31 293
Primair Onderwijs

31 289
Voortgezet Onderwijs

nr. 11
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 16 april 2008

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap1 heeft op 20 maart 2008 overleg gevoerd met staatssecretaris Dijksma van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over:

– de brief van staatssecretaris Dijksma van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 12 februari 2008 over de jaarverslagen in het primair onderwijs over 2006 (31 293, nr. 4);

– de brief van staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap d.d. 13 februari 2008 over de financiële jaargegevens in het voortgezet onderwijs over 2006 (31 289, nr. 28).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer Jasper van Dijk (SP) heeft uit rapportages van de Algemene Onderwijsbond (AOb) begrepen dat scholen in alle sectoren in totaal een eigen vermogen van bijna 10 mld. hebben en dat zij in 2006 552 mln. overhielden op de lopende begroting. Hij erkent dat er reserveringen voor onvoorziene omstandigheden nodig zijn, maar hij vraagt zich af of de situatie niet uit de hand is gelopen. Gelet op dit soort berichten heeft hij er alle begrip voor dat mensen de wenkbrauwen fronsen in verband met de grote problemen in het onderwijs, omdat hieruit zou blijken dat de scholen toch erg rijk zijn. De gemiddelde solvabiliteit in alle onderwijssectoren is ongeveer 50%; is dit reëel, wat vindt de regering een aanvaardbare «oppotnorm»?

De heer Van Dijk verbaast zich erover dat de regering dit onderwerp eigenlijk nooit zelf aan de orde gesteld heeft, maar dat er steeds over gesproken wordt naar aanleiding van publicaties in de media. Op basis daarvan is de bal gaan rollen en is het ministerie de zaak gaan onderzoeken; waarom heeft de regering dit niet op eigen initiatief gedaan, als er te weinig geld voor onderwijs is?

Scholen dienen wat de SP betreft geen investeringsmaatschappijen te zijn, zodat zij vindt dat er duidelijke regels nodig zijn voor wat zij met hun geld doen. Volgens de huidige regels moeten zij risicomijdend beleggen, maar voldoen alle scholen aan deze regels? Er zijn scholen die in aandelen beleggen; in de NRC van gisteren was te lezen dat het Carmel College een bedrag van 1,6 mln. heeft moeten afwaarderen, terwijl het uiteindelijk gaat om belastinggeld dat voor onderwijs bedoeld is. Wil de regering op grond hiervan de regels aanscherpen? Als een school echt verlies lijdt, draait de belastingbetaler ervoor op via de bekostiging.

De heer Van Dijk noemt de verantwoording van de scholen schamel; er is niet duidelijk wat zij precies met hun geld doen. Hij dringt aan op transparantie ten behoeve van de Kamer, maar ook de school zelf, de leerlingen, de ouders en de leraren, ook om te voorkomen dat scholen zouden beleggen in wapenhandel of in clusterbommen.

De AOb is een procedure begonnen omdat het ministerie niet bereid zou zijn, inzicht te geven in de bestedingen in het primair onderwijs per schoolbestuur. Is dit niet merkwaardig? Het gaat toch gewoon om belastinggeld?

Ten slotte wil de heer Van Dijk weten wat de regering een aanvaardbare «oppotnorm» vindt. Die is nu 10 tot 40%, terwijl scholen daar in veel gevallen boven uitkomen. Zou de norm niet kunnen worden bepaald op 25%, waarbij het geld in een onderwijsfonds gestort zou kunnen worden waarmee scholen met een achterstand in bijvoorbeeld het onderhoud geholpen zouden kunnen worden, vergelijkbaar met de voorstellen voor het inschakelen van woningcorporaties, die ook over grote vermogens beschikken?

Ook de heer Bosma (PVV) lijkt 1,8 mld. een veel te hoog bedrag voor reserves in het primair onderwijs. Staatssecretaris Dijksma geeft zelf aan dat zij een reserve van 0,8 mld. voldoende acht. Is zij het er niet mee eens dat dit geld gewoon besteed zou moeten worden aan het primaire proces: lesgeven, ondersteunende taken etc.?

Verder vindt de heer Bosma lumpsumfinanciering een zeer goede basisgedachte, maar hij zou geld geoormerkt willen zien voor het primaire proces. Als eerste stap zouden scholen duidelijk moeten maken welk percentage van een begroting er überhaupt aan lesgeven besteed wordt, waarna bekeken zou moeten worden hoe ervoor gezorgd kan worden dat er minder geld gebruikt wordt voor de «vetlaag» van scholen.

Er zijn altijd aparte instellingen geweest voor zorgleerlingen in het voortgezet onderwijs, maar die zijn verdwenen met de fusies die tot het vmbo hebben geleid. De heer Bosma zou het ook in verband met de «rugzakjes» juist vinden, duidelijk te maken welk geld bestemd is voor zorgleerlingen. Dat geld moet dan ook aan hen besteed worden, niet aan een computerlokaal of wat dan ook, hoe goed de bedoelingen daarvan ook zouden zijn.

Scholen zouden net als zorginstellingen of ziekenhuizen moeten aangeven, wat er aan geld binnenkomt en waaraan het besteed wordt. Dit moet per school duidelijk worden, in het openbaar, om eerlijk te zijn tegenover de belastingbetaler en de ouders, die mede op basis van dit soort gegevens een school kiezen.

Volgens een artikel in NRC-next hebben scholen 56 mln. met beleggingen verdiend. De heer Bosma gaat ervan uit dat dit voor primair en voortgezet onderwijs in totaal geldt, want volgens hetzelfde artikel hebben basisscholen en middelbare scholen in 2006 93 mln. in aandelen belegd. Dit verontrust zijn fractie zeer. Het is prima als een school iets doet met geld dat niet meteen kan worden uitgegeven, maar beleggen in aandelen vindt zij, met verwijzing naar de Ceteco-affaire, veel te link.

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA) is van mening dat scholen gewoon helder moeten kunnen aangeven hoe zij het geld uitgeven dat zij van de overheid krijgen, welke financiële reserves zij hebben, en de bestemming daarvan, opdat het ministerie goed kan inschatten of het geld rechtmatig en doelmatig besteed wordt. Zij heeft begrip voor verschillen in situatie tussen individuele scholen, maar de door de regering voorgestelde bandbreedte biedt hiervoor naar haar mening voldoende soelaas.

Is de regelgeving voor wat scholen is toegestaan bij beleggen duidelijk genoeg, of is er nog sprake van een grijs gebied? Duidelijkheid is nodig om scholen te kunnen aanspreken op het naleven van de regels. Beleggen kan meer opleveren dan gewoon sparen, maar het moet natuurlijk wel verantwoord zijn.

Verder vindt mevrouw Kraneveldt het wel interessant of scholen die veel geld hebben opgepot of geld beleggen, bepaalde overeenkomsten vertonen. Is er een verband met de organisatiestructuur? Hebben zulke scholen een flinke managementlaag, of juist niet? Gaat het om grotere besturen? Potten «eenpitters» relatief meer geld op dan scholen die onder een groter schoolbestuur vallen, of juist minder?

Staatssecretaris Dijksma stelt dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat in het primair onderwijs de vaste materiële en immateriële activa te laag zijn gewaardeerd. Geldt dit ook voor het voortgezet onderwijs en zijn er wat dit betreft opvallende verschillen tussen scholen?

Welke specifieke onderzoeksvragen zijn nog voor het primair onderwijs van belang die geen rol meer spelen in het voortgezet onderwijs? De toelichting op de jaarrekeningen over 2006 in het voortgezet onderwijs is heel summier en de minister heeft daarom de schoolbesturen verplicht, hierin voor 2007 verbetering te brengen. Waarom is de scholen niet gevraagd, de toelichting over 2006 al te verbeteren, opdat er al eerder een goed beeld zou zijn ontstaan?

Ten slotte wil mevrouw Kraneveldt weten of de regering voldoende middelen heeft om scholen die echt te veel geld hebben opgepot, te dwingen om het geld wél uit te geven en dus een ander financieel beleid te gaan voeren. Is er een aanpak mogelijk bij financieel wanbeheer, waarbij het dan niet alleen om rechtmatigheid, maar vooral om doelmatigheid gaat?

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA) zou graag nu al de beschikking hebben gehad over het resultaat van het onderzoek dat in de brieven is aangekondigd, maar hij is blij dat dit overleg de gelegenheid biedt om het beeld recht te zetten dat nu in de berichtgeving ontstaan is. Zijn fractie staat nog steeds achter de lumpsumfinanciering: de overheid geeft schoolbesturen geld om voor goed onderwijs te zorgen, in overleg met ouders, management en docenten. Hij is het er volledig mee eens dat dit proces nog wel wat transparanter zou moeten zijn en hij pleit voor overleg met de VO-raad en de PO-raad over meer openheid van schoolbesturen jegens de ouders en docenten over de begrotingscijfers.

De heer Van Dijk veronderstelt dat niemand bezwaar zal hebben tegen reserveringen voor de inventaris van scholen, nieuwe schoolboeken of studiemateriaal, zodat er nog maar 800 mln. overblijft van de reserve van 2,4 mld., terwijl het volgens de regering ook nog wel eens veel te hoog ingeschat zou kunnen zijn. Het zou neerkomen op een reserve van een ton per school, wat hem gelet op de risico’s zeker niet overdreven voorkomt. Wel wil de heer Van Dijk weten of er sprake is van excessen, of er achter deze macrocijfers geen scholen schuilgaan die bijvoorbeeld een reserve van 5 mln. hebben.

De heer Van Dijk vraagt zich af of er een verband is tussen het onderhoud van schoolgebouwen en de omvang van de reserves of tussen de omvang van reserves en de problemen met het leveren van voldoende onderwijstijd. Hij pleit voor een zorgvuldige discussie over de juiste cijfers, op basis van een goede interpretatie daarvan. Wat is de regering overigens van plan op het vlak van de materiële instandhoudingsvergoeding? Duidelijkheid op dit punt lijkt hem gewenst.

Ten slotte sluit de heer Van Dijk zich aan bij de vraag van mevrouw Kraneveldt of de regering vindt dat regels voor het beleggen door scholen voldoende zijn om een nieuwe Ceteco-affaire te voorkomen.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD) vindt dat het hierbij gaat om gezonde scholen met een verantwoorde reserve. Op basis van de al jarenlang naar voren komende berichten over het oppotten van geld door schoolbesturen trekt zij de conclusie dat hier toch wel sprake van lijkt te zijn. Er is met name in het primair onderwijs een groot eigen vermogen en de verdeling over de scholen is niet duidelijk. Wil staatssecretaris Dijksma dit nog wel betrekken bij het aangekondigde onderzoek dat een beoordelingskader zal moeten opleveren? Wat gaat zij doen met dit kader? Is zij bereid om extra wettelijke maatregelen te nemen om te voorkomen dat scholen doorgaan met oppotten? Scholen moeten financieel gezond zijn en tegenvallers kunnen opvangen, maar zij hebben hier nu wel heel hoge bedragen voor beschikbaar. Mevrouw Dezentjé verwacht dat het beoordelingskader ertoe zal leiden dat heel veel scholen maatregelen zullen moeten nemen en zij is zeer benieuwd naar de uitkomsten van het onderzoek.

Haar fractie kiest als uitgangspunt dat geld dat voor onderwijs bestemd is, dan ook aan onderwijs besteed behoort te worden, zodat het niet bij de bank behoort te liggen. Vanwege haar verantwoordelijkheid behoort staatssecretaris Dijksma in te grijpen als scholen geld oppotten. Scholen dienen geld te besteden aan hun lerarenbeleid; mevrouw Dezentjé vindt het volstrekt onaanvaardbaar als er geen geld wordt besteed aan prestatiegericht belonen, herscholen, bijscholen etc., terwijl er miljoenen op de bank staan.

Komt de «oppotcultuur» eigenlijk niet neer op een angstcultuur bij scholen in verband met alle maatregelen vanuit Den Haag waarmee zij geconfronteerd worden? Hoe kun je dit veranderen in een wat gezondere cultuur waarin scholen een verantwoorde reserve aanhouden?

In het voortgezet onderwijs geldt een solvabiliteitsnorm van 45%; deze blijkt vrijblijvend te zijn, want er zijn geen sancties bij overschrijding van deze norm. Is staatssecretaris Van Bijsterveldt voornemens om een wettelijk beoordelingskader aan de scholen op te leggen? Mevrouw Dezentjé wil een ruime mate van autonomie voor scholen bij hun financiële beleid, maar wel met spelregels. Haar fractie is niet zonder meer tegen beleggen door scholen, maar het lijkt haar wel goed om hiervoor een code te bepalen, zoals een maximumpercentage voor beleggen in aandelen.

Ten slotte vraagt mevrouw Dezentjé zich af waarom het onderzoek in het voortgezet onderwijs door de Auditdienst van OCW zal worden uitgevoerd, terwijl er in het primair onderwijs een extern bureau voor wordt ingeschakeld.

Antwoord van de bewindslieden

Staatssecretaris Dijksma is het ermee eens dat het financiële beleid van scholen transparant moet zijn en zij ontkent ten stelligste dat het ministerie hier niet van doordrongen zou zijn. Al bij de discussie over de evaluatie van de lumpsumfinanciering in juni 2007 had de regering toegezegd, de Kamer te zullen informeren over de reserves in het onderwijs. Daarvoor was onderzoek nodig en in december had het ministerie voor het eerst een beeld van de situatie. Er is toen eerst bekeken hoe de gegevens uitgelegd moesten worden en daarna heeft de regering besloten, de Kamer in brieven gelijktijdig te informeren over de situatie in het primair onderwijs en die in het voortgezet onderwijs. Vervolgens heeft het ministerie ook de AOb de gegevens ter beschikking gesteld die men gevraagd had, zelfs met een gegevenswoordenboek met definities. Inmiddels hebben vrijwel alle schoolbesturen hun gegevens aangeleverd; nu zijn dus ook de gegevens per school bekend; deze zullen binnenkort op de website van Cfi worden gezet en ze zijn ook al op aanvraag beschikbaar voor journalisten of anderen. De staatssecretaris begrijpt dan ook niet waarom de AOb een WOB-procedure is begonnen om deze gegevens te verkrijgen.

De lumpsumfinanciering voor het primair onderwijs is per 1 augustus 2006 van start gegaan en de scholen hebben nu voor het eerst via een jaarverslag financiële verantwoording moeten afleggen aan Cfi, de uitvoeringsorganisatie van het ministerie op dit terrein. Dit was een hele klus, want er moest ook nog een laatste keer een declaratie worden ingediend voor de aanvraag van de rijksvergoeding. De staatssecretaris vindt het een compliment waard dat het overgrote deel van de scholen, schoolbesturen en administratiekantoren de gegevens op tijd geleverd heeft.

De richtlijnen voor het jaarverslag zijn met ingang van 2008 ook voor het primair onderwijs zo veel mogelijk in overeenstemming gebracht met de algemene regelgeving op dit vlak. Zo staan voortaan vermogensbestanddelen uit bijvoorbeeld legaten of schenkingen ook als een bestemmingsreserve op de balans en de kengetallen bij de jaarrekening zullen worden opgenomen in een resultatenbox. De schoolbesturen hoeven op deze manier maar één keer alle benodigde informatie gebundeld aan te leveren en andere instanties kunnen er dan ook gebruik van maken.

Om te weten te komen wat de betekenis is van het beeld dat uit de jaarverslagen naar voren komt, heeft de staatssecretaris onderzoeksbureau PricewaterhouseCoopers gevraagd, te onderzoeken of de waardering van de materiële activa juist is, wat de financiële risico’s zijn en of de reserves voldoende zijn om die risico’s te ondervangen. Daarbij zal ook worden onderzocht of er een verband is tussen het onderhoud van schoolgebouwen en de omvang van de reserves. Er is voor dit onderzoek een begeleidingscommissie ingesteld waarin naast de PO-raad ook de AOb vertegenwoordigd is. Bij dit onderzoek zullen risicoprofielen worden bepaald, onder andere op basis van de omvang en de kenmerken van een school en de omgevingsfactoren. Dit brengt ook met zich mee dat er echt goed gedefinieerd moet worden wat er bij de scholen tot het primaire proces behoort. De commissie-Dijsselbloem heeft een aanbeveling gedaan om geld te oormerken voor het primaire proces en voor de opvang van zorgleerlingen, maar omdat de Kamer eerst zelf nog een debat over het rapport van deze commissie zal voeren, wil de staatssecretaris zich vooralsnog terughoudend opstellen en eventueel pas in een volgende fase voorstellen op dit punt doen. Zij tekent hier wel alvast bij aan dat het erg lastig is om onderscheid te maken in de lumpsum en dat dit ook weer administratieve lasten met zich mee zou brengen.

Omdat de scholen pas sinds 1 augustus 2006 met lumpsumfinanciering werken, vindt de staatssecretaris het nog te vroeg om eventueel al sancties toe te passen. Wel kunnen er al prestatieafspraken met scholen gemaakt worden en bestuurlijke gesprekken worden gevoerd. Ook met het openbaar maken van cijfers kunnen schoolbesturen als het ware verleid worden, de juiste keuzen te maken. En bij echt wanbeheer kan de overheid optreden op basis van het Burgerlijk Wetboek, bijvoorbeeld door bestuurders te laten schorsen of ontslaan. Bovendien zal binnenkort het wetsvoorstel inzake goed bestuur in het onderwijs aan de Kamer worden voorgelegd.

Er bestaat al sinds 2001, het jaar van de Ceteco-affaire, een regeling voor beleggen en belenen door instellingen voor onderwijs en onderzoek. Deze houdt onder meer in dat scholen met publieke middelen mogen beleggen, maar dat dit wel risicomijdend moet zijn, zodat de hoofdsom in ieder geval gegarandeerd moet zijn, zoals bij obligaties. Er is in 2006 al gevraagd naar de omvang van de beleggingen van scholen, waarbij ook gelet is op het risicomijdende karakter. Toen bleek dat 101 schoolbesturen aandelen bezaten met een aankoopwaarde van 50 mln. en een koerswaarde van 62 mln. Bij nadere informatie bleek dat 36 formulieren onjuist ingevuld waren, omdat er geen sprake was van aandelen, maar van obligaties. Bij de opgave van 14 besturen bleek dat de aandelen uit privaat vermogen waren gefinancierd. In ieder geval hebben de schoolbesturen die toen risico bleken te lopen, alsnog voor een garantie gezorgd, of zij hebben aangegeven dat zij de aandelen zouden verkopen. De situatie bij de scholen zal nu opnieuw bekeken worden en aan de hand van de resultaten daarvan zal er beoordeeld kunnen worden of de regeling nog adequaat is.

Ten slotte toont de staatssecretaris zich bereid, te voldoen aan het verzoek van de heer Jan Jacob van Dijk om overleg te voeren met de VO-raad en de PO-raad over meer openheid van schoolbesturen jegens de ouders en docenten over de begrotingscijfers, want zij is het met hem eens dat dit van belang is. Daarnaast probeert de regering de positie van deze partijen te versterken via de Wet medezeggenschap scholen, ook in verband met dit soort vraagstukken. De steun aan scholen hierbij zal worden voortgezet, omdat niet op alle scholen de horizontale verantwoording al zo ver is als Kamer en regering zouden wensen.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart wijst erop dat er al in 2005 begonnen is met het schetsen van een kader voor het toetsen van de reserves in alle onderwijssectoren. Dit heeft geleid tot het kengetal «weerstandsvermogen» van scholen in het voortgezet onderwijs: 10 tot 40%. Bovendien heeft zij zelf aan de Auditdienst van het ministerie gevraagd, nader onderzoek te doen naar de financiële positie van de onderwijsinstellingen in deze sector. Het eindrapport zal tegen de zomer verschijnen, waarna het met het commentaar van de regering aan de Kamer zal worden toegezonden. De staatssecretaris waarschuwt in dit verband voor verkeerde beeldvorming. Zo hebben de scholen in het voortgezet onderwijs gezamenlijk 1,1 mld. aan liquide middelen, maar hier staat een bedrag van 1 mld. aan kortlopende schulden tegenover.

Het maximum van 40% weerstandsvermogen wordt door 24% van de scholen overschreden. Ook de staatssecretaris vindt dit een reden voor nader onderzoek, maar er zijn haar op dit vlak geen excessen bekend. De Auditdienst gaat nu na of scholen de risico’s onderschatten of juist overschatten. Verder wordt er in samenwerking met de VO-raad een beoordelingskader voor de reserves ontwikkeld. En bovendien ondersteunt de VO-raad bevoegde gezagen van de verschillende scholen met een instrument waarmee zij zelf hun risicoprofiel kunnen opstellen.

In het voortgezet onderwijs belegt 40% van de scholen in effecten, vooral in obligaties en deposito’s. Bij beleggen in aandelen moet de hoofdsom gegarandeerd zijn. Hierop wordt gecontroleerd en er zijn tot nu toe geen signalen dat scholen hierbij onjuist zouden handelen. De instellingsaccountant is verplicht om te rapporteren over de beleggingen en de school moet een en ander in een treasury-statuut vastleggen.

Toen de staatssecretaris had geconstateerd dat de regels voor de verslaglegging door de scholen niet tot een echt scherp inzicht leidden, heeft zij besloten tot verscherping van deze regels voor 2007, maar het was juridisch niet mogelijk om hier terugwerkende kracht aan te geven. Het onderzoek van de Auditdienst zal bijdragen tot een nog beter inzicht in de reservevorming. Zo mogelijk zullen de factoren die mevrouw Kraneveldt heeft aangeduid, hier nog bij betrokken worden. Aan de hand van de resultaten van dit alles zal er bekeken kunnen worden welke interventiescenario’s nog zouden moeten worden ontwikkeld.

Geld oormerken voor bepaalde onderwijsdoeleinden is in algemene zin lastig, omdat scholen vrijheid van inrichting hebben. Wel heeft het opzetten van een benchmark bijgedragen tot meer inzicht in de uitgaven van scholen, zij het dat er nog heel wat werk verzet moet worden voordat er over de hele linie sprake is van transparantie en uniformiteit.

Scholen krijgen via de zorgstructuur rechtstreeks geld voor zorgleerlingen, maar ook via indicaties voor leerlingen voor het praktijkonderwijs en leerwegondersteunend onderwijs. Scholen moeten een zorgplan hebben en de inspectie kijkt naar de besteding van deze middelen.

Nadere gedachtewisseling

De heer Jasper van Dijk (SP) stelt zich op het standpunt dat de regering de door de AOb gevraagde gegevens meteen beschikbaar had moeten stellen, omdat het om openbare gegevens over publiek geld gaat. Verder constateert hij dat de regering het aanpakken van deze kwestie niet urgent lijkt te vinden, terwijl het bij het beleggen door scholen toch om grote bedragen gaat en de financiële markten zeer onzeker zijn. Hij dringt aan op voortvarendheid bij het onderzoek om zo snel mogelijk nieuwe normen te kunnen bepalen.

De heer Bosma (PVV) heeft ook na de reactie van de regering nog steeds de indruk dat scholen zich niet alle houden aan de regels voor beleggen, omdat zij gewoon in aandelen beleggen.

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA) dringt er nogmaals op aan, bij het onderzoek zo veel mogelijk aandacht te schenken aan de verschillende factoren en omstandigheden die bij de individuele scholen een rol spelen, opdat de Kamer daar alsnog inzicht in kan krijgen.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA) is blij dat beide staatssecretarissen het beeld van de financiële situatie van de scholen in de media met duidelijke antwoorden hebben kunnen nuanceren en dat er nog van alles onderzocht zal worden. Hij legt er nogmaals de nadruk op dat het van groot belang is dat ouders of leerlingen en docenten invloed kunnen uitoefenen op de gang van zaken en hij vraagt de regering, ervoor te zorgen dat schoolbesturen hierin verbetering zullen brengen.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD) wil er het oordeel van de regering over, waarom er zo weinig prestatiebonussen aan leraren worden uitbetaald terwijl de scholen zoveel geld in kas hebben. Ook wil zij nog weten of de regering het niet met haar eens is dat scholen geneigd zullen zijn om een grote reserve op te bouwen in verband met de maatregelen die zij nog van Den Haag verwachten, zoals gratis schoolboeken en de maatschappelijke stage.

Staatssecretaris Dijksma zet nogmaals uiteen dat de regering probeert om een zo goed mogelijk inzicht te verkrijgen in de reserves van de scholen en dat zij zal beoordelen, in hoeverre die reserves gerechtvaardigd zijn. Als geld ten onrechte niet voor onderwijsdoeleinden worden gebruikt, zal de regering bevorderen dat scholen dit geld alsnog aan het primaire proces besteden, maar dit zal uit het onderzoek moeten blijken. Dit lijkt de staatssecretaris ook beter dan het geld dat te veel in reserve blijkt te worden gehouden, in een fonds te storten, want het gaat toch om geld van de scholen zelf.

Verder is de staatssecretaris het met de heer Bosma eens dat scholen voorzichtig moeten zijn met beleggen. Overeenkomstig de regeling worden de scholen erop aangesproken dat de hoofdsom daarbij gegarandeerd moet zijn.

In aanvulling op wat er in de brief staat over het budget voor de materiële instandhouding van scholen, legt de staatssecretaris nogmaals de nadruk op het belang van het onderzoek en geeft zij aan dat er sowieso al veel in het onderwijs geïnvesteerd zal worden, zoals in taal en rekenen en de kwaliteit van het onderwijs, in de leraren, in versterking van de ondersteuning, in het ontwikkelen van brede scholen en in passend onderwijs.

Staatssecretaris Van Bijsterveldt-Vliegenthart is het met de heer Jan Jacob van Dijk eens dat horizontale verantwoording belangrijk is. Het lijkt haar het beste, eerst een goed inzicht in de situatie te verkrijgen en vervolgens in overleg te gaan met de VO-raad om te bevorderen dat er in de jaarverslagen op een toegankelijke manier verantwoording wordt afgelegd.

De staatssecretaris ziet geen reden om het onderzoek naar de situatie in het voortgezet onderwijs niet door de Auditdienst van het ministerie, maar door een onafhankelijk bureau te laten instellen. Zij acht haar dienst daar zeer goed toe in staat en de dienst was ook al met het onderzoek begonnen. Het verschil met het onderzoek naar de situatie in het primair onderwijs is dat dit een ander karakter heeft en dat het ook tamelijk specifiek is.

Ten slotte wijst de staatssecretaris erop dat de scholen hun liquide middelen niet zomaar kunnen gebruiken, ook niet voor bonussen voor leraren, omdat er verplichtingen tegenover staan. De positie van de leraren komt overigens ook ruim aan de orde in het brede plan LeerKracht van Nederland.

Toezegging

De regering zal de Kamer na de zomer informeren over het resultaat van het onderzoek van de Auditdienst in het voortgezet onderwijs.

De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Van de Camp

De adjunct-griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Arends


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van der Vlies (SGP), Van de Camp (CDA), voorzitter, Depla (PvdA), Slob (ChristenUnie), Remkes (VVD), Joldersma (CDA), Jan de Vries (CDA), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Jan Jacob van Dijk (CDA), Aptroot (VVD), Leerdam (PvdA), Kraneveldt-van der Veen (PvdA), Roefs (PvdA), ondervoorzitter, Verdonk (Verdonk), Abel (SP), Van Leeuwen (SP), Biskop (CDA), Bosma (PVV), Pechtold (D66), Zijlstra (VVD), Jasper van Dijk (SP), Besselink (PvdA), De Rooij (SP), Ouwehand (PvdD) en Dibi (GroenLinks).

Plv. leden: Van der Staaij (SGP), Ferrier (CDA), Gill’ard (PvdA), Anker (ChristenUnie), Van Miltenburg (VVD), Atsma (CDA), Sterk (CDA), Vietsch (CDA), Schinkelshoek (CDA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Van Dijken (PvdA), Hamer (PvdA), Van Dam (PvdA), Van der Burg (VVD), Van Bommel (SP), Gesthuizen (SP), Jonker (CDA), Fritsma (PVV), Van der Ham (D66), Ten Broeke (VVD), Leijten (SP), Bouchibti (PvdA), Gerkens (SP), Thieme (PvdD) en Peters (GroenLinks).

Naar boven