Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-200831293 nr. 13

31 293
Primair Onderwijs

nr. 13
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 mei 2008

Tijdens het Algemeen Overleg van 18 maart 2008 (Kamerstuk 31 293, nr. 10) dat ging over het tegengaan van segregatie in het basisonderwijs, heb ik u toegezegd dat u meer informatie zou ontvangen over de pilots die uitgevoerd zullen worden in de vier grote gemeenten en Eindhoven, Deventer en Nijmegen. Ik informeer u verder over het aanstellen van twee «ambassadeurs» voor dit thema en over de verdere communicatie met het veld.

In de brief van 8 februari 2008 (Kamerstuk 2008, 31 293, nr. 3) heb ik aangegeven dat het de bedoeling van de pilots is om in de praktijk te onderzoeken welke maatregelen het beste werken om segregatie tegen te gaan.

Dit met inbegrip van de vaste aanmeldmomenten de leerlingen op een vast moment worden ingeschreven om iedereen een gelijke kans voor de keuze van een bepaalde school te geven. Op basis van de ervaringen die in de pilots worden opgedaan, zal ik besluiten of een brede invoering van vaste aanmeldmomenten mogelijk en wenselijk is en overgaan tot regelgeving die nog deze kabinetsperiode van kracht zal worden. De aanpak in de pilots zal moeten leiden tot meer gemengde scholen en gemengde klassen in gemengde wijken. Er zullen meer contacten moeten plaatsvinden tussen allochtone en autochtone leerlingen (vriendschapsscholen).

Onderstaand treft u de invulling aan van de pilots in de gemeenten. Niet iedere gemeente hanteert dezelfde aanpak. Vaste aanmeldmomenten zijn in de pilots van Amsterdam, Utrecht en Deventer opgenomen. Amsterdam en Nijmegen willen in een aantal wijken de samenstelling van de school baseren op de socio-economische achtergrondkenmerken en Rotterdam zal verder werken aan het instrument «dubbele wachtlijsten». Daarnaast wordt in de pilots ingezet op ouderinitiatieven, vriendschapsscholen en schoolkeuzeprocessen. De gemeenten zullen worden ondersteund door het Kenniscentrum Gemengde Scholen. De pilots hebben een looptijd van vier jaar. In 2010 zal ik een evaluatie uitvoeren en de Tweede Kamer een tussenrapportage sturen. In de evaluatie zal worden nagegaan of de bovengenoemde doelen zijn gerealiseerd. Voor het uitvoeren van de pilots is inclusief de ondersteuning vanaf 2008 een bedrag van € 1 miljoen per jaar beschikbaar.

1. Uitwerking pilots in de G4

1.1. Amsterdam

In juni 2007 is een stadsbreed convenant «Kleurrijke basisscholen» gesloten met de schoolbesturen. Ingezet wordt op het verminderen van te witte of te zwarte scholen. Binnen het convenant starten tien pilots die variëren van een brede aanpak waarin alle scholen van een stadsdeel participeren tot een pilot gericht op één specifieke school. Daarbij wordt ingezet op:

• een stadsbreed plaatsingsbeleid met een vast aanmeldmoment om te bevorderen dat elk kind gelijke kansen heeft om op school te worden toegelaten én om alle ouders te stimuleren op tijd en bewust tot een schoolkeuze te komen;

• pilots in de stadsdelen om op een pragmatische en experimentele wijze ervaring op te doen met het maken van concrete en bindende afspraken om gemengde scholen bevorderen en het aantal concentratiescholen te verminderen;

• het ondersteunen van initiatieven van ouders en scholen in gemengde wijken;

• afspraken over maximale en minimale schoolgrootte;

• ondersteunend woningbouwbeleid.

Bovenstaande maatregelen worden uitgebreid met een door OCW gefinancierde pilot «Evenwicht in Amsterdam» waarbij het de bedoeling is om basisscholen gemengd te maken door een aannamebeleid gebaseerd op socio-economische indicatoren (opleidingsniveau van e ouders en/of data over de inkomens). Als uitgangspunt voor succesvolle gemengde scholen wordt uitgegaan van een verhouding van 60/70% kansrijke leerlingen en 40/30% kansarme kinderen. De gemeente geeft aan dat uit een aantal studies blijkt dat deze verdeling een goede basis vormt om de leerprestaties van alle leerlingen positief te beïnvloeden. Gemengde scholen op basis van socio-economische indicatoren zal in Amsterdam ook automatisch leiden tot minder segregatie. Men wil met de steun van de scholen en door goede voorlichting aan ouders de schoolkeuze proberen te reguleren. Het aannamebeleid zal in een samenwerkingsverband van stadsdelen, schoolbesturen en ouders in het gebied «West binnen de ring» worden uitgevoerd. Inzet is om concrete, juridisch haalbare instrumenten te ontwikkelen en die op hun effect te onderzoeken. Op de scholen die meedoen, zal een nulmeting plaatsvinden. De pilot zal worden begeleid door een team van onderzoekers van de UvA onderleiding van Bowen Paulle.

1.2. Rotterdam

Rotterdam kent een langere traditie van het tegengaan van segregatie in het onderwijs. In 2004 presenteerden de gemeente Rotterdam en de schoolbesturen daar vijf maatregelen voor: een integrale aanpak in herstructureringsgebieden, ondersteuning van initiatieven van ouders, entameren van dubbele wachtlijsten, stimuleren van vriendschapsscholen en monitoren van «verkleuring» van scholen. De regulering van de instroom van leerlingen wordt op verschillende manieren ingevuld. Alle ouders ontvangen informatie over het schoolkeuzeproces, waarbij ouders worden gestimuleerd een school in de wijk te kiezen. Daarnaast worden voorlichtingscarrousels georganiseerd waarbij ouders vroegtijdig op de hoogte worden gebracht van de keuzemogelijkheden voor een school in de wijk. Een belangrijk instrument in Rotterdam zijn de ouderinitiatieven. Het gaat daarbij om een groep of groepje ouders die er zich voor wil inspannen om de populatie van de school te veranderen, zodat deze gemengd wordt. Inmiddels zijn er achttien ouderinitiatieven, die worden ondersteund door de gemeente.

In Rotterdam werken drie basisscholen met dubbele wachtlijsten. Deze scholen hanteren de gewichtenregeling als norm voor de dubbele wachtlijsten. Het criterium daarbij is een verhouding tussen kansrijk en kansarm van 60 en 40%.

Het concept van vriendschapscholen is bedoeld voor scholen die vanwege hun denominatie of onderwijsconcept geen afspiegeling van de wijk zullen worden. Zij kunnen een vriendschapsband aangaan met een school met een andere leerlingenpopulatie. Er zijn inmiddels 51 vriendschapsscholen, die in koppels van twee of meer scholen activiteiten ontwikkelen.

Om segregatie in de voorschoolse educatie tegen te gaan wil men VVE op alle peuterspeelzalen en basisscholen flexibel inzetten. Dit betekent dat de programma’s geschikt zijn voor alle kinderen tot twaalf jaar.

Rotterdam wil met geld van OCW meer doen aan: het ondersteunen en verdiepen van de ouderinitiatieven, het verbeteren en uitbreiden van de voorlichtingscarrousels en het verbeteren van de kwaliteit van de vriendschapsscholen.

Uit de ervaring met de ouderinitiatieven blijkt dat ouders meer ondersteuning en verdieping wensen.

Er is behoefte aan ondersteuning van scholen die al enige ervaring hebben met «mengen» van de school. Door het uitwisselen van ervaringen wordt het waarschijnlijk makkelijker om de gemengde school, gemengd te houden. Dit kan bijvoorbeeld door:

– een pedagogisch-didactische aanpak, waarbij meer differentiatie en maatwerk is vereist;

– het verbeteren van de communicatie tussen de school en de ouders;

– het verbeteren van de presentatie van de school aan de ouders.

Het materiaal voor de voorlichtingscarrousels zal worden verbeterd waardoor de informatie beter overdraagbaar wordt. Verder zal er beter voorlichtingsmateriaal worden ontwikkeld om de respons op uitnodigingen aan ouders te verhogen.

De kwaliteit van de vriendschapsscholen zal worden verbeterd. Het concept vriendschapsschool zal integraal onderdeel moeten zijn van het schoolplan. Daarmee krijgen de activiteiten van de scholen een meer structureel karakter. De scholen geven aan welke groepen deelnemen aan welke activiteiten en wat ze willen bereiken. Ook zal het voorlichtingsmateriaal worden verbeterd.

1.3. Den Haag

De gemeente Den Haag buigt zich over de vraag hoe onderwijs kan bijdragen aan de sociale cohesie en binding in de stad. Hieronder ligt de vraag hoe verborgen talenten van in het bijzonder de niet-westerse Haagse kinderen kunnen worden ontwikkeld. De wens van de gemeente dat er vanuit het onderwijs een bijdrage wordt geleverd aan de integratie van niet-westerse en autochtone jongeren komt voort uit de verantwoordelijkheid die de gemeente heeft voor het integratiebeleid. Deze wens wordt gevoed door de wens van de rijksoverheid om gemeenten samen met schoolbesturen niet-vrijblijvende afspraken te laten maken over het bevorderen van de integratie en het tegengaan van segregatie in het onderwijs.

De gemeente onderschrijft de opvatting van de Haagse schoolbesturen dat een ingrijpend spreidingsbeleid in het onderwijs geen breekijzer mag zijn voor ruimtelijke segregatie. Voor het overgrote deel van Den Haag zal het weinig tot geen zin hebben om ouders te verleiden hun kinderen naar een andere school te brengen. Nagenoeg alle witte en zwarte scholen staan in wijken die overeenkomstig wit of zwart zijn samengesteld. Om deze reden wil de gemeente samen met schoolbesturen en scholen de komende jaren met praktische, laagdrempelige en gerichte initiatieven de segregatie tegengaan. Het gaat daarbij om de volgende actiepunten:

• Ontmoetingen: bevorderen van integratie en communicatie tussen niet-westerse en autochtone leerlingen door middel van «ontmoetingsprojecten» tussen zwarte en witte concentratiescholen (75% of meer zwart of wit).

• Ouderinitiatieven: stimuleren en faciliteren van ouderinitiatieven (gezamenlijke inschrijvingen door ouders) op scholen die geen afspiegeling vormen van de buurtbevolking om uiteindelijk toch «afspiegelingsscholen» te creëren.

Den Haag wil ten aanzien van de vaste aanmeldmomenten wachten tot er een landelijke regeling is. Vervolgens zal in goed overleg met schoolbesturen en scholen vastgesteld worden of er een specifieke uitwerking voor Den Haag noodzakelijk is.

Bovengenoemde initiatieven worden los van elkaar uitgevoerd zodat er voor ieder initiatief genoeg en gerichte aandacht is. Ook zal de aandacht in de eerste instantie uitsluitend gericht zijn op het primair onderwijs. In een later stadium zal onderzocht worden welke stappen mogelijk zijn in het voortgezet onderwijs.

1.4. Utrecht

De gemeente werkt de pilot uit binnen de Utrechtse Onderwijs Agenda waarbij integratie één van de speerpunten is. Met de schoolbesturen is een plan van aanpak ontwikkeld waarin beschreven is welke maatregelen worden genomen om kinderen kennis te laten maken met verschillende culturen en samenlevingsvormen binnen en buiten de school. De Utrechtse scholen willen een afspiegeling vormen van de wijk. In die wijken waar dat nodig is, wordt gestreefd naar een betere menging van de schoolpopulatie. Met geld van OCW wil de gemeente een begin maken met het invoeren van een vast aanmeldmoment en een vaste aanmeldprocedure voor het basisonderwijs. Er zal allereerst worden onderzocht op welke wijze dit zo goed mogelijk kan worden georganiseerd. Het gaat daarbij vooral om de informatievoorziening aan ouders waarbij duidelijk wordt gemaakt dat de gemeente ernaar streeft dat de school een afspiegeling vormt van de wijk. Er zullen afspraken over de samenstelling van de scholen per wijk worden gemaakt. Het resultaat zal zijn dat ouders gelijke kansen krijgen bij het aanmelden bij zogenaamde populaire scholen.

Een flink aantal scholen in Utrecht is wat hun populatie betreft gemengd. Daar vindt ontmoeting op natuurlijke wijze plaats. Waar dat niet het geval is, organiseren scholen structureel gezamenlijke activiteiten en ontmoetingen met scholen met een andere populatie, onder de titel: een School in de Wereld. Er wordt samen gesport, samen toneel gemaakt of samen aan lessen deelgenomen. Gestreefd wordt naar duurzame, nieuwe ontmoetingen tussen kinderen van verschillende afkomst en achtergrond.

In de komende vier jaar wil Utrecht een verdubbeling van het aantal scholen in het primair onderwijs dat deelneemt aan een School in de Wereld.

Ook wil men onderzoeken hoe we de opgebouwde relaties in School in de Wereld kunnen worden voortgezet in het voortgezet onderwijs en op andere terreinen zoals sport. Resultaat: in 2012 nemen 34 scholen in het primair onderwijs deel aan School in de Wereld.

Men wil het aantal ouderinitiatieven in Utrecht uitbreiden. De gemeente zal samen met de schoolbesturen en het welzijnswerk actief initiatieven opsporen en ondersteunen. De ouderinitiatieven zijn erop gericht om (groepen) autochtone leerlingen gezamenlijk aan te melden op een «zwarte school». Het resultaat is dat eind 2010 door de ouderinitiatieven tenminste drie scholen een betere afspiegeling vormen van de wijk.

2. Pilots in de G27

In het kader van de wijkaanpak hebben drie gemeenten aangeven dat ze een pilot willen starten om de segregatie in het onderwijs tegen te gaan.

2.1. Deventer

In deze gemeente is in 2007 een voorstel uitgewerkt tussen de gemeente en de schoolbesturen dat inhoudt dat ouders op vaste momenten hun kinderen aanmelden bij de school van hun keuze. Het voorstel is in maart 2008 door de gemeenteraad met een ruime meerderheid omarmd.

In Deventer gaan ruim 9000 leerlingen naar het primair onderwijs. Al sinds een aantal jaren is in Deventer sprake van een toenemende segregatie in het onderwijs: kinderen gingen steeds vaker in andere wijken naar school dan waar zij wonen. Er ontstond een witte vlucht uit de «schil» rond de binnenstad naar andere wijken. Er ontstond leegstand, terwijl elders lokalen moesten worden bijgebouwd. Aanvankelijk is met instrumenten vanuit de verordening «voorzieningen huisvesting onderwijs» en via het maken van afspraken getracht de segregatie tegen te gaan. Over het onderwerp segregatie is in de achterliggende periode regelmatig overleg met de schoolbesturen gevoerd. De schoolbesturen hebben steeds aangegeven dat alleen maatregelen in de onderwijshuisvestingssfeer niet voldoende zijn. Segregatie moet niet alleen vanuit het onderwijs worden aangepakt, maar ook de gemeente moet een visie op de aanpak van segregatie hebben. Oorzaken van segregatie liggen onder andere ook in stedelijk woningbouwbeleid en huisvesting. De vrijheid van onderwijskeuze van ouders speelt daarnaast een belangrijke rol. In de pilot zal de invoering van het vaste aanmeldmoment met behulp van geld van OCW worden ondersteund.

Aan het eind van een kalenderjaar ontvangen de ouders waarvan de kinderen over één of twee jaar, vier jaar oud worden een brief met uitleg over de aanmeldprocedure en een beschrijving van de scholen die voorkomen in de gemeente. Voor 1 februari moeten ouders hun kinderen aanmelden bij de school van hun keuze. Vervolgens komen de schoolbesturen bijeen en bespreken de aanmeldingen. Hierbij wordt gekeken naar de aanmeldingen van leerlingen van buiten de wijken. Nieuwe leerlingen uit dezelfde wijk als de school worden altijd geplaatst. De ouders van wie de kinderen in een andere wijk wonen, worden door het schoolbestuur met elkaar in contact gebracht. Met die ouders kan dan gezamenlijk worden gesproken over een andere schoolkeuze, waarbij het schoolbestuur uit de andere wijk actief en stimulerend optreedt. Voor 1 mei geven ouders aan of ze bij hun eerste keuze blijven en geven de schoolbesturen aan of hun kind wel of niet geplaatst kan worden op de school van hun keuze.

De aanpak start april 2008 door de ondertekening van het convenant door schoolbesturen en de gemeente. Vanaf dat moment wordt in overleg met de schoolbesturen voorlichtingsmateriaal ontwikkeld c.q. worden voorlichtingsbijeenkomsten georganiseerd voor ouders. Eind 2008 zal de eerste groep ouders worden aangeschreven. Uiterlijk februari 2009 moeten ouders hun kinderen aanmelden bij de school van hun keuze. Deze groep leerlingen zal in het kalenderjaar 2010 daadwerkelijk naar school gaan.

2.2. Eindhoven

De schoolbesturen en de gemeente Eindhoven zijn het er over eens dat in Eindhoven in een aantal wijken sprake is van «witte en zwarte» scholen. Het probleem zit hem niet in de kwaliteit van het onderwijs, maar in de maatschappelijke consequenties van segregatie. Hierbij gaat het om de maatschappelijke opdracht die de school heeft op het terrein van burgerschapsvorming en integratie en om de maatschappelijke en financiële investeringen die als gevolg van dalende leerlingaantallen teniet dreigen te gaan. Het probleem ligt niet alleen bij de «zwarte» scholen. Ook «witte» scholen in een buurt waar veel allochtonen wonen, kunnen problemen opleveren bij integratie en sociale binding.

De schoolbesturen en de gemeente Eindhoven hebben een aantal uitgangspunten vastgesteld en afspraken gemaakt die een bijdrage leveren aan het bevorderen van integratie en het tegengaan van segregatie. De hoofdlijnen van de uitgangspunten en afspraken zijn vastgelegd in een intentieverklaring.

Samengevat komen deze neer op:

– de school is een afspiegeling van de wijk;

– aanpak problematiek op niveau van de stadsdelen;

– ontmoeting en samenwerking centraal;

– ouders actief betrekken bij integratie/segregatie vraagstukken;

– communicatie als stimulerend middel;

De schoolbesturen hebben in een bestuurlijk overleg van januari 2008 aangegeven niet warm te lopen voor het werken met aanmeldingsafspraken op stedelijk of wijkniveau. Ze willen door het maken van andere afspraken sturen op een evenwichtigere verdeling van leerlingen over de scholen.

Tussen wethouder en de besturen zijn afspraken gemaakt over onder andere de informatie van scholen en gemeente over de schoolkeuze en procedures voor aanmelding voor ouders. In dit kader is concreet afgesproken dat alle kinderen op hun tweede verjaardag een verjaardagskaart ontvangen met daarop informatie over alle scholen in de omgeving en informatie over aanmelding. Gemeente en schoolbesturen spannen zich in om het netwerk tussen ouders en tussen kinderen in de wijk te versterken. Door middel van activiteiten in en buiten de school zorgen zij dat kinderen en ouders met verschillende achtergronden elkaar ontmoeten en zo gelegenheid krijgen elkaar beter te leren kennen. Dit initiatief heeft een relatie met de gemeentelijke werkplannen per stadsdeel.

De gemeente ondersteunt ouderinitiatieven in wijken die de integratie in het onderwijs bevorderen financieel.

In het kader van de pilot wil de gemeente Eindhoven het volgende bereiken:

– de school is een afspiegeling van de wijk;

– aanpak problematiek op niveau van de stadsdelen;

– ontmoeting en samenwerking centraal;

– ouders actief betrekken bij integratie/segregatie vraagstukken;

– communicatie als stimulerend middel;

De gemeente wil zorgen voor gemengde wijken door invloed uit te oefenen met het huisvestingsbeleid. Dit gebeurt samen met de woningcorporaties.

Beïnvloeding van de schoolkeuze van ouders vindt plaats door het vergroten van het aantal ouderinitiatieven. Door de aanstelling van «ouderambassadeurs», die zich primair richten op autochtone ouders verwacht men dat het aantal aanmeldingen van autochtone kinderen op gemengde scholen zal verdubbelen. Ook allochtone ouders zijn een belangrijke doelgroep. Samenwerking tussen diverse etnische groepen leidt tot gemengd onderwijs, blijkt uit ervaring. Forum en het lokale platform investeren met name in deze groep.

2.3. Nijmegen

De gemeente Nijmegen heeft, in overleg met de schoolbesturen van het primair onderwijs, een plan opgesteld om onderwijssegregatie in de stad te bestrijden. Men wil de nadruk leggen op het tegengaan van sociaal-economische segregatie. Men motiveert dit vanuit twee perspectieven: de integratie van verschillende groepen en het verbeteren van leerprestaties en schoolperspectieven. Het uitgangspunt is dat kinderen van elkaar kunnen leren. Een evenwichtige verdeling van «gewichtenleerlingen» per school bevordert de prestaties. Nijmegen operationaliseert kansarm op basis van de opleidingskenmerken van de ouders.

De Nijmeegse situatie is uniek vanwege haar regeling omtrent de «huisvestingsmiddelen». Voorheen dienden schoolbesturen jaarlijks verzoeken in bij de gemeente voor het onderhoud van de huisvesting. Met ingang van 1 januari 2008 zijn scholen in Nijmegen zelf verantwoordelijk voor het geld voor hun huisvesting. De verwachting is dat er een gunstig bijeffect op het gebied van segregatiebestrijding zal ontstaan. Namelijk dat schoolbesturen efficiënt met hun geld om zullen gaan en niet zullen bouwen op het moment dat er op een andere locatie klaslokalen leegstaan.

In het kader van de pilot zal Nijmegen de volgende punten uitwerken:

– centrale aanmelding met capaciteitsplafonds;

– beïnvloeden van schoolkeuzegedrag van ouders door de inzet van ouderinitiatieven;

– investeren in scholen waar sprake is van sociaal-economische of «witte» vlucht;

– huisvestingsbeleid dat zorgt voor gemengde wijken.

De activiteiten zullen worden begeleid door een stuurgroep waarin de gemeente en de schoolbesturen vertegenwoordigd zijn. In mei 2008 zal een bijeenkomst worden georganiseerd waarbij het project van start zal gaan.

3. Monitoring en onderzoek

Om de resultaten van de pilots in kaart te brengen, komt er een landelijke monitor en landelijke evaluatie. Op die manier komt er zicht op de resultaten van de verschillende gemeenten met de daar beproefde instrumenten. Er zal op korte termijn een nulmeting worden uitgevoerd, waarna de ontwikkelingen per gemeente worden gevold. Er zal een controlegroep worden samengesteld van gelijksoortige gemeenten «die geen specifiek segregatiebeleid hebben». Die gemeenten hebben zich bereid verklaard om de gemeentelijke aanpak van zowel het eigen beleid als de specifieke pilots te (laten) monitoren. Naast het kwantitatieve onderzoek zal kwalitatief onderzoek worden uitgevoerd naar het effect van de vriendschapsscholen, het keuzegedrag van ouders en de effecten van de aanmeldmomenten. Ik zal u op korte termijn informeren over de opzet van de landelijke monitor. In 2010 zal ik u informeren over de voortgang van de pilots en de behaalde resultaten.

4. Benoeming van twee ambassadeurs

Zoals uit de beschrijving van de pilots blijkt zal het aanpakken van de segregatie in het onderwijs vooral op lokaal niveau vorm moeten krijgen. Het tegengaan van segregatie is een weerbarstig probleem. Ouders spelen een sleutelrol in het tegengaan hiervan. Zij maken uiteindelijk de schoolkeuze voor hun kind. Het is dan ook van belang de keuze voor een gemengde school beter voor het voetlicht te brengen. Gemeenten en schoolbesturen hebben al de wettelijke opdracht om te overleggen over maatregelen die de segregatie tegengaan. Om dit proces verder te bevorderen ben ik van plan twee ambassadeurs voor dit thema te benoemen. De ambassadeurs hebben vooral de functie om – waar dit mogelijk is – het beeld van gemengde scholen en contacten tussen allochtone en autochtone leerlingen positief onder de aandacht te brengen. Dit kan door het bijwonen van werkconferenties, in de media een lans breken voor de gemengde school etc. De ambassadeurs kunnen een positieve rol spelen om het maatschappelijk middenveld te overtuigen van het belang van de gemengde scholen.

Op lokaal niveau gaat het vooral om:

• Gesprekken tussen de gemeente en de scholen te stimuleren met het oog op concreet te nemen maatregelen.

• Initiatieven van ouders meer zichtbaar te maken.

• Discussies aan te gaan met partijen (bijv. voor- en tegenstanders van gemengde scholen)

• In de voorlichting aan ouders een positieve rol te spelen.

• Het Kenniscentrum Gemengde Scholen te ondersteunen bij hun werk op lokaal niveau m.n. wanneer er bijvoorbeeld weinig actie wordt ondernomen door een gemeente.

• Het belang van gemengde scholen bij diverse partijen op lokaal niveau onder de aandacht brengen.

Ik heb inmiddels de heer Zeki Arslan bereid gevonden deze functie op zich te nemen. Daarnaast hoop ik op korte termijn nog iemand te kunnen benoemen voor deze functie.

5. Landelijke Conferentie

Ik wil in het najaar 2008 een brede bijeenkomst organiseren over het landelijk beleid en de uitwerking binnen de (pilot)gemeenten. Onder andere gemeenten, het onderwijsveld en ouders zullen hiervoor worden uitgenodigd. Het Kenniscentrum Gemengde Scholen, de Stichting Kleurrijke Scholen en ook de ambassadeurs zullen een bijdrage aan de bijeenkomst leveren. Ik verwacht hiermee het belang van het tegengaan van segregatie en het draagvlak hiervoor te vergroten. Voorafgaand aan de bijeenkomst in het najaar van 2008 zal ik voor de zomer een overleg organiseren met de wethouders van de grote steden om het belang van de regiefunctie van gemeenten te onderstrepen.

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

S. A. M. Dijksma