nr. 14
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 17 april 2008
In de Kamerbehandeling over de Europese Code is het onderzoek naar het
zaken kleedgeld voor de mensen in intramurale instellingen aan de orde gekomen.
Het Kamerlid Omtzigt heeft gevraagd een opzet van dit onderzoek te ontvangen.
Met deze brief voldoe ik, mede namens de Staatssecretaris van VWS, aan dit
verzoek.
Bij het onderzoek zal nadrukkelijk de samenhang met andere dossiers worden
bekeken. Ik wijs daarbij met name op de ontwikkelingen rond de buitengewone
uitgavenregeling. De omzetting van de buitengewone uitgaven in een andere
regeling zal mede van invloed zijn op het besteedbare inkomen van mensen in
intramurale instellingen. Immers de mensen in een intramurale instelling maken
zowel vanwege de bijdrage die zij betalen voor hun verblijf in een intramurale
instelling als vanwege andere uitgaven in verband met ziekte of beperkingen
mogelijk gebruik van de regeling buitengewone uitgaven.
Het onderzoek richt zich niet zozeer op het zak- en kleedgeld in enge
zin, maar op het besteedbaar inkomen voor verschillende groepen intramuraal
verblijvenden. Het zak- en kleedgeld vormt onderdeel van de bijstandsnormen
(de norm voor het zak- en kleedgeld is gekoppeld aan het sociaal minimum en
het wettelijk minimumloon) en is slechts input voor de berekening van de hoogte
van de eigen bijdrage AWBZ. Vrijwel alle intramuraal verblijvenden houden
meer over dan zak- en kleedgeld. Er gelden namelijk voor de vaststelling van
de eigen bijdragen diverse extra aftrekposten (WAJONG, 65+) en er geldt een
toeslag voor de premie ziektekostenverzekering. Bovendien mogen intramuraal
verblijvenden een deel van het inkomen uit arbeid dan wel ziektewetuitkering
behouden.
Ik zal in het onderzoek in ieder geval nader ingaan op de positie van
de WIA- en de WAO-gerechtigden. Ook zal ik op verzoek van de Kamer kijken
naar de positie van de Wajongers.
Het besteedbaar inkomen voor verschillende groepen in een intramurale
instelling zal afgezet worden tegen het besteedbaar inkomen van mensen die
niet in een intramurale instelling verblijven. Hierbij houd ik rekening met
het feit dat intramuraal verblijvenden op bepaalde punten (bijv. woonlasten)
minder kosten hebben dan extramuraal verblijvenden. Ik zal daarbij onderscheid
maken naar 65-plussers en 65-minners en naar de mensen die een hoge respectievelijk
lage eigen bijdrage Awbz betalen. Tevens zal ik voor de verschillende groepen
aangeven hoe het besteedbaar inkomen zich verhoudt tot de hoogte van het zak-
en kleedgeld. In het bijzonder zal aandacht worden besteed aan het deel van
de inkomensten dat is vrijgesteld van eigen bijdrage en aan de verschillende
toeslagen die 65-plussers en Wajong’ers bovenop het zak- en kleedgeld
ontvangen.
Ik zal de Kamer ook informeren over de kosten die mensen in intramurale
instellingen voor eigen rekening moeten nemen. Het onderzoek zal worden uitgevoerd
op basis van de thans beschikbare databestanden bij het CAK.
De Kamer heeft mij ook gevraagd wanneer de resultaten van dit onderzoek,
dat in samenwerking met het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
wordt uitgevoerd, bekend zullen zijn. In het debat met de Kamer heb ik de
toezegging gedaan er alles aan te doen om de resultaten dit voorjaar beschikbaar
te hebben.
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J. P. H. Donner