Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201131293 nr. 111

31 293 Primair Onderwijs

Nr. 111 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 augustus 2011

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft op 24 juni 2011 een brief (2011D34184) gestuurd waarin zij reactie vraagt op de brief van de PO-raad van 30 mei 2011 (UB.2011 118/RvH/rf). In deze brief uit de PO-raad een aantal punten van zorg. In deze brief ga ik op deze punten in.

Onderzoek materiële instandhouding

Op 26 april 2011 heb ik u een brief gestuurd (kst 31293-100) met daarbij het rapport Materiële instandhoudingsbudget Primair Onderwijs uitgevoerd door IOO b.v. Het onderzoek betreft de wettelijk voorgeschreven evaluatie van de toereikendheid van de materiële bekostiging. Ook heb ik in de brief een reactie gegeven op de onderzoeksbevindingen.

De PO-raad schrijft in zijn brief dat de uitkomsten van het onderzoek niet kunnen leiden tot conclusies over de vraag of de programma’s van eisen (pve’s) voldoen aan hetgeen in artikel 113 van de WPO is vastgelegd. Tevens verwijst zij naar twee onderzoeken (van Anculus en HEVO) die een ander beeld schetsen dan de resultaten uit het onderzoek van IOO. In overleg met de PO-raad heb ik gekozen voor een onderzoek dat zich richt op de toereikendheid van de bekostiging van het primair onderwijs. In de WPO is niet vastgelegd op welke wijze een evaluatie vorm dient te krijgen. Ik ben van mening dat deze wijze van evalueren een objectief beeld geeft van de verhouding tussen de materiële uitgaven en de daarvoor verstrekte bekostiging. Sinds de invoering van de lumpsum beschik ik over gedetailleerde informatie over de bestedingen van de scholen. Deze vorm van onderzoek was daardoor minder belastend voor de schoolbesturen. Tot slot past deze vorm van onderzoek beter bij de lumpsumgedachte. Schoolbesturen maken zelf de keuze hoe zij met de rijksbijdrage kwalitatief goed onderwijs realiseren.

Ik heb kennis genomen van de onderzoeken van HEVO en Anculus. Het aantal scholen dat onderzocht is in de onderzoeken van HEVO en Anculus is beperkt (respectievelijk 66 en 175 scholen). De evaluatie die IOO heeft uitgevoerd is gebaseerd op 80% van de beschikbare jaarverslaggegevens van het basisonderwijs (circa 6100 scholen). Bij de opzet van het onderzoek, de aanbesteding en de uitvoering is de PO-raad steeds betrokken geweest. Ik heb geen reden om de bevindingen van IOO in twijfel te trekken.

Stelselmonitor materiële instandhouding

In mijn brief van april 26 april stel ik voor het vijfjaarlijks onderzoek naar de toereikendheid van de materiële bekostiging plaats te laten maken voor een stelselmonitor op de uitgaven van schoolbesturen die in vergelijkbare omstandigheden verkeren. Zo kan op een minder gedetailleerd niveau informatie worden verkregen over de toereikendheid van de bekostiging. Een dergelijke monitor sluit veel beter aan op de verschillende beleidskeuzes die schoolbesturen maken en daarmee op de verschillende patronen van uitgaven van deze besturen. Ik stel daarom voor de vijf jaarlijkse evaluatie te vervangen door een monitor. In het traject dat ik daarvoor opstart zal ik de PO-raad betrekken. De PO-raad schrijft in haar brief dit voorstel te steunen, maar heeft daarbij als randvoorwaarden dat de bekostiging op orde wordt gebracht en dat er geen oneigenlijk gebruik gemaakt wordt van de prestatiebox. In mijn brief van 26 april schreef ik dat ik gezien de geringe afwijking tussen bekostiging en de feitelijke uitgaven geen reden zie om tot bijstelling van de bekostiging over te gaan. Bovendien heb ik daar de middelen nu niet voor. Wel zal ik er op toezien dat scholen de middelen voor de prestatiebox inzetten op de prioriteiten uit het actieplan «Basis voor Presteren».

Onderbesteding olp/meubilair en stijgende energiekosten

De PO-raad schrijft in zijn brief over de onderbesteding bij het pve onderwijsleerpakket (olp) en meubilair. Het feit dat schoolbesturen minder besteden aan onderwijsleerpakketten en meubilair vind ik een keuze die past binnen de autonomie van de schoolbesturen. Het is aan hen om onderwijs van voldoende kwaliteit te verzorgen en gerichte keuzes te maken. De inspectie houdt vervolgens toezicht op de onderwijskwaliteit die gerealiseerd wordt door de schoolbesturen.

De raad meent daarnaast dat de energiekosten oplopen door het feit dat schoolbesturen niet mogen investeren in hun schoolgebouw. In het actieplan «Basis voor presteren» heb ik toegezegd een verkenning te starten met de VNG en de PO-raad naar de wenselijkheid om de verantwoordelijkheid voor het buitenonderhoud van schoolgebouwen over te hevelen van de gemeente naar het schoolbestuur.

Financiële resultaten van schoolbesturen

Volgens de PO-raad belanden steeds meer schoolbesturen in de rode cijfers. De oorzaak hiervoor is volgens de raad een aantal bezuinigingsmaatregelen. De cijfers die ik tot nu toe in mijn bezit heb over de periode 2006–2009 roepen niet het beeld op dat de PO-raad schetst. De toename van het aantal schoolbesturen dat tekorten heeft, blijkt tot en met 2009 te komen door inzet van extra personeel terwijl het leerling-bestand van de school daar geen aanleiding toe geeft. Zodra ik gegevens heb over het jaar 2010, heb ik inzicht in de verdere ontwikkeling van de financiële resultaten.

Schoolbesturen zijn zelf verantwoordelijk voor het financieel management. Zij dienen de formatieplaatsen goed aan te laten sluiten op de omvang van de school. Op een school met een jaarlijkse bekostiging van € 750 000 is een situatie waarin 2 leraren (kosten per jaar circa € 120 000) bovenformatief zijn, al snel een reden dat een schoolbestuur een tekort heeft. Via de Inspectie van het Onderwijs volg ik de financiële resultaten van de schoolbesturen. Niet alle schoolbesturen beschikken over voldoende kennis over financieel beheer.

Daarom heb ik in het actieplan Basis voor Presteren aangekondigd dat de PO-raad een bijdrage van mij krijgt voor de vergroting van financiële deskundigheid en de implementatie van de Code goed bestuur.

Vereenvoudiging bekostiging en automatische prijscompensatie

De PO-raad schrijft dat ik over de vereenvoudiging bekostiging geen overleg heb gevoerd. De PO-raad is voor mij een belangrijke partner bij het uitwerken van mijn beleid. De vereenvoudiging van de bekostiging is een ingewikkelde en omvangrijke aangelegenheid. De passage in mijn brief van 26 april is slechts een aankondiging dat bezien zal worden hoe de bekostiging vereenvoudigd kan worden. Ik ga dit traject starten en de PO-raad daarbij vanaf het begin betrekken.

Het afschaffen van de automatische prijscompensatie wordt niet gesteund door de PO-raad. Het is mijn voorstel om dit bij de vereenvoudiging van de bekostiging te betrekken. Net als in de andere onderwijssectoren dient het al dan niet verhogen/verlagen van de totale Rijksbijdrage aan schoolbesturen een politieke afweging te zijn. Een automatische prijscompensatie leidt niet tot zo’n bewuste keuze.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

J. M. van Bijsterveldt-Vliegenthart