Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201831293 nr. 381

31 293 Primair Onderwijs

Nr. 381 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR BASIS- EN VOORTGEZET ONDERWIJS EN MEDIA

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 november 2017

Met deze brief bied ik u het derde basisrapport van het cohortonderzoek pre-COOL aan1. In dit rapport is de kwaliteit van het aanbod in de kleuterklassen voor kleuters met een risico op een onderwijsachterstand onderzocht en de daar uitgevoerde vroegschoolse programma’s. Daarnaast is gekeken naar de aansluiting van de voorschoolse periode op de vroegschoolse periode.

Pre-COOL is een cohortonderzoek dat kinderen volgt vanaf 2,5 jaar oud tot en met groep 8 van de basisschool, en is gestart in 2009. Pre-COOL richt zich op het onderzoeken van de kwaliteit en effectiviteit van de voor- en vroegschoolse educatie op kinderen met een risico op een onderwijsachterstand.2 In het tweede basisrapport, dat u vorig jaar juni is toegezonden, wordt beschreven dat doelgroepkinderen op voor- en vroegschoolse voorzieningen een inhaalslag maken ten opzichte van niet-doelgroepkinderen.3 Daarbij is gekeken naar de ontwikkeling van kinderen van 2,5 tot en met 6 jaar oud – de voorschoolse periode en de kleuterklassen. In het derde basisrapport wordt binnen deze ontwikkelcurve ingezoomd op een beschrijving van de kwaliteit in de vroegschoolse periode en het effect van vroegschoolse programma’s op deze kwaliteit.

Uit dit rapport blijkt dat zowel de voorschoolse als de vroegschoolse periode positief bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen. Dat betekent dat het ertoe doet dat doelgroepkinderen deelnemen aan zowel de voorschool als de vroegschool. Ik ben blij met dit resultaat: het geeft aan dat wij in Nederland erin slagen om kinderen uit een ongunstige thuissituatie kansen te bieden om hun onderwijsachterstand in te lopen.

Tegelijkertijd zie ik ruimte voor verbetering in de kleuterperiode. Uit dit rapport blijkt dat de educatieve kwaliteit in de kleuterklassen laag tot gemiddeld is.4 Daarnaast dragen vroegschoolse programma’s niet significant bij aan de kwaliteit in de kleutergroepen met veel doelgroepkleuters. Dat betekent dat als er gebruik wordt gemaakt van een vroegschools programma, specifiek gericht op het tegengaan van onderwijsachterstanden, de kwaliteit in de klas niet verbetert. Dit betekent niet dat alle scholen een geringe kwaliteit aanbieden: er zijn ook scholen gevonden die een goede kwaliteit aanbieden voor zowel doelgroepkinderen als niet-doelgroepkinderen.

Ik wil aan doelgroepkleuters alle kansen bieden om zich naar volle mogelijkheden te kunnen ontwikkelen. Daar is een hoge kwaliteit van het aanbod voor nodig. Dit onderzoek geeft een beschrijving van de kwaliteit van het kleuteronderwijs en de vroegschoolse programma’s in de kleuterklassen. Uit dit onderzoek wordt echter niet duidelijk waarom de kwaliteit laag tot gemiddeld is en waarom de vroegschoolse programma’s niet significant bijdragen aan de kwaliteit. Ook biedt het nog geen handvatten om de kwaliteit van vroegschoolse educatie te verbeteren.

Daarom wil ik in de komende periode inzetten op verdiepend onderzoek om meer inzicht te krijgen in de verklaringen achter dit onderzoek en de wijze waarop sommige scholen er wel in slagen om een goede kwaliteit aan te bieden. Daarnaast ga ik in gesprek met de Inspectie van het Onderwijs over de vraag of zij de resultaten uit dit onderzoek herkennen en welke verschillen zij zien tussen goed en minder goed vroegschools aanbod. Op basis van deze onderzoeken en dit gesprek wil ik bekijken op welke manier de kwaliteit van het aanbod aan doelgroepkleuters kan worden verbeterd.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl

X Noot
2

In het primair onderwijs wordt deze groep bekostigd via de gewichtenregeling. In het vervolg van deze brief zullen deze kinderen worden aangeduid met «doelgroepkleuters»

X Noot
3

Kamerstuk 31 293, nr. 325

X Noot
4

Educatieve kwaliteit gaat met name over de interactie van leerkrachten met de leerlingen, waardoor de leerlingen een rijke omgeving aangeboden krijgen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan leerkrachten die taalrijke spelletjes doen met de leerlingen, woorden aan leerlingen uitleggen en vragen stellen die leerlingen stimuleren tot denken.