota te berichten over de voortgang van een selectie uit de 74 doelstellingen en in ieder geval over de 10 projecten: de «vlaggenschepen» van dit kabinet. Die 10 projecten komen ook terug in de verantwoordingsbrief van de minister-president, evenals de selectie van doelstellingen. In de verantwoordingsbrief moet nog ruimte zijn om andere zaken op te nemen, bijvoorbeeld zaken die in het licht van de actualiteit aan de orde zijn of zaken die door de Kamer naar voren worden gebracht. Het is wel van belang dat de Kamer een dergelijk verzoek zo vroeg mogelijk indient. Het beste is het als de Kamer twee jaar voorafgaande aan het verschijnen van de verantwoordingsbrief in het najaar onderwerpen aandraagt. Dit wil niet zeggen dat onderwerpen die op een later moment worden aangedragen, niet kunnen worden meegenomen. Echter, hoe vroeger de onderwerpen zijn ingediend, des te volwaardiger zij in de verantwoordingsbrief een plek kunnen krijgen.

In het voorstel loopt het moment waarop de resultaten van de beleidsdoorlichtingen de Kamer bereiken gelijk met de verantwoording. Ministers geven in hun begroting aan op welke gebieden zij een beleidsdoorlichting willen. De Kamer heeft binnen dit proces volop de ruimte om eigen ideeën aan te dragen.

De minister neemt de vrees weg dat informatie verdwijnt wanneer er een nieuw kabinet komt en de prioriteitstellingen veranderen. In principe blijft alle informatie die nodig is om te kunnen schakelen naar andere prioriteiten op departementsniveau aanwezig.

Naar aanleiding van de motie-Mastwijk is eind 2006 in samenwerking met de Algemene Rekenkamer een serie workshops gehouden over de kwaliteit van niet-financiële informatie. Die hebben geleid tot de conclusie dat er geen noodzaak is om regelgeving aan te passen die betrekking heeft op die materie en dat auditdiensten de totstandkoming van niet-financiële informatie zullen controleren. Daarover is de Kamer in het najaar van 2007 bericht. Ook niet-financiële informatie die in de beleidsverslagen komt te staan, valt onder de controle door auditdiensten op de totstandkoming van die informatie. De minister-president baseert zich op die informatie in zijn verantwoordingsbrief.

Bij de selectie van onderwerpen voor de verantwoording wordt niet alleen gekeken naar bedragen, maar ook naar de aard van de zaak. In de perceptie van risicomanagement van het kabinet wordt er rekening mee gehouden welke zaken tot grote politieke debatten aanleiding kunnen geven, ook als het gaat om relatief kleine bedragen.

Het gaat bij de voorgestelde uitwerking van een subsidiekader in essentie om een stroomlijning van de administratieve voorwaarden die aan de orde zijn bij subsidieaanvragen en subsidieverstrekking. Hiermee kan in totaal een besparing van 30% à 40% op administratieve lasten tot stand worden gebracht. Een sanctie-instrumentarium is nog in ontwikkeling. In het najaar zal bij de bespreking van het juridische kader uitgebreider worden ingegaan op dit specifieke punt. Het terugbetalen van ten onrechte verstrekte subsidies ligt in het algemeen juridisch buitengewoon complex. Een mogelijkheid is het aanleggen van een zwarte lijst van partijen die zich slecht gedragen bij de aanvraag dan wel het gebruik van een subsidie. Die komen dan niet meer in aanmerking voor subsidie. Op de vraag of de effectiviteit van subsidies onderdeel blijft van de afweging antwoordt de minister bevestigend.

Wanneer departementen de voorgestelde tolerantiemarges overschrijden, is het belangrijkste sanctie-instrument dat in het jaar volgend op de constatering een departement of een bepaald begrotingsartikel op een departement onder voorafgaand toezicht wordt gesteld. Dat betekent dat geen geld uitgegeven of verplichting aangegaan mag worden zonder dat Financiën daarvan weet en daar akkoord op verleent. Dit is een buitengewoon zware sanctie, die men in het algemeen probeert te vermijden. Liever wordt gewerkt met afspraken tussen het betreffende departement en Financiën. De minister neemt de suggestie mee om departementen te belonen in termen van minder controlelast naarmate zij beter presteren.

De minister meldt dat het VBTB-experiment onder zijn verantwoordelijkheid valt. Bij de evaluatie worden alle criteria overgenomen die de Algemene Rekenkamer aanlegt. Daaraan worden twee elementen toegevoegd. Ten eerste de vraag of het lukt om de verantwoordingscyclus, met name het moment van het verantwoordingsdebat in mei, politieker en meer gefocust te doen zijn dan de afgelopen jaren. Ten tweede of het lukt om als resultaat van deze exercitie een vermindering van administratieve lasten en ambtelijke tijd die hiermee gemoeid is tot stand te brengen.

De minister ziet geen reden om doelstellingen die moeilijk toetsbaar zijn te herformuleren. De meetbaarheid en concreetheid van doelstellingen is een kwestie die in het debat met de Kamer aan de orde komt. Het kabinet moet zich in het debat verantwoorden. Dat geldt evenzeer de doelstellingen die minder meetbaar geformuleerd zijn.

Nadere gedachtewisseling

De heer Mastwijk (CDA) wil weten of de 74 doelstellingen en de 10 prioriteiten ook meegenomen zijn in de verantwoording over 2007. Hoe pakken deze doelstellingen en prioriteiten uit voor de jaarverslagen over 2007? Hoe wordt ermee omgegaan als uit een vaste Kamercommissie naar voren komt dat zeer wordt gehecht aan meer verantwoordingsinformatie over een beleidsartikel dat niet behoort tot de 74 doelstellingen?

Het fenomeen beleidsdoorlichting moet op een hoger plan worden getild. Daartoe moet er een strak kader komen, een sjabloon waaraan de beleidsdoorlichtingen moeten voldoen. In hoeverre is de minister hiermee bezig? Hoe kan de minister garanderen dat de beleidsdoorlichtingen in zekere mate onafhankelijk zijn?

Het is de heer Mastwijk niet duidelijk hoe de Kamer kan controleren of de onderliggende cijfers bij niet-financiële informatie op een betrouwbare wijze tot stand zijn gekomen. In de motie-Mastwijk wordt de minister verzocht hiertoe een normenkader te ontwikkelen. Hoe staat het daarmee?

De heer Blok (VVD) herhaalt zijn vraag naar de koppeling tussen de begrotingen en de 74 doelstellingen en de 10 prioriteiten.

Mevrouw Vos (PvdA) mist een antwoord op de vraag naar het percentage subsidies waar het nieuwe subsidiekader betrekking op heeft. Heeft het departement van VROM getoond geïnteresseerd te zijn in het VBTB-experiment? Voelt het ministerie van Financiën er niet voor om mee te doen aan dit experiment?

De heer Luijben (SP) heeft geen antwoord gekregen op zijn vraag waarom voor de verantwoordingsbrief van de minister-president geen audit plaatsvindt. Hoe kan de Tweede Kamer invloed uitoefenen op de wijze waarop het risicomanagement gestalte krijgt?

De minister erkent dat voor de verantwoording over 2007 nog niet voldaan kan worden aan de criteria voor behandeling in mei 2008 van de verantwoordingsbrief van de minister-president. In de verantwoordingsbrief zal in ieder geval op de voortgang van de 10 projecten worden ingegaan. Daarnaast zal een relevante selectie van de 74 doelstellingen aan de orde komen. De doelstellingen die niet door de minister-president in zijn verantwoordingsbrief worden meegenomen, worden natuurlijk wel verantwoord in de afzonderlijke jaarverslagen.

De minister wijst erop dat het verantwoordingsdebat van mei 2006 door velen als frustrerend is ervaren. Enerzijds kan de reden daarvoor liggen in het feit dat de minister-president de verantwoording niet zelf deed. Anderzijds kan het ermee te maken hebben dat het verantwoordingsdebat werd gehouden voorafgaand aan de cyclus verantwoordingsdebatten per departement. Het is van belang in het oog te houden dat die cyclus nog volgt en om het verantwoordingsdebat op een zo hoog mogelijk politiek niveau te voeren. Daarom is ervoor gekozen in de verantwoordingsbrief een selectie van de doelstellingen op te nemen van zaken die een hoge politieke relevantie hebben. De verantwoording over de 74 doelstellingen en de 10 projecten wordt gerelateerd aan begrotingsartikelen, zij het dat er doelstellingen zijn die niet zoveel met geld te maken hebben. Wat het risicomanagement betreft vindt de selectie van doelstellingen plaats op basis van grootte van het bedrag, politieke sensitiviteit, de kans dat er iets mis kan gaan en de ervaringen uit het verleden. Daarbij worden suggesties van de Kamer uiteraard meegenomen.

Een aparte audit van de verantwoordingsbrief van de minister-president is niet nodig, aangezien de informatie in zijn brief gebaseerd is op de jaarverslagen waar de auditdienst bij betrokken is geweest als het gaat om de totstandkoming van niet-financiële informatie. De brief van de minister-president is een politiek document. Het streven is het verantwoordingsdebat een politiek debat te laten zijn, meer dan een debat dat alleen over cijfers gaat.

Er is ruimte voor de Kamer om de nadruk op andere begrotingsartikelen te leggen. De Kamer kan een artikel tot beleidsprioriteit bestempelen. Daar heeft de bewindspersoon in de verdere begrotingscyclus rekening mee te houden.

De minister zal de Kamer het kader op het gebied van beleidsdoorlichtingen toesturen. Daarbij zal hij de Kamer schriftelijk informeren over het ontwikkelen van een normenkader naar aanleiding van de motie-Mastwijk voor de niet-financiële informatie. In de visie van het kabinet heeft dat vooral betrekking op controle op de totstandkoming van informatie. De beleidsdoorlichtingen zijn in zekere mate onafhankelijk tot stand gekomen, omdat daarbij externe onafhankelijke deskundigen bij betrokken zijn.

Het nieuwe subsidiekader geldt in principe voor alle subsidies.

Alle departementen zijn bereid om aan het VBTB-experiment mee te doen, inclusief het departement van VROM.

Toezeggingen

– De minister zal nazoeken in hoeverre de oproep in de motie Mastwijk c.s., om een normenkader met betrekking tot betrouwbaarheid van niet financiële informatie, nog niet beantwoord en/of verwerkt is en zal de Tweede Kamer hierover informeren.

– De minister zal het toetsingskader, opgesteld met betrekking tot beleidsdoorlichtingen, toesturen aan de Tweede Kamer.

– De minister zal bekijken of het departement VROM/WWI en of Financiën aan het experiment voor verantwoording toegevoegd kan worden.

De voorzitter van de vaste commissie voor de Rijksuitgaven,

Aptroot

De adjunct-griffier van de vaste commissie voor de Rijksuitgaven,

Van de Wiel


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Vendrik (GroenLinks), Kant (SP), Blok (VVD), Ten Hoopen (CDA), Weekers (VVD), Van Haersma Buma (CDA), De Nerée tot Babberich (CDA), Aptroot (VVD), voorzitter, Dezentjé Hamming (VVD), Omtzigt (CDA), Koşer Kaya (D66), Luijben (SP), Van der Veen (PvdA), Kalma (PvdA), Van Gerven (SP), Blanksma-van den Heuvel (CDA), Cramer (ChristenUnie), Tony van Dijck (PVV), Gesthuizen (SP), Ouwehand (PvdD), Heijnen (PvdA), Tang (PvdA) en Vos (PvdA), ondervoorzitter.

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Van Gent (GroenLinks), Roemer (SP), Van der Burg (VVD), Jonker (CDA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Jan de Vries (CDA), Van Hijum (CDA), Van Beek (VVD), Boekestijn (VVD), De Pater-van der Meer (CDA), Van der Ham (D66), Gerkens (SP), Vermeij (PvdA), Kuiken (PvdA), Anker (ChristenUnie), De Roon (PVV), Irrgang (SP), Thieme (PvdD), Heerts (PvdA), Besselink (PvdA), Depla (PvdA) en Mastwijk (CDA).

Naar boven