Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201231289 nr. 128

31 289 Voortgezet Onderwijs

Nr. 128 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 juni 2012

In het kader van de invoering referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen zijn in het voorjaar van 2012 onder regie van het College voor Examens (CvE) pilots uitgevoerd. In deze pilots is ervaring opgedaan met de rekentoets in het voortgezet onderwijs (vo) en de centrale examens taal en rekenen in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo). In deze brief stel ik u op de hoogte van de eerste leerlingresultaten en de wijze waarop ik deze resultaten benut voor mijn beleid richting de definitieve invoering van de rekentoets vo en de examens mbo.

Achtergrond pilots vo en mbo

De Wet Referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen, die vanaf 1 augustus 2010 van kracht is, legt de basis voor een versterking van het taal- en rekenonderwijs in het primair onderwijs, speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs. Om de benodigde extra aandacht voor taal en rekenen in vo en mbo te faciliteren, hebben scholen vanaf 2008 (vo) en 2010 (mbo) aanvullende middelen ontvangen. Over enkele jaren moeten leerlingen aantonen dat ze over het vereiste referentieniveau beschikken. Voor vo gebeurt dit aan de hand van de eindexamens Nederlands en een rekentoets die ingevoerd wordt vanaf schooljaar 2013–2014. Voor het mbo gebeurt dit aan de hand van de centrale examens taal en rekenen die speciaal voor dit doel in het mbo worden ingevoerd (vanaf 2013–2014 voor mbo-4 studenten en vanaf 2014–2015 voor studenten van mbo-2 en mbo-3).

Hieraan voorafgaand vindt een pilotfase plaats. Deze pilotfase geeft scholen de gelegenheid om het taal- en rekenonderwijs te intensiveren gericht op het behalen van de vereiste referentieniveaus. Ook is de pilotfase nodig om ervoor te zorgen dat de toetsing ervan met de rekentoets en centrale examens mbo, vooraf in de praktijk is beproefd. In de schooljaren 2011–2012 en 2012–2013 voert het College voor Examens daarom verschillende pilots uit gericht op het testen van de inhoud, techniek en organisatie van de toetsing.

Leerlingresultaten pilots voorjaar 2012

Dit voorjaar hebben de eerste pilots plaatsgevonden van de rekentoets vo en de centrale examens taal en rekenen in het mbo. Ik heb geconstateerd dat de voorbereiding door scholen serieus wordt opgepakt. Scholen blijken zich in groten getale te hebben aangemeld voor deelname aan deze pilots. Zo heeft in het voortgezet onderwijs ruim een derde van de scholen deelgenomen. In het mbo hebben vrijwel alle bekostigde instellingen en een tiental niet-bekostigde instellingen deelgenomen. Er zijn in het vo zo’n 50 000 afnames gerealiseerd, in het mbo betrof het zo’n 30 000. Indien u hebt deelgenomen, hebt u de resultaten van uw leerlingen reeds ontvangen. Hoewel het College voor Examens nog bezig is met het evalueren van de ervaringen ten behoeve van vervolgstappen, vind ik het belangrijk u alvast te informeren over het landelijk beeld van de leerlingprestaties op de pilots en mijn aanpak voor het vervolg.

De resultaten geven een beeld van de beheersing van de referentieniveaus rekenen van de huidige leerlingen in de eindexamenklassen vo en de beheersing van de referentieniveaus taal en rekenen van de tweede helft van de opleiding mbo. De cijfers laten zien dat vooral de rekenprestaties voor sommige schoolsoorten nog stevig tekort lijken te schieten. Ook de taalvaardigheid behoeft op onderdelen zeker verbeteringen. Enige voorzichtigheid bij de interpretatie van de cijfers is geboden. Het CvE heeft de pilotfase nodig om te onderzoeken wat de juiste operationalisering van de referentieniveaus is in een centraal ontwikkeld(e) examen of toets. De uitkomsten van de verschillende pilotafnames worden hierbij betrokken.

Daarnaast spelen factoren een rol die te maken hebben met het implementatieproces. Zo hebben zich bij de afname van de digitale examens storingen in de examensoftware voorgedaan, met name bij het digitale rekenexamen van het mbo. Verder is het de vraag of deze leerlingresultaten al een goede voorspeller zijn van de prestaties bij het eindexamen in 2014. Uit de begeleidende enquêtes die bij de pilots zijn afgenomen, blijkt namelijk dat een deel dat de leerlingen nog geen rekenonderwijs hebben ontvangen dat voorbereidt op deze toets. Daarnaast blijkt uit de pilots vo dat naast de beoogde leerlingen in de examenklassen ook andere leerlingen te hebben meegedaan. Ten slotte is het aannemelijk dat leerlingen beter hun best doen wanneer de toets daadwerkelijk deel uit maakt van hun eindexamen.

Pilot rekentoets vo. maart 2012
 

2F vmbo-bb

2F vmbo-kb

2F vmbo-tl

3F Havo

3F Vwo

Gemiddelde cijfer

4,3

5,4

6,4

4,9

6,7

Percentage onvoldoendes

84%

56%

28%

72%

32%

Pilot centrale examens Nederlandse taal en rekenen mbo, jan/febr 2012

Nederlandse taal

2F mbo-2

2F mbo-3

3F mbo-4

Gemiddelde cijfer

5,8

6,8

5,9

Percentage onvoldoendes

39%

15%

38%

Rekenen

2F mbo-2

2F mbo-3

3F mbo-4

Gemiddelde cijfer

4,7

5,9

3,6

Percentage onvoldoendes

65%

43%

83%

Vervolgstappen

Bovenstaande laat onverlet dat in de aanloop naar de opname van de referentieniveaus in de eindexamens van 2014 deze resultaten in het algemeen nog niet bevredigend te noemen zijn. De uitkomsten van deze pilots bevestigen de noodzaak het taal- en rekenbeleid met kracht voort te zetten. Ik ga ervan uit dat deze leerlingresultaten voor scholen aanleiding zijn om (verdere) gerichte maatregelen te nemen ter versterking van het taal- en rekenonderwijs.

Ik heb er begrip voor dat deze leerlingresultaten leiden tot zorgen over de haalbaarheid van de invoering volgens de planning. Ik zal dan ook een zorgvuldige afweging maken in de te nemen vervolgstappen. In het najaar van 2012 neem ik hierover een besluit. Dan komen namelijk de overige onderzoeksresultaten beschikbaar die voor de vervolgstappen van belang zijn:

  • de ijking van het centraal examen Nederlands vo aan de referentieniveaus;

  • de analyse van de ervaringen met de logistiek, ict en organisatie van de digitale afnames in de pilots;

  • de ervaringen met de toetsing bij leerlingen met dyscalculie en

  • de inventarisatie van de huidige activiteiten van de scholen in alle onderwijssectoren gericht op implementatie van de referentieniveaus.

Ik informeer u over mijn vervolgstappen in de jaarlijkse voortgangsrapportage over de implementatie van het referentiekader die u in het najaar van 2012 ontvangt.

Uit de pilots blijkt dat per vmbo-leerweg of mbo-niveau het vaardigheidsniveau van de leerlingen in beheersing van taal- en rekenvaardigheden behoorlijk van elkaar verschilt. Deze leerlingresultaten vormen daarmee een bevestiging van de resultaten van eerdere Cito-metingen. Ik vind het van belang dat de toetsen gebaseerd op het referentieniveau 2F goed afgestemd zijn op de doelgroep. Ook door het scholenveld wordt vaak gewezen op de wenselijkheid van een specifiek onderscheid tussen de verschillende leerwegen in het vmbo. Ik overweeg daarom te differentiëren binnen het niveau 2F. Ik vraag het CvE om mij bij zijn advies voor de vervolgstappen de mogelijkheden voor deze differentiatie bij vmbo en mbo te geven.

Tot slot

Met de uitvoering van de pilots in dit voorjaar is weer een nieuwe stap in het implementatieproces gezet. Hoewel de pilots van 2012 nog maar een tussentijdse meting betreft en de resultaten met de nodige voorzichtigheid moeten worden geduid, is duidelijk dat in vo en mbo de komende jaren een krachtige intensivering van het taal- en rekenonderwijs noodzakelijk blijft. Het gaat om een inhaalslag, die alleen kan worden gerealiseerd met een gezamenlijke aanpak in de onderwijssectoren po, so, vo en mbo. Een dergelijke duurzame prestatieverbetering vraagt een lange adem, een zorgvuldig invoeringsproces en een blijvende beleidsprioriteit.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, J. M. van Bijsterveldt-Vliegenthart