Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-200831295 nr. 4

31 295
Wijziging van diverse wetten in verband met het aantreden van de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie en diverse andere wijzigingen

nr. 4
ADVIES RAAD VAN STATE EN NADER RAPPORT1

Hieronder zijn opgenomen het advies van de Raad van State d.d. 29 oktober 2007 en het nader rapport d.d. 27 november 2007, aangeboden aan de Koningin door de minister voor Wonen, Wijken en Integratie, mede namens de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Het advies van de Raad van State is cursief afgedrukt.

Bij Kabinetsmissive van 1 oktober 2007, nr. 07.003151, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de minister voor Wonen, Wijken en Integratie, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van diverse wetten in verband met het aantreden van de minister voor Wonen, Wijken en Integratie en diverse andere wijzigingen, met memorie van toelichting.

Het voorstel van wet wijzigt een aantal wetten met het oog op de bevoegdheidsverdeling tussen de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de minister voor Wonen, Wijken en Integratie. Voorts worden in drie wetten inhoudelijke aanpassingen doorgevoerd. De Raad van State onderschrijft de strekking van het wetsvoorstel, maar maakt een opmerking met betrekking tot de wijziging van de Invoeringswet wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (Invoeringswet Wkpb). Hij is van oordeel dat in verband daarmee aanpassing van het voorstel wenselijk is.

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 1 oktober 2007, nr. 07.003151, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 29 oktober 2007, nr. W08.07.0344/IV, bied ik U hierbij aan.

De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden nadat met zijn advies rekening zal zijn gehouden.

Naar aanleiding van het advies van de Raad van State merk ik het volgende op.

1. Aanpassing van de Invoeringswet Wkpb

In artikel III van het wetsvoorstel wordt de Invoeringswet Wkpb gewijzigd. Aan artikel 13 van de invoeringswet Wkpb wordt een tweede lid toegevoegd waarin aan artikel 100e van de Woningwet zoals dat luidde voor inwerkingtreding van de invoeringswet Wkpb, eerbiedigende werking wordt toegekend. In artikel XXIV van het wetsvoorstel wordt aan artikel III terugwerkende kracht tot 1 juli 2007 verleend.

Artikel 100e van de Woningwet, zoals dit luidde vóór het in werking treden van de Invoeringswet Wkpb, hield in dat handhavingsbesluiten die gericht zijn op het naleven van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk I, II, III en IV, zakelijke werking hebben mits deze besluiten zo spoedig mogelijk na bekendmaking ervan werden aangeboden ten behoeve van inschrijving in de openbare registers, bedoeld in artikel 16 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Deze zakelijke werking houdt in dat het handhavingsbesluit mede geldt jegens rechtsopvolgers van degene aan wie het is opgelegd en, tenzij bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten, ook jegens deze rechtsopvolgers ten uitvoer kan worden gelegd. De Invoeringswet Wkpb heeft artikel 100e zo aangepast, dat daarin de van rechtswege zakelijke werking na aanbieding ter inschrijving is vervallen en dat het college van B en W nu uitdrukkelijk moet bepalen dat een handhavingsbesluit zakelijke werking heeft.

Volgens de toelichting komt als gevolg van de wijziging van artikel 100e van de Woningwet bij artikel 13 van de Invoeringswet Wkpb de zakelijke werking van handhavingsbesluiten die op grond van het artikel zoals het luidde vóór deze wijziging zijn aangeboden ten behoeve van inschrijving in de openbare registers, als het ware in de lucht te hangen. Het is de Raad niet duidelijk wat hier mee wordt bedoeld. Aangenomen moet worden dat besluiten die op grond van het oude artikel 100e van de Woningwet zo spoedig mogelijk zijn aangeboden ten behoeve van inschrijving in de openbare registers hun zakelijke werking houden, ook al is daarna artikel 100e gewijzigd. De Raad kan zich echter voorstellen dat over de zakelijke werking van deze besluiten onzekerheid kan ontstaan. Om aan deze onzekerheid een einde te maken kan een wettelijke voorziening gewenst zijn. Het voorgestelde tweede lid van artikel 13 Invoeringswet Wkpb komt hier echter niet voor in aanmerking omdat het niet mogelijk is een reeds vervallen wetsartikel met terugwerkende kracht te doen herleven. Hiertoe zal bij wet moeten worden geregeld dat handhavingsbesluiten waaraan vóór 1 juli 2007 zakelijke werking toekwam op grond van de toen geldende wettelijke bepaling, hun zakelijke werking ook na deze datum behouden.

De Raad beveelt aan artikel III te laten vervallen en de inwerkingtredingsbepaling dienovereenkomstig aan te passen

1. Het voorgestelde artikel III bevat een wijziging van artikel 13 van de Invoeringswet Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (hierna: Invoeringswet Wkpb), bestaande uit de toevoeging van een tweede lid aan dat artikel. Artikel 13 van de Invoeringswet Wkpb wijzigt artikel 100e van de Woningwet in verband met de inwerkingtreding van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (hierna: de Wkpb). In het nieuw toegevoegde tweede lid wordt een voorziening getroffen ten aanzien van de gelding van artikel 100e (oud) van de Woningwet met betrekking tot besluiten die op grond van dat artikel vóór 1 juli 2007 – de datum van inwerkingtreding van de Invoeringswet Wkpb en de Wkpb – zijn aangeboden ten behoeve van inschrijving in de openbare registers. In artikel XXIV van het wetsvoorstel zoals dat aan de Raad is voorgelegd werd aan het voorgestelde artikel III terugwerkende kracht verleend.

De Raad kan er zich op zichzelf in vinden dat voor de gevallen bedoeld in het voorgestelde artikel 13, tweede lid (nieuw), van de Invoeringswet Wkpb een wettelijke voorziening wordt getroffen, maar acht de wijze waarop dit in het wetsvoorstel is gedaan onjuist. In verband met de opmerkingen van de Raad is artikel XXIV van het wetsvoorstel zoals dat aan de Raad is voorgelegd in die zin aangepast, dat aan het voorgestelde artikel III niet langer terugwerkende kracht wordt verleend. Omdat bij nader inzien tot de conclusie is gekomen dat die terugwerkende kracht voor de praktijk hoe dan ook van beperkt belang zou zijn geweest, is in verband hiermee geen vervangende voorziening getroffen.

Het wetsvoorstel en de memorie van toelichting zijn op deze punten aangepast.

2. Voor een redactionele kanttekening verwijst de Raad naar de bij het advies behorende bijlage.

2. De redactionele kanttekening van de Raad is overgenomen.

3. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om het wetsvoorstel op een aantal punten aan te passen.

a. In het nieuwe artikel IV is een aanvulling van het overgangsrecht van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening opgenomen. In de voorgestelde Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (Kamerstukken I 2007/08, 30 938, A) is per abuis niet voorzien in overgangsrecht ten aanzien van bouwplanonteigeningen.

b. In het nieuwe artikel V is een aantal wijzigingen van de Kadasterwet opgenomen. Dit betreft wetstechnische verbeteringen. Het nieuwe artikel XVII bevat het spiegelbeeld van enkele van deze bepalingen in verband met de mogelijke samenloop met de Wet basisregistraties kadaster en topografie.

c. In het nieuwe artikel VI is een wijziging van artikel 70 van de Kernenergiewet opgenomen. Artikel 70, derde lid, van de Kernenergiewet regelt nu de overdracht van een krachtens die wet aan een rechtspersoon verleende vergunning aan een andere rechtspersoon. De ratio achter deze bepaling geldt echter evenzeer indien de vergunninghouder geen rechtspersoon is, maar een natuurlijke persoon of een personenvennootschap. Genoemde bepaling wordt daarom aangepast om buiten elke twijfel te stellen dat zij geldt voor alle gevallen van overgang van vergunningen.

d. Het nieuwe artikel VIII regelt een reeds eerder beoogde maar om technische redenen niet uitvoerbare wijziging van artikel 40, negende lid, van de Mijnbouwwet.

e. In het nieuwe artikel X is een wijziging van artikel 16 van de Organisatiewet Kadaster opgenomen. Dit als gevolg van een niet goed geregelde samenloop van in de Invoeringswet Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken en in de voorgestelde Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (Kamerstukken I 2006/07, 30 475, A) opgenomen wijzigingen van artikel 16 van de Organisatiewet Kadaster.

f. Aan artikel XI (voorheen VI) is een wijziging van artikel 1 van de Remigratiewet toegevoegd. Dat artikel was bij het opstellen van het wetsvoorstel over het hoofd gezien.

g. Aan artikel XII (voorheen VII) is een lid toegevoegd dat een regeling biedt voor het geval dat het onderhavige wetsvoorstel later dan 1 juni 2008 in werking treedt.

h. Het nieuwe artikel XV regelt een reeds eerder beoogde maar om technische redenen niet uitvoerbare wijziging van artikel 1, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij.

i. Aan artikel XXII (voorheen XV) is een onderdeel toegevoegd dat een reeds eerder beoogde maar om technische redenen niet uitvoerbare wijziging van artikel 7.10 van de Wet milieubeheer regelt.

j. Het nieuwe artikel XXIII bevat een wijziging van artikel 15 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer. Die wet was bij het opstellen van het onderhavige wetsvoorstel over het hoofd gezien.

k. Artikel XVI zoals dat aan de Raad is voorgelegd is vervallen. Als gevolg van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening zal de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing met ingang van 1 juli 2008 worden ingetrokken. De voorgenomen wijziging van die wet is daarom niet langer zinvol.

l. In het nieuwe artikel XXV zijn enkele wijzigingen van de Wet ruimtelijke ordening opgenomen die noodzakelijk zijn gebleken als gevolg van de samenloop van de wet van 24 mei 2007 tot wijziging van de Wet ruimtelijke ordening inzake de grondexploitatie (Stb. 271) en de voorgestelde Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (Kamerstukken I 2007/08, 30 938, A).

m. Het nieuwe artikel XXVIII schrapt twee artikelen van de wet van 13 september 2007 tot wijzigingen van wetgevingstechnische of anderszins onderschikte aard aan te brengen in de Wet geluidhinder en enkele andere wetten (Stb. 349) omdat die artikelen technisch niet langer uitvoerbaar zijn. Naar de strekking blijven die wijzigingen noodzakelijk. Deze zijn daarom opgenomen in de artikelen V en XXII van dit wetsvoorstel (zie onder b en i).

4. Voorts zijn in het voorstel van wet en de memorie van toelichting enkele redactionele wijzigingen doorgevoerd.

De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De Vice-President van de Raad van State,

H. D. Tjeenk Willink

Ik moge U, mede namens mijn ambtgenote van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De minister voor Wonen, Wijken en Integratie,

C. P. Vogelaar

Bijlage bij het advies van de Raad van State betreffende nr. W08.07.0344/IV met een redactionele kanttekening die de Raad in overweging geeft.

– In het voorgestelde artikel 40, tweede lid, van de Woningwet de zinsnede «in overstemming met de voorschriften van een bestemmingsplan» vervangen door: in overeenstemming met een bestemmingsplan en de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.


XNoot
1

De oorspronkelijke tekst van het voorstel van wet en van de memorie van toelichting zoals voorgelegd aan de Raad van State is ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.