nr. 43
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 13 oktober 2009
Op 23 september jl. heb ik samen met de staatssecretaris van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport overleg gevoerd met de vaste commissies voor Volksgezondheid,
Welzijn en Sport, Financiën en Sociale Zaken en Werkgelegenheid over
de voortgang van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten.
Tijdens dit overleg is ten aanzien van twee vragen toegezegd dat ik daar schriftelijk
op zou reageren. Het betreft allereerst de vraag van mevrouw Van Miltenburg
(VVD) om een schriftelijke uiteenzetting van de ingeboekte besparingen op
de (voormalige) BU-maatregel en de WTCG-maatregel. Ten tweede heeft de heer
Omtzigt (CDA) vragen gesteld over het Besluit tegemoetkoming specifieke zorgkosten.
Op beide vragen ga ik hierna gaarne in.
Bezuinigingstaakstelling
In het Coalitieakkoord is vastgelegd om de buitengewone uitgavenregeling
in de inkomstenbelasting af te schaffen en een nieuwe regeling te introduceren
voor chronisch zieken en gehandicapten. Hierbij is tevens een bezuinigingstaakstelling
van € 400 miljoen ingeboekt. Daarnaast is tijdens de Algemene Politieke
Beschouwingen in september 2007 de motie Van Geel aangenomen die heeft geleid
tot een additionele bezuiniging van € 250 miljoen. Mevrouw van Miltenburg
heeft gevraagd of deze (totale) bezuiniging wel wordt gerealiseerd.
In 2007 werd duidelijk dat de nieuwe (specifieke) regeling voor chronisch
zieken en gehandicapten niet op 1 januari 2008 gereed zou kunnen zijn.
De bezuinigingstaakstelling van € 400 miljoen, die voorzien was
voor 2008, is toen gerealiseerd door een versobering van de buitengewone uitgavenregeling,
namelijk door de premies en de inkomensafhankelijke bijdragen in relatie tot
de ziektekostenverzekering niet langer aftrekbaar te doen zijn. Deze versobering
is opgenomen in het Belastingplan 2008.
De omzetting van de (versoberde) buitengewone uitgavenregeling met ingang
van 1 januari 2009 heeft budgettair neutraal plaatsgevonden, met dien
verstande dat daarbij wel invulling is gegeven aan de ingevolge de motie
Van Geel vereiste nadere bezuiniging van € 250 miljoen. Het volledige
overzicht van de besparingen als gevolg van de omzetting, rekening houdend
met de besparing die de omzetting tot gevolg had op bijvoorbeeld de huurtoeslag,
en van alle maatregelen die in het kader van deze omzetting zijn getroffen,
waaronder begrepen de verschillende compenserende maatregelen om koopkrachtgevolgen
waar mogelijk te mitigeren, is opgenomen in de brief van de minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid en de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport van 7 oktober 2008 (Kamerstukken II 2008/09, 31 706, nr. 10,
blz. 7.
Termijnen in de tegemoetkomingsregeling specifieke zorgkosten
De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft op 22 september
jl. het concept Besluit tegemoetkoming specifieke zorgkosten (hierna: TSZ-besluit)
(29 689, nr. 274) ter kennisneming naar de Tweede en Eerste Kamer
gestuurd. Hij heeft daarbij verzocht eventuele vragen en opmerkingen naar
aanleiding van dit besluit binnen drie weken te stellen. Daarna zal het besluit
voor advies naar de Raad van State worden verzonden. In genoemd algemeen overleg
is door de heer Omtzigt de vraag gesteld of in het concept TSZ-besluit behandeltermijnen
zijn opgenomen en of de huidige termijnen niet veel te ruim zijn.
In de «oude» tegemoetkomingsregeling buitengewone uitgaven
(hierna: TBU-besluit) waren geen behandelingstermijnen opgenomen, waardoor
de rechtszekerheid van belastingplichtigen onvoldoende gewaarborgd was. Daarom
is, zoals in de brief van minister Klink van 23 juni jl. (31 301,
nr. 41) reeds is aangegeven, in het concept TSZ-besluit een behandelingstermijn
opgenomen van zes maanden, ingaande op het moment dat de aanslag inkomstenbelasting
onherroepelijk is komen vast te staan. Door het opnemen van de behandelingstermijn
van zes maanden wordt rechtszekerheid geboden aan de belastingplichtige (de
overlijdensgevallen daar gelaten, zie hierna). Uiteraard is het streven om
in de praktijk zo snel mogelijk na het onherroepelijk worden van de aanslag
IB de tegemoetkoming vast te stellen.
Dit betekent dus dat de inspecteur de tegemoetkoming specifieke zorgkosten
vaststelt uiterlijk binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de
aanslag IB van de belastingplichtige. Of recht bestaat op tegemoetkoming specifieke
zorgkosten en tot welk bedrag is namelijk afhankelijk van de definitieve gegevens
omtrent onder meer de gecombineerde heffingskorting en de gecombineerde inkomensheffing
van een belastingplichtige (en eventueel zijn partner). Uitgaan van voorlopige
gegevens is geen optie omdat, als bij het opleggen van de definitieve aanslag
wordt afgeweken van de voorlopige aanslag, de tegemoetkoming herzien zou moeten
worden. Dit zou leiden tot meer rechtsonzekerheid bij de burger en bovendien
tot dubbel werk en daarmee een administratief onnodig zware belasting. Daarnaast
kan het betalingsproblemen opleveren.
In de praktijk is het zo dat elke maand de opgelegde definitieve aanslagen
gequeried worden (uitgelezen worden) – dit is overigens in oude belastingjaren
vier keer per jaar – waarna deze query door het TBU-systeem (straks
TSZ-systeem) loopt. Daar wordt gekeken of recht bestaat op een tegemoetkoming.
De doorlooptijd voor reguliere gevallen is derhalve 6 tot 8 weken (na definitieve
aanslag IB). Uitzondering op deze regel zijn de mensen waarvan het rekeningnummer
onbekend is en moet worden opgevraagd (hierbij is de doorlooptijd in principe één
maand langer, mits ze binnen een maand de benodigde gegevens verstrekken)
en gevallen waarbij het gaat om een overleden belastingplichtige. In geval
van overlijden wordt een F-biljet uitgereikt, waarna een handmatige definitieve
aanslag wordt opgelegd. Het probleem hierbij is dat deze definitieve aanslag bij een overlijden in 2009 pas in de loop van 2010 in het systeem
van de Belastingdienst kan worden opgenomen (dit kan vanaf het moment dat
de reguliere aanslagen over 2009 worden opgelegd). In deze gevallen wordt
de termijn van zes maanden dan ook niet gehaald. Op dit punt wordt gezocht
naar een oplossing. Deze is voor deze gevallen mogelijk toch gelegen in de
voorlopige aanslag; deze wordt sinds 1 oktober jl. wel regelmatig in
het systeem van de Belastingdienst ingelezen, dus over deze gegevens kan dus
veel sneller dan pas na een jaar worden beschikt. Onderzocht wordt of mogelijk
aan de hand van die voorlopige aanslag een tegemoetkoming kan worden toegekend.
Alternatief is de tegemoetkoming vast te stellen op basis van de handmatige
definitieve aanslag. Een en ander wordt thans onderzocht en vervolgens zal
worden bezien of het besluit hierop aangepast moet worden.
De staatssecretaris van Financiën,
J. C. de Jager