31 288 Hoger Onderwijs-, Onderzoek- en Wetenschapsbeleid

25 295 Infectieziektenbestrijding

Nr. 848 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 23 juni 2020

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de brief van 19 maart 2020 inzake het Besluit van ... tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008, houdende de aanpassing van de kwaliteitsbekostiging over het jaar 2021 in verband met de uitbraak van COVID-191 (Kamerstuk 31 288, nr. 844).

De vragen en opmerkingen zijn op 16 juni 2020 aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Bij brief van 23 juni 2020 zijn de vragen beantwoord.

De voorzitter van de commissie, Tellegen

De adjunct-griffier van de commissie, Verouden

I Vragen en opmerkingen uit de fracties

Inbreng van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het besluit van ... tot wijziging van het uitvoeringsbesluit WHW 2008, houdende de aanpassing van de kwaliteitsbekostiging over het jaar 2021 in verband met de uitbraak van COVID-19. Hoewel deze leden begrip hebben dat het beleid door de coronacrisis niet op alle punten volledig door kan gaan, maken de leden zich wel zorgen of de studievoorschotmiddelen door de verschillende instellingen wel op een adequate wijze worden besteed. Daarom hebben zij over het uitvoeringbesluit nog een aantal vragen.

Deze leden lezen in het uitvoeringsbesluit dat van 2018 tot 2020 de studievoorschotmiddelen nog aan de regulier rijksbijdrage werden toegevoegd, maar dat vanaf 2021 deze middelen de kwaliteitsbekostiging zouden gaan vormen. Kan de Minister deze systematiek nader onderbouwen? Klopt het dat het specifieke bedrag dat een instelling krijgt niet afhangt van of er een goedgekeurd plan is en dus in beide gevallen van gelijke hoogte is? Waarom is hiervoor gekozen? Kan de Minister nogmaals ingaan op waarom er destijds voor is gekozen om na twee jaar de bekostiging via de kwaliteitsbekostiging te laten verlopen? Zat hierin niet de prikkel voor instellingen om met een gedegen plan te komen om de vrijgekomen gelden door het studievoorschotstelsel te investeren in de verbetering van het onderwijskwaliteit? Welke prikkel hebben deze instellingen om dat alsnog te doen, aangezien ze wederom de studievoorschotmiddelen krijgen via de reguliere rijksbijdrage? Is de Minister het met deze leden eens dat studenten recht hebben op een adequate besteding van de studievoorschotmiddelen? Is de Minister eveneens van mening dat het uitvoeren van de kwaliteitsafspraken de beste manier is om te voldoen aan een adequate besteding van de studievoorschotmiddelen? Deelt de Minister de opvatting van deze leden dat, uitgaande van de belangrijke kwaliteitsafspraken, op instellingen zonder goedgekeurd plan de adequate besteding van de middelen aan kwaliteit valt te betwijfelen. Hoe rechtvaardigt de Minister dit? Wat is het verhaal van de Minister naar studenten en medezeggenschappers aan deze instellingen? Op welke manier wordt voor de betreffende studenten op dit moment inzichtelijk gemaakt wat voor kwaliteit deze studenten hadden mogen verwachten op instellingen met een afgekeurd plan en wat daarvan nu, en nog een jaar langer, niet is waargemaakt?

Voornoemde leden lezen dat er sprake is van 19 instellingen die nog niet voldoen aan de eis voor een positieve beoordeling van hun plan rondom de kwaliteitsafspraken. Op rijksoverheid.nl1 staan echter maar tien instellingen die niet voldoen, een universiteit en negen hogescholen. Kan de Minister een verduidelijking geven welke instellingen momenteel nog geen goedgekeurd plan hebben rondom de kwaliteitsafspraken?

Deze leden hebben kennisgenomen dat bijna alle universiteiten in Nederland een positief plan hebben ingeleverd over de kwaliteitsafspraken, behalve Tilburg University. Uit het rapport van de NVAO2 blijkt dat Tilburg University op alle drie de criteria niet voldoet aan de eisen die gesteld worden om op een adequate manier de gelden uit de studievoorschotmiddelen te besteden. Staat de Minister nog steeds achter dit negatieve advies? Zo ja, waarom is de Minister dan van mening dat het uitkeren van deze gelden gegrond is, aangezien er niet gecontroleerd kan worden wat Tilburg University met dit geld gaat doen? Hoe weten we achteraf dat dit geld daadwerkelijk besteed wordt aan het verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs?

De aan het woord zijnde leden zien dat het beeld bij de hogescholen heel anders is, in tegenstelling tot de universiteiten. Hoe verklaart de Minister dit? Kan de Minister toelichten hoeveel hogescholen nu in totaal niet aan de kwaliteitsafspraken voldoen? Hoeveel hebben een afgekeurd plan? Hoeveel hebben er nog geen plan? Welke stappen heeft de Minister richting deze laatste groep instellingen gezet om hen ook tijdig tot een goedgekeurd plan aan te moedigen? Acht de Minister het aannemelijk dat deze instellingen zonder COVID-19 wel tijdig een goedgekeurd plannen zouden hebben gehad? Zo ja, waarop baseert zij dit? Zoals het nu lijkt voldoen er maar liefst negen hogescholen niet aan de afspraken die gaan over het adequaat besteden van de studievoorschotmiddelen. Dit betreft Hogeschool Utrecht, Gerrit Rietveld Academie, Hogeschool Viaa, Hogeschool van Amsterdam, Hogeschool Rotterdam, Hotelschool The Hague, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, Breda University of Applied Sciences en de Hogeschool van Hall Larenstein. Klopt dit, of zijn er nog meer instellingen waar dit voor geldt? Wat betekent dit concreet voor de studenten van deze instellingen? Profiteren zij momenteel dus nog niet van de extra gelden die vrij zijn gekomen door het invoeren van het studievoorschot? Betekent dit eveneens dat een student aan een hogeschool die wel een reeds goedgekeurd plan heeft dus wel kan profiteren van deze gelden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld een student aan de Hogeschool van Amsterdam? Hoe rechtvaardigt de Minister dat? Is de Minister het met deze leden eens dat dit ook iets zegt over de geleverde kwaliteit uit voorgaande jaren? Welke stappen zijn in dat kader mogelijk richting de instellingen die de door hun ontvangen middelen onvoldoende kunnen linken aan een kwaliteitsverbetering? Is de Minister tevreden met het feit dat maar liefst negen hogescholen nog niet voldoen aan de eisen? Welke maatregelen gaat de Minister treffen om deze scholen zo snel mogelijk een goedgekeurd plan te laten krijgen? Is de Minister het eens met deze leden dat om de druk op de ketel te houden en de bestuurders van deze instellingen een incentive te geven om zo snel mogelijk met een goedgekeurd plan te komen, het uitkeren van de gelden pas zou moeten plaatsvinden nadat zij over een goedgekeurd plan beschikken? Zo nee, kan de Minister dit nader toelichten? Welke waarborgen voor kwaliteit bouwt de Minister nu in?

Voornoemde leden lezen in het uitvoeringsbesluit dat de Minister stelt dat instellingen momenteel door COVID-19 andere prioriteiten hebben, zoals het vormgeven van goed digitaal onderwijs. De leden hebben begrip voor het feit dat ook van instellingen momenteel veel wordt gevraagd. Is er een mogelijkheid om ook de studievoorschotmiddelen te gebruiken om digitaal onderwijs op een goede manier vorm te geven zodat studenten het beste onderwijs krijgen dat mogelijk is in de huidige omstandigheden, zo vragen de leden.

Deze leden lezen dat de oordeelvorming van de NVAO ook digitaal zal plaatsvinden. Is door de huidige versoepeling ook weer locatiebezoek mogelijk? Zo ja, vindt de Minister deze reden dan momenteel nog gegrond?

Deze leden lezen dat momenteel voor circa 150 miljoen euro bekostiging nog onduidelijkheid is. Stel dat de Minister voor het aankomende jaar de bekostiging alsnog via de reguliere bekostiging uitkeert, ook aan de instellingen die momenteel nog geen goedgekeurd kwaliteitsplan hebben, op welke manier gaat de Minister dan het jaar daarop controleren of het geld daadwerkelijk terecht is gekomen bij het verbeteren van het onderwijs? Stel dat bijvoorbeeld Tilburg University ook in 2021 niet voldoet aan de kwaliteitsafspraken, kan de Minister het geld over het jaar 2021 dan terugvorderen? Zo ja, gaat de Minister dat dan ook doen? Zo nee, waarom niet? In hoeverre krijgt een instelling ook in 2022 nog een jaar respijt voor het alsnog goedgekeurd krijgen van een plan? Is de Minister het met deze leden eens dat als achteraf blijkt dat instellingen het geld niet besteed hebben aan het verbeteren van het onderwijs, dat zij hier dan ook helemaal geen recht op hebben en dat het geld dan dient te worden teruggevorderd? Deze leden ontvangen graag een uitleg.

Voornoemde leden vragen op welke manier de Minister dit uitvoeringsbesluit heeft geconsulteerd bij instellingen en de VSNU3 en VH4? Hoe kijken de instellingen met een reeds goedgekeurd plan naar dit besluit? Zijn die instellingen niet bang dat andere instellingen het geld niet op een adequate wijze besteden?

Deze leden lezen onder kopje vier, gevolgen, dat de Minister van mening is dat met het wijzigen van het besluit er geen ander effect verwacht wordt op de bestaande doestellingen van de kwaliteitsbekostiging. De leden vinden dit een vreemde constatering, omdat er nu nogmaals geld wordt uitgekeerd aan instellingen zonder een goedgekeurd plan. Betekent dit dat het eigenlijk niet uitmaakt of een instelling een goedgekeurd plan heeft of niet? Aangezien er dan toch wel voldaan wordt aan de «bestaande doelstellingen»? Wat gebeurt er als instellingen desalniettemin niet voldoen aan de bestaande doelstellingen? Wordt het geld dan alsnog teruggevorderd? Verworden de kwaliteitsafspraken zo niet tot een bureaucratische exercitie zonder gevolgen, waarvan juist de goedwillende instellingen de dupe zijn. Zouden we hen bijvoorbeeld dan financieel juist niet meer studievoorschotmiddelen moeten uitkeren?

Deze leden onderstrepen nogmaals hun begrip voor de huidige situatie, zowel voor studenten, instellingen als de NVAO. Toch vragen zij de Minister wat ze gaat doen als de huidige instellingen zonder een goedgekeurd plan in 2021 alsnog niet over een goedgekeurd plan beschikken. Is de Minister dan niet van mening dat het geld teruggevorderd moet worden? Zo nee, kan de Minister dit uitleggen? Op welke manier gaat zij dan de studenten van deze instellingen compenseren, aangezien zij niet hebben kunnen profiteren van de vrijgekomen middelen door het studievoorschot, zo vragen deze leden.

Inbreng van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het besluit tot wijziging van het uitvoeringsbesluit WHW 2008 in verband met de uitbraak van COVID-19. Voornoemde leden kunnen het voorstel van de Minister volgen vanwege de unieke omstandigheden waarin onderwijsinstellingen zich bevinden. Deze leden hebben geen vragen naar aanleiding van het besluit.

Inbreng van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het Besluit tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008, houdende de aanpassing van de kwaliteitsbekostiging over het jaar 2021 in verband met de uitbraak van COVID-19. Zij waarderen de wijze waarop docenten en medewerkers op hogescholen en universiteiten alles in het werk stellen om het onderwijs zoveel mogelijk doorgang te laten vinden. Zij hebben dan ook begrip om de kwaliteitsbekostiging voor 2021 toe te kennen en gebruiken deze gelegenheid om de Minister nog enkele vragen voorleggen.

Deze leden constateren dat nu er uitstel van de planbeoordeling noodzakelijk is, er voor een deel van de instellingen weinig tijd gaat zijn tussen de planbeoordeling en de beoordeling van de realisatie in 2022. Deze leden hechten eraan te benadrukken dat de kwaliteitsafspraken een ander doel en andere opzet hebben dan de prestatieafspraken. Kan de Minister toelichten wat zij met de beoordeling van de realisatie beoogt te bereiken? Zijn er, indien dat nodig blijkt te zijn, alternatieven voor de beoordeling van de realisatie in 2022 om die doelstellingen te bereiken?

Voornoemde leden constateren dat aanvankelijk was afgesproken dat de NVAO in 2020 een «onafhankelijk landelijk beeld» zou opstellen van de keuzes die in de sector zijn gemaakt en hoe het proces in de instellingen is verlopen. Deze leden vragen de Minister op welke termijn zij verwacht een landelijk beeld aan de Kamer aan te bieden.

Inbreng van de leden van de GroenLinks-fractie

De leden van de GroenLinks-fractie vernemen dat de Minister voornemens is om de gelden uit de studievoorschotmiddelen wederom aan de reguliere rijksbijdrage toe te voegen. Hoewel deze leden erkennen dat het COVID-19 virus processen kan vertragen, betreuren voornoemde leden dat de Minister zich noodzakelijk ziet dit besluit te nemen. Deze leden benadrukken dat onderwijsinstellingen de plannen voor de studievoorschotmiddelen al gereed zouden moeten hebben en vragen of de Minister in hoofdlijnen met de Kamer kan delen wat de oorzaken zijn van de negatieve beoordelingen door de NVAO van zeventien instellingen.

De Minister beargumenteert dit besluit mede door te stellen dat onderwijsinstellingen geconfronteerd worden door «financiële onzekerheden». Kan de Minister deze financiële onzekerheden met de Kamer delen en toelichten welke maatregelen de Minister neemt om deze onzekerheden te verzachten, zo vragen deze leden.

Inbreng van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het Besluit tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008, houdende de aanpassing van de kwaliteitsbekostiging over het jaar 2021 in verband met de uitbraak van COVID-19. De leden hebben begrip voor het besluit om de kwaliteitsbekostiging over het jaar 2021 toe te kennen gezien de situatie. Zij hebben hierover nog wel twee vragen.

Nog niet alle beoordelingen van de plannen voor de kwaliteitsafspraken zijn afgerond. Dit geeft financiële onzekerheid voor instellingen. Deze leden staan achter het besluit om de bedragen in 2021 toe te kennen, maar zouden graag zien dat instellingen hun kwaliteitsplan herzien in het geval deze nog niet is goedgekeurd. Tevens vinden deze leden het belangrijk dat de medezeggenschap op correcte wijze wordt meegenomen in het herzien van de plannen en het monitoren van de kwaliteitsgelden. Op welke wijze gaat de Minister hiervoor zorg dragen?

Voornoemde leden wijzen erop dat instellingen in de jaren 2020 en 2021 hoogstwaarschijnlijk extra kosten zullen maken vanwege noodzakelijke aanpassingen aan de onderwijswerkelijkheid door COVID-19, bijvoorbeeld door les te geven in kleinere groepen. De leden vragen hoe voorkomen kan worden dat de middelen voor kwaliteitsverbeteringen in deze periode worden gebruikt om financiële gaten te vullen die ontstaan door COVID-19.

II Reactie van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Inbreng van de leden van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het besluit van ... tot wijziging van het uitvoeringsbesluit WHW 2008, houdende de aanpassing van de kwaliteitsbekostiging over het jaar 2021 in verband met de uitbraak van COVID-19. Hoewel deze leden begrip hebben dat het beleid door de coronacrisis niet op alle punten volledig door kan gaan, maken de leden zich wel zorgen of de studievoorschotmiddelen door de verschillende instellingen wel op een adequate wijze worden besteed. Daarom hebben zij over het uitvoeringbesluit nog een aantal vragen.

Deze leden lezen in het uitvoeringsbesluit dat van 2018 tot 2020 de studievoorschotmiddelen nog aan de regulier rijksbijdrage werden toegevoegd, maar dat vanaf 2021 deze middelen de kwaliteitsbekostiging zouden gaan vormen. Kan de Minister deze systematiek nader onderbouwen?

In april 2018 heb ik met de VSNU, VH en studentenorganisaties het akkoord «Investeren in onderwijskwaliteit – kwaliteitsafspraken 2019–2024» gesloten over de vormgeving van de kwaliteitsafspraken in het hoger onderwijs.5 In het akkoord is afgesproken dat elke instelling een plan maakt voor de periode 2019 tot en met 2024 waarin zij beschrijft welke kwaliteitsverbetering van het onderwijs zij met de studievoorschotmiddelen wil bereiken in 2024. In het akkoord is tevens afgesproken dat de instelling in haar plan formuleert welke voortgang zij in 2021 wil hebben geboekt met de verwezenlijking van haar voornemens. De plannen hebben dus een looptijd van 2019 tot en met 2024. Over deze plannen adviseert de NVAO en besluit de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Voor het opstellen en beoordelen van de plannen is tijd nodig. Daarbij is er om verzwaring van toezichtslasten in het hoger onderwijs zo veel mogelijk te beperken gekozen voor aansluiting bij de beoordelingscyclus van de instellingstoets kwaliteitszorg (ITK), waardoor de beoordeling van de plannen is uitgesmeerd over de periode 2019–2020. Omdat alle universiteiten en hogescholen het akkoord voor de kwaliteitsafspraken hebben onderschreven, en dus de intentie hebben om goede plannen te maken, en wetende dat de beoordeling tijd kost, hebben universiteiten en hogescholen de studievoorschotmiddelen in 2019 en 2020 ontvangen zonder voorwaarden. Vanaf 2021 zouden de studievoorschotmiddelen in de vorm van kwaliteitsbekostiging worden uitgekeerd op basis van de goedgekeurde plannen.

Klopt het dat het specifieke bedrag dat een instelling krijgt niet afhangt van of er een goedgekeurd plan is en dus in beide gevallen van gelijke hoogte is? Waarom is hiervoor gekozen?

De berekeningssystematiek voor de verdeling van de studievoorschotmiddelen is in goed overleg met de koepels VH en VSNU en de studentenbonden vastgesteld in de Sectorakkoorden en is in de jaren 2019 tot en met 2024 gelijk. Bij de hogescholen worden de middelen verdeeld naar rato van het aandeel van een hogeschool in de studentgebonden financiering en de onderwijsopslag in percentages in een jaar. Voor universiteiten worden de middelen verdeeld naar rato van het aandeel van een universiteit in de studentgebonden financiering in een jaar. Het specifieke bedrag dat een instelling krijgt voor de jaren 2019, 2020 en 2021 is dus inderdaad niet afhankelijk van of er een goedgekeurd plan is.

Kan de Minister nogmaals ingaan op waarom er destijds voor is gekozen om na twee jaar de bekostiging via de kwaliteitsbekostiging te laten verlopen?

Het akkoord over de kwaliteitsafspraken is door alle hogescholen en universiteiten onderschreven. Dit gaf het vertrouwen dat alle instellingen een plan zouden maken dat voldoet aan de afgesproken vereisten. Daarom is afgesproken dat gedurende het proces van beoordeling van de plannen in 2019 en 2020, de studievoorschotmiddelen werden toegevoegd aan de reguliere rijksbijdrage. Die investeringen in 2019 en 2020 in het verbeteren van de kwaliteit van het hoger onderwijs worden ook beoordeeld door de NVAO bij de aanvraag en bij de beoordeling van de planrealisatie.

Zat hierin niet de prikkel voor instellingen om met een gedegen plan te komen om de vrijgekomen gelden door het studievoorschotstelsel te investeren in de verbetering van het onderwijskwaliteit? Welke prikkel hebben deze instellingen om dat alsnog te doen, aangezien ze wederom de studievoorschotmiddelen krijgen via de reguliere rijksbijdrage?

Een eerste belangrijk uitgangspunt bij kwaliteitsafspraken in het hoger onderwijs is het vertrouwen in de universiteiten en hogescholen, dat zij op basis van de afspraken die in april 2018 zijn gemaakt tot goede plannen komen. Bij het maken van deze afspraken waren ook het ISO en de LSVb partij. De kwaliteitsafspraken gaan uit van eigen keuzes van individuele instellingen op basis van een horizontale dialoog tussen het bestuur, docenten, studenten en externe belanghebbenden. Hierin hebben de medezeggenschap en de Raad van Toezicht een belangrijke rol. Tevens zijn externe waarborgen ingebouwd zodat de beoordeling van de plannen, herstelbeoordelingen en realisatiebeoordelingen onafhankelijk plaats kunnen vinden.

Met voorliggende wijziging zijn de kwaliteitsafspraken nog altijd niet vrijblijvend.

Wanneer instellingen bij zowel de plan- als de herstelbeoordeling een onvoldoende resultaat halen, is er ook na wijziging van de algemene maatregel van bestuur (hierna: amvb) een financiële consequentie. Deze instellingen ontvangen bij een negatief besluit op het plan geen studievoorschotmiddelen over 2022, 2023 en 2024. Instellingen die eind 2021 onvoldoende voortgang op hun voornemens hebben gerealiseerd, ontvangen de oploop in studievoorschotmiddelen tussen 2023 en 2024 niet. Instellingen nemen de kwaliteitsafspraken serieus, zij zijn immers ook gedreven om de kwaliteit van het hoger onderwijs verder te verbeteren. Het gaat daarnaast voor instellingen om veel geld, dat zij vaak al vastgelegd hebben door het doen van voorinvesteringen en investeringen met de studievoorschotmiddelen in 2019 en 2020.

Is de Minister het met deze leden eens dat studenten recht hebben op een adequate besteding van de studievoorschotmiddelen? Is de Minister eveneens van mening dat het uitvoeren van de kwaliteitsafspraken de beste manier is om te voldoen aan een adequate besteding van de studievoorschotmiddelen?

Ja, studenten hebben rechten op een adequate besteding van de studievoorschotmiddelen. Deze adequate besteding van de studievoorschotmiddelen is geborgd door de kwaliteitsafspraken. De universiteiten en hogescholen nemen de kwaliteitsafspraken serieus en de plannen en de realisatie van deze plannen worden gedegen beoordeeld. Het ISO en de LSVb zijn ook nu betrokken geweest bij het nemen van deze maatregel. De medezeggenschap dient goed betrokken te worden bij het opstellen van de plannen. Dat is ook iets wat tot op heden serieus door alle partijen is opgepakt. Ook bij de herstelbeoordelingen zal de NVAO hier op toetsen.

Deelt de Minister de opvatting van deze leden dat, uitgaande van de belangrijke kwaliteitsafspraken, op instellingen zonder goedgekeurd plan de adequate besteding van de middelen aan kwaliteit valt te betwijfelen. Hoe rechtvaardigt de Minister dit?

Nee, deze opvatting deel ik niet. De beoordelingen en herstelbeoordelingen zijn nog gaande. Er zijn dan ook nog geen plannen definitief afgewezen. Instellingen met een negatief besluit in de eerste ronde weten waar de verbeterpunten liggen voor hun plannen. Uit de gesprekken die ik met instellingen heb gevoerd, blijkt ook dat instellingen deze verbeterpunten serieus ter hand nemen.

Wat is het verhaal van de Minister naar studenten en medezeggenschappers aan deze instellingen? Op welke manier wordt voor de betreffende studenten op dit moment inzichtelijk gemaakt wat voor kwaliteit deze studenten hadden mogen verwachten op instellingen met een afgekeurd plan en wat daarvan nu, en nog een jaar langer, niet is waargemaakt?

De betrokkenheid van de medezeggenschap en studenten is een belangrijk aspect van het van de kwaliteitsafspraken. Niets voor niets zijn bij de totstandkoming van de kwaliteitsafspraken, maar ook bij voorliggende wijziging studentenorganisaties ISO en LSVb betrokken geweest. In de uitwerking van de plannen van hogescholen en universiteiten dient de medezeggenschap betrokken te worden, de medezeggenschap krijgt ook instemmingsrecht op de plannen. Jaarlijks heeft de medezeggenschap instemmingsrecht op de besteding van de studievoorschotmiddelen, omdat de middelen onderdeel zijn van de hoofdlijnen van de begroting. Tegen studenten en medezeggenschappers op instellingen waar de plannen nog niet voldoende zijn bevonden zeg ik dat zij een belangrijke rol hebben in dit proces. De instellingen zullen hun herstelde plan opnieuw voorleggen aan de medezeggenschap. Dat een plan (deels) is afgewezen betekent overigens niet dat de instellingen nog niet gestart zijn met het verbeteren van de kwaliteit van het hoger onderwijs. Instellingen dienen ook jaarlijks, al vanaf 2019, verantwoording af te leggen over de voortgang van de realisatie van de plannen én het proces dat is gevolgd, waarbij afspraken met de medezeggenschap over de besteding van de studievoorschotmiddelen terugkomen.6 De medezeggenschap wordt ook in de gelegenheid gesteld om jaarlijks te reflecteren op de stand van zaken en het proces in een bijlage van het jaarverslag. De NVAO zal bij de realisatiebeoordeling in 2022 zich ook mede baseren op deze reflectie voor haar oordeel.

Voornoemde leden lezen dat er sprake is van 19 instellingen die nog niet voldoen aan de eis voor een positieve beoordeling van hun plan rondom de kwaliteitsafspraken. Op rijksoverheid.nl7 staan echter maar tien instellingen die niet voldoen, een universiteit en negen hogescholen. Kan de Minister een verduidelijking geven welke instellingen momenteel nog geen goedgekeurd plan hebben rondom de kwaliteitsafspraken?

Op rijksoverheid.nl zijn de besluiten over de planbeoordelingen gepubliceerd waarbij de bezwaartermijn is verstreken. De overige besluiten zijn nog niet definitief en worden gepubliceerd zodra deze besluiten wel definitief zijn. Hieronder volgt een actueel overzicht over de status van de besluiten over de planbeoordelingen.

Besluiten

Aantal

Positief

35

Negatief

14

Bezwaar- en beroepstermijn loopt, nog geen publicatie

3

Nog geen besluit Minister, wel advies NVAO

2

Totaal

54

Deze leden hebben kennisgenomen dat bijna alle universiteiten in Nederland een positief plan hebben ingeleverd over de kwaliteitsafspraken, behalve Tilburg University. Uit het rapport van de NVAO8 blijkt dat Tilburg University op alle drie de criteria niet voldoet aan de eisen die gesteld worden om op een adequate manier de gelden uit de studievoorschotmiddelen te besteden. Staat de Minister nog steeds achter dit negatieve advies? Zo ja, waarom is de Minister dan van mening dat het uitkeren van deze gelden gegrond is, aangezien er niet gecontroleerd kan worden wat Tilburg University met dit geld gaat doen? Hoe weten we achteraf dat dit geld daadwerkelijk besteed wordt aan het verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs?

Voor de vragen van de VVD over de werking van het systeem van kwaliteitsafspraken, het uitkeren van de middelen in 2019 en 2020 zonder voorwaarden, en de verantwoording over de kwaliteitsafspraken, verwijs ik naar de hiervoor gegeven antwoorden. In de casus Tilburg University sta ik achter het besluit dat ik heb genomen. Deze universiteit heeft net als andere instellingen de mogelijkheid om een plan in te dienen voor een herstelbeoordeling. Voor alle instellingen geldt – ook met voorliggende wijziging om de kwaliteitsbekostiging één jaar later in te voeren – nog altijd een grote financiële consequentie indien het plan niet wordt goedgekeurd. Zoals beschreven in de nota van toelichting bij de onderhavige amvb is ervoor gekozen om de studievoorschotmiddelen over het jaar 2021 via de reguliere rijksbijdrage toe te kennen om instellingen in deze crisisperiode meer financiële zekerheid te bieden, zodat zij kunnen blijven investeren in de verbetering van de kwaliteit van het hoger onderwijs. Wanneer het plan wordt afgekeurd ontvangt een instelling de middelen in 2022, 2023 en 2024 niet. Dit gaat alsnog om grote bedragen voor instellingen. Instellingen nemen deze tweede kans dan ook serieus, de instellingen die een negatief besluit hebben ontvangen, hebben zich aangemeld voor een herstelbeoordeling. In 2022 wordt ook zoals gepland beoordeeld in hoeverre de instellingen voortgang hebben gemaakt en of zij de oploop in studievoorschotmiddelen tussen 2023 en 2024 ontvangen.

De aan het woord zijnde leden zien dat het beeld bij de hogescholen heel anders is, in tegenstelling tot de universiteiten. Hoe verklaart de Minister dit? Kan de Minister toelichten hoeveel hogescholen nu in totaal niet aan de kwaliteitsafspraken voldoen? Hoeveel hebben een afgekeurd plan? Hoeveel hebben er nog geen plan? Welke stappen heeft de Minister richting deze laatste groep instellingen gezet om hen ook tijdig tot een goedgekeurd plan aan te moedigen?

Uit bovenstaand overzicht blijkt dat 19 instellingen nog geen besluit hebben ontvangen op basis waarvan de financiële middelen voor de kwaliteitsbekostiging zijn toegekend. De NVAO is inmiddels gestart met de herstelbeoordelingen. In de communicatie is aandacht gevraagd om de aanbevelingen van het panel ter harte te nemen. Als de Raad van Toezicht en de medezeggenschap hebben ingestemd met het aangepaste plan, dan kunnen de stukken bij de NVAO worden ingediend. Inmiddels zijn de eerste herstelbeoordelingen in gang gezet. Het verschil tussen de hogescholen en de universiteiten moet nader worden bekeken. De verwachting is dat de NVAO hierop terugkomt in de schets van het landelijk beeld dat zij eind 2020/begin 2021 opstelt.

Acht de Minister het aannemelijk dat deze instellingen zonder COVID-19 wel tijdig een goedgekeurd plan zouden hebben gehad? Zo ja, waarop baseert zij dit?

Ja, ik acht het aannemelijk dat instellingen dan tijdig goedgekeurde plannen hadden gehad. Door de coronacrisis hebben instellingen hun prioriteiten moeten leggen bij het anders organiseren van het onderwijs. Daarnaast heeft ook de NVAO haar werkwijze anders moeten inrichten. Samen met studenten, hogescholen en universiteiten hebben we gekozen om in 2020 niet in te boeten aan de kwaliteit van de plannen van instellingen en de beoordeling daarvan.

Zoals het nu lijkt voldoen er maar liefst negen hogescholen niet aan de afspraken die gaan over het adequaat besteden van de studievoorschotmiddelen. Dit betreft Hogeschool Utrecht, Gerrit Rietveld Academie, Hogeschool Viaa, Hogeschool van Amsterdam, Hogeschool Rotterdam, Hotelschool The Hague, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, Breda University of Applied Sciences en de Hogeschool van Hall Larenstein. Klopt dit, of zijn er nog meer instellingen waar dit voor geldt?

Nog niet alle besluiten over de planbeoordelingen zijn gepubliceerd omdat de bezwaartermijnen die op deze besluiten rusten nog niet zijn verstreken. Er kunnen dan ook nog andere instellingen volgen die een herstelbeoordeling dienen te doorlopen. Zie ook de tabel hierboven.

Wat betekent dit concreet voor de studenten van deze instellingen? Profiteren zij momenteel dus nog niet van de extra gelden die vrij zijn gekomen door het invoeren van het studievoorschot? Betekent dit eveneens dat een student aan een hogeschool die wel een reeds goedgekeurd plan heeft dus wel kan profiteren van deze gelden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld een student aan de Hogeschool van Amsterdam? Hoe rechtvaardigt de Minister dat?

Door de onderhavige amvb waarmee de jaren waarin kwaliteitsbekostiging wordt verstrekt, worden aangepast, ontvangen alle instellingen de studievoorschotmiddelen over 2021 via de reguliere rijksbijdrage. Alle instellingen – ongeacht of hun plan reeds is goedgekeurd – zetten deze middelen in om de kwaliteit van het hoger onderwijs verder te verbeteren. Die verbeteringen zijn ook opgenomen in de plannen voor de kwaliteitsbekostiging. Door deze maatregelen kunnen dus alle studenten ook in het jaar 2021 profiteren van de studievoorschotmiddelen en kan de inzet op alle instellingen worden gecontinueerd. De NVAO blijft de plannen aan de voorkant beoordelen en zal tussentijds de voortgang beoordelen. Deze systematiek van de kwaliteitsafspraken verandert met onderhavige wijziging dan ook niet.

Is de Minister het met deze leden eens dat dit ook iets zegt over de geleverde kwaliteit uit voorgaande jaren? Welke stappen zijn in dat kader mogelijk richting de instellingen die de door hun ontvangen middelen onvoldoende kunnen linken aan een kwaliteitsverbetering?

Ik hecht er aan om nogmaals te benadrukken dat we deze afspraken zijn aangegaan op basis van vertrouwen in de hogescholen en universiteiten dat zij in samenspraak met interne en externe betrokken, en met instemming van de medezeggenschap en Raad van Toezicht, tot goede plannen komen om de kwaliteit van het hoger onderwijs te verbeteren. Met de voorgestelde wijziging wordt niet aan dit uitgangspunt getornd. De NVAO beoordeelt de plannen en de realisatie daarvan. Instellingen verantwoorden zich jaarlijks in hun jaarverslagen. Als blijkt dat instellingen onvoldoende plannen hebben of onvoldoende hun plannen hebben gerealiseerd, dan heeft dit gevolgen voor de bekostiging in de resterende jaren.

Is de Minister tevreden met het feit dat maar liefst negen hogescholen nog niet voldoen aan de eisen?

Alle partijen verbonden aan het akkoord over de kwaliteitsafspraken hadden graag gezien dat de plannen in één keer goed waren. Tegelijkertijd hebben we ook met elkaar afgesproken dat een scherpe beoordeling van de plannen noodzakelijk was, gezien de omvang van het budget en de belofte aan studenten om met de opbrengsten van het leenstelsel te investeren in de kwaliteit van het onderwijs. De mogelijkheid tot een herstelbeoordeling biedt ook de mogelijkheid om in alle scherpte deze beoordeling te doen, en voor instellingen om het plan aan te passen en het advies van de NVAO daarbij ter harte te nemen.

Welke maatregelen gaat de Minister treffen om deze scholen zo snel mogelijk een goedgekeurd plan te laten krijgen?

In principe heeft de instelling een jaar na mijn besluit de tijd om een nieuw plan in te dienen. De beoordeling van het initiële plan geeft de instelling concrete handvatten hiervoor. De NVAO zal in overleg met de instelling een afspraak maken voor de herstelbeoordeling. Afhankelijk van wanneer de instellingen hun plannen kunnen indienen en de NVAO deze kan beoordelen, zullen de herstelbeoordelingen zo veel mogelijk nog in 2020 worden uitgevoerd.

Is de Minister het eens met deze leden dat om de druk op de ketel te houden en de bestuurders van deze instellingen een incentive te geven om zo snel mogelijk met een goedgekeurd plan te komen, het uitkeren van de gelden pas zou moeten plaatsvinden nadat zij over een goedgekeurd plan beschikken? Zo nee, kan de Minister dit nader toelichten?

Nee, met deze amvb wordt beoogd om de instellingen over het jaar 2021 meer financiële zekerheid te bieden zodat zij kunnen blijven investeren in de verdere verbetering van de kwaliteit van het hoger onderwijs. Een extra «íncentive» om te komen tot een goedgekeurd plan is niet nodig. Wanneer instellingen bij zowel de plan- als de herstelbeoordeling een onvoldoende resultaat behalen, is er immers al een financiële consequentie. Deze instellingen ontvangen dan namelijk niet langer de studievoorschotmiddelen over 2022, 2023 en 2024. Instellingen die eind 2021 onvoldoende voortgang op hun voornemens hebben gerealiseerd, ontvangen de oploop in studievoorschotmiddelen tussen 2023 en 2024 niet. Ik constateer dat de instellingen – net als ik – de kwaliteitsafspraken serieus nemen. Zij zijn immers ook gedreven om de kwaliteit van het hoger onderwijs verder te verbeteren. Ook hebben we in het systeem waarborgen ingebouwd voor de betrokkenheid van de medezeggenschap en de Raad van Toezicht. Deze horizontale dialoog geeft ook een incentive om tot goede plannen te komen. Het gaat daarnaast voor instellingen om veel geld, dat zij vaak al vastgelegd hebben door het doen van voorinvesteringen en investeringen met de studievoorschotmiddelen in 2019 en 2020.

Welke waarborgen voor kwaliteit bouwt de Minister nu in?

Zoals hiervoor uiteengezet dienen de instellingen een goedgekeurd plan te hebben om in aanmerking te komen voor de kwaliteitsbekostiging over de jaren 2022 tot en met 2024. Afhankelijk van wanneer de instelling het aangepaste plan kan indienen, streeft de NVAO er naar om zo snel mogelijk de herstelbeoordelingen te doen. Voor 2022 is er dan een definitief besluit over de plannen. Daarnaast wordt in 2022 getoetst of de instelling haar voornemens in voldoende mate heeft gerealiseerd in de periode 2019 tot en met 2021. Daaraan is een financiële consequentie verbonden. Instellingen ontvangen de oploop in studievoorschotmiddelen voor de jaren 2023 en 2024 alleen als zij in 2019 tot en met 2021 hun voornemens in voldoende mate hebben gerealiseerd.

Voornoemde leden lezen in het uitvoeringsbesluit dat de Minister stelt dat instellingen momenteel door COVID-19 andere prioriteiten hebben, zoals het vormgeven van goed digitaal onderwijs. De leden hebben begrip voor het feit dat ook van instellingen momenteel veel wordt gevraagd. Is er een mogelijkheid om ook de studievoorschotmiddelen te gebruiken om digitaal onderwijs op een goede manier vorm te geven zodat studenten het beste onderwijs krijgen dat mogelijk is in de huidige omstandigheden, zo vragen de leden.

Onder het thema docentkwaliteit wordt onder meer de professionalisering van docenten verstaan. Professionalisering kan bijvoorbeeld plaatsvinden op inhoudelijk terrein, maar ook op didactisch en digitaal terrein. Ook het thema onderwijsfaciliteiten biedt ruimte om te investeren in digitale onderwijsfaciliteiten. Ik kan me voorstellen dat instellingen hier als gevolg van COVID-19 meer op inzetten. De instelling legt over de inzet van de middelen en proces dat gevolgd is verantwoording af in het jaarverslag. De medezeggenschap dient in de wijziging van de plannen meegenomen te worden.

Deze leden lezen dat de oordeelvorming van de NVAO ook digitaal zal plaatsvinden. Is door de huidige versoepeling ook weer locatiebezoek mogelijk? Zo ja, vindt de Minister deze reden dan momenteel nog gegrond?

Alle instellingen zijn voor de uitbraak van COVID-19 bezocht door een panel. Voor de herstelbeoordelingen is het uitgangspunt dat de beoordeling door de NVAO digitaal wordt uitgevoerd. Mocht de NVAO tot de conclusie komen dat er een locatiebezoek moet plaatsvinden om tot een gedegen advies te komen, dan kan dit met inachtneming van de richtlijnen van het RIVM plaatsvinden. Er worden dus geen concessies gedaan aan de kwaliteit van de beoordeling.

Deze leden lezen dat momenteel voor circa 150 miljoen euro bekostiging nog onduidelijkheid is. Stel dat de Minister voor het aankomende jaar de bekostiging alsnog via de reguliere bekostiging uitkeert, ook aan de instellingen die momenteel nog geen goedgekeurd kwaliteitsplan hebben, op welke manier gaat de Minister dan het jaar daarop controleren of het geld daadwerkelijk terecht is gekomen bij het verbeteren van het onderwijs? Stel dat bijvoorbeeld Tilburg University ook in 2021 niet voldoet aan de kwaliteitsafspraken, kan de Minister het geld over het jaar 2021 dan terugvorderen? Zo ja, gaat de Minister dat dan ook doen? Zo nee, waarom niet?

De studievoorschotmiddelen die over het jaar 2021 worden toegekend via de reguliere rijksbekostiging zullen niet teruggevorderd worden als het plan van de instelling uiteindelijk niet goedgekeurd wordt. Terugvordering van de gelden over het jaar 2021 staat namelijk haaks op het doel van deze amvb, namelijk het bieden van financiële zekerheid over het jaar 2021 zodat instellingen kunnen blijven investeren in de kwaliteit van het hoger onderwijs. De instellingen wiens plan niet goedgekeurd worden kunnen geen aanspraak maken op kwaliteitsbekostiging in 2022 tot en met 2024. Daarnaast hecht ik er aan om nogmaals te benadrukken dat de afspraken op basis van vertrouwen zijn gemaakt en ik er het volste vertrouwen in heb dat instellingen zich uitermate inspannen om de kwaliteit van het hoger onderwijs te verbeteren.

In hoeverre krijgt een instelling ook in 2022 nog een jaar respijt voor het alsnog goedgekeurd krijgen van een plan?

Voor 2022 zullen de planbeoordelingen en herstelbeoordelingen van alle instellingen zijn afgerond, van respijt zal over 2022 dan ook op basis van deze amvb geen sprake zijn.

Is de Minister het met deze leden eens dat als achteraf blijkt dat instellingen het geld niet besteed hebben aan het verbeteren van het onderwijs, dat zij hier dan ook helemaal geen recht op hebben en dat het geld dan dient te worden teruggevorderd? Deze leden ontvangen graag een uitleg.

Terugvordering van de studievoorschotmiddelen maakt geen onderdeel uit van de kwaliteitsafspraken. Er is niet gekozen voor een systeem van terugvorderen, omdat instellingen dan voorzichtiger worden in hun bestedingen en middelen zullen reserveren om mogelijk inkomstenverlies te kunnen dekken. Met de kwaliteitsafspraken is juist beoogd dat instellingen de middelen werkelijk investeren in de kwaliteit van het onderwijs.

Indien het plan van een instelling niet wordt goedgekeurd ontvangen zij over de jaren 2022 tot en met 2024 geen kwaliteitsbekostiging. Wanneer een plan in 2022 onvoldoende gerealiseerd is, ontvangt de instelling de oploop tussen 2023 en 2024 niet.

Voornoemde leden vragen op welke manier de Minister dit uitvoeringsbesluit heeft geconsulteerd bij instellingen en de VSNU9 en VH10?

Al bij de totstandkoming van het eerste servicedocument hoger onderwijs is deze wijziging van de kwaliteitsbekostiging afgestemd met de VH, VSNU en studentenorganisaties. De Tweede Kamer heb ik hierover op 19 maart 2020 geïnformeerd en een afschrift toegestuurd van het servicedocument.11 De onderhavige amvb is een uitwerking van de in het servicedocument beschreven aanpassing van de kwaliteitsbekostiging.

Hoe kijken de instellingen met een reeds goedgekeurd plan naar dit besluit? Zijn die instellingen niet bang dat andere instellingen het geld niet op een adequate wijze besteden?

Er zijn geen signalen waaruit blijkt dat instellingen bang zijn dat instellingen zonder goedgekeurd plan de studievoorschotmiddelen niet adequaat besteden.

Deze leden lezen onder kopje vier, gevolgen, dat de Minister van mening is dat met het wijzigen van het besluit er geen ander effect verwacht wordt op de bestaande doelstellingen van de kwaliteitsbekostiging. De leden vinden dit een vreemde constatering, omdat er nu nogmaals geld wordt uitgekeerd aan instellingen zonder een goedgekeurd plan. Betekent dit dat het eigenlijk niet uitmaakt of een instelling een goedgekeurd plan heeft of niet? Aangezien er dan toch wel voldaan wordt aan de «bestaande doelstellingen»?

Het enige dat wordt gewijzigd met de onderhavige amvb is dat over jaar 2021 de studievoorschotmiddelen worden uitgekeerd via de reguliere rijksbekostiging. De kwaliteitsbekostiging wijzigt verder inhoudelijk niet.

Wat gebeurt er als instellingen desalniettemin niet voldoen aan de bestaande doelstellingen? Wordt het geld dan alsnog teruggevorderd?

Verworden de kwaliteitsafspraken zo niet tot een bureaucratische exercitie zonder gevolgen, waarvan juist de goedwillende instellingen de dupe zijn. Zouden we hen bijvoorbeeld dan financieel juist niet meer studievoorschotmiddelen moeten uitkeren?

Deze leden onderstrepen nogmaals hun begrip voor de huidige situatie, zowel voor studenten, instellingen als de NVAO. Toch vragen zij de Minister wat ze gaat doen als de huidige instellingen zonder een goedgekeurd plan in 2021 alsnog niet over een goedgekeurd plan beschikken. Is de Minister dan niet van mening dat het geld teruggevorderd moet worden? Zo nee, kan de Minister dit uitleggen?

Zoals gezegd maakt terugvordering van de studievoorschotmiddelen geen onderdeel uit van de kwaliteitsafspraken. Indien het plan van een instelling niet wordt goedgekeurd ontvangt zij over de jaren 2022 tot en met 2024 geen kwaliteitsbekostiging. De betreffende middelen worden dan naar rato verdeeld over de andere hogescholen en universiteiten. Daarnaast wordt in 2022 beoordeeld of de instellingen tot en met 2021 voldoende voortgang hebben laten zien op de voornemens zoals die in de plannen zijn benoemd. Is dat niet zo, en na een herkansing van een jaar alsnog niet, ontvangt de instelling de oploop tussen 2023 en 2024 niet. De middelen worden in dat geval via het Comeniusprogramma ter beschikking gesteld aan docenten van de betreffende instelling, die alsnog voorstellen in kunnen dienen op het terrein van onderwijsvernieuwing en -verbetering. Zo komen deze middelen alsnog ten goede aan de onderwijskwaliteit van die instelling.

Op welke manier gaat zij dan de studenten van deze instellingen compenseren, aangezien zij niet hebben kunnen profiteren van de vrijgekomen middelen door het studievoorschot, zo vragen deze leden.

De onderhavige amvb wijzigt niets aan het systeem zoals we dat met alle partijen zijn overeengekomen en waarover de leden van de Tweede Kamer zijn geïnformeerd. Daarbij heb ik er vertrouwen in dat instellingen die een negatief besluit hebben, op korte termijn met aangepaste plannen komen waarin de aanbevelingen van de NVAO zijn verwerkt. Compensatie zoals de VVD stelt is dan ook niet aan de orde.

Inbreng van de leden van de CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het besluit tot wijziging van het uitvoeringsbesluit WHW 2008 in verband met de uitbraak van COVID-19. Voornoemde leden kunnen het voorstel van de Minister volgen vanwege de unieke omstandigheden waarin onderwijsinstellingen zich bevinden. Deze leden hebben geen vragen naar aanleiding van het besluit.

Inbreng van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het Besluit tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008, houdende de aanpassing van de kwaliteitsbekostiging over het jaar 2021 in verband met de uitbraak van COVID-19. Zij waarderen de wijze waarop docenten en medewerkers op hogescholen en universiteiten alles in het werk stellen om het onderwijs zoveel mogelijk doorgang te laten vinden. Zij hebben dan ook begrip om de kwaliteitsbekostiging voor 2021 toe te kennen en gebruiken deze gelegenheid om de Minister nog enkele vragen voorleggen.

Deze leden constateren dat nu er uitstel van de planbeoordeling noodzakelijk is, er voor een deel van de instellingen weinig tijd gaat zijn tussen de planbeoordeling en de beoordeling van de realisatie in 2022. Deze leden hechten eraan te benadrukken dat de kwaliteitsafspraken een ander doel en andere opzet hebben dan de prestatieafspraken. Kan de Minister toelichten wat zij met de beoordeling van de realisatie beoogt te bereiken? Zijn er, indien dat nodig blijkt te zijn, alternatieven voor de beoordeling van de realisatie in 2022 om die doelstellingen te bereiken?

Het doel van de realisatiebeoordeling in 2022 wijzigt niet met de voorliggende wijziging. De NVAO beoordeelt of de instellingen eind 2021 voldoende voortgang hebben behaald op hun plannen. Daarbij wordt rekening gehouden met eventuele gewijzigde omstandigheden en eventuele gewijzigde plannen, als dat door de instelling wordt beschreven. Ook wordt de evaluatie van de medezeggenschap van de realisatie en het proces betrokken bij de oordeelsvorming. Er zijn daarom geen alternatieven nodig voor de realisatiebeoordeling in 2022.

Voornoemde leden constateren dat aanvankelijk was afgesproken dat de NVAO in 2020 een «onafhankelijk landelijk beeld» zou opstellen van de keuzes die in de sector zijn gemaakt en hoe het proces in de instellingen is verlopen. Deze leden vragen de Minister op welke termijn zij verwacht een landelijk beeld aan de Kamer aan te bieden.

De NVAO is nu nog druk bezig met de herstelbeoordelingen. Afhankelijk van wanneer de plannen door de instellingen ingediend worden, zullen die herstelbeoordelingen zo veel mogelijk dit jaar worden afgerond. De planning is om aan het eind van 2020 een eerste beeld te hebben van wat de plannen zijn van de instellingen in het kader van de kwaliteitsafspraken.

Inbreng van de leden van de GroenLinks-fractie

De leden van de GroenLinks-fractie vernemen dat de Minister voornemens is om de gelden uit de studievoorschotmiddelen wederom aan de reguliere rijksbijdrage toe te voegen. Hoewel deze leden erkennen dat het COVID-19 virus processen kan vertragen, betreuren voornoemde leden dat de Minister zich noodzakelijk ziet dit besluit te nemen. Deze leden benadrukken dat onderwijsinstellingen de plannen voor de studievoorschotmiddelen al gereed zouden moeten hebben en vragen of de Minister in hoofdlijnen met de Kamer kan delen wat de oorzaken zijn van de negatieve beoordelingen door de NVAO van zeventien instellingen.

De oorzaken van de negatieve beoordelingen verschillen. Bij veel plannen betreft het een negatief oordeel op het derde criterium: de in de aanvraag beschreven voornemens zijn realistisch gelet op de voorgenomen middelen en gelet op de in de aanvraag beschreven organisatie en processen binnen de instelling. Veelal is daarbij de meerjarige concrete uitwerking onvoldoende.

De Minister beargumenteert dit besluit mede door te stellen dat onderwijsinstellingen geconfronteerd worden door «financiële onzekerheden». Kan de Minister deze financiële onzekerheden met de Kamer delen en toelichten welke maatregelen de Minister neemt om deze onzekerheden te verzachten, zo vragen deze leden.

Als gevolg van de maatregelen die zijn genomen door de uitbraak van COVID-19 krijgen instellingen mogelijk te maken met een lagere instroom aan (internationale) studenten waardoor er minder inkomsten worden gegenereerd. Daarnaast maken de instellingen meer kosten doordat er extra wordt ingezet op digitaal onderwijs. Naar verwachting zullen er ook financiële middelen nodig zijn voor noodzakelijke aanpassingen van de gebouwen van de instellingen. Deze ontwikkelingen zorgen voor financiële onzekerheid bij de instellingen.

Inbreng van de leden van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het Besluit tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008, houdende de aanpassing van de kwaliteitsbekostiging over het jaar 2021 in verband met de uitbraak van COVID-19. De leden hebben begrip voor het besluit om de kwaliteitsbekostiging over het jaar 2021 toe te kennen gezien de situatie. Zij hebben hierover nog wel twee vragen.

Nog niet alle beoordelingen van de plannen voor de kwaliteitsafspraken zijn afgerond. Dit geeft financiële onzekerheid voor instellingen. Deze leden staan achter het besluit om de bedragen in 2021 toe te kennen, maar zouden graag zien dat instellingen hun kwaliteitsplan herzien in het geval deze nog niet is goedgekeurd. Tevens vinden deze leden het belangrijk dat de medezeggenschap op correcte wijze wordt meegenomen in het herzien van de plannen en het monitoren van de kwaliteitsgelden. Op welke wijze gaat de Minister hiervoor zorg dragen?

Indien het plan van de instelling in eerste instantie is afgewezen, dient deze instelling een aangepast plan in te dienen voor de herstelbeoordeling. Dit aangepaste plan wordt net als het eerste plan afgestemd met de medezeggenschap. Een van de criteria die de NVAO hanteert om de plannen te beoordelen, ziet expliciet op het betrekken van interne belanghebbenden bij het opstellen van het plan. De instelling moet zorgen voor voldoende draagvlak voor het plan binnen de instelling. De voornemens voor de kwaliteitsverbetering, zoals die in het (aangepaste) plan worden vastgelegd, komen dan ook tot stand in samenspraak met, onder andere, de medezeggenschap.

Voornoemde leden wijzen erop dat instellingen in de jaren 2020 en 2021 hoogstwaarschijnlijk extra kosten zullen maken vanwege noodzakelijke aanpassingen aan de onderwijswerkelijkheid door COVID-19, bijvoorbeeld door les te geven in kleinere groepen. De leden vragen hoe voorkomen kan worden dat de middelen voor kwaliteitsverbeteringen in deze periode worden gebruikt om financiële gaten te vullen die ontstaan door COVID-19.

Instellingen dienen de studievoorschotmiddelen aan te wenden voor één of meer van de in artikel 4.29 van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 vastgelegde thema’s. Eén van die thema’s in onderwijsintensiteit, hieronder valt de mate waarin kleinschalig onderwijs wordt gerealiseerd. Een ander thema is onderwijsfaciliteiten, waaronder ook een digitale onderwijsomgeving valt. De NVAO beoordeelt of de plannen gerelateerd zijn aan de thema’s en beoordeelt in 2022 of de instelling voldoende voortgang heeft laten zien op de voornemens over de thema’s. Indien nodig kunnen de plannen – in afstemming met de medezeggenschap – worden bijgesteld binnen de thema’s. Door de externe toets van de NVAO wordt voorkomen dat instellingen de middelen gebruiken om financiële gaten te vullen.


X Noot
2

NVAO: De Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie.

X Noot
3

VNSU: Vereniging van Universiteiten.

X Noot
4

VH: Vereniging Hogescholen.

X Noot
5

Kamerbrief over sectorakkoorden hogescholen en universiteiten, 9 april 2018.

X Noot
6

Artikel 3, sub f1, van de Regeling jaarverslaggeving onderwijs.

X Noot
8

NVAO: De Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie.

X Noot
9

VNSU: Vereniging van Universiteiten.

X Noot
10

VH: Vereniging Hogescholen.

X Noot
11

Kamerstukken 31 288 en 25 295, nr. 836.

Naar boven