Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-201931293 nr. 457

31 293 Primair Onderwijs

Nr. 457 HERDRUK1 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 19 april 2019

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media over de brief van 1 februari 2019 over onderzoeksvragen vervolgonderzoek naar schaduwonderwijs (Kamerstuk 31 293, nr. 432).

De vragen en opmerkingen zijn op 20 februari 2019 aan de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media voorgelegd. Bij brief van 5 april 2019 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Tellegen

De adjunct-griffier van de commissie, Bosnjakovic

Inhoud

Blz.

       

I

Vragen en opmerkingen uit de fracties

2

 

Inbreng van de leden van de VVD-fractie

2

 

Inbreng van de leden van de D66-fractie

2

 

Inbreng van de leden van de GroenLinks-fractie

2

 

Inbreng van de leden van de SP-fractie

3

II

Reactie van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media

4

I Vragen en opmerkingen uit de fracties

Inbreng van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de onderzoeksvragen vervolgonderzoek naar schaduwonderwijs. Zij hebben hier nog een enkele vraag over. De leden zouden graag nog één vraag willen toevoegen. Deze vraag luidt als volgt: wat is de (financiële en aanbod) consequentie van onbeperkte en kosteloze toegankelijkheid van aanvullende programma’s voor alle leerlingen?

Inbreng van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de onderzoeksvragen vervolgonderzoek naar schaduwonderwijs en willen de Minister nog enkele (kritische) vragen voorleggen.

De leden vragen de Minister hoe het effect van kansengelijkheid wordt meegenomen in dit onderzoek, aangezien kansengelijkheid niet expliciet in de onderzoeksvragen staat. Deze leden vragen de Minister daarnaast of er ook wordt gekeken naar de kwaliteit van het schaduwonderwijs en particulier onderwijs. Daarnaast zijn deze leden benieuwd naar de vraag in hoeverre het een taak van de overheid zou moeten zijn om toe te zien op de kwaliteit van het schaduwonderwijs en particulier onderwijs

Inbreng van de leden van de GroenLinks-fractie

De leden van de GroenLinks-fractie hebben kennisgenomen van de onderzoeksvragen van het vervolgonderzoek naar schaduwonderwijs. Deze leden hebben zorgen over de toename van schaduwonderwijs en vinden het daarom goed dat er een vervolgonderzoek plaatsvindt. Over de onderzoeksvragen hebben deze leden enkele vragen.

De leden stellen vast dat het onderzoek in eerste instantie mede is gestart naar aanleiding van een toezegging op basis van de ingetrokken motie Grashoff c.s.2. In deze motie werd specifiek gevraagd om ook de beleidsopties te verkennen om de sluipende privatisering in het onderwijs tegen te gaan. Is de Minister bereid dit in het vervolgonderzoek mee te nemen, zo vragen deze leden.

De leden constateren dat het vervolgonderzoek ook een actualisatie van de cijfers uit het eerste onderzoek bevatten. Worden deze cijfers naast een actualisatie ook nader aangescherpt? Uit het vorige onderzoek was de bandbreedte van het geld dat omgaat in het schaduwonderwijs erg groot. Ziet de Minister kans om deze bandbreedte te vernauwen, zodat duidelijker is wat de omvang van het schaduwonderwijs is? Is er een mogelijkheid om het informele circuit nader in beeld te brengen, zo vragen deze leden.

Deze leden constateren dat in het vorige onderzoek een onderscheid werd gemaakt tussen bijles, huiswerkbegeleiding en examentraining. Deze leden vragen nader in te gaan op deze definities en wat precies het onderscheid is tussen deze termen. Gaat het bijvoorbeeld bij een leerling die in het laatste jaar van zijn/haar opleiding, in de aanloop naar de examens, wordt bijgespijkerd in een bepaald vak om examentraining of bijles, zo vragen deze leden.

Onderzoeksvragen vervolgonderzoek

De leden vragen of in het vervolgonderzoek ook wordt gekeken of de bijdrage die ouders betalen voor schaduwonderwijs vrijwillig is of niet. Kan hierbij ook worden aangegeven in hoeverre deze bijdrage inkomensafhankelijk is. Deze leden vragen voorts of het mogelijk is te onderzoeken hoe vaak een ouderbijdrage door scholen wordt gevraagd voor examentraining (volgens de definitie van de Onderwijsinspectie).

De leden constateren dat onderzocht gaat worden of ouders kiezen voor extra begeleiding buiten de school omdat ze vinden dat het onderwijs op de school van hun kind van onvoldoende kwaliteit is. Wordt hierbij gekeken wat de reden is dat deze kwaliteit onvoldoende zou zijn? Kan de Minister bijvoorbeeld onderzoeken of dankzij hoge werkdruk en volle klassen er te weinig individuele aandacht is en daardoor ouders vaker kiezen voor schaduwonderwijs, zo vragen deze leden.

De leden vragen of ook onderzocht wordt hoeveel leerlingen vanwege financiële belemmeringen nu niet gebruik kunnen maken van bijles, examentraining, huiswerkbegeleiding of extra ondersteuning.

Inbreng van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister voor Basis- en Voortgezet onderwijs en Media over de onderzoeksvragen vervolgonderzoek naar schaduwonderwijs. Zij hebben daar nog enkele vragen over.

Onderzoeksvragen vervolgonderzoek

De leden zijn het eens met de thema’s die de Minister wil laten betrekken in het onderzoek. Zij hebben echter nog enkele aanvullende vragen op deze thema’s:

  • Wat is de kwaliteit van de aangeboden vormen van schaduwonderwijs? Door wie worden bijlessen, examentrainingen etc. gegeven? Hoe zou het toezicht op de kwaliteit van het schaduwonderwijs geregeld kunnen worden, aangezien dit er nu niet is?

  • Welke doelgroepen maken specifiek gebruik van welke vorm van schaduwonderwijs? Is er sprake van een verschil in gebruik van schaduwonderwijs op basis van type school, opleidingsniveau en/of inkomen van ouders?

  • Wat is het effect van schaduwonderwijs op de resultaten van leerlingen? In hoeverre is er nog sprake van een realistisch beeld van de resultaten van onder andere eindtoetsen en examens als alleen een bepaalde groep leerlingen training krijgt in het maken van die toetsen?

  • Hoe verhoudt de toename van het gebruik van schaduwonderwijs zich tot het lerarentekort en de werkdruk in het onderwijs in het primair -, (voortgezet) speciaal - en voortgezet onderwijs?

  • In hoeverre zorgt schaduwonderwijs voor uitholling/ondermijning van het reguliere onderwijs? Als we accepteren dat scholen kennelijk niet kunnen bieden wat elders wel geboden wordt, wat zegt dat dan over de kwaliteit die we toedichten aan het onderwijs op scholen? Wat doet dat met de status van het reguliere onderwijs?

  • Aan ouders wordt (onder vraag 3) gevraagd of hun motieven om «onderwijs» buiten school te zoeken liggen in het feit dat ze de geboden kwaliteit te laag vinden. Is het niet beter deze algemene vraag te specificeren tot «persoonlijke aandacht voor de leerling» en «maatwerk»? Op deze twee punten kunnen ouders prima hun mening geven, maar een algemeen oordeel over de «kwaliteit» van het geboden onderwijs ligt niet direct binnen de expertise van ouders.

Deze leden vragen of de Minister bereid is om deze vragen bij het vervolgonderzoek naar schaduwonderwijs te laten betrekken? Zo nee, waarom niet?

Naast de extra vragen die de leden graag bij het vervolgonderzoek naar schaduwonderwijs laten betrekken, hebben zij nog enkele vragen naar aanleiding van de nieuwe cijfers van het CBS3 over bedrijfsoprichtingen in 2018. Volgens het CBS is de toename in bedrijven die onderwijs aanbieden het grootst.4 Er kwamen per saldo 6.980 bedrijven bij die onderwijs aanbieden, waaronder een kleine 3.000 bedrijfjes gespecialiseerd in studiebegeleiding.5 Wat vindt de Minister van deze stijging? Is de Minister het met de leden eens dat daar waar de overheid faalt de markt er op inspeelt, zoals nu gebeurt in het onderwijs met de toename van commerciële onderwijsbedrijfjes? Acht de Minister dit wenselijk, mede in het kader van kansengelijkheid? Kan hij zijn antwoorden toelichten? Als de Minister dit niet wenselijk acht, ziet de Minister dan mogelijkheden om de stijging van het aantal oprichtingen van commerciële onderwijsbedrijfjes te beperken of zelfs te stoppen, zo vragen de leden.

II Reactie van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media

Ik dank de leden van uw Kamer voor de vragen en opmerkingen naar aanleiding van mijn brief over de onderzoeksvragen voor het vervolgonderzoek naar schaduwonderwijs. Voorafgaand aan de beantwoording van de vragen wil ik benadrukken dat het onderzoek naar schaduwonderwijs een omvangrijk en complex onderzoek is. Het aanbod van schaduwonderwijs, de omvang van de markt en de motieven van ouders om te kiezen voor schaduwonderwijs worden in kaart gebracht. Dat is het hoofddoel van dit onderzoek en het is een opgave om dit uitvoerbaar te houden. Ik wil daarom de focus in dit onderzoek behouden en in dit licht heb ik de vragen van uw Kamer gelezen. Voor vragen die beleidsmatige duiding of keuzes betreffen, wijs ik vooruit naar mijn beleidsreactie te zijner tijd. Deze vragen moeten onderdeel zijn van de beleidsvorming en het politieke debat. Een aantal van de door u aangedragen vragen maken zeker onderdeel uit van de onderzoeksopzet en een aantal vragen heb ik toegevoegd aan de opdracht voor de onderzoekers. De onderzoekers zijn inmiddels begonnen met hun werkzaamheden. Hieronder beantwoord ik de vragen van uw leden.

Inbreng van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de onderzoeksvragen vervolgonderzoek naar schaduwonderwijs. Zij hebben hier nog een enkele vraag over. De leden zouden graag nog één vraag willen toevoegen. Deze vraag luidt als volgt: wat is de (financiële en aanbod) consequentie van onbeperkte en kosteloze toegankelijkheid van aanvullende programma’s voor alle leerlingen?

Dit lijkt mij voor dit onderzoek geen geschikte vraag. De vraag is moeilijk te beantwoorden en is andersoortig dan de insteek van het onderzoek. Het onderzoek brengt een bestaande situatie in kaart, deze vraag is meer voorspellend van aard. Voor programma’s die door de markt worden aangeboden, is dit scenario overigens ook niet reëel. Voor de programma’s op scholen kan dit verschillende consequenties hebben. Allereerst kunnen scholen zoeken naar mogelijkheden om programma’s aan te bieden die zodanig ingebed zijn in de structuur van de school, dat de kosten beperkt blijven. Nu al geldt dat ouderbijdrage vrijwillig is, de school kan hier «de extra’s» mee financieren zonder dat dit iemand uit hoeft te sluiten. Een dergelijke aanpak zou ook gehanteerd kunnen worden voor aanvullende programma’s, als die niet uit de reguliere bekostiging betaald kunnen worden. Dit is moeilijk te berekenen.

Inbreng van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de onderzoeksvragen vervolgonderzoek naar schaduwonderwijs en willen de Minister nog enkele (kritische) vragen voorleggen.

De leden vragen de Minister hoe het effect van kansengelijkheid wordt meegenomen in dit onderzoek, aangezien kansengelijkheid niet expliciet in de onderzoeksvragen staat. Deze leden vragen de Minister daarnaast of er ook wordt gekeken naar de kwaliteit van het schaduwonderwijs en particulier onderwijs. Daarnaast zijn deze leden benieuwd naar de vraag in hoeverre het een taak van de overheid zou moeten zijn om toe te zien op de kwaliteit van het schaduwonderwijs en particulier onderwijs.

Dit onderzoek is een vervolgonderzoek en brengt (de ontwikkeling van) schaduwonderwijs in beeld. Daarnaast wordt het eerdere onderzoek uitgebreid met een aantal andere vragen. Het fenomeen schaduwonderwijs roept vragen op over kansengelijkheid tussen kinderen. Deze vragen zijn mijns inziens beleidsvragen, die niet in het onderzoek, maar naar aanleiding van dit onderzoek beantwoord kunnen worden. In de beleidsreactie zal ik nader op dergelijke vragen ingaan.

De kwaliteit van schaduwonderwijs wordt in dit onderzoek niet meegenomen. De kwaliteit is moeilijk te beoordelen, gezien de hoeveelheid en de diversiteit van de initiatieven. Ik zie het ook niet als een opdracht voor de overheid om een oordeel te vellen over de kwaliteit van onderwijsaanbod dat door de markt wordt aangeboden en door ouders buiten schooltijd wordt afgenomen Op de kwaliteit van particuliere scholen waar de leerplicht kan worden vervuld, wordt toezicht gehouden door de inspectie. Om die reden maakt de vraag naar de kwaliteit van het particulier onderwijs ook geen onderdeel uit van dit onderzoek.

Inbreng van de leden van de GroenLinks-fractie

De leden van de GroenLinks-fractie hebben kennisgenomen van de onderzoeksvragen van het vervolgonderzoek naar schaduwonderwijs. Deze leden hebben zorgen over de toename van schaduwonderwijs en vinden het daarom goed dat er een vervolgonderzoek plaatsvindt. Over de onderzoeksvragen hebben deze leden enkele vragen.

De leden stellen vast dat het onderzoek in eerste instantie mede is gestart naar aanleiding van een toezegging op basis van de ingetrokken motie Grashoff c.s.6. In deze motie werd specifiek gevraagd om ook de beleidsopties te verkennen om de sluipende privatisering in het onderwijs tegen te gaan. Is de Minister bereid dit in het vervolgonderzoek mee te nemen, zo vragen deze leden.

Het verkennen van beleidsopties om privatisering in het onderwijs tegen te gaan maakt geen deel uit van de onderzoeksopzet. Deze vraag beschouw ik als een beleidsvraag. In dit kader is de wijziging in de gedragscode voor goed onderwijsbestuur van de PO-Raad en de VO-raad relevant, die voorschrijft dat besturen expliciet benoemen dat de ouderbijdrage vrijwillig moet zijn en dat leerlingen nooit mogen worden uitgesloten van activiteiten van de school om financiële redenen. Daarnaast is het mijn voornemen om wettelijk te regelen dat kosten ook nooit een belemmering mogen zijn om mee te doen met verrijkende programma’s of maatwerk (Kamerstukken 31 293 en 31 289, nr. 450). Dit zijn stappen waarmee de invloed van het inkomen van ouders op het onderwijs dat kinderen volgen vermindert en de privatisering van het onderwijs beperkt wordt.

De leden constateren dat het vervolgonderzoek ook een actualisatie van de cijfers uit het eerste onderzoek bevatten. Worden deze cijfers naast een actualisatie ook nader aangescherpt? Uit het vorige onderzoek was de bandbreedte van het geld dat omgaat in het schaduwonderwijs erg groot. Ziet de Minister kans om deze bandbreedte te vernauwen, zodat duidelijker is wat de omvang van het schaduwonderwijs is? Is er een mogelijkheid om het informele circuit nader in beeld te brengen, zo vragen deze leden.

Het is de bedoeling dat de uitkomsten van het onderzoek vergelijkbaar zijn met de uitkomsten van het vorige onderzoek. Daarnaast is het echter de bedoeling dat het beeld dat we hebben van schaduwonderwijs scherper wordt. Er wordt dus opnieuw naar de cijfers gekeken. Verder wordt het onderzoek verbreed. Zo zal voor het primair onderwijs in beeld worden gebracht welke vormen van aanvullend onderwijs te onderscheiden zijn. Voor po en vo geldt dat we alleen kijken naar aanbod dat buiten de reguliere lestijd wordt gegeven. Het is daarmee de bedoeling dat er – langzaam maar zeker – meer zicht komt op de omvang van het schaduwonderwijs. De verwachting is echter nog niet dat na dit onderzoek de markt volledig in kaart is gebracht.

Deze leden constateren dat in het vorige onderzoek een onderscheid werd gemaakt tussen bijles, huiswerkbegeleiding en examentraining. Deze leden vragen nader in te gaan op deze definities en wat precies het onderscheid is tussen deze termen. Gaat het bijvoorbeeld bij een leerling die in het laatste jaar van zijn/haar opleiding, in de aanloop naar de examens, wordt bijgespijkerd in een bepaald vak om examentraining of bijles, zo vragen deze leden.

We zullen de onderzoekers vragen om heldere definities te hanteren en die toe te lichten in het rapport. Wel merk ik hierbij op dat het waarschijnlijk is dat er vele mengvormen zijn, met name in de informele markt.

Onderzoeksvragen vervolgonderzoek

De leden vragen of in het vervolgonderzoek ook wordt gekeken of de bijdrage die ouders betalen voor schaduwonderwijs vrijwillig is of niet. Kan hierbij ook worden aangegeven in hoeverre deze bijdrage inkomensafhankelijk is. Deze leden vragen voorts of het mogelijk is te onderzoeken hoe vaak een ouderbijdrage door scholen wordt gevraagd voor examentraining (volgens de definitie van de Onderwijsinspectie).

We zullen de onderzoekers vragen om het aspect van een inkomensafhankelijke bijdrage mee te nemen. Examentrainingen die tegen betaling worden aangeboden door scholen, vallen reeds binnen de reikwijdte van het onderzoek.

De leden constateren dat onderzocht gaat worden of ouders kiezen voor extra begeleiding buiten de school omdat ze vinden dat het onderwijs op de school van hun kind van onvoldoende kwaliteit is. Wordt hierbij gekeken wat de reden is dat deze kwaliteit onvoldoende zou zijn? Kan de Minister bijvoorbeeld onderzoeken of dankzij hoge werkdruk en volle klassen er te weinig individuele aandacht is en daardoor ouders vaker kiezen voor schaduwonderwijs, zo vragen deze leden.

De motieven voor deelname aan schaduwonderwijs vormen een belangrijk onderdeel van dit onderzoek. Als ouders aangeven dat zij de kwaliteit van regulier onderwijs onvoldoende vinden, wordt doorgevraagd op welke indicatoren ouders ontevreden zijn over de kwaliteit van het onderwijs op school. Elementen als individuele aandacht of grote klassen kunnen hierbij worden meegenomen.

De leden vragen of ook onderzocht wordt hoeveel leerlingen vanwege financiële belemmeringen nu niet gebruik kunnen maken van bijles, examentraining, huiswerkbegeleiding of extra ondersteuning.

In de onderzoeksopzet wordt aandacht besteed aan de belemmeringen die worden ervaren om toegang te krijgen tot aanvullend onderwijs. Hierbij kan het uiteraard ook gaan om financiële belemmeringen.

Inbreng van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister voor Basis- en Voortgezet onderwijs en Media over de onderzoeksvragen vervolgonderzoek naar schaduwonderwijs. Zij hebben daar nog enkele vragen over.

Onderzoeksvragen vervolgonderzoek

De leden zijn het eens met de thema’s die de Minister wil laten betrekken in het onderzoek. Zij hebben echter nog enkele aanvullende vragen op deze thema’s:

  • Wat is de kwaliteit van de aangeboden vormen van schaduwonderwijs? Door wie worden bijlessen, examentrainingen etc. gegeven? Hoe zou het toezicht op de kwaliteit van het schaduwonderwijs geregeld kunnen worden, aangezien dit er nu niet is?

    Ook de leden van de D66-fractie vragen naar (toezicht op) de kwaliteit van het schaduwonderwijs. Dit wordt in dit onderzoek niet meegenomen. Ik zie het niet als een taak van de overheid om toezicht te houden op schaduwonderwijs dat door de markt wordt aangeboden. Het onderzoek is er niet op gericht om een beeld te geven van de aanbieders van het schaduwonderwijs, maar op de omvang ervan en de redenen voor de keuze voor deelname aan schaduwonderwijs.

  • Welke doelgroepen maken specifiek gebruik van welke vorm van schaduwonderwijs? Is er sprake van een verschil in gebruik van schaduwonderwijs op basis van type school, opleidingsniveau en/of inkomen van ouders?

    In de onderzoeksopzet is aandacht voor het type scholen waarvan de leerlingen veel gebruik maken van schaduwonderwijs. Ik zal de onderzoekers vragen om waar mogelijk ook in beeld te brengen wat de achtergrondkenmerken zijn van ouders die gebruik maken van schaduwonderwijs.

  • Wat is het effect van schaduwonderwijs op de resultaten van leerlingen? In hoeverre is er nog sprake van een realistisch beeld van de resultaten van onder andere eindtoetsen en examens als alleen een bepaalde groep leerlingen training krijgt in het maken van die toetsen?

    Het meten van het effect van schaduwonderwijs kan niet in dit onderzoek worden meegenomen. Daarvoor is een apart wetenschappelijk onderzoek nodig, bij voorkeur met een experimenteel design. Een dergelijk onderzoek is erg kostbaar en zal ook meer tijd vergen.

  • Hoe verhoudt de toename van het gebruik van schaduwonderwijs zich tot het lerarentekort en de werkdruk in het onderwijs in het primair -, (voortgezet) speciaal - en voortgezet onderwijs?

    Als deze elementen een rol spelen bij de keuze van ouders voor aanvullend onderwijs, zal dit naar voren komen in het onderzoek. Een duiding van de onderzoeksresultaten zal ik te zijner tijd in een beleidsreactie op het onderzoek met uw Kamer delen.

  • In hoeverre zorgt schaduwonderwijs voor uitholling/ondermijning van het reguliere onderwijs? Als we accepteren dat scholen kennelijk niet kunnen bieden wat elders wel geboden wordt, wat zegt dat dan over de kwaliteit die we toedichten aan het onderwijs op scholen? Wat doet dat met de status van het reguliere onderwijs?

    Dergelijke overwegingen zal ik, indien het onderzoek daar aanleiding toe geeft, te zijner tijd meenemen in mijn beleidsreactie.

  • Aan ouders wordt (onder vraag 3) gevraagd of hun motieven om «onderwijs» buiten school te zoeken liggen in het feit dat ze de geboden kwaliteit te laag vinden. Is het niet beter deze algemene vraag te specificeren tot «persoonlijke aandacht voor de leerling» en «maatwerk»? Op deze twee punten kunnen ouders prima hun mening geven, maar een algemeen oordeel over de «kwaliteit» van het geboden onderwijs ligt niet direct binnen de expertise van ouders.

    Ik zie hierin een voor- en een nadeel. De vraag kan ouders helpen om hun bezwaar te formuleren. Anderzijds kan dit ook sturend werken en ertoe leiden dat andere motieven over het hoofd worden gezien. Ik laat de keuze van de exacte vraagstelling daarom bij de onderzoekers.

Deze leden vragen of de Minister bereid is om deze vragen bij het vervolgonderzoek naar schaduwonderwijs te laten betrekken? Zo nee, waarom niet?

Zie bovenstaand mijn reactie per vraag.

Naast de extra vragen die de leden graag bij het vervolgonderzoek naar schaduwonderwijs laten betrekken, hebben zij nog enkele vragen naar aanleiding van de nieuwe cijfers van het CBS7 over bedrijfsoprichtingen in 2018. Volgens het CBS is de toename in bedrijven die onderwijs aanbieden het grootst.8 Er kwamen per saldo 6.980 bedrijven bij die onderwijs aanbieden, waaronder een kleine 3.000 bedrijfjes gespecialiseerd in studiebegeleiding.9 Wat vindt de Minister van deze stijging? Is de Minister het met de leden eens dat daar waar de overheid faalt de markt er op inspeelt, zoals nu gebeurt in het onderwijs met de toename van commerciële onderwijsbedrijfjes? Acht de Minister dit wenselijk, mede in het kader van kansengelijkheid? Kan hij zijn antwoorden toelichten? Als de Minister dit niet wenselijk acht, ziet de Minister dan mogelijkheden om de stijging van het aantal oprichtingen van commerciële onderwijsbedrijfjes te beperken of zelfs te stoppen, zo vragen de leden.

De stijging die het CBS rapporteert komt overeen met de signalen over een toename van schaduwonderwijs. Deze stijging roept veel vragen op. Dit is ook de reden dat destijds besloten is om de omvang van het schaduwonderwijs in kaart te brengen. Ik wil niet vooruitlopen op dit onderzoek door nu al conclusies te trekken over de betekenis van een eventuele stijging van het gebruik van schaduwonderwijs of over de achterliggende redenen hiervoor. In de beleidsreactie op dit vervolgonderzoek naar schaduwonderwijs zal ik dit nader duiden.


X Noot
1

I.v.m. een correctie in een verwijzing.

X Noot
2

De motie van het lid Grashoff c.s. over nader onderzoek naar de omvang van schaduwonderwijs (Kamerstuk 34 511, nr. 10).

X Noot
3

CBS: Centraal Bureau voor de Statistiek.

X Noot
6

De motie van het lid Grashoff c.s. over nader onderzoek naar de omvang van schaduwonderwijs (Kamerstuk 34 511, nr. 10).

X Noot
7

CBS: Centraal Bureau voor de Statistiek.