Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201131293 nr. 108

31  293 Primair Onderwijs

Nr. 108 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 juli 2011

Hierbij bied ik u het onderzoeksrapport «Engels in het basisonderwijs, Verkenning naar de stand van zaken» van de Stichting Leerplanontwikkeling (SLO) aan.1 Ik voldoe hiermee aan de toezegging van toenmalig staatssecretaris Dijksma, die zij heeft gedaan in het Algemeen Overleg «Vreemde talen in het onderwijs» van 21 januari 2010.2

De SLO heeft een literatuurstudie uitgevoerd. Daarnaast hebben zij basisscholen en Pabo’s bevraagd en de uitkomsten hiervan ter validatie en duiding voorgelegd aan een groep experts, waaronder wetenschappers. Dit levert een eerste inzicht in de huidige stand van zaken van het Engels in het basisonderwijs.

Zoals ik tijdens het Algemeen Overleg over «Basis voor Presteren» van 23 juni jl. al heb aangegeven, lopen er op dit moment nog enkele zaken in het kader van vroeg vreemdetalenonderwijs (vvto).

Zo zijn er in 2009 pilots gestart waarbinnen 13 basisscholen (12 Engels, 1 Duits) experimenteren met het geven van lessen in een vreemde taal tot maximaal 15% van de onderwijstijd. Daarnaast loopt er een wetenschappelijk onderzoek naar de effecten van vroeg vreemdetalenonderwijs (waarbij Engels eveneens een prominente plaats inneemt) op de beheersing van het Nederlands, de beheersing van de vreemde taal en de taligheid van leerlingen in het algemeen.

De uitkomsten van zowel de pilots als het wetenschappelijk onderzoek (najaar 2012) bieden meer inzicht in de praktijk van het lesgebied Engels in het basisonderwijs. Dit inzicht is noodzakelijk voor het vormgeven van een zorgvuldig invoeringstraject om op termijn het Engels op te nemen in de centrale eindtoets.

Resultaten verkenning SLO

1. De mate van Engels in het basisonderwijs

Scholen in het basisonderwijs zijn verplicht om in hun onderwijs aandacht te besteden aan Engels (kerndoelen PO, 13 tot en met 16). De meeste scholen starten hiermee in de bovenbouw, het zogenaamde EIBO (Engels in het basisonderwijs). De groep scholen die eerder start dan groep 7 groeit de laatste jaren aanzienlijk (van 8% in 1996 tot 34% nu). De verwachting van het Europees Platform is dat deze groep de komende jaren verder zal groeien.

De gemiddelde lestijd per week varieert; de meeste leerkrachten besteden 45 tot 60 minuten per week aan Engels. Dit aantal minuten is in de afgelopen jaren stabiel gebleven.2

2. Lespraktijk Engels in het basisonderwijs

Ten aanzien van de lespraktijk Engels concludeert de SLO het volgende:

  • In de meeste gevallen wordt de Engelse les gegeven door de groepsleerkracht;

  • Bij de invulling van de lessen steunen zij sterk op de gebruikte methodes;

  • Er wordt gebruik gemaakt van recente methodes;

  • Het accent van de lesactiviteiten ligt – conform de kerndoelen – op communicatief handelen (spreken en luisteren) en het lezen van eenvoudige teksten;

  • Leerlingresultaten worden bijgehouden maar er vindt beperkte overdracht naar het voortgezet onderwijs plaats.

3. Leerkrachten Engels

Vrijwel alle Pabo’s hebben aandacht voor Engels in hun onderwijs; de manier waarop zij dit doen varieert. Driekwart van de leerkrachten op de basisschool geeft aan dat zij, wat zij geleerd hebben op de Pabo, van weinig toegevoegde waarde achten voor hun eigen kennis van het Engels. Toch blijkt ook uit het onderzoek dat zij zich voldoende toegerust voelen om Engels te geven. Wel geven zij aan onvoldoende te kunnen inspelen op het grote verschil in niveau tussen leerlingen. Er wordt weinig gebruik gemaakt van nascholing. Leerkrachten die zich nascholen, zitten vooral op scholen die eerder dan groep 7 beginnen met het geven van Engels. Zij beoordelen deze nascholing als positief.

Tot slot geven leerkrachten aan dat zij Engels belangrijk vinden voor de ontwikkeling van hun leerlingen. Zij zijn veelal enthousiast over het vak en zien dit ook terug bij hun leerlingen.

Reactie

Ik vind het belangrijk dat basisscholen hun leerlingen goed voorbereiden op de steeds internationaler wordende samenleving. Door aan scholen te vragen om serieuzer met Engels om te gaan, investeren we in de huidige generatie leerlingen.

Op basis van het rapport van de SLO constateer ik echter dat er, zoals ik tijdens het Algemeen Overleg over «Basis voor Presteren» ook al heb aangegeven, grote variatie is als het gaat om de tijdsbesteding aan Engels, dat er weinig getoetst wordt, de overdracht naar het voortgezet onderwijs niet structureel plaatsvindt en dat de aandacht voor Engels op de Pabo’s sterk varieert.

In dit licht heb ik dan ook aan uw Kamer toegezegd om in het najaar van 2012 een plan van aanpak voor te leggen hoe het vak Engels op termijn als onderdeel opgenomen kan worden in de centrale eindtoets. Het plan van aanpak omvat naast de acties die nodig zijn om dit zorgvuldig te doen, ook een uitgewerkt tijd- en invoeringspad. Dit plan van aanpak is mede gebaseerd op de uitkomsten van het wetenschappelijk onderzoek en de pilots.

De acties in het plan van aanpak hebben onder andere betrekking op het verbeteren van de kwaliteit van Engels in basisonderwijs (zoals de aansluiting met het voortgezet onderwijs en het opstellen van referentieniveaus Engels).

Als onderdeel van de acties zal ik ook samen met de staatssecretaris bekijken wat er nodig is voor de verdere professionalisering en nascholing van leerkrachten basisonderwijs ten aanzien van Engels.

Ik vertrouw erop dat er op basis van het plan van aanpak, dat ik u in het najaar van 2012 zal voorleggen, op zorgvuldige en verantwoorde manier stappen gezet kunnen worden die nodig zijn om Engels een steviger basis te geven in het Nederlandse onderwijs.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

J. M. van Bijsterveldt-Vliegenthart


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

X Noot
2

Vergaderjaar 2009–2010, kamerstuk 31 288, nr. 85.

X Noot
2

Dit geldt voor EIBOscholen en scholen die met Engels starten in de middenbouw. De gemiddelde lestijd van vvtoscholen varieert sterk, namelijk van 15 minuten in de onderbouw tot 45 of meer minuten in de bovenbouw.