nr. 4
ADVIES RAAD VAN STATE VAN HET KONINKRIJK EN NADER RAPPORT1
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State van het Koninkrijk
d.d. 21 september 2007 en het nader rapport d.d. 5 december 2007,
aangeboden aan de Koningin door de minister van Buitenlandse Zaken, mede namens
de minister van Justitie. Het advies van de Raad van State van het Koninkrijk
is cursief afgedrukt.
Bij Kabinetsmissive van 24 juli 2007, no.07 002444, heeft Uwe
Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, mede namens
de Minister van Justitie, bij de Raad van State van het Koninkrijk
ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van rijkswet houdende goedkeuring
van
– de op 25 juni 2003 te Washington D.C. totstandgekomen Overeenkomst
betreffende uitlevering tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van
Amerika (Trb. 2004, 297);
– het op 29 september 2004 te ’s-Gravenhage totstandgekomen
Verdrag bevattende het instrument bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de
Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Verenigde Staten van Amerika
en de Europese Unie, ondertekend te Washington op 25 juni 2003, inzake
de toepassing van het uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden
en de Verenigde Staten van Amerika, ondertekend te ’s-Gravenhage op
24 juni 1980, met bijlagen (Trb. 2004, 299);
– de op 25 juni 2003 te Washington D.C. totstandgekomen Overeenkomst
betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de Europese Unie en
de Verenigde Staten van Amerika (Trb. 2004, 298);
– het op 29 september 2004 te ’s-Gravenhage totstandgekomen
Verdrag bevattende het instrument bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de
Overeenkomst betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de Verenigde
Staten van Amerika en de Europese Unie, ondertekend te Washington op 25 juni
2003, inzake de toepassing van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden
en de Verenigde Staten van Amerika aangaande wederzijdse rechtshulp in strafzaken,
ondertekend te ’s-Gravenhage op 12 juni 1981, met bijlagen (Trb.
2004, 300), met memorie van toelichting.
Het voorstel van rijkswet voorziet in goedkeuring van een viertal verdragen
op het terrein van strafrechtelijke samenwerking (uitlevering en rechtshulp).
Twee van deze verdragen zijn gesloten tussen de Europese Unie (hierna: EU)
en de Verenigde Staten van Amerika (hierna: VS). Deze twee verdragen strekken
tot aanvulling van de tussen de lidstaten van de EU en de VS geldende bilaterale
verdragen inzake uitlevering en rechtshulp. Met deze aanvulling is beoogd
dat tussen alle lidstaten en de VS een vergelijkbaar niveau van verdragsverplichtingen
totstandkomt. De andere twee verdragen zijn gesloten tussen het Koninkrijk
der Nederlanden en de VS. In deze verdragen wordt uitgewerkt welke bepalingen
uit de tussen de EU en de VS gesloten aanvullende verdragen in samenhang met
de al bestaande bilaterale verdragen zullen worden toegepast.
De Raad van State van het Koninkrijk onderschrijft de strekking van het
voorstel van rijkswet, maar maakt daarbij de volgende kanttekening.
In de memorie van toelichting bij het voorstel van rijkswet wordt vermeld
dat de regeringen van de Nederlandse Antillen en Aruba nog niet te kennen
hebben gegeven dat zij medegelding voor hun land wensen van de onderhavige
verdragen.1 Omdat het belang van een goede internationale
strafrechtelijke samenwerking zich niet tot het grondgebied van het Koninkrijk
in Europa beperkt, is het naar het oordeel van de Raad aangewezen dat deze
verdragen ook op de Nederlandse Antillen en Aruba zullen gelden. De Raad adviseert
daarom medegelding in alle landen van het Koninkrijk te bevorderen.
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 24 juli
2007, no. 07.002444, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State van het Koninkrijk
zijn advies inzake het bovenvermelde voorstel van rijkswet rechtstreeks aan
mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 21 september 2007, nr. W03.07.0247/II/K,
bied ik U hierbij aan.
De Raad van State van het Koninkrijk adviseert te bevorderen dat de vier
verdragen voor alle landen van het Koninkrijk zullen gelden.
Inmiddels hebben de regeringen van de Nederlandse Antillen en van Aruba
te kennen gegeven, medegelding van de verdragen voor hun land te wensen. De
memorie van toelichting is dienovereenkomstig aangepast.
De Raad van State van het Koninkrijk geeft U in overweging het voorstel
van rijkswet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, aan de Staten van de Nederlandse Antillen en aan die van Aruba, nadat aan het vorenstaande
aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State van het Koninkrijk,
H. D. Tjeenk Willink
Ik moge U, mede namens mijn ambtsgenoot van Justitie, verzoeken het hierbij
gevoegde voorstel van rijkswet en de gewijzigde memorie van toelichting aan
de Tweede Kamer der Staten-Generaal, de Staten van de Nederlandse Antillen
en de Staten van Aruba te zenden.
De minister van Buitenlandse Zaken,
M. J. M. Verhagen