Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 8 april 2011
In het spoeddebat «integratie en segregatie in het onderwijs» op 10 maart jongstleden (Handelingen II 2010/11, nr. 8, blz.
52–92) heb ik, in het kader van een aangehouden motie1 van de leden Elias (VVD) en Sterk (CDA), toegezegd de Kamer te informeren over de wettelijke mogelijkheden om scholen aan
te spreken die actief burgerschap en sociale integratie tegenwerken, zodra de Raad van State uitspraak zou hebben gedaan over
de bekostigingssanctie die is getroffen tegen As Siddieq. Met deze brief geef ik invulling aan die toezegging. De vragen van
het lid Elias d.d. 4 april over de betreffende uitspraak zal ik separaat beantwoorden.
In de mondelinge toelichting op de motie is door de indieners aangegeven dat hierbij wordt gedoeld op «het geval dat integratie
flagrant wordt tegengewerkt» en op «eventuele aberraties en excessen».2 Er waren gelukkig geen voorbeelden van zo’n situatie waaraan kon worden gerefereerd in het debat. Dat komt overeen met mijn
eigen beeld. Mocht dit zich onverhoopt wel voordoen, dan zal ik als minister stevig moeten kunnen optreden. Dat optreden moet
plaatsvinden binnen de grenzen van de grondwettelijke vrijheid van onderwijs.
Er mag geen twijfel bestaan over het belang van de opdracht aan het onderwijs om actief burgerschap en sociale integratie
te bevorderen. Voor een succesvolle toekomst en ontplooiing van de leerlingen is het cruciaal dat elke school zich hiervoor
inzet. Daarom is het burgerschapsartikel expliciet en bij initiatiefwetsvoorstel als bekostigingsvoorwaarde opgenomen in de
wet. De inspectie houdt risicogericht toezicht op de naleving van deze wettelijke bepaling en treedt op bij niet-naleving.
Op 30 maart jongstleden heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) in de casus van de
As Siddieq-school te Amsterdam uitspraak gedaan over de reikwijdte van het voorschrift dat het onderwijs mede gericht dient
te zijn op het bevorderen van actief burgerschap en sociale integratie.3 Volgens de uitspraak volgt uit de wetsgeschiedenis dat dit voorschrift scholen een grote beleidsvrijheid laat bij het vormgeven
van de doelstellingen van burgerschapsvorming en sociale integratie. Het bevoegd gezag van een school handelt getuige de uitspraak
alleen in strijd met de wet indien het op geen enkele wijze actief burgerschap en sociale integratie bevordert in het onderwijs.
Vanuit deze overweging is het besluit van mijn voorganger de bekostiging van As Siddieq op te schorten vernietigd.
Wanneer de inspectie zou constateren dat een school passief blijft in zijn burgerschapsopdracht, dat wil zeggen helemaal niets
zou doen, zou er volgens de uitspraak dus grond zijn voor een bekostigingssanctie. Wanneer een school integratie belemmert
of – zoals het in de mondelinge toelichting op de motie is verwoord – integratie flagrant tegenwerkt, is sprake van een ernstiger
wetsovertreding dan wanneer een school helemaal niets doet aan burgerschapsvorming. Als ik bij niets doen aan burgerschapsvorming
een bekostigingsanctie kan opleggen, dan zal ik dat zeker óók kunnen wanneer een school burgerschapsvorming aantoonbaar tegenwerkt.
Mede gezien de uitspraak van de Afdeling biedt de huidige burgerschapsopdracht, die bij initiatiefwetsvoorstel expliciet als
bekostigingsvoorschrift in de wet is opgenomen, voldoende houvast om scholen aan te kunnen pakken die niets doen aan actief
burgerschap of sociale integratie, of erger nog, dit tegenwerken. Een bekostigingssanctie kan in zo’n geval in zwaarte oplopen
van een gedeeltelijke opschorting tot een volledige inhouding van de bekostiging, waarbij een volledige inhouding in feite
neerkomt op de sluiting van de school. Daarbij ben ik gehouden proportioneel te handelen en het belang van de leerlingen zwaar
te laten wegen.
Een heel andere vraag is of de wet houvast zou moeten bieden om een bekostigingsmaatregel te treffen in gevallen waarin een
school, zoals in de casus As Siddieq, onvoldoende invulling geeft aan actieve burgerschapsvorming en integratie. Volgens de uitspraak van de Afdeling is in zo’n geval geen
bekostigingssanctie mogelijk op basis van het burgerschapsartikel in de wet. De Afdeling wijst erop dat de burgerschapsbepaling
in zijn huidige vorm geen grondslag biedt voor uitwerking in kerndoelen of lagere regelgeving. Aan burgerschapsvorming gerelateerde
kerndoelen kunnen daarom niet worden gebruikt om de naleving van de burgerschapsbepaling te toetsen.
De initiatiefwet voor actief burgerschap en sociale integratie biedt in lijn met artikel 23 van de Grondwet scholen bewust
veel beleidsvrijheid om naar eigen inzicht de wettelijke opdracht op het gebied van actief burgerschap en sociale integratie
in te vullen. Scholen dienen bewust en gericht invulling te geven aan deze opdracht. De inspectie ziet er op toe dat scholen
dit doen.
Gezien de beoogde beleidsvrijheid die blijkt uit de wetsgeschiedenis van het initiatiefwetsvoorstel actief burgerschap en
sociale integratie, de uitspraak van de Afdeling, de afwezigheid van gevallen waarin flagrante tegenwerking blijkt en de mogelijkheden
van de toezichthouder om scholen aan te spreken, zie ik geen noodzaak of aanleiding om de wet aan te passen.
Om scholen te ondersteunen en te stimuleren bij het bevorderen van actief burgerschap en sociale integratie, ga ik de Onderwijsraad
vragen een advies uit te brengen over de vraag hoe burgerschapsonderwijs van bruikbare instrumenten kan worden voorzien. Het
advies van de Onderwijsraad verwacht ik in het eerste kwartaal van 2012 te ontvangen. In mijn reactie daarop zal ik u, zoals
toegezegd bij het debat over de begroting 2011, in de loop van 2012 informeren over mijn verdere voornemens op het gebied
van actief burgerschap en sociale integratie.
De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
J. M. van Bijsterveldt-Vliegenthart